De wraak van Diponegoro

Begin en einde van Nederlands-Indië

De Amerikaanse politicoloog Charles Tilly zei het ongeveer zo: ‘war makes states and states make war’. De Nederlandse staatsrechtgeleerde Leonard Besselink zei min of meer hetzelfde in juridische termen; hij formuleerde bij zijn proefschrift twee stellingen die in samenhang in dezelfde richting wijzen: ‘1. De politieke wetenschappen zijn naar hun aard historische wetenschappen, 2. Het staatsrecht is een politieke wetenschap’. Het staatsrecht is aldus een historische wetenschap. Krijgsgeschiedenis vormt een cruciaal onderdeel van de historische wetenschappen. Krijgsgeschiedenis is een essentieel onderdeel van het staatsrecht. Tilly en Besselink samengevat: bij staatsvorming komt geweld te pas.

Gelauwerd historicus Martin Bossenbroek heeft al veel geschreven over Indië, in het bijzonder over de werving van en het vervoer van militairen voor Indië. Hij is onderweg nog een keer uitgestapt in Zuid-Afrika. In zijn nieuwste boek beschrijft hij het gewelddadige ontstaan en de gewelddadige ontbinding van Nederlands-Indië. Hij laat de geschiedenis niet beginnen bij de VOC en J.P. Coen, maar aan het begin van de negentiende eeuw. Het is ook een fictie dat ‘wij’ 350 jaar een koloniaal rijk hebben gehad. De VOC, die wegens faillissement in 1800 door de Nederlandse staat (in casu de Bataafse Republiek) werd overgenomen, ging het niet om landbezit, maar om commercie. Men had handelsposten en onderweg hier en daar een voorraadhaven.

De buffel en de tijger

Zei ik: staten maken oorlog? Ja, maar evenzeer is waar: mensen maken oorlog. Bossenbroek vertelt de geschiedenis aan de hand van vier hoofdpersonen, die paarsgewijs tegenover elkaar staan. Aan het begin de Javaanse prins Diponegoro tegenover de Nederlandse generaal De Kock en aan het eind de Indonesische president Soekarno tegenover de Nederlandse luitenant-gouverneur-generaal Van Mook, twee politici en twee krijgsheren.

Afkomst en ambitie bepaalden de loopbaan en het lot van de vier hoofdrolspelers: Diponegoro (ook Ngabdoelkamid genaamd), een bastaardkleinzoon van de sultan van Yogyakarta, Hendrik de Kock, zoon van Nederlandse patriottenmilitair die ongelukkigerwijs toch de dood vindt onder de revolutionaire guillotine, Soekarno, de Javaans-Balinesische ingenieur, en Huib van Mook, een in Indië geboren en aan Indië verknochte Europeaan.

Bossenbroek verbeeldt de strijd om de macht als een gevecht tussen een buffel en een tijger. Het Indische eilandenrijk is de buffel, de Europese kolonisator de tijger. De strijd tussen een buffel en een tijger kennen we ook uit het verhaal over Saidjah en Adinda, onderdeel van Max Havelaar. Het beestenduel is vastgelegd op het schilderij ‘De Boschbrand’, dat op het boekomslag staat afgebeeld. Het is geschilderd in 1847-1850 door de Javaanse kunstenaar Raden Saleh, die het cadeau deed aan koning Willem III. Het bleef jarenlang in bezit van de familie Oranje. In 2006 werd het opgerold gevonden in een koninklijk paleis en gerestaureerd. Het cadeau uit 1850 werd in 2013 door de veertien erfgenamen van Juliana voor ettelijke miljoenen verkocht aan een museum in Singapore. Hoe aardig zou het zijn geweest als Willem-Alexander - na zijn op 10 maart 2020 in Jakarta wat hakkelend uitgesproken excuses voor het geweld bij de opheffing van het Nederlandse heerschappij in de Oost - dat schilderij met een royaal (!) gebaar als hoofd van het huis Oranje had aangeboden aan de Republik Indonesia. Excuses die de aanbieder ervan persoonlijk (financieel) een beetje pijn doen klinken meer oprecht.

Confrontatie van culturen

Over Van Mook en Soekarno zijn wel biografieën geschreven. Over Diponegoro en De Kock niet. Alleen al daarom vond ik het eerste deel van Bossenbroek extra boeiend. De Java-oorlog van 1825-1830 staat veel minder op het netvlies dan de oorlog van 1945-1950, althans op het netvlies van Nederlandse ogen. De Java-oorlog was niet alleen een gevecht met de wapens, maar ook een confrontatie van culturen. De rituelen, codes en tradities van de koninklijke Vorstenlanden werden vaak beantwoord met tamelijk lomp gedrag van de Hollandse autoriteiten, terwijl in het 1945-1950-conflict van beide zijden met grote regelmaat wreed werd opgetreden. Maar uiteindelijk ging het om de blote macht, zowel in de periode 1825-1830 als in de periode 1945-1950. In de negentiende eeuw gingen de Hollanders er met de hoofdprijs vandoor, in de twintigste eeuw de Indonesiërs.

De hoofdpersonen van de drama’s zijn duidelijk. Maar er zijn ook nog allerlei bijrollen te verdelen. Voor de eerste periode Daendels, Van den Bosch, de adellijke familie van Diponegoro en Toontje Poland, de van huis weggelopen soldaat van Napoleon en de latere legendarische KNIL-militair over wie Johan Fabricius een kinderboek geschreven heeft. Voor de tweede periode worden de hoofdrolspelers geflankeerd door onder meer Hatta, Sjahrir, Spoor, De sultans van Yogyakarta, Hamengkoeboewono’s met verschillende volgnummers, treden op in beide opvoeringen. Gezien de focus op de hoofdrolspelers is het verhaal over de Java-oorlog meer gericht op de militaire strijd, terwijl bij het eindspel de nadruk ligt op de politieke interactie.

Prachtig leesboek

Het boek van Bossenbroek is geen volledige geschiedenis van de Nederlands-Indonesische betrekkingen van 1800 tot 1950. De Atjeh-oorlog wordt nauwelijks belicht, Indië in de Eerste Wereldoorlog (min of meer in de steek gelaten door het moederland) slechts aangestipt, de muiterij op de Zeven Provinciën alleen in contouren aangeduid. Ik constateer dat hier nu wel, maar bij het lezen van het boek voelt dat niet als een gemis.

Het boek van Bossenbroek kwam door het tijdstip van publicatie als vanzelf in een concurrentiestrijd met het boek ‘Revolusi’ van de Belg David van Reybrouck. Ik waag mij niet aan een vergelijkend warenonderzoek tussen boeken van een journalist en een historicus. Voor het boek van Bossenbroek pleit in ieder geval dat hij ruim aandacht geeft aan de verovering van Indië door het jonge koninkrijk der Nederlanden. Deze verstatelijking van het kolonialisme hield ook de gouvernementele organisatie van de economische exploitatie in. Vooral in dit eerste deel beschrijft Bossenbroek personen en ontwikkelingen die in de Indische historiografie nog maar beperkte aandacht kregen. Hij vertelt de geschiedenis op levendige wijze. Ik houd van narratieve historie. Toegankelijk geschreven en goed gedocumenteerde boeken wakkeren de leeshonger aan. Bossenbroek heeft geen diepgravend studieboek, maar een prachtig leesboek geschreven.

De Indische samenleving is altijd opgesplitst geweest. De Indische krijgsmacht hoorde altijd bij een van de twee kampen, bij de dominante minderheid. De vijandelijke strijdmacht woonde in hetzelfde land en hoorde bij de massale meerderheid. De buffel heeft de tijger op de scherpe horens genomen. De nederlaag van Diponegoro is uiteindelijk gewroken.

 

De wraak van Diponegoro

Begin en einde van Nederlands-Indië

Door Martin Bossenbroek

Amsterdam (Atheneum-Polak & Van Gennep) 2020

798 blz.

ISBN 9789025301514

€ 39,99