Militaire autobiografieën uit Afghanistan

Een zevenlandenstudie

Elke zesduizend uitzendingen van militairen levert één boek op. Militaire memoires zijn daarmee een onvermijdelijk gevolg van uitzendingen. Deze boekschrijvers zijn grotendeels representatief voor de algehele militaire populatie. Een krappe meerderheid schrijft positieve verhalen. De negatieve verhalen betreffen vooral desillusies over de zorgzaamheid van de defensieorganisatie, die van de samenleving en ervaringen met posttraumatische stress (PTSS). Dit artikel geeft een profiel van alle schrijvers van militaire Afghanistan-memoires uit zeven landen (de VS, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Canada, Australië, België en Nederland) en het soort plots dat ze schrijven. Interessant daarbij is dat het voorspelbaar blijkt of schrijvers een positief dan wel negatief plot zullen schrijven.

Lt-kol dr. L.H.E. Kleinreesink*

In Amerika werden militairen die net waren teruggekeerd uit Irak en Afghanistan door bekende schrijvers geholpen om een kort verhaal over hun ervaringen te schrijven. Het leverde niet alleen de bestseller Operation Homecoming[1] op, maar ook een Oscarnominatie voor de documentaire[2] over het project. Operation Homecoming vormde de inspiratiebron voor de Volkskrant om, in samenwerking met de Directie Communicatie van het ministerie van Defensie, een soortgelijk project in Nederland op te zetten: literaire trainingskampen voor Afghanistangangers onder leiding van Arnon Grunberg. Ook dit project leidde tot een bestseller: Task Force Uruzgan.[3]

Arnon Grunberg leidt een literair trainingskamp voor Afghanistan-gangers. Foto MCD, S. van Es

Dat dit zeker niet het enige Nederlandstalige boek geschreven door militaire schrijvers was, werd duidelijk op de eerste Veteranen Boekendag in 2012, die door de Stichting Nederlandse Veteranendag werd georganiseerd. Bezoekers konden daar luisteren naar verhalen van veel verschillende schrijvende militairen. Ook de jaarlijkse Veteraan & Boek-tent tijdens de Veteranendag op het Malieveld laat zien dat er heel wat militairen zijn die boeken schrijven over hun ervaringen. Wie zijn precies die militairen die behoorlijk wat tijd spenderen aan een relatief solitaire activiteit om anderen deelgenoot te kunnen maken van hun ervaringen? En wat voor soort verhalen schrijven ze: positief of juist negatief? En valt het te voorspellen wie wat voor soort verhalen zal schrijven? Deze vragen wil ik in dit artikel beantwoorden. Het antwoord op deze vragen is interessant voor iedereen die geïnteresseerd is in militaire boeken en hun schrijvers, en zeker ook voor de Directie Communicatie.

Een historisch fenomeen

Al sinds mensenheugenis schrijven militairen boeken over hun ervaringen. De oudste bewaard gebleven militaire autobiografie is van de Griekse historicus en militair Xenophon uit de vierde eeuw voor Christus.[4] Historisch onderzoek in verschillende landen laat telkens weer zien dat militairen veelschrijvers zijn. Meestal zijn ze  - na religieuze schrijvers - de grootste of een-na-grootste categorie schrijvers.[5] In de database van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis bijvoorbeeld, met 5033 egodocumenten uit Nederlandse archieven die geschreven zijn tussen 1813 en 1914, zijn er 399 door militairen geschreven, 8 procent van het totaal.[6]

In de loop van de eeuwen zijn de schrijvers van dit soort teksten veranderd. Waar het eerder voornamelijk koningen, edelen en generaals waren die boeken schreven over hun oorlogservaringen, begonnen vanaf het midden van de achttiende eeuw ook steeds meer gewone officieren, onderofficieren en manschappen te schrijven en een lezerspubliek te trekken.

Dit had gevolgen voor de onderwerpen waarover ze schreven en de manier waarop dat gebeurde. Waar de koningen en generaals vanuit hun positie een breed inzicht in oorlogvoering gaven, beschrijven gewone soldaten een oorlog vooral vanuit hun eigen ervaringen. Het is een stijl van schrijven die zo populair werd dat aan het einde van de twintigste eeuw zelfs hogere officieren die schrijfstijl gaan overnemen om zo hun eigen geloofwaardigheid te vergroten.[7]

Van ooggetuige naar ‘vleesgetuige’

De Israëlische historicus Yuval N. Harari noemt deze verschuiving één van ooggetuige naar ‘vleesgetuige’. In de Renaissance waren militaire memoires nog op feiten gebaseerd, het waren ooggetuige-verslagen, terwijl hedendaagse militaire autobiografen hun autoriteit eerder halen uit het feit dat ze het daadwerkelijk zelf (‘in vlees en bloed’) hebben meegemaakt. Die verhalen gaan niet zozeer over de feiten, maar vooral over hoe het voelde.

Voor deze ‘vleesgetuigen’ wordt oorlog een bijna mythische openbaring die de betrokkene nieuwe kennis en nieuwe ervaringen oplevert. Volgens Harari monden die openbaringen uit in twee soorten verhalen: ‘groeiverhalen’  als het om een voornamelijk positieve ervaring gaat (‘naïeve jongeling wordt wijze veteraan’) en ‘desillusieverhalen’  als het omgekeerde het geval is (‘naïeve jongeling verwacht als held uit de oorlog te komen, maar oorlog blijkt geen helden maar slechts slachtoffers op te leveren’).[8]

Hiermee wijkt Harari af van wat de meeste wetenschappers als typische twintigste-eeuwse militaire verhalen zijn gaan beschouwen. In navolging van de klassieke studie van de Amerikaanse literatuurwetenschapper Paul Fussell[9] over de verhalen van Eerste Wereldoorlog-schrijvers, voornamelijk dienstplichtigen, gaan zij ervan uit dat hedendaagse soldaten voornamelijk ‘desillusieverhalen’ schrijven. Harari is het daar niet mee eens, maar erkent dat ook hij geen precieze cijfers heeft over de verdeling tussen de verschillende soorten plots.[10]

Militairen uit de Eerste Wereldoorlog, voornamelijk dienstplichtigen, schrijven vooral verhalen over hoe ze gedesillusioneerd zijn geraakt

Gebrek aan cijfermatig inzicht

Dat gebrek aan cijfermatig inzicht is een algemeen probleem onder onderzoekers van militaire memoires. Er worden veel beweringen gedaan over wie er schrijven en wat ze schrijven, maar vrijwel niemand onderbouwt die claims met cijfers. In dit artikel wil ik in deze lacune voorzien door voor een complete set aan internationale militaire memoires de volgende vragen te beantwoorden, met inbegrip van onderbouwing:

  • Wie schrijven militaire memoires? Hoe representatief zijn ze voor militairen?
  • Waarover schrijven ze? Zijn het positieve of negatieve plots? Gaat het over groei, desillusie of zijn het andersoortige verhalen?
  • Is te voorspellen welke militairen positieve of negatieve verhalen schrijven?

 
Onderzoeksmethodologie

Om deze vragen te kunnen beantwoorden, heb ik bij het onderzoek voor mijn proefschrift[11] alle boeken geanalyseerd die militairen over hun ervaringen in Afghanistan hebben geschreven en die tussen 2001 en 2010 gepubliceerd zijn. Elk boek dat in het Engels, Duits of Nederlands was geschreven en voor minimaal 50 procent ging over een uitzending naar Afghanistan, of het nou bij een traditionele uitgever of zelf gepubliceerd was, is onderzocht.[12] Voorwaarde was dat het uit een land kwam waarmee Nederland militair gezien nauw samenwerkt : de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, België, Canada en Australië.

Keuze voor Afghanistan

De keuze voor Afghanistan-memoires was zowel academisch als persoonlijk. Academisch, omdat deze missie qua grootte de belangrijkste missie voor Nederland is geweest in de afgelopen 20 jaar. Daardoor is meer inzicht in Afghanistan-veteranen belangrijk voor Defensie. Persoonlijk, omdat ik zelf ook naar Afghanistan ben uitgezonden en over die ervaringen een militaire autobiografie heb geschreven.[13] Dit boek maakt overigens geen deel uit van dit onderzoek, omdat het na 2010 is gepubliceerd. Tijdens het onderzoek, waarbij elk boek een keer of vijf gelezen is, heb ik een database bijgehouden waarin de benodigde gegevens over auteur (zoals leeftijd, geslacht, soort uitzending, nog steeds werkend voor Defensie) en de verhaallijn (plot) voor elk boek genoteerd werden. Als het niet mogelijk was om de gegevens uit de boeken te halen, dan raadpleegde ik andere bronnen, zoals internet of de auteur zelf.

Werkwijze

Daarnaast heb ik een aparte database aangelegd met vergelijkingsdata voor de zeven landen, om een inschatting te kunnen maken van representativiteit. Deze database bevat gegevens over de indeling van de krijgsmacht per land als het gaat om geslacht, leeftijd, rang, krijgsmachtdeel en status (reservist versus beroeps). Waar mogelijk zijn gegevens uit 2010 gebruikt, afkomstig uit de Military Balance.[14] Als gegevens niet beschikbaar waren, dan werden landspecifieke bronnen gebruikt.[15] Het aantal gevonden boeken (n=54) is groot genoeg (>50) om statistische berekeningen mee uit te voeren en dus iets te kunnen zeggen over de significantie (p<.05)[16]. Tevens staat er een schatting in van het aantal militairen dat tussen 2001 en 2008[17] is uitgezonden naar Afghanistan. Deze schatting is berekend door het aantal posten dat een land in Afghanistan vervult volgens de Military Balance te vermenigvuldigen met de gemiddelde rotatiefactor (RF) per land (zie tabel 1).

Tabel 1 Geschat aantal uitgezonden militairen per land

Om naast de internationale Afghanistan-memoires ook een gevoel te krijgen voor alle andere militaire memoires die in Nederland uitkomen, heb ik tevens de autobiografieën van Nederlandse militairen geturfd die tussen 2001 en 2010 worden genoemd in de boekenrubriek ‘Checkboek’ van het veteranenblad Checkpoint. Dit magazine wordt tien keer per jaar naar zo’n 80.000 veteranen verzonden.[18] Van de ongeveer 500 besproken boeken zaten er 71 Nederlandse autobiografieën tussen.

Soorten plots

Om inzicht te krijgen in het soort verhalen dat militairen schrijven, heb ik gebruik gemaakt van de plotanalyse van Norman Friedman.[19] Friedman onderscheidt 14 verschillende plots. Een plot beschrijft hier de ontwikkeling die de hoofdpersoon in het verhaal doormaakt. Bijvoorbeeld een sympathieke, ambitieuze jongeman die een cruciaal verlies meemaakt, wat ervoor zorgt dat hij totaal gedesillusioneerd raakt. Dit heet een degeneration plot.

De plotindeling van Friedman heeft als voordeel dat de verhaallijnen duidelijk in negatieve en positieve plots zijn in te delen. Het bovenstaande voorbeeld betreft een negatief plot. Bovendien maakt Friedmans indeling het mogelijk om de theorieën van Harari en Fussell kwantitatief te toetsen, omdat twee van zijn veertien plots het soort plots zijn dat Harari ‘groeiverhalen’ noemt (maturing en education plots) en twee ervan het soort plots dat hij als ‘desillusieverhalen’ bestempelt (disillusionment en degeneration plots). De tien resterende soorten (zoals actieplots en sentimentele plots) zijn geen groei- of desillusieverhalen.

Resultaten onderzoek

Retrospectief versus onmiddellijk

Het Checkpoint-onderzoek biedt een eerste inzicht in wie waarover schrijft. Tussen 2001 en 2010 waren Nederlandse militairen vooral op uitzending in Afghanistan en Irak, maar de nieuw uitgekomen autobiografieën die in die periode werden besproken op de Checkboek-pagina's gingen slechts zelden (8 procent) over deze missies zoals te zien is in tabel 2.[20]

Tabel 2 Nederlandse autobiografische boeken besproken in Checkpoint 2001-2010

Het lijkt erop dat de meeste militaire autobiografieën gaan over missies van lang geleden. Het zijn retrospectieve memoires.[21] Dit past goed bij de observatie dat mensen in de laatste fase van hun leven terugkijken op hun verleden om dat een plaats te kunnen geven. Dat wordt een life review genoemd.[22] Het schrijven van een boek is de ultieme manier om zo’n life review te doen. Maar hoe zit het met de onmiddellijke memoires? Dat zijn memoires die tijdens of direct na een missie worden geschreven. Hoe frequent worden die uitgegeven? Voor Afghanistan-memoires geldt dat er een zeer sterke relatie is tussen het aantal uitgezonden militairen in een land en het aantal boeken dat wordt gepubliceerd. Dat is goed te zien aan de rechte lijn in de grafiek van figuur 1.

Figuur 1 Relatie tussen gepubliceerde boeken en # militairen in Afghanistan per land

Op ongeveer elke 6.000 uitgezonden militairen is er één die er, gemiddeld twee jaar na de uitzending, een boek over schrijft. In de twee landen die zo rond die grenswaarde zitten qua aantal uitgezonden militairen (Australië en België) zijn geen militaire memoires te vinden die voldoen aan de definitie, in Canada zijn het er 3, in Nederland en Duitsland 7, in het VK 15 en in de VS 22.

Representatief

Hoe representatief zijn die schrijvende militairen? Als het gaat om de verdeling man/vrouw dan zijn ze uitermate representatief. Vier van de 54 Afghanistan-memoires (7,4 procent) zijn geschreven door vrouwen. Dat klinkt wellicht als weinig, maar wijkt nauwelijks af van de gebruikelijke militaire populatie, waarbij het aandeel vrouwelijke militairen varieert tussen 8,8 procent in Duitsland en 14,8 procent in Canada.

Krijgsmachtdelen

Ook de verdeling tussen de diverse krijgsmachtsdelen is representatief. De meeste schrijvers hebben een landmacht-achtergrond. Het enige ondervertegenwoordigde krijgsmachtdeel is de Nederlandse marechaussee. Geen enkele marechaussee heeft een boek geschreven tussen 2001-2010 over Afghanistan, maar dit is statistisch niet significant.

Als het gaat om de verdeling tussen dienstplichtigen, reservisten en beroepsmilitairen dan begint de representativiteit te dalen. In de onderzochte periode was er alleen in Duitsland dienstplicht, waarbij dienstplichtigen alleen op vrijwillige basis naar Afghanistan konden worden uitgezonden. Naar schatting zo’n 500 tot 600 dienstplichtigen hebben dit gedaan.[23] Dit is een fractie van de grenswaarde voor het schrijven van een boek (zo’n 6.000 militairen). Er zijn dan ook geen schrijvende dienstplichtigen onder de 54 boekenschrijvers.

Reservisten versus beroeps

Voor Amerika, Canada en Duitsland geldt dat de verhouding schrijvers met een reservisten- achtergrond en die met een beroepsachtergrond niet afwijkt van de verhoudingen in die landen. In Nederlands zijn echter veel meer schrijvers reservist (5 van de 7,71 procent) dan op grond van ons reservistenbestand (7 procent) te verwachten is.

In het VK geldt het omgekeerde: daar zijn relatief veel reservisten (32 procent), maar geen schrijvende reservisten. Een verklaring daarvoor vormt de manier waarop de militaire boekenmarkt is opgebouwd. Voor alle onderzochte landen geldt dat beroepsmilitairen acht keer meer kans hebben om een traditionele uitgever te vinden dan reservisten. In het VK worden militaire boeken vrijwel alleen bij traditionele uitgevers uitgegeven, dus dat verklaart de afwezigheid van reservisten.

In Nederland worden juist weinig militaire boeken bij traditionele uitgevers uitgegeven. De meeste militaire schrijvers nemen hun toevlucht tot het zelf uitgeven van hun boek, wat meer reservisten-schrijvers oplevert. De militaire boekenmarkten van andere landen vallen tussen deze twee uitersten in.

Rang

Ook als het gaat om de rang van de schrijvende militairen dan zijn ze maar ten dele representatief voor de gemiddelde militair. Van de 54 schrijvers zijn er 36 officier, 14 onderofficier en 4 soldaten en korporaals. Het percentage onderofficieren wijkt niet significant af van het percentage onderofficieren in de diverse landen, maar er zijn wel veel meer officieren die schrijven (twee-derde van alle schrijvers) dan verwacht en veel minder manschappen. Dit komt overeen met de conclusie van Lucy Robinson, een Britse onderzoekster van Falkland-memoires, dat de onmiddellijke memoires voornamelijk door officieren worden geschreven, terwijl de meerderheid van de retrospectieve memoires juist door lagere rangen worden geschreven.

Niet representatief

Leeftijd

Er zijn twee aspecten waarbij de militaire schrijvers duidelijk niet representatief zijn. Allereerst de leeftijd. Schrijvende militairen zijn gemiddeld 40 jaar oud als hun boek voor het eerst uitkomt. De jongste schrijvende militairen zijn 25 jaar oud, de oudste is 61 en de 40-plussers vormen de meerderheid (58 procent). Dit lijkt totaal niet op de gebruikelijke leeftijdsverdeling van de diverse krijgsmachten, waarbij bijvoorbeeld 19 procent (Canada) tot 29 procent (het VK en Duitsland) van de militairen onder de 25 is en de 40-plussers juist in de minderheid zijn. Het schrijven van boeken is duidelijk iets voor de wat oudere militair. Ofwel omdat boeken meer hun medium zijn, terwijl jongere soldaten andere publieke media zoals blogs aantrekkelijk vinden, ofwel omdat het schrijven van boeken een zekere afstand vergt, die komt met de jaren.

Team of individueel

Het tweede aspect waarbij militaire schrijvers niet representatief zijn, is de manier waarop ze uitgezonden worden, in teamverband of individueel. De schatting van de J1[24] van de Directie Operaties is dat maximaal 10 procent van al het militaire personeel in elk van de genoemde landen individueel wordt uitgezonden. Dat wil zeggen: toegevoegd voor de duur van de uitzending (en de opwerkperiode) aan een eenheid waar ze niet organiek bij geplaatst zijn en na terugkeer ook niet bij blijven werken.

Individueel uitgezonden militairen schrijven opvallend vaak boeken; mogelijk omdat ze de uitlaatklep missen van militairen die in teamverband zijn uitgezonden. Foto MCD, J.K. de Meester

Opvallend is echter dat dat precies de helft van de boeken is geschreven door individueel uitgezonden militairen. Alleen als minimaal 35 procent van alle naar Afghanistan uitgezonden militairen individueel zou zijn uitgezonden, zou dit niet significant hoger zijn dan verwacht. Dit past goed bij de conclusies van een Pools onderzoek onder Afghanistan-veteranen[25] dat aantoonde dat militairen bij voorkeur (76 procent) hun uitzendervaring delen met militairen die ook met hen op uitzending zijn geweest.

Individueel uitgezonden militairen missen deze uitlaatklep. Ze zijn daarom meer gemotiveerd om hun uitzendervaring met de wereld te delen dan in team uitgezonden militairen. Het hoge percentage individueel uitgezonden militairen dat een boek schrijft wijst ook op een ‘zelfhulp motief’: het schrijven van een boek is een manier om met de eigen ervaringen om te gaan, in afwezigheid van gelijkgestemden.

Conclusie

We kunnen uit dit vergelijkend onderzoek dus concluderen dat militaire schrijvers representatief zijn als het gaat om de verhouding man/vrouw, de verdeling over de krijgsmachtdelen en het aantal schrijvende onderofficieren. Militaire schrijvers zijn echter gemiddeld veel ouder en hebben veel meer schrijvende officieren en minder schrijvende manschappen onder hun gelederen dan verwacht, en het aandeel individueel uitgezonden militairen is disproportioneel groot.

Verhaallijnen

De volgende vraag is dan hoe positief of negatief de schrijvende militairen zijn in hun boeken. Beschrijven 21-ste eeuwse vrijwillig in dienst getreden militairen nog steeds vooral hoe ze gedesillusioneerd zijn geraakt door de oorlog, net als hun voornamelijk dienstplichtige voorgangers uit de Eerste Wereldoorlog?

Positief plot: een krappe meerderheid

Als je kijkt naar de overkoepelende verhaallijnen die worden geschreven door de ontwikkeling die de hoofdpersoon doormaakt in het boek te volgen, dan valt allereerst op dat een (krappe) meerderheid van de boeken een positief plot heeft: 31 van de 54 (57 procent). De verdeling van de boeken is zoals Harari voorspeld heeft: de meerderheid (69 procent) zijn openbaringsplots, dus ofwel groeiplots (30 procent) ofwel desillusieverhalen (39 procent). De andersoortige plots (actieverhalen en bewonderingsplots bijvoorbeeld) maken 31 procent van de boeken uit. Daaruit mag dus voorzichtig de conclusie getrokken worden dat hedendaagse militaire memoires niet meer alleen negatief zijn. Echter, een behoorlijke minderheid (43 procent) van de militaire schrijvers schrijft negatieve verhalen, vrijwel allemaal desillusieverhalen.

Twee soorten negatieve plots

Er zijn twee soorten desillusieverhalen. De eerste zijn de degeneration plots. Dit zijn verhalen waarin de persoonlijkheid van de hoofdpersoon in negatieve zin verandert, vooral omdat ze door hun uitzending PTSS hebben opgelopen. Zes van de boeken (11 procent) beschrijft dergelijke uitkomsten van een uitzending. Dat is opmerkelijk omdat onderzoekers van memoires[26] ervan uitgaan dat PTSS-verhalen reflectietijd nodig hebben en dus pas als retrospectieve memoires verschijnen, lang na de oorlog, en niet als onmiddellijke memoires. Het is goed mogelijk dat de aandacht die PTSS tegenwoordig binnen de krijgsmacht krijgt het veel gemakkelijker maakt om hier al snel en openlijk over te spreken en schrijven. In plaats van een persoonlijk falen (zoals ‘shell shock’ in de Eerste Wereldoorlog vaak werd gezien), is het een onfortuinlijk onderdeel van militair-zijn geworden, waar iedereen mee kan worden geconfronteerd.

De tweede soort zijn desillusionment plots. Hier verandert niet de gehele persoonlijkheid van de hoofdpersoon, maar wel de manier waarop hij/zij over bepaalde dingen denkt. De held begint met het geloof in bepaalde waarden en idealen, maar door wat er tijdens de uitzending gebeurt, verliest hij/zij dat geloof. Maar liefst 15 boeken beschrijft dit soort negatieve verhalen (28 procent).

In de desillusieboeken uit de Eerste Wereldoorlog gaat de belangrijkste desillusie over wat oorlog met je doet: de voornamelijk dienstplichtige, mannelijke militairen verwachtten dat de oorlog een man en een held van ze zou maken, maar in plaats daarvan bleek oorlog iets afschuwelijks te zijn. Ze waren een slachtoffer geworden in plaats van een held.

In hedendaagse militaire memoires is de desillusie van een romantisch idee over oorlog nauwelijks meer terug te vinden. Het boek ‘Callsign Hades’ vormt hierop een uitzondering

In de hedendaagse militaire memoires is die desillusie van een romantisch idee over oorlog nauwelijks meer terug te vinden. Slecht een boek heeft dat als voornaamste thema.[27] Kennelijk weten 21-ste eeuwse professionele militairen inmiddels beter wat ze kunnen verwachten van een oorlog, wellicht ook dankzij hun schrijvende voorgangers uit eerdere oorlogen.

Hedendaagse desillusies

Waar moderne militaire schrijvers wel over gedesillusioneerd zijn, zijn twee andere idealen: die van een zorgzame defensieorganisatie en van een zorgzame samenleving. De helft van de disillusionment plots is geschreven door militairen wiens verwachtingen over Defensie niet zijn uitgekomen. In sommige gevallen gaat het om militairen die zich onheus bejegend voelen door Defensie, zoals het verhaal van een Amerikaanse reservist wiens team na afloop van de uitzending vier weken lang zonder enige uitleg effectief gevangen gezet wordt, omdat (naar later blijkt) ze een zeer gevaarlijk antimalariamiddel hebben geslikt dat eerst uit hun systeem moet.[28]

Maar vaak zijn de militaire schrijvers simpelweg teleurgesteld in hun verwachtingen dat ze in een efficiënte en effectieve defensieorganisatie werken, waar voldoende en goed materieel aanwezig is en waar ze van superieuren en collega’s erkenning krijgen voor (de ontberingen van) hun werk. Dit zijn klachten die ook in de positieve plots regelmatig terugkomen, maar dan niet zo overheersend.

Ook de andere soort gedesillusioneerde auteurs, degenen die gedesillusioneerd zijn over de samenleving, zijn teleurgesteld in de erkenning die ze krijgen. Ze hadden bij terugkomst meer belangstelling van hun vrienden, maar ook van de pers verwacht, meer geld voor Defensie of voor gewonde veteranen, of meer inzicht van politici. De gedesillusioneerde schrijvers klágen niet alleen, maar bieden vaak ook oplossingen. Die variëren van een lijst met militair materieel dat nodig is, de oprichting van goede-doelenorganisaties, tot een nieuwe politiek-strategische koers.[29] De klachten die ze uiten hebben betrekking op reële en herkenbare problemen en dragen in een democratische samenleving bij aan het debat over de inzet van militairen.

Voorspelbaarheid van plots

Om te onderzoeken of het mogelijk is om te voorspellen wie positieve en negatieve plots schrijven, zijn een heleboel karakteristieken van militaire schrijvers statistisch getoetst. De meeste daarvan (zoals rang, leeftijd, meerdere uitzendingen, krijgsmachtdeel) hebben geen invloed op het soort plot dat ze schrijven. Er zijn maar twee auteurskenmerken die wel significant zijn: de vraag of ze nog werken voor Defensie als het boek uitkomt en het soort werk dat ze doen.

Werken bij Defensie

In het algemeen werken militaire schrijvers die negatieve plots schrijven niet meer voor Defensie op het moment dat hun boek wordt uitgegeven. Werkende militairen schrijven negen keer vaker positieve verhalen dan voormalige militairen. Dat heeft waarschijnlijk drie redenen. Allereerst de reden van ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’: mensen zijn geneigd om positief te schrijven over de organisatie waar ze in werken en moeten blijven functioneren. Ten tweede weten we uit de sociale psychologie en organisatiekunde dat mensen die de organisatie hebben verlaten sneller geneigd zijn negatief over de organisatie te praten, al was het maar om de cognitieve dissonantie[30] van ‘niet meer voor het bedrijf werken, maar wel positief over dat bedrijf zijn’ op te heffen. In de derde plaats verlaten mensen die negatieve ervaringen hebben sneller de organisatie.

Majoor Niels Roelen, diverse keren uitgezonden op missies voor de VN en de NAVO, schreef ‘Soldaat in Uruzgan’ en ‘Leven na Uruzgan’. Onderzoek toont aan dat militairen die nog bij Defensie werken op het moment dat hun boek verschijnt negen  keer vaker positieve verhalen schrijven. Foto MCD, V. Kuypers
Soort werk: kinetisch of niet?

Het tweede auteurskenmerk dat het soort plot beïnvloedt, is de vraag is of de schrijver primair kinetisch werk doet of niet. Niet-kinetische militairen (gevechtsondersteuners) dragen vooral een wapen voor defensief gebruik (arts, logistiek). Kinetische militairen (combattanten) worden er specifiek op getraind om hun wapen ook offensief te gebruiken (infanterist, gevechtspiloot).

Kinetische militairen schrijven bijna vier keer vaker een negatief plot dan niet-kinetische. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat kinetisch werk minder snel leidt tot positieve verhalen. Het is minder duidelijk wat de (positieve) effecten van hun werk zijn en kinetische militairen hebben een grotere kans om direct met de dood geconfronteerd te worden, zowel in hun eigen team, als dat ze directer betrokken zijn bij het doden van tegenstanders. Het gebruik van geweld is moeilijk en belastend, ook voor professionele militairen.[31] 

Combinatie

Van deze variabelen is de belangrijkste om te voorspellen of iemand een negatief of een positief plot schrijft de eerstgenoemde variabele: ‘werkt de schrijver wel/niet bij Defensie’. De factor werk alléén voorspelt het soort plot voor 30 procent, wat in de statistiek als een groot voorspellend effect wordt beschouwd. Het toevoegen van de kinetische variabele vergroot de score naar 33 procent. Van diegenen die nog steeds bij Defensie werken schrijft 80 procent een positief plot, terwijl voormalig militairen vooral (69 procent) negatieve plots schrijven, zie ook figuur 2.

Figuur 2 Plots voor de combinatie van kinetisch en werk

Conclusie

Met de data uit dit onderzoek in de hand is het mogelijk om een advies aan defensieorganisaties te geven over hoe om te gaan met militaire schrijvers: aanmoedigen, ontmoedigen of negeren? De data laat zien dat in westerse landen de productie van onmiddellijke memoires tegenwoordig een onvermijdelijke consequentie is van het uitzenden van militairen. Het is zelfs mogelijk om met een formule[32] te voorspellen hoeveel militaire memoires er gezamenlijk zullen worden gepubliceerd bij de traditionele uitgevers en via eigen publicatie. De data laat ook zien dat ‘werken bij Defensie’ op het moment dat een boek voor het eerst wordt uitgegeven de meest betrouwbare variabele is om te voorspellen of een boek een positief of een negatief plot heeft. Verder laat het onderzoek zien dat niet-kinetische militairen (in moderne krijgsmachten de meerderheid van de militairen) veel vaker positieve plots schrijven dan kinetische militairen.

Ervan uitgaande dat defensieorganisaties in eerste instantie geïnteresseerd zijn in positieve publicaties (in welk medium dan ook), is het advies aan elke westerse defensieorganisatie als het gaat om militaire schrijvers: probeer ze te stimuleren om te schrijven zolang ze nog in dienst zijn en stimuleer dan vooral die militairen die een niet-kinetische achtergrond hebben. Een goede plek om te zoeken naar bereidwillige schrijvers zijn de individueel uitgezonden militairen, gezien het feit dat deze categorie de helft  van het schrijversbestand uitmaakt. Voor hen is het tevens een goede uitlaatklep voor het verwerken van hun uitzendervaringen. Het advies is dus: aanmoedigen.

 

* Esmeralda Kleinreesink is gepromoveerd aan de Erasmus School of History, Culture and Communication op het proefschrift On Military Memoirs: Soldier-Authors, Publishers, Plots and Motives. Haar eigen Afghanistan-autobiografie heet Officier in Afghanistan (Meulenhoff, 2012).

[1] A. Carroll (ed.), Operation Homecoming: Iraq, Afghanistan, and the Home Front, in the Words of U.S. Troops and Their Families, Chicago, The University of Chicago Press, 2008.

[2] R. Robbins (regisseur), Operation Homecoming: Writing the Wartime Experience, Verenigde Staten, The Documentary Group, 2007.

[3] N. van Bemmel (ed.), Task Force Uruzgan: Waargebeurde verhalen van onze soldaten, Amsterdam, J.M. Meulenhoff bv, 2009.

[4]J.W.I. Lee, Xenophon's Anabasis and the Origins of Military Autobiography. In: A. Vernon (ed.), Arms and the Self: War, the Military, and Autobiographical Writing, Kent and London, The Kent State University Press, 2005.

[5] D. Bjorklund, Interpreting the Self: Two Hundred Years of American Autobiography, Chicago, The University of Chicago Press, 1998; Y.N. Harari, The Ultimate Experience. Battlefield Revelations and the Making of Modern War Culture, 1450-2000, Basingstoke, Palgrave MacMillan, 2008; A. Baggerman, Travellers in Time: Nineteenth-Century Autobiographers and their Fight against Forgetting. In: J.P. Bardet, E. Arnoul & F.J. Ruggiu (eds.), Les écrits du for privé en Europe, du Moyen Âge à l’époque contemporaine. Enquêtes, analyses, publications. Pessac, Presses Universitaires de Bordeaux, 2010.

[6] Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Egodocumenten 1813-1914, www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/Egodocumenten/zoek, 2010.

[7] Y.N. Harari, Military memoirs: A Historical Overview of the Genre from the Middle Ages to the Late Modern Era, in: War in History, (2007) (14) 289-309.

[8] Y.N. Harari The Ultimate Experience.

[9] P. Fussell, The Great War and Modern Memory, New York, Oxford University Press, 1975/2000.

[10] Harari, The Ultimate Experience, 199.

[11] L.H.E. Kleinreesink, On Military Memoirs: Soldier-Authors, Publishers, Plots and Motives, Breda, Nederlandse Defensie Academie, 2014. Beschikbaar op http://repub.eur.nl/pub/51741

[12] Voor een compleet overzicht van alle 54 onderzochte boeken, zie appendix H van Kleinreesink, On Military Memoirs, 2014. Of zie hoofdstuk 10 in L.H.E. Kleinreesink, On Military Memoirs: A Quantitative Comparison of International Military Afghanistan War Autobiographies, 2001-2010, Leiden, Brill, 2017.

[13] E. Kleinreesink, Officier in Afghanistan, Amsterdam, Meulenhoff, 2012.

[14] IISS, The Military Balance, London, The International Institute for Strategic Studies, 2002-2011.

[15] VS: DoD Personnel and Procurement Statistics/Personnel, http://siadapp.dmdc.osd.mil/personnel/MILITARY/miltop.htm; VK: UK Armed Forces Annual Manning Report: Analysis by Rank and Age at 1 April 2011, London, Ministery of Defence, 2011; Canada: J. Park, A Profile of the Canadian Forces, in: Perspectives on Labour and Income, (2008) (9), 17-30; Duitsland: U. Michl, e-mail, 1 mei 2012; Nederland:  Dashboard P&O/Verhouding per geslacht. Ook: R. van Leeuwaarden, e-mail, 31 januari en 9 maart 2012.

[16] In dit artikel worden, op verzoek van de redactie, de uitkomsten van deze berekeningen niet getoond. Deze zijn wel in het proefschrift (Kleinreesink, 2014) of de voortgezette handelseditie (Kleinreesink, 2017) terug te vinden.

[17] Er wordt alleen gekeken naar de aantallen tot 2008, omdat blijkt dat het in de periode 2001-2010 gemiddeld twee jaar na de uitzending duurt voor een dergelijke autobiografie wordt gepubliceerd.

[18] Veteraneninstituut, Checkpoint, 12 (2011) (63), colofon.

[19] N. Friedman, Forms of the plot, in: The Journal of General Education (1955) (8) 241-253. Een uitgebreide toelichting op deze theorie is te vinden in L.H.E. Kleinreesink, On Military Memoirs, 2014, 76-82.

[20] Drie van de 71 boeken beschrijven twee verschillende missies, waardoor de tabel optelt tot 74 i.p.v. 71.

[21] S. Hynes, The Soldiers' Tale: Bearing Witness to Modern War, New York, Penguin, 1997.

[22] R.N. Butler, The Life Review: An Interpretation of Reminiscence in the Aged, in: Psychiatry (1963) (26) 65-76.

[23] G. Kümmel, e-mail 4 juli 2013.

[24] De J1 is (het hoofd van) de afdeling personeel die verantwoordelijk is voor het uitzenden van militairen van elk krijgsmachtdeel. Hier F.P.M. Verweij, telefoongesprek, 26 maart 2013. 

[25] M. Iwanek, Readaptacja żołnierzy powracających z misji wojskowych poza granicami kraju. Sprawozdanie z badań [Adaptatie van militairen na participatie in buitenlandse militaire missies. Onderzoeksrapport], Warschau, Wojskowe Centrum Edukacji Obywatelskiej [Militair centrum voor civiele educatie], 2011.

[26] S. Hynes, The Soldiers' Tale: Bearing Witness to Modern War; R. Woodward & K.N. Jenkings, Soldiers' Bodies and the Contemporary British Military Memoir. In: K. McSorley (ed.), War and the Body: Militarisation, Practice and Experience, London, Routledge, 2013.

[27] P. Bury, Callsign Hades, London, Simon and Schuster, 2010.

[28] M.G. Skelly, A Soldier's Tale: Living and Fighting with the Green Berets, Durham, Eloquent Books, 2010.

[29] Respectievelijk: A. Wohlgethan, Operation Kundus: Mein zweiter Einsatz in Afghanistan, Berlin, Econ, 2010;S. Tootal, Danger Close: Commanding 3 PARA in Afghanistan, London, John Murray, 2009; M. Lindemann, Unter Beschuss: Warum Deutschland in Afghanistan scheitert, Berlin, Econ, 2010.

[30] Cognitieve dissonantie wil zeggen dat als iemand diverse dingen weet die psychologisch gezien niet verenigbaar met elkaar zijn, hij of zij op verschillende manieren zal proberen om ze wel verenigbaar te maken. L. Festinger, Cognitive dissonance, in: Scientific American (1962) (207) 93-107.

[31] Zie bijvoorbeeld R. Collins, Violence: A Micro-Sociological Theory, Princeton, Princeton University Press, 2008.

[32] # boeken = 1,2 + 1,5 * (geschatte aantal militairen in area of operations/10.000).