Inzet en operaties van het Korps Rijdende Artillerie in een nieuwe tijd (1945-2005)

In de artikelen 'De rijke geschiedenis van het Korps Rijdende Artillerie (1793-1945)' staat de geschiedenis en reputatie van het Korps Rijdende Artillerie in de periode 1793 tot 1945 centraal. Dit artikel pakt de draad op na de Tweede Wereldoorlog en richt zich op de periode 1945-2005. De centrale vraag luidt: waar staat het Korps Rijdende Artillerie momenteel? Om een antwoord te kunnen geven op deze vraag, schetst dit deel een beeld van de heroprichting van de rijdende artillerie in Nederland en uiteindelijk van de heroprichting van het Korps Rijdende Artillerie. Daarnaast gaat dit artikel in op recentere operaties, waarbij ook de verhuizingen naar de Saksen Weimarkazerne in Arnhem en ’t Harde aan bod komen.

’Nous sommes tous de francs lurons dans l’artillerie légère’[1]

Strofe uit het eerste couplet van het Lied der Rijdende Artillerie

Kolonel drs. A.J.H. Bouwmeester, MMAS

Beroeps- en reserveofficieren behorende tot het korps bleven elkaar ook na de opheffing opzoeken voor het jaarlijkse korpsdiner, dat altijd plaatsvond rond de verjaardag van het korps op 21 februari.[2] Het was traditie geworden dat de oudst aanwezige rijder de tafelrede hield. De collectie met waardevolle voorwerpen die in de loop der jaren was opgebouwd bleef eigendom van de stichting Het Museum van het Korps Rijdende Artillerie. Vele kostbare voorwerpen en schilderijen waren tijdens de Tweede Wereldoorlog beschadigd of zoek geraakt. Zo bleek de zilveren korpsbeker, geschonken bij het eeuwfeest in 1893, spoorloos verdwenen. De korpsdiners vonden aanvankelijk in Den Haag plaats. Later organiseerden de rijders het diner in het geheel herbouwde Arnhemse café-restaurant Royal, naast de locatie waar voor de oorlog de Willemskazerne stond. Deze kazerne was tijdens de Slag om Arnhem in 1944 volledig verwoest. [3]

Initiatieven

Bij veel rijders leefde de hoop weer een Korps Rijdende Artillerie op te richten. Soms leidde dit tot activiteiten. Tijdens de inhuldiging van koningin Juliana op 6 september 1948, reden zeven officieren[4] van de rijdende artillerie, onder leiding van reserve-kolonel mr. Ch. van Houten, op schimmels en gestoken in gouden dolman mee in de inhuldigingsstoet. Het betrof een eigen initiatief, maar wel met instemming van prins Bernhard. Binnen de Vereniging Officieren Artillerie (VOA) ontstond steeds meer de wens om een garde-batterij op te richten, gekleed in dolman en uitgerust met de oude 7-Veld, voor ceremoniële taken. Het Wapen der Infanterie had ook zulke ere-compagnieën, gestoken in nieuw aangeschafte ceremoniële tenuen van de garderegimenten Grenadiers, Jagers en Fuseliers Prinses Irene, die deelnamen aan plechtigheden van het Koninklijk Huis. Tot spijt van de leden van de VOA strandde dit initiatief. [5] 

 

Overgang van de 11e Afdeling Veldartillerie naar de rijdende artillerie, waarmee de traditie van het Korps Rijdende Artillerie door deze eenheid onder de naam 11e Afdeling Rijdende Artillerie werd voortgezet. Inspectie door lgen A.V. van den Wall Bake, Oranjekazerne, Schaarsbergen, 1963. Foto Beeldbank NIMH

Een aantal oud-rijders bleef pogingen ondernemen het Korps Rijdende Artillerie onderdeel te laten worden van de Koninklijke Landmacht. Kolonel De Haan, oud-korpscommandant, overtuigde de toenmalige Chef van de Generale Staf, luitenant-generaal A.V. van den Wall Bake. Diens vader was voor de oorlog zelf korpscommandant geweest, en zijn beide grootvaders waren rijder. Prins Bernhard, inmiddels Inspecteur-Generaal van de Koninklijke Landmacht[6], stemde ook in met het voorstel. Het sprak voor zich dat Arnhem weer de standplaats zou worden.[7]

Voortzetting van de traditie

Uiteindelijk stemde staatssecretaris van Defensie M.R.H. Calmeyer in 1962 in met het plan. De Koninklijk Besluiten nummers 79 en 80 van 14 augustus 1962 bepaalden dat 11 Afdeling Veldartillerie voortaan door het leven zou gaan als 11 Afdeling Rijdende Artillerie en de tradities van de rijdende artillerie zou gaan voortzetten. Tot oprichting van een Korps Rijdende Artillerie kwam het nog niet. Wel bepaalde Van den Wall Bake dat de rijders goed herkenbaar moesten zijn. Daarom stelde hij voor de rijders als enige van de landmacht een donkerblauwe kwartiermuts met gele biezen te laten dragen. Het betrof een kopie van de oude blauwlakense stalmuts van het Korps Rijdende Artillerie. [8] 

Misplaatste romantiek?

Op woensdag 16 januari 1963 gaf luitenant-generaal A.V van den Wall Bake tijdens een appel aan de afdeling het commando: ‘Zet af… baret!’, gevolgd door ‘zet op….  muts!’[9] Niet iedereen kon zich vinden in het feit dat de tradities van de rijders nieuw leven was ingeblazen. NRC Handelsblad betichtte de legerleiding ervan rond de krijgsmacht misplaatste romantiek te creëren. Anderen spraken van een anachronisme.

Bij de omvorming van een cavalerie- of pantserbrigade lag het voor de hand om de daarbij ingedeelde artillerie te transformeren tot rijdende artillerie. Het omvormen van een willekeurige afdeling tot rijdende artillerie zagen de critici als kunstmatig. Minister van Defensie ir. S.H. Visser pareerde alle kritiek.[10] In antwoord op Kamervragen stelde hij: ‘Voor iedere krijgsmacht is het van belang de herinnering aan plichtsvervulling en zelfopoffering in het verleden te bewaren. In dat licht moet de traditievoortzetting van de rijdende artillerie worden gezien. Hierbij is niet anders gehandeld dan daarvoor ten aanzien van de regimenten huzaren, grenadiers en jagers.’[11] 

Koude Oorlog

In de jaren 60, 70 en 80 van de vorige eeuw was 11 Afdeling Rijdende Artillerie onderdeel van 11 Pantserinfanteriebrigade. De afdeling leverde rechtstreekse vuursteun aan de brigade. Aanvankelijk verrichtte ze haar taak met de 25-ponder; een Britse getrokken vuurmond uit 1935. In april 1964 ging de afdeling over naar de 105mm M1A1 getrokken houwitser; een Amerikaanse vuurmond die sinds de Tweede Wereldoorlog in productie was en een maximum dracht had van 11 kilometer. In 1969 kreeg de afdeling de beschikking over de Franse AMX Pantser Rups Artillerie, die men overnam van 41 Afdeling Veldartillerie, de afdeling die gelegerd was in het Duitse Seedorf. Vanaf 1982 stroomde de Amerikaanse M-109 A2 155 mm, een vuurmond op rupsen, langzamerhand in bij de afdeling. Regelmatig ging de afdeling in deze periode op oefening, aanvankelijk op de Ginkelse Heide, nabij Arnhem, voor tactische oefeningen, en naar het Artillerie Schiet Kamp in Olderbroek voor schietoefeningen. Later ging de afdeling ook veelvuldig naar Baumholder en Munster-Süd in West-Duitsland. [12]

Vanaf 1982 stroomde de Amerikaanse M-109 A2 155 mm, een vuurmond op rupsen, langzamerhand in bij de afdeling. Foto Beeldbank NIMH

In 1972 kreeg de rijdende artillerie een eigen ruimte op de Oranjekazerne, waar de collectie van het museum van het Korps Rijdende Artillerie weer kon worden getoond.[13] In februari 1965 kreeg de afdeling haar eerste paard cadeau. Daarop richtten enkele rijders een rijvereniging op die later is overgegaan in de stichting van het Korps Rijdende Artillerie. Nadat de rijvereniging een stuk grond van een boer in de omgeving van de Oranjekazerne had gepacht, opende het korps op 4 juli 1969 officieel een manege gelegen nabij de kazerne in Schaarsbergen, nabij Arnhem.[14]

In 1973, tien jaar nadat 11 Afdeling Veldartillerie was overgegaan naar de rijdende artillerie, werd het Korps Rijdende Artillerie weer in oude luister hersteld. Het besluit dat hiertoe was genomen, stelde tevens dat het korps de datum van 21 februari 1793 diende te blijven herdenken als datum waarop de rijdende artillerie in Nederland officieel was opgericht.[15] Vanaf 1980 tot aan 2005 maakte 13 Afdeling Rijdende Artillerie als mobilisabele afdeling deel uit van het Korps Rijdende Artillerie.[16]

Eind jaren tachtig kwam de Koude Oorlog ten einde. De Oost-West verhoudingen veranderden ingrijpend. Voor de Nederlandse krijgsmacht brak een nieuw tijdperk aan. De aandacht verschoof langzaam van landsverdediging naar ‘crisisbeheersingsoperaties overal ter wereld’. [17] Dat was de reden waarom de landmacht onder meer 13 Afdeling Rijdende Artillerie uiteindelijk weer ontbond.

Na de Koude Oorlog

Uitbundig eeuwfeest

In 1991 verhuisden de rijders van de Oranjekazerne naar de Saksen Weimarkazerne, aan de rand van Arnhem, waar voorheen de grenadiers hadden gezeten. Twee jaar later, in 1993, vierden de rijders hun tweede eeuwfeest uitbundig, met onder meer een defilé door de stad Arnhem, de uitgave van een speciale postzegel en een herinneringsboek.

De bevelsverhoudingen binnen de landmacht gingen in deze periode verschuiven. In 1991 stapte 11 Afdeling Rijdende Artillerie over van 11 Pantserinfanteriebrigade naar 12 Pantserinfanteriebrigade. De 11-de brigade ging zich immers omvormen tot een luchtmobiele brigade met eigen mortieren, en nog weer later naar een Air Manoeuvre Brigade met Apache-gevechtshelikopters en Chinook- en Cougar-transporthelikopters. Een afdeling met gemechaniseerde M-109s paste daar niet bij. In 1994 viel door bezuinigingen het doek voor de 12-de brigade, die inmiddels was veranderd in een gemechaniseerde brigade. 11 Afdeling Rijdende Artillerie bleef bestaan en kwam onder bevel van 13 Gemechaniseerde Brigade in Oirschot.

Kolonel van het Korps (KvK)

De titel ‘Kolonel van het Korps’ is een erefunctie, die voor Nederland zijn oorsprong vindt in het Staatse leger. Destijds waren regiments- en korpscommandanten belangrijke lieden die naast deze functie ook andere militaire of maatschappelijke functies vervulden. Zij lieten de dagelijkse leiding over aan de commandant. Na de ontbinding van het Staatse leger in 1795 verdween ook nagenoeg deze erefunctie. In de 19e en 20e eeuw werd de functie in Nederland nog enkele malen toegekend, meestal aan lieden van koninklijke bloede. Zo werd de latere Koning Willem III, toen hij nog Prins van Oranje was, benoemd tot Kolonel van het Garderegiment Grenadiers. Andere landen kennen ook een dergelijke traditie, en het kan grensoverschrijdend zijn. Zo werd Groothertog Jean van Luxemburg in 1984 door Koningin Elizabeth II benoemd tot ‘Colonel in Chief’ van de Irish Guards, een eenheid waarbij hij tijdens de Tweede Wereldoorlog had gediend. Op 30 oktober 1979 werd de luisterrijke traditie bij het Korps Rijdende Artillerie hersteld. Vanaf dat moment kende het Korps Rijdende Artillerie naast een Korpscommandant, belast met de dagelijkse leiding, ook een ‘Kolonel van het Korps’ (KvK). De KvK is tegenwoordig per definitie een oud-commandant van het Korps Rijdende Artillerie, die optreedt als adviseur van de Korpscommandant, vooral waar het tradities van het korps betreft.

Kolonels van het Korps Rijdende Artillerie:

Kolonel b.d. J.A. baron de Smeth                   1979 - 1996
Luitenant-generaal b.d. W.J. Loos                1996 - 2007
Luitenant-generaal b.d. H. Sonneveld         2007 - heden

Paradepaardje

Opmerkelijk genoeg kreeg de afdeling in 1995 te horen dat ze naast 13 Gemechaniseerde Brigade ook deel ging uitmaken van de Multi National Division (Central), kortweg MND-C, met het hoofdkwartier in het Duitse Mönchengladbach. Double hatted, zoals de korpscommandant het destijds verwoordde in de Korpsmededelingen.[18] MND-C was een snel inzetbare divisie gericht op het luchtmobiele concept, en diende het paradepaardje van de NAVO te worden. De divisie bestond naast de afdeling uit de Belgische Paracommando Brigade, de Duitse 31 LuftLande Brigade, de Nederlandse 11 Luchtmobiele Brigade en de Britse 24 Airmobile Brigade. Studies uitgevoerd door NAVO’s AFCENT[19] hadden midden jaren ’80 van de vorige eeuw aangetoond dat het luchtmobiele concept de toekomst had, ook na het einde van de Koude Oorlog. Maar of een afdeling met M-109 vuurmonden op rupsen daar nu in paste? Aanvankelijk kregen de secties S-3 (operatiën) en S-4 (logistiek) van de afdeling veel telefoontjes vanuit Mönchengladbach. Het hoofdkwartier van MND(C) wilde weten hoeveel vuurmonden van de afdeling er in en onder een Chinook-helikopter pasten.[20] Al snel werd de afdeling tijdens oefeningen met de divisie in België, Duitsland en Denemarken volledig geaccepteerd binnen MND(C).

De Balkan

De jaren ’90 van de vorige eeuw lieten op geopolitiek gebied veel veranderingen zien. De Sovjet-Unie viel uiteen in een Gemenebest van Onafhankelijke Staten, het Warschaupact hield op te bestaan en op de Balkan, vooral in het voormalige Joegoslavië, begon het flink te rommelen. Nederland besloot om deel te nemen aan VN-vredesmissies in voormalig Joegoslavië, waarbij de hoofdinspanning uiteindelijk in Bosnië kwam te liggen. Naast een verbindingseenheid, logistieke eenheden en een infanteriebataljon stuurde Nederland VN-waarnemers die op lokale overeenkomsten moesten toezien.[21]

Deze waarnemers waren veelal officieren, ook het korps leverde er een aantal. Sommige van deze waarnemers zijn gegijzeld geweest door Servische troepen, die daarmee beslissingen probeerden te forceren in het vredesproces.

IFOR en SFOR

Eind 1995 nam de NAVO na langdurige onderhandelingen met de Implementation Force (IFOR)[22] het stokje over van de VN. Het aantal individueel uitgezonden rijders liep in 1995 op tot in totaal dertig personen.[23] Het jaar erop bleef de afdeling veelvuldig militairen op individuele basis uitzenden. Gedurende het jaar 1996 zond de afdeling 27 rijders uit, verspreid over verschillende Nederlandse eenheden in voormalig Joegoslavië.[24]

Medio 1997 leverde de afdeling een aantal rijders voor de wapenlocatieradar in Bosnië. Later dat jaar kreeg de 2-de Batterij van 11 Afdeling Rijdende Artillerie te horen dat ze aan het eind van 1997 de taken van het mortierpeloton en de mortieropsporingsbatterij in de derde lichting van NAVO’s Stabilization Force[25] (SFOR-3) zou overnemen. Na een drukke opwerkingsperiode roteerde de batterij op 7 december 1997 in, en eind mei 1998 keerde zij weer huiswaarts.[26] Vanwege verdere afslanking van SFOR nam de NAVO de mortieropsporingseenheid uit de slagorde.[27] Het was de eerste keer sinds de Tweede Wereldoorlog dat een gehele eenheid van het Korps Rijdende Artillerie aan een operatie deelnam.

Ondersteuning van de OVSE

De Nederlandse regering stelde in oktober 1998 op informele wijze een afdeling artillerie ter beschikking voor een NAVO-troepenmacht in Macedonië. Deze zogeheten Extraction Force diende de op handen zijnde waarnemingsmissie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) in Kosovo te gaan ondersteunen. De OVSE zou er op toezien dat de Servische president Slobodan Milosevic zijn troepen in Kosovo weer naar de kazernes zou terugsturen. Maar de missie was al snel een mislukking.

De ongeregeldheden in Kosovo hielden aan en in januari 1999 vond er een bloedbad plaats onder de Albanese bevolking in het dorpje Racak. De internationale gemeenschap onder leiding van de Verenigde Staten deed in februari nog een verwoede poging in het Franse Rambouillet een diplomatieke oplossing mogelijk te maken, maar het mocht niet baten. Daarop voerde de NAVO luchtaanvallen uit op Servië, die weken duurden.[28]

Tijdens de tweede week van de schietoefening in Munster-Süd in de winter van 1999 kreeg de afdeling de ‘hrm-opdracht’[29] gericht op Kosovo. Dat was uniek in de naoorlogse geschiedenis, want Nederland had nog nooit alleen een artillerie afdeling aangeboden. Er zat een drieledige reden achter. Ten eerste waren de infanteriebataljons al in een schema voor Bosnië opgenomen en de leiding van de landmacht wilde dat ritme niet doorbreken. Vervolgens zou Duitsland, als één van de lead nations, een brigade leveren. Daartoe werd de 12 Panzer Brigade aangewezen, die zelf geen vuursteuneenheid had. En in de derde plaats stond de afdeling al op een notice to move[30] van twintig dagen vanwege haar taakstelling binnen de snel inzetbare MND(C).[31]

Luchtaanvallen

Nadat de onderhandelingen in Rambouillet op niets waren uitgelopen, en China en Rusland een resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties blokkeerden, gaf de secretaris-generaal van de NAVO, Javier Solana, op 22 maart 1999 toestemming voor luchtaanvallen op doelen in Servië. Op diezelfde dag startte de luchtcampagne van de NAVO, in eerste instantie gericht op luchtverdedigingssystemen, verbindingscentra en aanvoerlijnen van het Servische leger.[32]

De NAVO wilde ook graag grondeenheden in het gebied ontplooien en verzocht Nederland eind maart 1999 een mortieropsporingsbatterij naar Macedonië te sturen. De batterij kwam aanvankelijk onder Brits bevel.[33] Op 2 april 1999 besloot de Nederlandse regering een vuurmondpeloton van de afdeling naar Macedonië te sturen. Het peloton arriveerde op 21 april in Macedonië en vanaf 30 april kwam het onder bevel bij de Duitse brigade. Op 10 juni vertrok de rest van afdeling naar Macedonië en werd het met het vuurmondpeloton verenigd als onderdeel van de Duitse brigade.[34]

Militairen van 11 Afdeling Rijdende Artillerie tijdens inzet in Kosovo, 1999. Foto Beeldbank NIMH

Groen licht van de Veiligheidsraad

Ondertussen leidde de luchtcampagne tot niets; Milosevic gaf geen krimp. Het leek er aanvankelijk zelfs op dat de etnische zuiveringen in Kosovo toenamen. Uiteindelijk bond Servië in, en op 9 juni ging Belgrado akkoord met een staakt-het-vuren en een gefaseerde terugtrekking van Servische troepen uit Kosovo. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zette op 10 juni 1999 het licht op groen voor zowel een civiele als militaire operatie in Kosovo. De United Nations Mission in Kosovo (UNMIK) zou de wederopbouw ter hand nemen, terwijl de door NAVO geleide vredesmacht Kosovo Force (KFOR) het militaire deel voor haar rekening nam.[35] Op 12 juni trokken de eerste militairen van de hoofdmacht Kosovo binnen en op 13 juni kreeg de afdeling opdracht naar de omgeving van Orahovac te gaan. Vanaf 15 juni liepen de rijders de eerste sociale patrouilles en zagen ze toe op de orde en rust in en om Orahovac. De afdeling liet zien dat ze naast haar artillerietaken ook als Ersatz Infanterie, zoals de Duitse brigadecommandant het noemde, kon worden ingezet.

Een eigen AOR

De afdeling kreeg een Duits tankeskadron met acht Leopard-II tanks onder bevel. [36] Rondom Orahovac kreeg de afdeling een eigen Area of Responsibility (AOR); een afgebakend gebied waar de eenheid verantwoordelijk is voor de veiligheid. De afdeling verrichtte vele bestuurlijke en politietaken. Ze installeerde een centraal klachtenbureau waar Kosovaren hun grieven kwijt konden. Zo ontstond het eerste politiebureau in Kosovo.[37] Dat was een mooie opsteker. Minder fraai was dat in de AOR verschillende massagraven werden ontdekt. De afdeling heeft menig keer ondersteund bij de ontruiming van dergelijke graven.[38] Eind juni nam de spanning in de AOR van 11 Afdeling Rijdende Artillerie toe. In de nacht van 27 op 28 juni 1999 staken provocateurs diverse huizen in brand. Als reactie schoten de rijders schoten om 00.30 uur met lichtgranaten boven Orahovac. Showing the force: de harde klappen van het schieten met de M109 zou de onruststokers afschrikken. Het waren de eerste artillerieschoten in een crisisgebied sinds de dekolonisatieoorlog, eind jaren ’40 van de vorige eeuw in Indonesië.

Gezamenlijke patrouilles

Medio juli arriveerden een Turkse en een Russische compagnie, die beide bij de afdeling onder bevel werden gesteld. Turken, Russen, Duitsers en de Nederlandse rijders liepen nu gezamenlijk patrouilles in de AOR van 11 Afdeling Rijdende Artillerie. Eind juli arriveerde een tweede Russische compagnie, waarna de twee Russische eenheden een eigen gebied rondom het plaatsje Malisevo kregen. Volgens planning zou in september de rest van het Russische bataljon volgen en de taken van de afdeling overnemen. De afdeling zou dan naar Suva Reka gaan. De Kosovaren wilden de rijders niet kwijt en wierpen blokkades op. Desondanks zette een vuurmondpeloton van de 1e Batterij half oktober koers richting Suva Reka, waar de rest van de batterij zich begin november ook naartoe verplaatste. De Russen bleven in Malisevo en behielden daar hun eigen gebied.[39]

Tweede Kamerleden bezoeken de Gele Rijders in Kosovo. Foto Beeldbank NIMH

Begeleiden van konvooien

Naast de artillerietaken en de ordehandhaving diende de afdeling zich te richten op het begeleiden van konvooien. Dat was niet zonder risico’s want de Servische en Albanese Kosovaren vlogen elkaar regelmatig in de haren. Begin december 1999 werd de afdeling afgelost door 41 Afdeling Veldartillerie uit het Duitse Seedorf.[40] Terwijl de afdeling zich begin 1999 aan het voorbereiden was om naar Kosovo te gaan moesten de rijders gelijktijdig van vredeslocatie wisselen. Na 118 jaar in Arnhem te hebben doorgebracht, namen de rijders hun intrek in de Luitenant-kolonel Tonnetkazerne in ’t Harde.[41] Daar keerde de afdeling vlak voor het begin van het nieuwe millennium naartoe in Nederland.

Het nieuwe millennium

Koninklijk huwelijk

Het heeft na de verhuizing van 1999 nog bijna een jaar geduurd voordat al het materieel van de afdeling vanuit Kosovo door alle inspecties weer terug was op de Tonnetkazerne. Al snel was de blik op de nieuwe activiteiten gericht. In 2002 leverde het korps een bereden ere-escorte bij een koninklijk huwelijk. Op 2 februari 2002 trad de prins van Oranje in Amsterdam in het huwelijk met Máxima Zorreguieta. Een detachement rijders te paard reed mee in de stoet van het huwelijkspaar, gezeten in de gouden koets, door de hoofdstad.[42] Het korps was erg verguld met deelname aan de stoet. Eindelijk waren de rijders weer zichtbaar in het bereden ceremonieel van de krijgsmacht. Het detachement rijders oogstte veel bijval, maar het bleef voorlopig bij deze ene keer.

De gehele stoet voor de rondrit door Amsterdam in februari 2002, na afloop van de huwelijksvoltrekking tussen Willem-Alexander en Maximá, bestond uit de Koninklijke Militaire Kapel, de Koningscompagnie van het Garderegiment Grenadiers en Jagers met vaandel en vaandelwacht, een bereden detachement van de Koninklijke Marechaussee, een bereden detachement van het Korps Rijdende Artillerie onder leiding van de korpscommandant, een bereden detachement van het Korps Landelijke Politiediensten, de Gouden Koets met het jonge paar en getrokken door zes Gelderse paarden en begeleid door twee bereden Adjudanten van H.M. de Koningin, en tenslotte het Cavalerie Ere-escorte.

Zie: A.C. Zuidema, Koninklijke Medailles  (Amsterdam, Uitgeverij Boom, 2002) 11. Tevens: Th. Van Leeuwen en A. Stofberg, De Gouden Koets. Van Amsterdams Geschenk tot Nationaal Symbool (Zwolle, Uitgeverij Waanders, 2010) 136.

Uitreiking standaard

In september 2002 reikte koningin Beatrix op het Artillerie Schietkamp in Oldebroek aan de Korpsen Veld- en Rijdende Artillerie een standaard[43] uit, en aan het Korps Luchtdoelartillerie een vaandel.[44] Aanvankelijk bestond er weerstand bij oudere artilleristen, maar de gereserveerdheid verdween snel.[45] Met een standaard zijn de beide bereden korpsen van de artillerie meer herkenbaar bij ceremoniën. Wel bestaat nog altijd scepsis bij de artilleristen over het gebruik van de standaard tijdens beëdigingen. Immers, het kanon was eeuwenlang hun banier. Met hun hand op de schietbuis met daarop een sjabrak[46] legden artilleristen de eed of belofte af.

 

Vaandelwacht van het Korps Rijdende Artillerie. Foto KRA

Uitvaart

Terugkijkend was 2002 een jaar met koninklijke hoogte- en dieptepunten. Het korps leverde op 15 oktober 2002 een detachement bij de uitvaart van prins Claus, de echtgenoot van koningin Beatrix. Het korps vaardigde twee afzonderlijke saluutbatterijen af van in totaal tachtig rijders in dolman, die minuutschoten afgaven tijdens de graflegging in Delft.[47]

Irak

In 2003 kreeg de 1e Batterij aanvankelijk te horen dat ze als doelopsporingseenheid naar Afghanistan zou gaan, maar dat ging niet door. De defensiestaf zette de opdracht om in een andere operationele taak: helikopter beveiligingsdetachement in Irak. Uiteindelijk verzorgde de 1e Batterij drie opeenvolgende rotaties.[48] Het detachement rijders maakte deel uit van de tweede lichting van de Stabilization Force (SFIR-2) in Irak.

Beveiliging helikopterdetachement

SFIR kreeg de taak om toe te zien op de ordehandhaving in Irak na de val van Saddam Hoessein. De rijders richtten zich op de beveiliging van het Nederlandse helikopterdetachement op de vliegbasis Tallil, waar een reële raketdreiging heerste na enkele aanslagen.[49] Ondertussen had de 2e Batterij in 2003 in Bosnië een stafwachtpeloton voor SFOR-13 geleverd. Gedurende 2003 leverde de 2e Batterij ook het 120 mm mortierpeloton voor SFOR-14.[50]

Ceremonieel

In 2004 kwam de manege gereed op de Luitenant-kolonel Tonnetkazerne.[51] Manege, afdeling en korps waren nu weer verenigd. Op 30 maart 2004 gaven twee saluutbatterijen van het korps minuutschoten af tijdens de uitvaart van prinses Juliana. In totaal 90 rijders stonden opgesteld langs de route in Rijswijk en in Delft.[52] Kort daarna overleed ook prins Bernhard. Bij zijn uitvaart op 11 december 2004, was het korps prominent aanwezig. Naast de twee saluutbatterijen in Rijswijk en Delft begeleidden acht officieren te voet aan weerskanten de kist, die gelegen was op de affuit van een 7-Veld. Direct achter de affuit reed een detachement rijders te paard.[53] Het korps liet opnieuw zien dat het nog steeds met verve ‘garde artillerie’ was, en volwaardig kon deelnemen aan het bereden ceremonieel van de krijgsmacht.

Diverse werkzaamheden

Op 12 januari 2005 kreeg de 1e Batterij een nieuwe opdracht. Deze keer diende 11 Afdeling Rijdende Artillerie een wapenlocatieradar eenheid te leveren voor SFIR 5 in Irak, en de 1e Batterij werd hiertoe aangewezen. Een deel van de radareenheid streek neer in Ar Rumaytha, terwijl het andere deel naar het Nederlandse hoofdkamp in As Samawah, Camp Smitty, ging. De eenheid had als primaire taak om de radar te bedienen; de rijders verrichtten ook andere werkzaamheden, zoals het ondersteunen van CIMIC-werkzaamheden en bij explosieven opruimingsactiviteiten. Deze uitzending duurde drie maanden. Half maart 2005 keerde de eenheid terug naar ’t Harde.[54] 

Opnieuw Bosnië

Eind oktober 2005 ging een deel van 11 Afdeling Rijdende Artillerie onder leiding van de korpscommandant voor een periode van zes maanden naar Bosnië, waar het een bijdrage leverde aan de derde lichting van de European Union Force (EUFOR-3). EUFOR was een operatie van de Europese Unie en een voortzetting van NAVO’s SFOR-missie. [55] De rijders verrichtten tijdens EUFOR-3 verschillende taken. Een deel van hen was ondergebracht in zogeheten Liaison & Observing Teams (LOTs). De LOTs moesten een zo goed mogelijk inzicht krijgen in wat er zich onder de bevolking afspeelde, het vergaren van Situational Awareness (SA). [56]

De LOTs hadden ook tot taak de bevolking te informeren over de bedoelingen van EUFOR en de intenties van de lokale autoriteiten door onder meer gebruik te maken van radioprogramma’s, kranten en folders.[57] Het was voor de rijders een mooie gelegenheid om ervaring op te doen met information operations. Het ging nu niet om letale effecten, maar juist om niet-letale effecten te behalen. Het denken en plannen in effecten zijn geen onbekende activiteiten voor artilleristen, want sinds de vuurmonden beschikken over langere dracht staat bij de doelbestrijding het bereiken van effecten centraal.

 De 2e Batterij vormde zich om tot een Normal Framework Operations (NFO) compagnie als onderdeel van EUFOR-3, en kwam onder bevel van de 1st Royal Gurkha Rifles, een Brits infanteriebataljon. De NFO-taken van de rijders bestonden uit het controleren van voertuigen, het inzamelen van wapens en het beveiligen van transporten en konvooien. In het voorjaar van 2006 keerden de rijders huiswaarts.[58]

Ten slotte

11 Afdeling Rijdende Artillerie moest vanaf haar oprichting in 1963 de lat hoog leggen. Aanvankelijk kreeg de afdeling een operationele rol als vuursteuneenheid van een brigade, later kwam zij ook te vallen onder een internationale en snel inzetbare divisie van de NAVO. Daarnaast werden rijders na het einde van de Koude Oorlog veelvuldig uitgezonden naar operaties in Bosnië, Kosovo en Irak. Tevens nam het korps in de periode 1945-2005 deel aan de ceremoniële taken van de krijgsmacht.

Tradities en ceremonieel vormen samen met de geschiedenis de identiteit van de rijders. Dat betekent niet dat de tijd stilstaat bij de rijders. Oude tradities zijn weliswaar in stand gebleven, maar veelal vertaald naar de nieuwe tijd, terwijl er ook nieuwe gebruiken binnen het korps zijn ontstaan. Zij versterken het wij-gevoel en dragen bij aan de te leveren prestaties.

Ook naar buiten toe gericht heeft de traditievoortzetting nut. Met behulp van de saluutbatterij en het detachement 6-Veld is de Koninklijke Landmacht in staat zich te presenteren naar het Nederlandse publiek als een diep in het Nederlandse verleden gewortelde eenheid.[59]De periode 1945-2005 kende dalen en pieken voor het korps, maar de rijders bleven dapper doorzingen: ‘Nous sommes tous de francs lurons dans l’artillerie légère!’

 

[1] Korps Rijdende Artillerie, Lied der Rijdende Artillerie. Website: www.korpsrijdendeartillerie.nl/KRA/Rijderslied.htm.

[2] Deze traditie bestaat nog steeds bij het Korps Rijdende Artillerie, het jaarlijkse korpsdiner voor officieren vindt in beginsel plaats op de zaterdag gelegen het dichts bij de verjaardag op 21 februari.

[3] B. Schoenmaker en J.P.C.M. van Hoof, 200 jaar Rijdende Artillerie, Den Haag: SDU Uitgeverij (1993) 69-70.

[4] De zeven rijders waren: (1) reserve kolonel mr. Ch.H.J.F. van Houten, (2) reserve luitenant-kolonel jhr. mr. P.J. Six, (3) reserve kapitein jhr. J.G.A. Wttewaal van Stoetwegen, (4) reserve kapitein E.D. Haitsma Mulier,  (5) reserve kapitein J. Bredt, (6) reserve kapitein W. van Andringa de Kempenaer, en (7) reserve kapitein jhr. mr. L.M. Rutgers van Rozenburg (zie: B. Schoenmaker en J.P.C.M. van Hoof, 200 Jaar Rijdende Artillerie, Den Haag: SDU Uitgeverij (1993) 72.

[5] B. Schoenmaker en J.P.C.M. van Hoof, 200 Jaar Rijdende Artillerie, Den Haag: SDU Uitgeverij (1993) 71-72.

[6] De functie Inspecteur Generaal Krijgsmacht (IGK) is pas in 1970 in het leven geroepen.

[7] W. van den Hoek en J.W. van de Hoek, De Geschiedenis der  Rijdende Artillerie, Arnhem: Stichting Museum Rijdende Artillerie / Soest: Drukkerij Klomp (1968) 198-200, tevens: B. Schoenmaker en J.P.C.M. van Hoof (1993) 73-75.

[8] B. Schoenmaker en J.P.C.M. van Hoof (1993) 76-81.

[9] Arnhemse Courant, Gele Rijders (in de kou) geïnstalleerd, 16 januari 1963, in: J.F.W.J.B. Hekking, Rijdende Artillerie in Artikelen in de Arnhemsche Courant 1832-1999, Nijmegen, kopieerafdeling Menzis (2005) 35.

[10] B. Schoenmaker en J.P.C.M. van Hoof (1993) 76-81.

[11] S.H. Visser op cit., in: B. Schoenmaker en J.P.C.M. van Hoof (1993) 80.

[12] B. Schoenmaker en J.P.C.M. van Hoof (1993) 83-169.

[13] B. Schoenmaker en J.P.C.M. van Hoof (1993) 169-170.

[14] F.A.M. de Kanter, De Traditie Voortgezet, in: De Onderofficier, Special ter Gelegenheid van 200 jaar KRA, 35 (1993) (10) 282.

[15] Besluit heroprichting Korps Rijdende Artillerie, Staatsblad 04 (1973).

[16] Korps Rijdende Artillerie, Geschiedenis, zie: www.korpsrijdendeartillerie.nl/KRA/Geschiedenis.htm.

[17] A. ten Cate, De Laatste Divisie, de Geschiedenis van 1 Divisie ‘7 December’ na de val van de Muur 1989-2004, Den Haag: Nederlands Instituut voor Militaire Historie / Sdu Uitgeverij’ (2004) 15-19.

[18] P. Fröling, in: Korps Rijdende Artillerie, Korpsmededeling 1995, Nr. 25, Arnhem: 11 Afdeling Rijdende Artillerie (1996) 2.

[19] HQ AFCENT staat voor Headquarters Allied Forces Central Europe in Brunssum (Limburg). Dit hoofdkwartier is later overgegaan in  Command Brunssum en richt zich op de aansturing van NAVO-troepen.

[20] Eigen ervaring van de auteur.

[21] Ch. Klep en R. van Gils, Van Korea tot Kabul, de Nederlandse Militaire Deelname aan Vredesoperaties sinds 1945, Den Haag: Nederlands Militair Instituut voor Militaire Historie / SDU Uitgevers (2005) 104-147.

[22] IFOR moest toezien op de uitvoering van de Dayton-Akkoorden van december 1995, gericht op een vreedzame verdeling van Bosnië en Herzegovina.

[23] Korps Rijdende Artillerie, Korpsmededeling 1995 (26) Arnhem: 11 Afdeling Rijdende Artillerie, (1996) 62.

[24] Korps Rijdende Artillerie, Korpsmededeling 1996 (27) Arnhem: 11 Afdeling Rijdende Artillerie, (1997) 72.

[25] Stabilization Forces (SFOR) van de NAVO was de voortzetting van de Implementation Forces (IFOR).

[26] 41 Afdeling Veldartillerie (1952-2005), De Gele Rijders (Rijdende Artillerie), zie: http://www.41afdva.net/Rijdende_Artillerie.htm.

[27] Ch. Klep en R. van Gils (2005) 376-377.

[28] M.P. Peters, Gele Rijders of Russische Para’s? Orahovac en de Blokkade tegen de Russen, in: Militaire Spectator 170 (2001) (3) 117-118.

[29] Hrm staat voor ‘houdt rekening met’.

[30] Een notice to move is een waarschuwing, die aangeeft hoeveel resterende tijd er nog is tot het vertrek van de eenheid.

[31] R. Abels, M. van Pelt en P. Jacobs, Licht boven Orahovac, Gele Rijders in Kosovo, 1 (NL) Arty Bn RA KFOR 1, ‘t Harde: 11 Afdeling Rijdende Artillerie / Wezep: Bredewold Uitgeverij (2000) 10.

[32] Ch. Klep en R. Van Gils (2005) 408-409.

[33] Ch. Klep en R. Van Gils (2005) 414.

[34] R. Abels, M. van Pelt en P. Jacobs (2000) 19-38. Tevens: Ch. Klep en R. Van Gils (2005) 415-418.

[35] Ch. Klep en R. Van Gils (2005) 408-413.

[36] R. Abels, M. van Pelt en P. Jacobs (2000) 19-38. Tevens: Ch. Klep en R. Van Gils (2005) 415-418.

[37] A.J.H. van Loon, Kosovo Force-1: Tussen Trauma en Toekomst (II), Mededeling van het Militair Gezag, in: Militaire Spectator 169 (2000) (12) 660-663.

[38] T. Brocades Zaalberg, Soldiers and Civil Power: Supporting or Substituting Civil Authorities in Modern Peace Operations, Amsterdam: Amsterdam University Press (2006) 352-356. Tevens: R. Abels, M. van Pelt en P. Jacobs (2000) 19-38.

[39] M.P. Peters (2001) 119-121. Tevens: R. Abels, M. van Pelt en P. Jacobs (2000) 38-65 en 86-88.

[40] M.P. Peters (2001) 119-121. Tevens: R. Abels, M. van Pelt en P. Jacobs (2000) 38-65 en 86-88.

[41] R. Abels, M. van Pelt en P. Jacobs (2000) 13.

[42] J.K. Emmer, Heuvelachtig Amsterdam… , in: Telegraaf, 02 februari 2002. Zie:  http://krant.telegraaf.nl/krant/huwelijk/teksten/huwelijk.20020202.heuve....

[43] Besluit Toekenning Standaarden Korps Veldartillerie en Korps Rijdende Artillerie, Staatsblad 09 (2002).

[44] De Korpsen Veld- en Rijdende Artillerie zijn de bereden onderdelen van het Wapen der Artillerie en ontvingen daarom een standaard. Het Korps Luchtdoelartillerie wordt als niet-bereden beschouwd en ontving daarom een vaandel. Een standaard heeft een kleiner doek dan een vaandel.

[45] W.L. Plink (e.v.a.), ’s Konings Vaandel, de Vaandels en Standaarden van de Krijgsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden, Zoetermeer: Delta Print B.V. (2017) 176.

[46] Een sjabrak is een paardendeken voor onder het zadel, waarop de initialen van de regerend vorst stonden. Vroeger werden de initialen van de regerend vorst in de loop van het kanon gegraveerd. Met de intrede van buitenlands materiaal raakte dat deze gewoonte in ongebruik. Ter vervanging werd daarom de sjabrak bij beëdigingen op de loop gelegd. De te beëdigen artilleristen legden tijdens de aflegging hun linkerhand op de sjabrak.

[47] Ministerie van Defensie, Minuutschoten bij Uitvaart Prins Claus, 15 oktober 2002. Zie: http://www.nieuwsbank.nl/inp/2002/10/15/R069.htm.

[48] M.R.C. van Ockenburg, in: Korps Rijdende Artillerie, Korpsmededelingen 2003: ‘Anders dan gepland’, Nr. 32, ’t Harde: 11 Afdeling Rijdende Artillerie (2004) 7.

[49] T. Brocades Zaalberg en A. ten Cate, Missie in Al Muthanna, de Nederlandse Krijgsmacht in Irak 2003-2005, Den Haag: Nederlands Instituut voor Militaire Historie / Amsterdam: Uitgeverij Boom, (2010) 215

[50] S.E.O. Kwa, in: Korps Rijdende Artillerie, Korpsmededelingen 2003: ‘Anders dan gepland’, nr. 32, ’t Harde: 11 Afdeling Rijdende Artillerie (2004) 9.

[51] M.B.A. Brockötter, in: Korps Rijdende Artillerie, Korpsmededelingen 2004: ‘Het moet dus het kan’, nr. 33, ’t Harde: 11 Afdeling Rijdende Artillerie (2004) 21-26.

[52] Speciale verslaggever (naam onbekend), Uitvaart Juliana krijgt minder Militair Vertoon, in: Trouw, 29 maart 2004. Zie: https://www.trouw.nl/home/uitvaart-juliana-krijgt-minder-militair-vertoo....

[53] Algemene Nederlandse Persdienst, Nederland maakt zich op voor Afscheid van Prins, in: Volkskrant, 10 december 2004. Zie: https://www.volkskrant.nl/binnenland/nederland-maakt-zich-op-voor-afsche...

[54] S.H.M. Notten, in: Korps Rijdende Artillerie, Korpsmededelingen 2005: ‘Verschil maken’, nr. 34, ’t Harde: 11 Afdeling Rijdende Artillerie (2006) 70-71.

[55] Korps Rijdende Artillerie, De Geschiedenis van de Rijdende Artillerie. Zie: Afghanistanwww.korpsrijdendeartillerie.nl/KRA/Geschiedenis.htm.

[56] F.J. Amerongen, in: Korps Rijdende Artillerie, Korpsmededelingen 2005: ‘Verschil maken’, Nr. 34, ’t Harde: 11 Afdeling Rijdende Artillerie (2006) 77-78.

[57] F.J. Amerongen (2006) 77-78.

[58] S.E.O Kwa en P.W.M. Klaver, in: Korps Rijdende Artillerie, Korpsmededelingen 2005: ‘Verschil maken’, Nr. 34, ’t Harde: 11 Afdeling Rijdende Artillerie (2006) 11-12 en 73-74.

[59] B. Schoenmaker (1993) 172.