Van Heutsz aan het woord: hoor en wederhoor

Met alle aandacht die er is voor de dekolonisatie-oorlogen, blijft die voor de koloniale oorlogen achter. En is nogal eenzijdig. Koloniale leiders als Jan Pietersz. Coen en Johan Maurits van Nassau gelden tegenwoordig als fout. Ook J.B. (Joannes) van Heutsz past in dit rijtje. Maar ooit was hij topmilitair, degene die op zijn manier een basis legde voor de eenheidsstaat Indonesië. Van Heutsz werd als held beschouwd, terwijl hij nu de grootste schurk lijkt te zijn.

Vilan van de Loo*

Als biografe van Van Heutsz kijk ik met fascinatie naar de extreme beeldvorming rondom  zijn persoon. Van zijn tijd als militaire en civiele autoriteit kennen we vrijwel alleen de vooroordelen. Dat blijkt in de discussies rondom de koloniale monumenten. Er is geen kennis van zijn inzet voor de inheemse bevolking, zoals die bestond in het dessa-onderwijs. Van Heutsz was progressiever dan ‘Den Haag’, toen hij als nieuwe gouverneur-generaal in 1904 de Javaanse aristocraat  Aria Koesoema Joedha Soeddha (Yogyakarta) tot ‘aspirant-controleur van het Binnenlandsch Bestuur’ van Java en Madura benoemde. Vrijwel meteen arriveerde een telegram uit het Haagse dat Van Heutsz terugfloot. Een Javaan in het eigen bestuur? Daar was niemand aan toe, vond men daar. Uiteindelijk moest Van Heutsz toegeven en de benoeming werd ingetrokken. Zo zijn er meer voorbeelden te noemen waarin Van Heutsz naar een vorm van samenwerking zocht, maar dit alleen al toont iets van de complexiteit van het koloniale verleden. Dat wijst meteen op de vraag waar we nu voor staan: willen we nadenken over die complexiteit? Of hebben we liever een historisch Disneyland, waar alles wat we moeilijk vinden onzichtbaar is gemaakt door het verwijderen van standbeelden?

Het zegt vooral iets over het zelfbeeld van Nederland, nauwelijks iets over Van Heutsz zelf. Die is verdwenen onder deze merkwaardige oordelen. Dat is al langer zo. Over Van Heutsz bestaan slechts enkele biografische pockets, die neigen naar hagiografie of die simpelweg verouderd zijn, en dan zijn er de gebruikelijke antikoloniale publicaties nog. De beperkte informatie en de emoties die de naam oproept inspireerden mij een biografie over hem te schrijven. Het onderzoek is vol verrassingen, zoals de ontdekking van Van Heutsz als intelligente, geestige en ontwikkelde brievenschrijver. Hij is temperamentvol en vaak gefrustreerd wanneer hij weer niet door ‘Den Haag’ wordt begrepen.

Dat is een rode draad in zijn leven: gebrek aan begrip. Hij heeft een belangrijke militaire expertise, vooral opgedaan in de praktijk van de koloniale oorlog te Atjeh. In Nederland heeft hij de regering, de ambtenaren en de burgerpers, voor wie Indië een ver-weg verhaal is, tegenover zich. En dan is er de bevolking nog, die zich even gemakkelijk laat meeslepen in verering als in verguizing. In 1904 bejubelden ze hem als pacificator van Atjeh, in 1908 werd hij beschuldigd van wreedheden begaan door de troepen te Atjeh, onder zijn verantwoordelijkheid. Wat vond hij zelf?

Verantwoordelijkheid

Eén van zijn brieven uit 1908 heb ik opnieuw uitgebracht. Het is dé brief. Hierin verweert Van Heutsz zich tegen de beschuldigingen dat er onder zijn commando door de troepen wreedheden zijn begaan. Hij is woedend, omdat hij ten eerste vindt dat hij zich als gouverneur-generaal niet hoeft te verantwoorden in discussies  die voortkomen uit dit soort fake news en ten tweede heeft hij indertijd zijn adjudant H. Colijn (de latere minister en premier) hier onderzoek naar laten doen. De uitslag van dat onderzoek schrijft hij letter voor letter over. Colijn en Van Heutsz staan op hetzelfde standpunt: bestel je een koloniale oorlog, dan krijg je een koloniale oorlog, en gezien de aard van de mens zijn incidentele ontsporingen onvermijdelijk.

Dit standpunt wijst op een gedeelde verantwoordelijkheid. In een koloniale oorlog bestaat er geen verdeling tussen de good guys (de opdrachtgevende regering) en de bad guys (de uitvoerende militaire macht). Of Van Heutsz gehoord werd, betwijfel ik. Zelfs de tegenwoordige beeldenstorm hanteert de verdeling. Het is me te gemakkelijk: ons koloniale verleden is immers gecompliceerder dan goed of slecht. En daarbij ontslaat wijzen naar een ander niemand van de eigen betrokkenheid.

Traditie

Dat Van Heutsz zo’n uitmuntende brievenschrijver zou zijn, had ik niet verwacht. Hoe kon ik ook? Er zijn verschillende websites waarop allerhande literaire teksten digitaal te lezen staan, maar dat is vooral civiele letterkunde. Er is een wereld te winnen aan de militaire letteren: archieven liggen vol met nota’s, correspondenties, artikelen, brochures en boeken. Vooralsnog zijn die onzichtbaar en dus lijkt het of ze er niet zijn. Dat was voor mij ook reden om deze brief opnieuw uit te brengen, om iets van die traditie zichtbaar te maken. Militairen schreven, en hoe. Prachtige volzinnen die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Op het boekomslag staat een geweldige zin, die hardop gelezen moet worden: ‘Kletspraatjes, lasterlijke aantijgingen waartoe ik reken te behooren alles wat gewoonlijk de onbekende ploertige men zegt of meent gehoord te hebben, moeten achterwege blijven.’

Dat gaat over 1903 en het gaat over ons, in de huidige tijd van namaaknieuws en vage verhalen in de pers. Als onderzoekster  kijk ik naar Van Heutsz als mens, militair en bestuurder – in die volgorde. Wat ik niet doe, is adoreren of verguizen. Mijn doel is eenvoudig en moeilijk tegelijkertijd: Van Heutsz te leren kennen en begrijpen. Zolang we in een democratische rechtsstaat leven, geldt het recht op hoor en wederhoor, ook in de geschiedschrijving.[1]

 

* Dr. Vilan van de Loo is affiliated fellow bij het KITLV en gastonderzoeker bij Museum Bronbeek. Ze publiceert vooral over Indische cultuur en literatuur en werkt aan een biografie over Van Heutsz.

[1] Bronnen: www.vanheutsz.nl ; J.B. Van Heutsz: nota Geheim 1903 en de Atjeh-rel in 1908. Inleiding Vilan van de Loo (Uitgeverij De Clercq Zubli, 2017).