Vuistrecht en wisselgeld

Nederland en de Frans-Duitse Oorlog 1870-71

In een jaaroverzicht, gedagtekend op de laatste dag van 1870, werd in de Militaire Spectator voor de eerste keer over de Frans-Duitse Oorlog geschreven. Het Emser Depesche (13 juli 1870), de Franse mobilisatie (15 juli), de Pruisische mobilisatie (16 juli), de Franse oorlogsverklaring aan Pruisen (19 juli), de eerste schermutselingen (2 augustus) en de vernietigende nederlaag van de Fransen bij Sedan op 2 september onder leiding van keizer-opperbevelhebber Napoleon III en de val Metz op 27 oktober waren toen allemaal al gepasseerd. Het beleg van Parijs, dat op 19 september helemaal omsingeld was door de Duitse legers, was rond de jaarwisseling nog gaande, maar de vooruitzichten waren meer dan somber. Het roemruchte Franse leger, dat internationaal hoger werd aangeslagen dan de verzamelde Duitse troepen onder leiding van de Pruisen, was op vernederende wijze verslagen. De redacteur van de Militaire Spectator schreef over de ondoordachte aanpak van de Fransen: ‘Hoewel voor het oog der wereld, dus uiterlijk, dan ook krachtig, bleek echter al spoedig, dat de oorlog werd aangevangen, zonder ook maar enigszins voldoende voorbereiding, zonder eenig vastberaamd plan, zonder rekening te houden met de kracht van de tegenstanders’.[1]

Deze tijdgenoot had het goed gezien. En hoe dit alles in elkaar stak is voor de lezer van vandaag nog eens prettig leesbaar en prima gedocumenteerd bijeen geschreven door historicus en anglist Paul Moeyes, met grote belangstelling voor krijgsgeschiedenis. Moeyes had al een ijzersterke reputatie opgebouwd met zijn Buiten schot over Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog (2001) en zijn boek over een eeuw Nederlandse neutraliteitspolitiek 1839-1939 (De sterke arm, de zachte hand van 2006). Met een beetje goede wil zou men kunnen zeggen dat deze drie boeken samen eigenlijk één werkstuk vormen.

Dat moet ook wel, vooral omdat de ondertitel van het nieuwste boek, Nederland en de Franse-Duitse oorlog 1870-71, niet helemaal waargemaakt wordt. Feitelijk gezien is deze oorlog aan Nederland voorbij gegaan. Of het zouden de twee ballonnen moeten zijn, die, opgestegen vanuit het bezette Parijs, medio januari 1871 in de Zuiderzee bij Harderwijk en in de buurt van Venray met passagiers en post neerkwamen. Het Nederlands perspectief blijft in dit boek beperkt tot het citeren van krantenartikelen uit die tijd. Er moet wel gezegd worden dat Nederlandse tijdgenoten – althans in de door Moeyes opgevoerde krantencitaten – een tamelijk accuraat beeld van de gebeurtenissen schetsen met analyses die 150 jaar later de tand des tijds goed hebben doorstaan. De oorlog heeft Nederland feitelijk niet bereikt, maar heeft Nederland wel degelijk geraakt.

Pruisisch model

De kortstondige mobilisatie van het Nederlandse leger (juli-oktober 1870) komt marginaal aan de orde, terwijl die gebeurtenissen uitvoeriger beschreven worden in De sterke arm, de zachte hand. De weerslag van de Frans-Duitse oorlog op de samenleving, het beleid en de krijgsmacht van Nederland vindt vooral na de oorlog plaats. De Nederlandse mobilisatie liet een tamelijk krakkemikkige krijgsmacht zien met een tekort aan goed geoefende militairen, bekwame onderofficieren en officieren, munitie en ook paarden. Dat alles werd niet onmiddellijk aangepakt. Twee wetenschappelijke analyses van het Nederlandse militaire beleid van de negentiende eeuw leggen de cesuur in 1874 (Bevaart vóór 1874 en Klinkert na 1874) met de Vestingwet van 1874, die vooral het onverminderd vertrouwen in de dode weermiddelen liet zien. Pas later werd er door de introductie van de dienstplichtige onderofficieren en officieren (1893) en de afschaffing van het remplaçantenstelsel (1898) meer aandacht besteed aan de levende weermiddelen. Het toelaten van een uitvoerig systeem van dienstvervanging bleek bij te dragen tot de zwakheid van het Franse leger, zoals omgekeerd de persoonlijke dienstplicht aan de basis lag van de kracht van het Pruisische leger. De Franse Garde Nationale als reserveleger stelde te weinig voor, zoals in Nederland de gemeentelijke schutterijen nauwelijks van enige militaire betekenis meer waren. Het Pruisische model van een kadermilitieleger kwam als overwinnaar uit de strijd.

Moeyes schetst hoe een reeks kleinere oorlogen (de Krimoorlog van 1853-1856, de Deens-Duitse Oorlog van 1864 en de Duits-Oostenrijkse ‘Bruderkrieg’ van 1866) de opmaat vormde tot dit militaire conflict tussen de twee Europese grote mogendheden. Achteraf kan men de vraag stellen waarom de Frans-Duitse Oorlog is uitgebroken. Het was niet meer en niet minder een strijd om de macht in West-Europa: het ultieme bewijs van Clausewitz’ stelling ‘Der Krieg ist eine bloße Fortsetzung der Politik mit anderen Mitteln’. Het ging in deze oorlog niet om landjepik, al lijfden de Duitsers bij de Vrede van Frankfurt van 2 mei 1871 Elzas-Lotharingen maar al te graag in, als oorlogsbuit en als bufferzone. Napoleon III ging het om de eer van Frankrijk, Bismarck om het forceren van de Duitse eenheid; een keizer verdwenen, een keizer verschenen.

Ik houd van narratieve geschiedschrijving: het verhaal voorop. Het boek van Moeyes is prettig leesbaar, prachtig geïllustreerd en voorzien van fraaie citaten uit de literatuur. Grote lijnen en kleine details wisselen elkaar op een prettige manier af. Daarom is deze studie een verplicht nummer voor iedereen met interesse in militaire geschiedenis.

Als het waar is dat generaals zich op de vorige oorlog voorbereiden, dan hadden de Duitse generaals er in 1914 op grond van de ervaringen van 1870 vanuit kunnen gaan dat Frankrijk met een snelle invasie in een paar dagen te verslaan zou zijn. De Frans-Duitse Oorlog is wel ‘de moeder van de Eerste Wereldoorlog’ genoemd en daarmee is de Tweede Wereldoorlog als een kleinkind van de Frans-Duitse Oorlog van 1870 te beschouwen.

De laatste twee zinnen van het boek – het vermelden ervan in deze recensie is geen spoiler –luiden: ‘Wie vrede wil, moet geen rancune zaaien. Dat was de les die noch in Frankfurt in 1871, noch in Versailles in 1919 was geleerd’.

Dr. Stan Meuwese

Vuistrecht en wisselgeld

Nederland en de Frans-Duitse Oorlog 1870-1871

Door Paul Moeyes

Amsterdam (Arbeiderspers) 2021

424 blz. – ISBN 9789029540223

Vuistrecht en wisselgeld

[1] ‘Terugblik op het jaar 1870’, in: Militaire Spectator 38 (1870) (12) 701-706.