‘De samenleving moet zien dat militairen voor hen aan het werk zijn’

Gastcollege minister van Defensie Ank Bijleveld-Schouten

Op uitnodiging van de Koninklijke Vereniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap en de Universiteit Leiden gaf minister van Defensie Ank Bijleveld-Schouten op 11 maart 2021 een gastcollege waarin zij haar kijk gaf op de afgelopen kabinetsperiode, de huidige stand van zaken en de Defensievisie 2035. De Militaire Spectator publiceert een aangepaste versie van de toespraak. De hele toespraak is terug te lezen via: www.defensie.nl en te zien via YouTube. – De hoofdredacteur

De verkiezingen zijn achter de rug. Ik vind het altijd een feestelijk moment en ik verbaas mij erover dat er elke verkiezingen weer Nederlanders zijn die niet stemmen. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2017 waren dat zo’n 2 miljoen mensen.

Bij verkiezingen in Afghanistan in 2019 zijn er óók 2 miljoen mensen thuisgebleven. Niet uit desinteresse, maar uit angst voor aanslagen. In landen als Afghanistan zijn vrije verkiezingen echt een mijlpaal. Zodra de democratie op gang komt, krijgen mensen weer hoop. Helaas zijn het ook vaak de momenten waarop het geweld juist weer oplaait.

In meerdere missies hebben onze militairen zich ervoor ingezet om zulke verkiezingen veilig te laten verlopen. Onze mannen en vrouwen riskeren op zo’n moment hun leven zodat anderen, in een land ver van ons vandaan, veilig kunnen stemmen. Dat is iets wat te weinig Nederlanders weten. Het roept vragen bij mij op. Ziet de maatschappij wat onze krijgsmacht doet? Beseffen zij dat de vrijheid die wij hebben, bijvoorbeeld om te stemmen, niet zo vanzelfsprekend is?

Foto MCD Jan Dijkstra

In gesprek met Nederlandse militairen die deelnemen aan de enhanced Forward Presence van de NAVO in Litouwen, 2019. Links minister van Financiën Hoekstra. Foto MCD, Jan Dijkstra

Het is bekend dat Rusland zich in de Amerikaanse verkiezingen van 2016 en de Brexit-stemming heeft gemengd. Zij hebben ook geprobeerd om Nederlandse ministeries binnen te dringen, voorafgaand aan de verkiezingen van 2017. Dat is ze niet gelukt, dankzij onze inlichtingendiensten. En in 2018 heeft onze militaire inlichtingendienst, samen met de Britten, een hack kunnen voorkomen bij het OPCW. Kolonel Bouwmeester heeft een proefschrift geschreven over hybride oorlogvoering door Rusland. Hij heeft in een interview gezegd dat er ‘(…) een hele reeks van incidenten plaatsvindt die samen net onder de drempel van oorlog blijven’. Net onder de drempel, maar wat als ze over de drempel komen?

Op dit moment zijn zo’n 250 Nederlandse militairen in Litouwen voor de versterkte militaire NAVO-aanwezigheid enhanced Forward Presence. Als ik daar op werkbezoek ga, dan zit de dreiging ook in kleine dingen: ik moet mijn smartphone thuislaten en een oude Nokia gebruiken. Omdat het risico te groot is dat die gehackt wordt om nepnieuws te verspreiden.

Het gaat bij dreiging dus niet alleen om Russische oorlogsschepen in de Noordzee, of raketten in Kaliningrad, die met de neus naar Europa wijzen en een bereik van 5000 kilometer hebben, het gaat ook om cyberdreiging. Want waarom zouden onze vijanden een raket op de Maeslantkering in Rotterdam afschieten, als zij die ook met een grote hack onklaar zouden kunnen maken? Daarom moet je als krijgsmacht én een Patriot-squadron hebben dat raketten kan uitschakelen, én een Cybercommando.

En daarom gaat een heel groot deel van de Defensievisie 2035 over de digitale middelen en kennis die we nodig hebben. Voor deze visie heb ik anderhalf jaar lang met alle commandanten gesproken, en allerlei experts, binnen en buiten de organisatie. Over wat de dreigingen zijn, hoe de organisatie ervoor staat, en wat we als Defensie nodig hebben om de dreigingen aan te kunnen.

Niet alleen de komende jaren, maar juist ook over 15 jaar. Want Defensie is een organisatie van de lange termijn. Een fregat koop je niet van de plank. Je moet dus de tijd nemen voor een grondige analyse. Voor de Defensievisie hebben we berekend wat nodig is om te blijven herstellen én voorbereid te zijn op de toenemende dreigingen. En we hebben klip en klaar gezegd: als we alles zo goed mogelijk willen inrichten, dan kost dat de komende 15 jaar structureel 13 tot 17 miljard euro extra. Ja, dat is een fors bedrag. Zoals hoogleraar Beatrice de Graaf het mooi zei, in een gesprek dat ik met haar had: ‘Het is voor het eerst in lange tijd dat Defensie met haar vuist hard op tafel slaat’.

We zijn al een eind gekomen in de afgelopen kabinetsperiode. Alle plannen uit het regeerakkoord zijn opgepakt en uitgevoerd. Er is flink geïnvesteerd en het budget is verhoogd. 5,5 miljard euro, waarvan 1,7 miljard structureel. Maar het herstel van de bezuinigingen is nog lang niet voltooid. Er wordt een steeds groter beroep op Defensie gedaan, in ons eigen land en daarbuiten. De dreigingen nemen toe en komen steeds dichterbij.

We leunen nu zwaar op onze bondgenoten. Tegelijkertijd halen we de NAVO-norm bij lange na niet. Nederland heeft beloofd om in 2024 hieraan te voldoen. Die belofte wordt niet nagekomen. We zijn een van de rijkste landen van Europa, maar behoren tot de Europese landen die het minste bijdragen aan de NAVO. Het aankomende kabinet zou daarom een belangrijk stap moeten zetten: structureel 4 miljard euro per jaar extra. Daarmee komen we in ieder geval in de buurt van het Europese NAVO-gemiddelde. En kunnen we blijven investeren in Defensie: herstellen, vernieuwen en versterken. We moeten dit doen voor onze bondgenoten, maar ook voor onszelf: we moeten de zekerheid hebben dat anderen ons helpen als wij worden aangevallen.

Foto MCD Valerie Kuypers

De landelijke aftrap voor XL-coronateststraten bij Rotterdam The Hague Airport op 6 november 2020: ‘militairen staan er als er een beroep op hen wordt gedaan’. Foto MCD, Valerie Kuypers

En we moeten onze militairen zekerheid bieden. Zij worden opgeleid om klaar te staan voor een ander. Zij staan er als er een beroep op hen wordt gedaan. En dat gebeurt steeds vaker. Neem deze coronacrisis. In de eerste fase hebben wij direct 500 mensen vrijgemaakt: planners, logistiek én medisch personeel. We hebben de coördinatie opgezet van de hele landelijke patiëntenspreiding. In de tweede fase kwam daar de bovenregionale Covid-afdeling bij, die we in Utrecht hebben opgezet. Vliegensvlug hebben we duizend extra testers opgeleid. En beademingsapparatuur uitgeleend, noodbruggen opgezet naar teststraten, de Coronamelder helpen testen en zo kan ik nog wel even doorgaan.

En toch denk ik dat mensen méér van Defensie hebben meegekregen door het tv-programma Kamp van Koningsbrugge. Daar ben ik óók blij mee. Maar ik wil dat de samenleving, ook zonder coronacrisis of tv-programma weet dat wij dag en nacht voor hen aan het werk zijn in binnen- én buitenland. En dat zij dit ook zien. Ik heb bij mijn aantreden al snel het uniformverbod afgeschaft en de dienstplicht ingevoerd voor vrouwen. Toch is het zeldzaam dat je zomaar een militair in uniform tegenkomt. We moeten dus ook op andere manieren ervoor zorgen dat we meer zichtbaar zijn.

Dat is trouwens een eeuwenoud verlangen. Zo is ook de KVBK begonnen, in 1865. Met het streven om militaire zaken tot openbaar debat te maken, zodat burgers ook betrokken zijn. In de eerste uitgave van de Militaire Spectator na de Tweede Wereldoorlog stond deze tekst: ‘Wij allen hopen een leger op te bouwen, dat (...) vooral hechter zal wortelen in het Nederlandsche volk’.[1]

Defensie moet midden in de maatschappij staan. En transparant zijn over wat ze doet. Overigens moest een van mijn voorgangers daar niks van hebben. Minister van Oorlog Blanken zei over de oprichting van de KVBK: ‘Ik bepaal het defensiebeleid en daarbij kan ik geen pottenkijkers gebruiken’.[2] Ik denk zelf: hoe meer pottenkijkers hoe beter! Hoe meer mensen zich betrokken voelen bij Defensie, hoe beter. Het gaat om bijna 65.000 mensen van wie velen met gevaar voor eigen leven voor onze veiligheid werken. Ik ben de afgelopen jaren verantwoordelijk voor hen geweest en dat was een mooie, maar ook zware verantwoordelijkheid.

Foto MCD Phil Nijhuis

Werkbezoek in Afghanistan in 2018: aan de verantwoordelijkheid voor 65.000 mensen van wie velen met gevaar voor eigen leven werken zaten zowel mooie als moeilijke aspecten. Foto MCD, Phil Nijhuis

Ik vond het bijvoorbeeld een moeilijke beslissing om de VN-missie in Mali weer op te starten. Een missie waarbij twee militairen waren omgekomen door een mortierongeval, waarna mijn voorganger en ook de toenmalige CDS zijn afgetreden. Het weer opstarten was dus een zwaar en weloverwogen besluit waarbij ik me afvroeg: zou ik mijn eigen kinderen hier naartoe durven te sturen? Ik ben op die manier naar militairen blijven kijken: als minister en ook als moeder.

En juist daarom was juli 2020 voor mij een dieptepunt. We zaten toen midden in de zomerhitte, maar toen het nieuws van de neergestorte NH90-helikopter binnenkwam, sloeg de kou ons om het hart. Twee militairen waren omgekomen: vlieger Christine en tactisch coördinator Erwin. Bij de terugkeer van de lichamen van Christine en Erwin op vliegbasis Eindhoven sprak de moeder van Christine mij aan. Zij zei: ‘Minister, we hebben haar op het moment dat ze vertrok niet meer gezien of even geknuffeld toen ze wegging. Nu kunnen we dat nooit meer doen’. Dat raakte mij.

Ik herinner me ook de dag, begin 2018, dat ik op werkbezoek was in Jordanië. Hier stegen onze F-16’s op, om boven Irak te vliegen voor de strijd tegen ISIS. Een dominee voerde daar een gesprek met twee vliegers, jonge mannen, die voor het eerst een echte missie zouden gaan vliegen. We herinnerden ons allemaal nog de beelden van de neergestorte Jordaanse piloot, die door ISIS levend was verbrand in een kooi. Die jonge mannen wisten dat hen dit ook kon overkomen en dat maakte indruk op mij. Ik nam me voor om hier zoveel mogelijk over te vertellen en zo meer draagvlak te creëren voor het moeilijke werk dat onze militairen doen. We maakten meer details bekend in onze weekoverzichten, ongevallen werden gepubliceerd op defensie.nl. We zaten aan het begin van een meer open, transparantere Defensie.

In 2019 waren we bezig met een Kamerbrief over de afloop van de missie in Irak. Het was de eerste keer dat we open en transparant konden zijn over de Nederlandse luchtacties in Hawija, waarbij veel burgerslachtoffers waren gevallen. Maar voordat we de brief wilden versturen, kwamen we erachter dat de Kamer hier in 2015 verkeerd over was geïnformeerd. Ik besloot dat we dit in de brief moesten opnemen. Maar de media waren ons voor. Er volgde een heftig debat met een motie van wantrouwen. Dit kwam natuurlijk hard aan.

Maar het echte dieptepunt was dat er Kamerleden waren die het woord ‘moord’ in de mond namen, ten opzichte van mij én de vliegers. Een van deze Kamerleden zei na afloop dat het had geleid tot ‘mooie tv’. Voor militairen voelde het als een motie van wantrouwen – nee, als een klap in het gezicht. Zij zetten zich in voor de vrijheid van anderen en zo’n uitspraak raakt hen in het hart. Ik zal als minister altijd voor hen staan. Militairen willen steun voelen van de maatschappij. Als er getwijfeld wordt aan hun intentie, dan raakt hen dat.

Foto MCD Phil Nijhuis

Bij de Srebrenica-herdenking in 2020: ‘We hebben gewerkt aan een publiek eerherstel voor de veteranen van Dutchbat III’. Foto MCD, Phil Nijhuis

Denk maar aan Srebrenica. Een naderende genocide waar de wereld van wegkeek. En voor veel veteranen van Dutchbat III is het een zwarte bladzijde in hun leven. Jullie hebben misschien de prachtige documentaire van Coen Verbraak gezien. Waarin veteranen als Liesbeth en Remko vertelden over de onmacht die zij toen voelden als onderdeel van Dutchbat III. En dat zij in hun vaderland met wantrouwen of zelfs walging werden bejegend.

We hebben hier te lang over gezwegen. Ik wilde dat openbreken. Er was nog nooit een bewindspersoon naar de herdenking op het Plein voor de Tweede Kamer geweest. Ik ging twee jaar geleden als toehoorder en vorig jaar heb ik een speech gehouden. Na afloop zag ik de veteranen in gesprek gaan met de Bosnische gemeenschap. Dat vond ik mooi. We hebben ook gewerkt aan een publiek eerherstel voor de veteranen van Dutchbat III. Om nu het scheve beeld van toen recht te zetten.

Ik wilde deze momenten uit mijn ministerschap graag delen. Ik weet dat er militairen keken naar dit gastcollege, maar ook veel studenten, die misschien wel de bestuurders van de toekomst zijn. Ik hoop dat zij hebben meegenomen hoe belangrijk het is om interesse te tonen voor de krijgsmacht. In het werk van onze militairen, maar ook in de personen die zij zijn. En hoe belangrijk het is om waardering te laten zien.

Via via kreeg ik het bevrijdingsnummer van het tijdschrift Vrij Nederland onder ogen, mei 1945. Zo’n blik in het verleden kan je soms perspectief geven. Er staat hier op de voorpagina: ‘De vrijheid van menschen en volken is in de geschiedenis der menschheid altijd met bloed en tranen verworven en bewaard en in de toekomst zal het niet anders zijn’. Toen wist men het al: vrijheid is niet een gegeven en niet gratis. Vrijheid wordt beschermd door mensen die bereid zijn alles te geven. En hier verderop staat het volgende. Vrijheid is: ‘(…) geen bezit, maar een functie, een mogelijkheid, waardoor wij leven en al datgene kunnen verrichten wat wij als mensch, (…) als vrije burger verrichten moeten’.

Meer dan 75 jaar later kunnen we dat wat mij betreft nog steeds zo zien: onze vrijheid geeft ons de mogelijkheid om te zijn wie je wilt zijn, te zeggen wat je wilt, vrij te studeren en te stemmen op wie je wilt, zonder angst voor geweld. Ik zou als laatste willen zeggen: koester die vrijheid. En weet dat Defensie voor onze vrijheid vecht.­

 

[1] Zie: Militaire Spectator 125 (1945) 1.

[2] J.J. de Wolf, Mars in Cathedra. Uitgegeven ter gelegenheid van het Honderdjarig Bestaan van de Vereniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap (Den Haag, 1965) 4.