Kick-off onderzoek dekolonisatieoorlog Indonesië

‘Lange mars door de archieven’ kan beginnen

Nederlandse en Indonesische bronnen naast elkaar leggen en interpreteren en door samenwerking met Indonesische historici vanuit verschillende perspectieven een completer beeld krijgen.

Dat zijn enkele van de ambities die het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie hebben met een grootschalig onderzoek naar de Indonesische dekolonisatieoorlog. Het NIOD, NIMH en KILTV delen samen de verantwoordelijkheid voor het onderzoek. Dat zal in 2121 geen alomvattend dik rapport opleveren, maar een samenvattende korte studie met deelstudies en websites. Een debatavond in het Amsterdamse Pakhuis De Zwijger vormde op 14 september de kick-off van het onderzoeksprogramma Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950.

Het onderzoek valt uiteen in negen deelprogramma’s, waaronder interviews met tijdgetuigen, de asymmetrische oorlog en de internationale politieke context. Frank van Vree, directeur van het NIOD, zei dat het kabinet, dat in december 2016 steun uitsprak voor een brede studie, na bijna vijftig jaar bereid bleek om verder te kijken dan de zogeheten Excessennota uit 1969, die officieel nog steeds het Nederlandse regeringsstandpunt vormt van de dekolonisatieperiode in Indonesië. De directe aanleiding tot een grootschalig onderzoek was de publicatie eind 2016 van De brandende kampongs van generaal Spoor, waarin de historicus Rémy Limpach tot de conclusie kwam dat Nederlandse militairen in Indonesië structureel extreem geweld hebben toegepast.

In de spiegel van de geschiedenis kijken

Van Vree verwees naar de titel van de debatavond, ‘Overbodig of hard nodig?’, omdat er ook kritiek is op het besluit om bijna zeventig jaar na de oorlog drie instituten een gezamenlijke bijzondere onderzoekssubsidie van 4,1 miljoen euro te geven. Critici hebben onder meer gezegd dat het ‘werkverschaffing voor de drie instituten’ is, dat ‘het verleden met rust gelaten moet worden’ of dat het de ‘zoveelste poging van de regering is om haar straatje schoon te vegen’;  de ‘echte slachtoffers in Indonesië’ zouden er niets mee opschieten, het is een vorm van ‘neokolonialisme’, terwijl een ‘land van daders’ nooit ‘recht zou kunnen doen aan het verleden’. Voorstanders van het vierjarige project vinden het juist goed ‘dat er systematisch onderzoek wordt gedaan’ en ‘dat Nederland in de spiegel van de geschiedenis durft te kijken’.

Journalist John Jansen van Galen, één van de critici, richtte een cynische felicitatie ‘aan het adres van de drie instituten’, omdat ze alsnog geld hebben gekregen ‘voor onderzoek dat zij de afgelopen zeventig jaar hebben laten liggen’. Volgens Van Galen is het onderzoek intussen al grotendeels uitgevoerd door onafhankelijke onderzoekers.

Verschil in perspectief

Er had inderdaad al wel veel eerder ‘over de schutting gekeken kunnen worden’ en er hadden meer pogingen gedaan kunnen worden de oorlog ook echt een menselijk gezicht te geven, zei Anne-Lot Hoek. Als historicus en journalist heeft zij onder meer onderzoek gedaan naar geweld op Bali. Research ter plaatse leverde ‘heel andere dingen op dan wat in de Nederlandse archieven te vinden is’. De brug naar Indonesië is volgens Hoek pas heel laat geslagen en er is pas heel laat gekeken naar verschil in perspectief, waardoor de oorlog grotendeels een Nederlands verhaal gebleven is. Niettemin benadert zij het grootschalige onderzoeksprogramma positief.

Moderator Katinka Baehr leidt de discussie met de panelleden Gert Oostindie, Elsbeth Locher-Scholten, Anne-Lot Hoek en Wim Manuhutu (v.l.n.r.). Foto Marcel Israel

Elsbeth Locher-Scholten, historicus, zei verheugd te zijn dat het onderzoek er komt omdat de geschiedschrijving nog altijd ‘zeer Neerlando-centrisch’ is. Volgens haar is er niet eerder onderzoek gedaan omdat de generatie historici die eind jaren vijftig, begin jaren zestig is opgeleid de koloniën niet als studiethema aangeboden kreeg, want koloniale geschiedenis stond ‘in de marge van de belangstelling’. In de jaren rond de Excessennota was het volgens Locher-Scholten ‘politiek volstrekt onhaalbaar’ om zo’n grootschalig onderzoek op te zetten. Op een vraag uit het publiek over het zorgvuldig kiezen van onderzoekstermen – de onderzoekers kijken daar in samenwerking met juristen naar – pleitte zij er voor bersiap, politionele acties en andere termen te vatten in een nieuw algemeen begrip, ‘Indonesië-Oorlog’.

Volgens Wim Manuhutu, historicus en oud-directeur van Museum Maluku en kritisch-positief ten opzichte van het onderzoek, heeft iedereen er baat bij dat de ‘complexiteit en meerdere lagen van die periode’ doorgrond worden. Hij noemde het belangrijk dat oral history een integraal onderdeel van het onderzoek uitmaakt.

Gekanteld beeld

Gert Oostindie, directeur van het KILTV, zei dat het beeld dat de Nederlandse krijgsmacht zich als geheel correct heeft gedragen in Indonesië en dat toenmalig premier De Jong rond de Excessennota schetste, is gaan kantelen. ‘Er wordt minder in eufemismen gesproken, dus niet politionele acties maar oorlog, niet excessen maar oorlogsmisdaden en recente studies concluderen dat massageweld een structureel onderdeel uitmaakte van de Nederlandse oorlogvoering’. Oostindie zei dat de onderzoekers niet de illusie hebben voor eens en altijd het eindverhaal te zullen maken, maar dat het wel mogelijk is er onbevangen naar te kijken en er niet over te moraliseren. Het uiteindelijke doel van het onderzoek is volgens Van Vree om tot een ‘aannemelijke interpretatie te komen van het verloop van de gebeurtenissen in die vijf jaren’ en vast te stellen ‘wie waarvoor verantwoordelijk was’.

Wel of niet neutraal

Specialist koloniale geschiedenis Marjolein van Pagee, die kritisch tegenover het onderzoek staat, vindt het essentieel dat er over perspectieven, het ‘frame’ van het programma gesproken wordt. Zij noemde het kiezen van één auteur voor de synthese van het onderzoek niet verstandig, want dat zou kunnen leiden tot de ‘visie van één iemand’. Verder noemde zij het onderzoek niet neutraal, omdat de activist Jeffry Pondaag, ‘die het debat heeft aangewakkerd’, niet voor de debatavond was uitgenodigd, terwijl het NIMH volgens haar ‘te dicht op de politiek zit’.

Vragen uit het publiek leidden tot een levendige discussie tijdens de kick-off avond. Foto Marcel Israel

Mede-panellid Rémy Limpach bracht daar tegenin dat de synthese zeker in een soort groepsdynamiek onder de onderzoekers zal ontstaan, ‘met de nodige discussie’. Tevens zei hij dat geen enkele onderzoeker een ‘denkverbod’ heeft, terwijl er ook buitenlandse en Indonesische historici meedoen. Limpach noemde het onderzoek verder wel degelijk nuttig omdat er in de geschiedschrijving over Indonesië nog ‘veel relevante onderbelichte aspecten’ zijn, zoals het internationaal vergelijkend perspectief, regionale dieptestudies, (intra)Indonesisch geweld, militaire justitie, de rol van inlichtingendiensten en technisch geweld.

Esther Captain, project-coördinator van de deelstudie naar de bersiap, zei te verwachten dat jongere generaties onderzoekers, zowel in Indonesië als Nederland, elkaar gemakkelijker zullen vinden. ‘De tijd is daar nu echt rijp voor, ook om de verdieping in te gaan bij het onderwerp geweld.’ Zo’n toenadering zou dan plaats kunnen vinden tijdens de ‘lange mars door de archieven’, zoals Ben Schoenmaker, directeur van het NIMH, het onderzoek van de komende jaren typeerde.

Het onderzoeksprogramma Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950 is de komende jaren te volgen via de site www.ind45-50.org. De debatavond is terug te zien via https://dezwijger.nl/programma/overbodig-of-hard-nodig.

Dr. F.J.C.M. van Nijnatten