In nog geen eeuw tijd wisselden in Zuid-Afrika op militair historisch gebied tal van uitzonderlijke periodes en radicale omslagen elkaar af. Na koloniale ‘small wars’, die het gezag van de Britse Kaapkolonie en de blanke Boerenrepublieken vestigden, kwam het tussen hen zelf tot de Anglo-Boer War tussen 1899 en 1902, waarin guerrilla en COIN domineerden. In de periode erna, die minstens zo boeiend is, werd het nieuwe en hervormde ‘nationale’ leger vol ex-Boeren ingezet voor het neerslaan van opstanden van ontevreden Boeren (de Maritz-rebellie). Direct daarna volgde de meer conventionele militaire inzet in de Eerste Wereldoorlog, aan nota bene de Britse zijde. Tussen 1914 en 1918 vocht Zuid-Afrika onder andere tegen Duitse troepen in het huidige Namibië en tegen de eenheden Von Lettow-Vorbeck in oostelijk Afrika. Het leverde ook troepen aan het westelijke front, bijvoorbeeld in 1916 bij Delville Wood. In de Tweede Wereldoorlog bestond de militaire bijdrage van Zuid-Afrika uit heel diverse operaties: op land in Madagascar, bij El Alamein en in Italië, en vanuit de lucht in met name Noord-Afrika. In de periode na 1945 raakten het leger en andere veiligheidsdiensten juist betrokken bij het garanderen van ‘interne veiligheid’, in het kader van de Apartheid. Dit was ook de periode van de Borderwar, die wat betreft doelstellingen en tactieken nog het best kan worden vergeleken met de Vietnamoorlog, maar redelijk succesvol was. Daarna volgde de inzet van de veiligheidstroepen tegen de onrust in de townships, waarop de politieke omwenteling van 1994 volgde. Dat leidde er uiteindelijk toe dat het Zuid-Afrikaanse leger opnieuw werd omgevormd, nu tot de huidige South African National Defense Force.

Mislukte Security Sector Reform

Over die laatste omslag gaat het boek van Daniel L. Douek. Hij merkt in dit verband een vreemde discrepantie op. Tegen de verwachting van velen in maakte Zuid-Afrika namelijk rond 1994 een bijna voorbeeldige politieke omwenteling door. Het Apartheidsregime stond ‘vrijwillig’ zijn plaats af aan een nieuw bewind, met een parlementair democratisch systeem en evenredige vertegenwoordiging. Er werd algemeen kiesrecht ingevoerd. Daarop volgden verkiezingen die eerlijk verliepen. Er kwam een grondwet tot stand, met vooruitstrevende trekken. Het fundament werd gelegd voor een functionerende rechtstaat. De Truth and Reconciliation Commission speelde een belangrijke rol in het verwerken van de nationale trauma’s. De economie bleef ondertussen overeind en Zuid-Afrika kon zich handhaven als regionale factor van belang. De post-transition-fase verliep kortom ordelijk en vreedzaam. Maar Douek benadrukt terecht dat tegelijkertijd ook de criminaliteits- en geweldcijfers tot de hoogste ter wereld gingen behoren. Dit begon volgens Douek eveneens rond 1994, met onder andere de burgeroorlogachtige taferelen tussen de gewapende strijders van Inkatha (Zulu) en die van het ANC (Xhosa). Het gebrek aan interne veiligheid is erna een groot probleem gebleven. Geweld lijkt endemisch geworden. Déze discrepantie vormt het startpunt voor Douek. De auteur vraagt zich af in Insurgency and counterinsurgency in South Africa hoe dit tot stand kon komen. Zijn verklaring is vrij simpel.

In feite betoogt Douek dat in Zuid-Afrika de Security Sector Reform die de politieke transitie begeleidde is mislukt, omdat die vanaf het begin bewust werd gesaboteerd door oude machthebbers en militaire leiders. Demobilisering, werving en training van politie en leger, en hervorming van de inlichtingendiensten zouden systematisch en langdurig zijn gedwarsboomd door een netwerk van mensen die waren gelieerd aan het oude Apartheidsregime. Dit had noodlottige gevolgen voor de veiligheidssituatie in Zuid-Afrika, van voor tot ver ná 1994. Dat was natuurlijk precies de bedoeling. Er zou een ‘destabilisation and assassination campaign’ zijn opgezet, met een combinatie van psychologische oorlogvoering, terreur en zelfs death squads, die uiteindelijk dus in een disfunctionerend veiligheidsapparaat resulteerde. Er was volgens Douek hiermee sprake van een schaduwoorlog tussen oude counterinsurgency forces van het Apartheidsregime en de gewapende tak van het African National Congress, de zogenaamde Umkhonto we Sizwe (‘speer van de natie’ in iXhosa). De ‘campagne’ van de oude machten was succesvol, zoals blijkt uit het feit dat de meeste MK-guerrilla’s na 1994 niet overgingen in de nieuwe veiligheidsdiensten, die zo geen legitimiteit verwierven en geen kwaliteit konden bieden.

Hidden histories

Om deze theorie over een langdurige doorwerking van de authoritarian security elites van het Apartheidsregime te onderbouwen, heeft Douek een set boeiende en relevante nieuwe bronnen aangeboord. Douek heeft kans gezien om meerdere ex-guerrilla’s van het MK (de gewapende tak van ANC), te spreken over hun guerrilla-ervaringen, over de Zuid-Afrikaanse counterinsurgency en vooral over de transitieperiode rond 1994. Dáár ligt de kracht van dit boek, dat absoluut een belangrijke lacune opvult in de kennis over de cruciale overgangsperiode. Deze verhalen van ex-guerrilla’s zijn fascinerend om te lezen; en op het huiveringwekkende af. Er wordt aan het begin van de studie bijvoorbeeld beschreven wat er gebeurde met een MK-strijder tijdens het proces van transitie en demobilisatie. Hij ging zich conform afspraak melden op een kazerne, om op te gaan in de NPKF (de National Peace Keeping Force). Binnen de poort werd hij ontwapend door de ex-vijand. Dat was volgens de regels. Maar dit was natuurlijk ook erg ongemakkelijk voor iemand die zich overwinnaar waande. Daarna werd hij individueel ‘geïnterviewd’. Dit gebeurde door een ‘zwarte’ die overduidelijk al tijden voor ‘het regime’ werkte (een Askari). Toen bleek ook ineens dat een groot deel van zijn kameraden al was ‘gedraaid’. Angst begon te overheersen en onderling wantrouwen nam toe. Sommigen van zijn medestrijders verdwenen uit de kazerne en keerden niet meer terug. Het werd de ex-guerrilla snel duidelijk dat degenen die hij gewapenderhand had bestreden en dacht te hebben overwonnen, nog steeds heel machtig waren. Hij maakte zich daarop uit de voeten.

Dít soort hidden histories is waardevol. Het biedt onderbouwing voor de these dat er sprake is geweest van een ‘clandestine violent strategy calibrated to shape South Africa’s democratic transition’. Dit valt ook eigenlijk niet te bestrijden. Er wás een shadow state. Die werkte met wat voor 1994 StratCom werd genoemd (Strategic Communication). Het omvatte tal van covert-operaties om de belangen van de witte minderheid te beschermen. Het liep uiteen van hearts and minds, tot aan moord op tegenstanders door death squads. Meerdere operators uit de hoek van de Zuid-Afrikaanse COIN hebben bevestigd dat het ANC en het Pan Africanist Congress, inclusief de gewapende takken, inderdaad bewust werden getarget, onder meer met rogue units/third forces, die zogenaamd niet aan de Nasionale Party gelieerd waren, maar er weldegelijk indirect door werden aangestuurd. Douek heeft hierover dus interessante interviews afgenomen. Hij heeft ook sets met andere boeiende interviews gebruikt, onder andere opgetekend door Wolfie Kodesh. Er is verder archiefonderzoek gedaan in het South African History Archive (Braamfontein/Johannesburg). Methodologisch lijkt kortom alles op orde en de centrale these lijkt goed te worden onderbouwd.

Mono-opname

Maar wie aandachtig leest, merkt echter al snel dat vrijwel alles in dit boek is gebaseerd op slechts dertien interviews met ex-guerrilla’s. Zij worden bovendien geanonimiseerd opgevoerd als confidentiële bron. Dit is begrijpelijk. De ex-guerrilla’s willen onbekend blijven. Maar het maakt veel claims ook oncontroleerbaar. Het blijft verder onduidelijk hoe het zit met de representativiteit van die relatief kleine set anonieme interviews. Echt keihard en controleerbaar bewijs voor zijn these levert Douek zo eigenlijk toch niet. Aanwijzingen voor de ondermijnende activiteiten van de oude elite zijn er. Maar Douek blijft ze op basis van een gering aantal gesprekken vooral steeds herhalen. Herhalen is natuurlijk niet hetzelfde als bewijzen. Daarnaast is er nog het netelige probleem van de onmiskenbare gekleurdheid van de auteur. Uiteraard moest hij het vertrouwen winnen van de betrokkenen. Dit is heel goed gelukt, gezien de openheid van de ex-guerrilla’s. Maar het laat zich ook verklaren door het feit dat Douek erg sympathiek staat tegenover hun strijd. De auteur beseft dit. Hij geeft toe dat zijn onderzoek ‘blurred the usual boundaries between researcher and subject’ (blz. 20-24). Maar wat betekent dit engagement precies voor de kwaliteit van het onderzoek? Dit boek zou eigenlijk natuurlijk ook interviews hebben moeten bevatten met ‘daders’, om alles in balans te krijgen. Wat er nu ligt is een mono- in plaats een stereo-opname.

Sterk is wel dat Douek in zijn studie het thema Security Sector Reform (SSR) heel goed uit de verf laat komen. Douek weet, ongetwijfeld omdat hij gedegen politicologisch/sociologisch is geschoold, hierover zeer veel interessants te vertellen. Douek doceert Political Science aan de Concordia University in Montreal, Canada en verwerkt de meest recente literatuur over democratiseringstheorieën en SSR op interessante wijze met de verontrustende verhalen die hij optekende over de toxic legacies van het oude regime. Het gekke is wel weer dat Douek hierbij vele mogelijke alternatieve verklaringen voor de geweldsexcessen na 1994 eerst zelf aandraagt, om ze direct daarna ook resoluut zelf weer te verwerpen, en lang niet altijd met overtuigende argumenten. Of het nu gaat om de verwijzing naar interne raciale spanningen, beroerde politieke leiding, corruptie, sociaaleconomische verklaringen, of wat dan ook, zonder enige toelichting of onderbouwing stelt Douek: ‘Yet the origins of this violence can be understood properly only by examining the role of apartheid counterinsurgency forces…’. Kijk, als dát het uitgangspunt is, dan wordt het natuurlijk ook de conclusie.

Duidelijk goed-fout-schema

Terwijl de onplezierige werkelijkheid natuurlijk is dat de verklaring voor het huidige geweld in Zuid-Afrika óók moet worden gezocht in het falen en de corruptie van de ANC-elite, meerdere presidenten die het veiligheidsapparaat geen prioriteit hebben gegeven, sociaaleconomische ellende, et cetera. Wat hier ontbreekt, kortom, is een bredere context en een scherp oog voor een complex van verklaringen. Uiteindelijk schuilt er achter dit boek een vrij simplistisch eendimensionaal geschiedbeeld. De auteur heeft de neiging de werkelijkheid te reduceren tot aan de ene kant edele vrijheidsstrijders, die streden vóór een proces van democratisering en vóór een goed veiligheidsapparaat, en aan de andere kant de oude ‘autoritaire’ Apartheids-elites wier donkere slagschaduw viel in een potentieel mooie toekomst, tot ver na 1994. Dat is een heldere plot met een duidelijk goed-fout-schema. Maar het is wat te gemakkelijk, vanwege het monocausale van de verklaring. Eén verklaring is geen verklaring. De auteur identificeert zich té sterk met het MK en maakt de oude blanke elite hoofdverantwoordelijke voor alle geweld in Zuid-Afrika, in verleden en heden. Waarschijnlijk heeft de counterinsurgency legacy van het authoritarian regime inderdaad de transitieperiode zeer fnuikend beïnvloed. Maar dit boek levert nog niet het definitieve en overtuigende bewijs daarvoor. Tegengeluiden en alternatieve verklaringen zullen ook moeten worden verdisconteerd. Vooral verklaringen die kunnen samengaan met de these van Douek, zoals sociaal-maatschappelijke en militair-historische. Zeker op dit laatste vlak laat Douek kansen liggen. Er worden wel politiek-theoretische studies verdisconteerd, maar nauwelijks tot geen studies over de militaire geschiedenis van Zuid-Afrika. Terwijl het onderwerp toch een gewapende opstand is, en COIN, en legerhervorming.[1]

Douek heeft al met al een stimulerende studie geschreven. Het overtuigt niet volledig door zijn geëngageerde eenzijdigheid. Juist hierdoor opent dit boek aan de andere kant wel interessante denkrichtingen en onderzoeksmogelijkheden die tot nu toe buiten beeld bleven. De centrale these eruit zal dan ook zeker moeten worden meegenomen in verder onderzoek naar de bijzondere omslag in Zuid-Afrika van 1994. Het zal uiteindelijk ongetwijfeld ook genuanceerd moeten worden.

[1] Zie o.a.: Ian van der Waag, A Military History of Modern South Africa (Philidelphia and Oxford 2018; eerste editie 2015). Dit boek wordt niet gebruikt, terwijl het op pagina’s 265 tot 307 toch uitgebreid ingaat op thema’s zoals: Toward a post-apartheid defence policy, The transformation of the Military: integration, rationalisation and demobilisation, The politics of integration and transformation en New roles for the armed forces. Zie ook: Timothy J. Stapleton, A Military History of South Africa. From the Dutch-Khoi Wars to the End of Apartheid (Santa Barbara 2010), met daarin pagina’s 152-191 over de Apartheids-periode en 191-195 over de post-Apartheid periode. De literatuur over Zuid-Afrikaanse COIN is trouwens ook breed en goed. Zie o.a.: Abel Esterhuyse, ‘South African counterinsurgency: a historiographical overview’ in: Paul B. Rich and Isabelle Duyvesteyn, The Routledge Handbook of Insurgency and Counterinsurgency (New York 2012) 347-358; Leopold Scholtz, The SADF in the Border War 1966-1989 (Cape Town 2013).

 

Insurgency and counterinsurgency in South Africa

Door Daniel L. Douek

Londen (C. Hurst & Co.) 2020

510 blz.

ISBN 9781849048804

€ 25,99

Over de auteur(s)