De canon van de Koninklijke Marine

Geschiedenis van de zeemacht

De canon van de Koninklijke Marine is een rijk geïllustreerd boek, waarin de auteurs in vijftig ‘vensters’ zicht bieden op de sleutelmomenten, omslagpunten en hoofdpersonen uit de historie van de Nederlandse marine. Een van de schrijvers, voormalig Commandant Zeestrijdkrachten vice-admiraal b.d. Matthieu Borsboom, kondigde het boek vorig jaar aan in een interview met Alle Hens.[1] Het interview en de canon zetten tegelijkertijd aan het denken over de functie van het verleden voor een militaire organisatie. Het interview had als titel ‘Boek bevordert de saamhorigheid’; is het streven naar saamhorigheid een juist uitgangspunt voor goede geschiedschrijving? Borsboom meent van wel. In Alle Hens liet hij optekenen dat hij zich stoorde aan ‘historische onduidelijkheden’ toen hij commandant van de marine was. En: ‘Het begon allemaal met de vraag: wanneer is nu eigenlijk ‘onze’ marine-verjaardag? Het ergerde mij al decennialang dat andere landen het op orde hadden en hun marineverjaardag vierden en wij niet. (…) Ik haalde maritieme professoren, hoogleraren en andere deskundigen bij elkaar voor een diner op het Paleis in Den Helder en zei: ‘Dames en heren, u krijgt van mij lekker eten, maar ook huiswerk; over de mogelijke geboortedag van onze marine’. (…) Uiteindelijk hebben we gekozen voor de ordonnantie op de admiraliteit door keizer Maximiliaan op 8 januari 1488 en hebben we in 2013 de 525e verjaardag gevierd.’ Toen hij commandant was constateerde Borsboom dat ‘ongeveer iedere organisatie’ een canon had, behalve de marine. Dat is met deze publicatie rechtgezet. Bijkomend effect is volgens Borsboom dat het boek de saamhorigheid bevordert: ‘Het leert je waar de marine voor staat’.

Geen familiealbum

Dit zou men kunnen karakteriseren als een pragmatische omgang met het verleden, om het nare woord instrumentalisering uit de weg te gaan. Het militaire verleden functioneert hier overduidelijk als samenbindende vóórgeschiedenis, die de esprit de corps dient. De gedachte is dat geschiedenis ‘op orde’ moet zijn en dat een organisatie een oorsprong en geboortedag heeft die kan worden gevierd. Er is blijkbaar behoefte aan een levensverhaal van de organisatie, dat in hoogtepunten kan worden verbeeld, alsof het om een familiealbum gaat. Maar de geschiedenis is geen familiealbum. Dat blijkt direct uit de ongemakkelijke waarheid wat betreft ‘de geboorte’ van de Nederlandse marine. 1488 kan natuurlijk niet probleemloos functioneren als geboortedag, simpelweg omdat Nederland nog niet bestond. Zeker, er werd in 1488 een staande regionale zeemacht opgericht, met een semipermanente vloot en admiraliteit, maar dit betrof de Bourgondische Nederlanden. De watergeuzen kunnen net zo goed aanspraak maken op de claim ‘oorsprong’ en de Nieuwe Marine van de gebroeders De Witt kan het ook. Als we spreken over de Koninklijke Marine kan de geboortedag zelfs worden verlegd tot ná Napoleon. Dit illustreert het grote probleem met dit soort benaderingen. Historische fenomenen hebben in de regel geen eenduidige oorsprong. Zij hebben een meervoudige en meerduidige herkomst of herkomsten. Het verloop van de geschiedenis is niet te vergelijken met een levensloop, of een rivier met een duidelijke bron, stroombedding, richting en doel. Het verleden bevat eerder een veelkleurig chaotisch arsenaal aan gebeurtenissen, zonder veel intrinsieke betekenis, en zit vol open eindes, doodlopende paden en ironische tweeslachtigheid. De historische werkelijkheid bevat daarom ook tegenvoorbeelden, die de gewenste saamhorigheid kunnen ondermijnen. Maar die zijn natuurlijk niet erg geliefd, zeker niet in een canon.

Canonisering van de geschiedenis

Mede hierom is er in de afgelopen twee decennia veel te doen geweest om de voor- en nadelen van de canonisering van de geschiedenis. Canons doken rond het jaar 2000 opeens overal op. Vrij algemeen leefde het gevoel dat de Nederlandse identiteit verwaterde, onder invloed van de globalisering. Daaraan moest iets worden gedaan. De panacee werd gevonden, zoals vaker met maatschappelijke problemen, in het lager- en middelbaar onderwijs. Er zou een ‘nationale geschiedenis’ moeten komen, met een Canon van de Nederlandse Geschiedenis. Die zou het fundament moeten leveren voor alle historische onderwijs én het bijbehorende verplicht te bezoeken nationaal historisch museum (dat er overigens nooit kwam). De Commissie-De Rooy ontwikkelde een schema met overzichtelijke tijdvakken – tien in totaal – en vijftig zogenoemde vensters op het verleden. Die nationale canon was in 2006 af en werd in 2020 herzien. Vanaf het begin stak er een felle tegenwind op. Er werd opgemerkt dat een canon per definitie het rijke, weerbarstige en fluïde verleden reduceert tot gemakkelijk te verteren historische brokstukken, die eerst en vooral de eigen en vooropgezette nationalistische agenda dienen. In de bundel Controverses rond de Canon (2006) en in het lijvige rapport Nationale identiteit en meervoudig verleden (2007) van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid betoogden de onderzoekers dat de kern van goed historisch onderwijs ligt in meerstemmigheid en discussie en debat over diverse zienswijzen op het verleden, in plaats van op een van hogerhand gesanctioneerd officieel heroïsch geschiedverhaal. Een canon zou niet descriptief zijn (beschrijvend), maar prescriptief (normatief). Het zou ‘identiteit-legitimerende’ kernmomenten in beton gieten en het gevaar in zich dragen van uitsluiting van tal van groepen uit een nationaal ‘epos’.

Daar is maar weinig tegenin te brengen. Behalve misschien dat elke vorm van geschiedschrijving neerkomt op selectie, periodisering, betekenisgeving en interpretatie, en dus ook onvermijdelijk reduceert en hiërarchie aanbrengt. In die zin is er natuurlijk bij elke vorm van geschiedschrijving impliciet sprake van canonisering. Uiteindelijk geldt hier natuurlijk: 'the proof of the pudding is in the eating'. De vraag die in deze recensie moet worden beantwoord is of De canon van de Koninklijke Marine recht doet aan de veelkleurigheid en complexiteit van de maritieme geschiedenis en tegengeluiden incorporeert in de vensters.

Kristallisatiepunt voor debat

Dit lijkt op het eerste gezicht niet zo te zijn. Dat heeft vooral van doen met de traditionele vormgeving van het boek. De Nederlandse vlaggetjes, afgedrukt op elke pagina, en de vele negentiende-eeuwse illustraties suggereren een neoromantische nationalistische agenda. Die indruk verdwijnt gelukkig al snel bij het lezen. De hoofdauteur van het boek, Anne Doedens, is een veel te goed historicus om de rijkdom van het maritieme verleden te willen platslaan, of in anachronistische valkuilen te trappen. Borsboom zelf, om hem ook geen onrecht te doen, is zich eveneens goed bewust van de mogelijkheden én de gevaren van een canon. In het interview adviseerde hij ook: ‘Pak een canonvenster per week. En voeg zelf een venster toe. Dat vind ik belangrijk. Het boek is niet af. Het is ‘een keuze uit’.... Ik zou het leuk vinden als er discussie over komt, want dan gaat het leven’. Dát is inderdaad een heel belangrijke toevoeging. Als een historisch venster uit een canon kristallisatiepunt wordt voor debat, dan kan die canon meer worden dan een van hogerhand opgelegde en gesanctioneerde gestolde geschiedenis.

De auteurs maken dat ook waar. De vijftig vensters uit De canon van de Koninklijke Marine bevatten niet alleen maar hoogtepunten. Ook verrassende en soms ongemakkelijke thema’s, inzichten en vergelijkingen krijgen een plaats. Niet alleen de hoge inhoudelijke kwaliteit van de meeste vensters valt op, maar ook aandacht voor nuances en ambivalenties. Sterk is verder dat bij elk venster consequent lieux de mémoires worden genoemd: te bezoeken plekken die kunnen leiden tot verdieping van de historische kennis. Veel verhelderende citaten uit de archieven zijn ook toegevoegd, plus extra literatuur voor vervolgstudie. Dit maakt De canon van de Koninklijke Marine tot een waardevol en rijk boek en een aanrader.

Zeker de vensters over de zestiende- en zeventiende eeuw zijn inhoudelijk interessant. Maar ook die over de Oostzee (venster 15), of de omslag van zeil naar stoom (22), de komst van de pantserschepen en invloed van de moderne techniek (23) en de Muiterij op de Zeven Provinciën (29) zijn boeiend en genuanceerd. De verhalen over Furstner, Helfrich, Moorman en De Jong (31, 33 en 39) en over de Slag in de Javazee (32) zijn eveneens prima uitgewerkt. De passage over de Eerste Wereldoorlog, fascinerend vanwege de Nederlandse neutraliteit, is heel geslaagd te noemen (25). Dit gaat eveneens op voor die over de vergeten maritieme aspecten van de Korea-Oorlog (34) en de Slag bij Vlakke Hoek (35). Gelukkig komen meer traditioneel onderbelichte periodes goed uit de verf. Dit gaat wel in het bijzonder op voor de periode 1750-1825. De Bataafse tijd, de Napoleontische tijd en de jaren ná 1815 krijgen in de canon ruim aandacht. Het leidt tot fascinerende verhalen over pre-nationalistische loyaliteitsproblemen voor de officieren, die soms wel drie regimes achtereen dienden.

Continuïteitslijnen en breuklijnen

Heel verrassend is dat er binnen de boeiende vensters kruisverwijzingen worden aangebracht. In het stuk over de Armada van 1588 bijvoorbeeld wordt ook de tweede Armada van 1639 behandeld én die van 1688 (de invasievloot van Willem III), plus de amfibische landingen op de Nederlandse kust uit 1799 en 1809. Dit gebeurt bewust en vaker. De canon is op hoofdlijnen chronologisch opgezet, maar erbinnen wordt voortdurend heen en weer gesprongen in de tijd. De auteurs willen zo dwarsverbanden en verrassende breuk- en continuïteitslijnen laten zien. Het potentiële hoofdbezwaar doemt daarmee echter ook weer op. De continuïteitslijnen winnen het namelijk geregeld van de breuklijnen. Achter alle uitstekende vensters schemert in deze canon zo toch vaak ook de wens door om het verhaal te vertellen over de ‘geboorte en groei’ van een organisatie die van groot belang was (en is) voor Nederland. Zelfkritisch wordt het boek dan ook nooit. Neem nu de passages over de ‘zeehelden’. De passage over Van Speijk opent boeiende perspectieven op het fenomeen ‘zeeheld’, waaronder ook kritische, maar uiteindelijk worden de plooien gladgestreken. Ronald Prud’homme van Reine, de biograaf van Van Speijk, karakteriseerde hem ooit als een zelfmoordterrorist. Hij twijfelde sterk aan Van Speijks geestelijke gesteldheid. Dit gaat de auteurs duidelijk te ver. Ze noemen de kritiek, maar het venster over Van Speijk valt te lezen als een voorzichtige rehabilitatie van de gevallen zeeheld. Het actuele thema slavernij wordt juist weer uit de weg gegaan. Het is hier de stilte die opvalt. Iets soortgelijks speelt met de actuele discussie over de aard van het door mariniers gebruikte geweld bij terrorismebestrijding, zoals bij De Punt. Bij zaken zoals Vlootwet, financiering en bezuinigingen (28) en de ‘krimpende vloot’ (40) schemert echter wel heel duidelijk door dat bezuinigingen op de marine bijna per definitie slecht zijn. De Canon van de Koninklijke Marine wordt aan het einde van het boek wat dit betreft zelfs bijna politiek. Venster 43 karakteriseert het heden als ‘Tweede Koude Oorlog’. De suggestie is duidelijk dat veel nieuwe middelen nodig zullen zijn om de nieuwe dreigingen het hoofd te gaan bieden.

Al met al weerspiegelt de canon daarmee de ambivalentie die bij de Koninklijke Marine wel vaker valt op te merken. De marine is van huis uit zonder twijfel het krijgsmachtdeel met de meeste natuurlijke affiniteit voor (de eigen) geschiedenis en traditie. De entreehal van het KIM in Den Helder bijvoorbeeld is een soort fysieke canon van de Koninklijke Marine: men struikelt daar over de historische memorabilia. Tegelijkertijd zijn marineofficieren zelden te betrappen op anachronismen of kritiekloze verafgoding van het nationale maritieme verleden. Juist bij dit krijgsmachtdeel is het historisch besef goed ontwikkeld. Een jonge adelborst hoorde ik laatst nog verdedigen dat béide goed mogelijk was: oude zeehelden recht doen én tegelijk ook hun mythische karakter erkennen en kritisch verdisconteren. Deze dubbelslag zit eveneens in dit boek verstopt. De canon van de Koninklijke Marine is zonder enige twijfel een genuanceerd, rijk boek. Maar Clio blijkt de Koninklijke Marine tegelijkertijd wel heel welgezind.

Dr. Henk de Jong, NLDA

De canon van de Koninklijke Marine

Geschiedenis van de zeemacht

Door Anne Doedens en Matthieu Borsboom

Zutphen (Walburg Pers) 2020

192 blz. – ISBN 9789462494879

 

[1] Bert van Elk, ‘Boek bevordert de saamhorigheid’, Alle Hens 08, 11 augustus 2020.