Geld alleen maakt niet gelukkig

Honderd jaar geleden woedde de Eerste Wereldoorlog nog in alle hevigheid, maar Nederland kon neutraal blijven en de echte verschrikkingen gingen aan ons land voorbij. Toch werden in deze tijd behoorlijke stappen gezet om de krijgsmacht aan te passen aan de dreigingen om ons heen. In deze periode waarin de dreiging werd gevoeld, werd de basis gelegd voor het Nederlandse luchtwapen en dit jaar is het honderd jaar geleden dat de Marine Luchtvaart Dienst werd opgericht. De krijgsmacht was overtuigd dat zij zich tegen de zich snel ontwikkelende dreiging vanuit de lucht zou moeten wapenen en zo werd ook besloten tot het oprichten van de grondgebonden luchtverdediging. In het vorige nummer van de Militaire Spectator is het verloop van de opbouw van deze capaciteit beschreven.[1]

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog kreeg het optimisme de overhand en de wens dat we zo’n vreselijke oorlog nooit meer moesten meemaken werd de vader van de gedachte. Het resultaat was dat de Nederlandse soldaten iets meer dan twintig jaar later met onvoldoende, dan wel volledig verouderd materieel, de ongelijke strijd moesten aangaan en verloren. Na afloop van Tweede Wereldoorlog bleven er nog verschillende brandhaarden over en werd in de westerse wereld het communisme als grote dreiging beschouwd. Er was weinig reden om te bezuinigen op de krijgsmachten. Integendeel: met de oprichting van de NAVO werd de dreiging in samenwerking gepareerd en werd veel geïnvesteerd in defensie, met als resultaat dat ook een klein land als Nederland beschikte over een krijgsmacht die er toe deed. Pas na de val van de Berlijnse Muur kreeg het optimisme weer de overhand en werd in hoog tempo het vredesdividend geïnd.

Nu, nog geen dertig jaar na de val van de Berlijnse Muur, ziet de wereld er weer heel anders uit. De kleine dreigingen, die speelden bij vele regionale conflicten, groeiden uit tot serieuze dreigingen die het voortbestaan van het prettige leven in onze westerse wereld behoorlijk onder druk zetten. Ook de dreiging vanuit de lucht neemt zorgelijke vormen aan. Een pregnant voorbeeld is het tempo waarin Noord-Korea probeert raketsystemen werkend te krijgen. Momenteel vinden daar vrijwel maandelijks proeven plaats met verschillende raketsystemen, zoals de Pukguksong-2/KN-15  en andere op dit moment nog onbekende systemen. De proeven gaan vaak mis, maar al doende leert men en is het wachten op het moment dat ze slagen en Noord-Korea een nucleaire speler wordt. De retoriek van de Noord-Koreaanse leider doet vermoeden dat deze speler niet in ons team kan worden ingedeeld. Ook China lijkt met de Dongfeng 5C weer een systeem aan zijn indrukwekkende capaciteit te hebben toegevoegd. Dichter bij huis testte Iran de Khorramshar, de Hormuz-2 en nog enkele raketten en met Iran aan de kant van de Syrische president Assad lijkt ook dit land geen lid van ons team te gaan worden.

Uit de artikelen in deze editie van de Militaire Spectator blijkt dat Nederland echt niet het enige land uit het vrije Westen is dat het vredesdividend ruimschoots heeft geïnd. In de volle breedte zien we een tekort aan luchtverdedigingscapaciteit. En wat hier geldt, geldt natuurlijk ook voor andere systemen. Weliswaar heeft Nederland stappen genomen en de laatste jaren geïnvesteerd in moderne systemen, zoals Oceangoing Patrol Vessel, Boxer, Fennek, CV-90, NH-90, F-35 en de nieuwe Chinook. Voor enkele systemen is het echter de vraag of ze de evoluerende dreiging aankunnen en bij andere systemen ziet het er naar uit dat het er wel wat weinig zijn. De berichten naar aanleiding van een grootschalige oefening in Polen dat onze krijgsmacht ‘met verouderde zooi’[2] werkt, waardoor de landmacht onder meer niet in staat is goede communicatie tussen de troepen te onderhouden, baren zorgen.

Nu de dreiging ook bij de Nederlandse politici weer op het netvlies staat, lijkt het er op dat er ruimte is om weer meer in de krijgsmacht te investeren. Daarbij moet wel in ogenschouw worden genomen dat niet alleen afscheid is genomen van materieel, maar ook van een deel van het belangrijkste onderdeel van de krijgsmacht: mensen en hun kennis. Als eerste is capaciteit nodig om vast te stellen hoe de evoluerende dreiging kan worden gepareerd. Dat hoeft niet altijd te resulteren in ‘nieuw ijzerwerk’, maar als dat wel zo is, speelt er nog een probleem, want er is veel kennis en kunde nodig om binnen het woud van ingewikkelde, veelal zelf opgelegde (!) regels, binnen een redelijke termijn een noodzakelijk (wapen)systeem aan te kunnen schaffen. De huidige situatie geeft weinig reden tot optimisme en de resultaten uit het verleden ook niet.

De situatie bij de NAVO-oefening in Polen komt niet als een verrassing en dient als voorbeeld. De verouderde communicatiemiddelen zijn al jaren een doorn in het oog van de landmacht- en collega-commandanten. Een oplossing laat al jaren op zich wachten. Toen het Korps Mariniers in 2002 behoefte had aan een modern communicatiesysteem, was de eerste reactie dat binnen het defensiebrede project voor vervanging van radio’s[3] onder te brengen. Daarop werd, met als reden dat onze mariniers niet meer in staat waren te communiceren met de collega’s in het Verenigd Koninkrijk, hun voornaamste partner, het NIMCIS[4] doorgedrukt. Met dank aan een destijds onwrikbare KM-leiding kunnen de mariniers met hun communicatie meespelen in een hecht internationaal team. Veilige communicatie met CLAS, die aan diverse operationele eisen moet voldoen, is met de huidige verbindingsmiddelen een grote uitdaging. We moeten er niet aan denken als destijds was aangesloten bij het defensiebrede project.

Helaas is dit niet het enige voorbeeld. De onder financiële druk uitgevoerde efficiency-maatregelen hebben negatieve consequenties voor de slagkracht van onze krijgsmacht gehad. In een materieel-logistieke omgeving bestaat de vuistregel dat de tijd die je nodig hebt om uit de ellende te raken ongeveer twee keer zo lang is als de tijd die is verlopen om in deze precaire situatie terecht te komen en dat voorspelt niet veel goeds. Mocht er geld ter beschikking komen om te investeren in een krijgsmacht die beter op de evoluerende dreiging is toegerust, dan zal er veel aandacht moeten zijn voor de capaciteit en de kennis en kunde om deze investeringen snel en accuraat te doen. Dat hier ook iets zal moeten worden gedaan aan het oerwoud van onduidelijke, dan wel doorgeslagen regelgeving mag ook duidelijk zijn. Daar is niet alleen een brede visie voor nodig, maar zeker ook daadkracht, doortastendheid en geen angst om langs de grenzen van de regelgeving te marcheren.

[1] Dr. P.E. van Loo en dr. Q.J. van der Vegt, ‘Een eeuw grondgebonden luchtverdediging’ in: Militaire Spectator 186 (2017) (5) 238-251.

[2] ‘Landmacht oefent met ‘oude zooi’’, in: De Telegraaf, 1 mei 2017.

[3] Defensie Materieel Projectenoverzicht 2016, blz. 99.

[4] NIMCIS staat voor Nieuwe generatie Mariniers Communicatie en Informatie Systeem.