Kapitein Raymond Westerling en de Zuid-Celebes-Affaire (1946-1947)

Het is niet gemakkelijk het postkoloniale conflict in Nederlands-Indië terminologisch te duiden. Het was een bloedige oorlog met een asymmetrisch karakter, tegelijk een burgeroorlog en vooral een guerilla, soms bestreden met een contra-guerilla. Terwijl partijen elkaar militair naar het leven stonden, onderhandelden zij al die tijd redelijk intensief. Nederland wilde voor het oog van de buitenwereld tonen dat het bezig was opnieuw de rechtsstaat te vestigen. De vooroorlogse kolonie was dat binnen de grenzen van het systeem geweest, zij het met manco’s als het ontbreken van een echt parlement. De onafhankelijkheidsbeweging kon in de richting van de internationale gemeenschap alle registers bespelen en hoefde van zichzelf niet bona fide te handelen. De Verenigde Staten waren ontvankelijk voor het beëindigen van de koloniale verhoudingen en lieten Soekarno en Hatta deze kaart ook in de Verenigde Naties spelen. Toen een Nederlandse contra-guerilla op Zuid-Celebes succesvol bleek, aarzelden zij niet het aantal ‘slachtoffers’ richting VN honderdvoudig uit te vergroten. Daarmee kreeg de ondermijning van het Nederlandse gezag kracht, onder meer via een VN-rapport met de suggestieve titel Massacre in Macassar, dat repte van 30.000 slachtoffers.

De nationalisten wilden een centrale eenheidsstaat vestigen, hoewel dat staatsmodel op grond van 300 jaar Nederlandse ervaringen in de archipel allerminst voor de hand lag. De Nederlandse regering wilde dan ook een federatie waarvan Celebes en ‘de Groote Oost’ de deelstaat Oost-Indonesië zouden vormen. De daarover gemaakte afspraken in de akkoorden van Linggardjati waren wel getekend door de nationalisten, maar deze achtten zich er niet aan gebonden, zoals zou blijken. In Batavia liepen de meningen uiteen over de toekomst van de kolonie. Velen achtten onafhankelijkheid onvermijdelijk, zo niet wenselijk, anderen wilden op zijn minst een band met Nederland.

Special Forces

In zijn boek Kapitein Raymond Westerling en de Zuid-Celebes-Affaire (1946-1947) beschrijft Bauke Geersing uitvoerig hoe in het najaar van 1946 de nationalisten ook op Zuid-Celebes een bersiap probeerden te ontketenen door het zenden van zogeheten rampokkers vanuit Java, criminele elementen die de samenleving via terreur moesten ontwrichten en rijp maken voor het gezag van Djokjakarta. Al gauw was de justitiële keten ontwricht, regeerde geweld en lag de economie plat. Omdat de situatie (ook voor de bevolking) onhoudbaar was en een militaire operatie aanzienlijke nevenschade zou veroorzaken, besloot de legerleiding na consultatie met de politieke leiding Special Forces in te zetten, in casu het nog vrij jonge Depot Speciale Troepen (DST). Al eerder had in Medan reserve-eerste luitenant R.P.P. Westerling bewezen dat hij, in Engeland opgeleid in de contra-guerilla, deze met succes kon toepassen. Met een compagnie commando’s van 130 man, gesteund door reguliere KNIL-eenheden, wist Westerling in zes weken het opgedragen doel te bereiken, namelijk de pacificatie van een gebied ten zuidoosten van Makassar ter grootte van Noord-Brabant (niet Nederland, zoals Geersing wil). Hij deed dat door op basis van verworven inlichtingen de terroristen in de kraag te vatten en terecht te stellen. Het belang van de bevolking stelde hij daarbij centraal. Door zijn charismatische persoonlijkheid, handhaving van een strakke discipline, professionele optreden en kennis van de islam wist hij al snel succes te boeken. De steun van de bevolking kwam de kwaliteit van zijn inlichtingen ten goede. Toen de operatie begin maart 1947 klaar was, bood de bevolking Westerling een afscheidsfeest aan.

Waar ging het niettemin fout? Al vrij gauw na de start van de operatie werd Westerlings plaatsvervanger, onderluitenant J.B. Vermeulen, met de helft van de DST-compagnie naar een gebied 150 kilometer ten noorden van Makassar gezonden voor een parallelle operatie. Steun kwam van een door majoor J. Stufkens gecommandeerd infanteriebataljon van het KNIL. Diens plaatsvervanger was kapitein B.E. Rijborz. Hun optreden kenmerkte zich door wreedheden, wat afstraalde op de reputatie van Westerling. Geersing maakt helaas niet duidelijk waarin precies het optreden van de drie genoemde officieren van dat van Westerling verschilde. Wel is duidelijk dat in termen van tijd en afstand sprake was van twee gescheiden operaties. Geersing toont aan dat vele latere onderzoekers Westerling ten onrechte verantwoordelijk voor beide hebben gehouden. Het gevolg was wel dat in Batavia de meningen over Westerling en het DST verdeeld raakten. Zoals dat vaker in de politiek gaat, namen hooggeplaatsten als luitenant-gouverneur-generaal H. van Mook in Batavia en premier W. Drees in Den Haag (hij sprak van Wesseling) afstand van het optreden van het DST en kapitein Westerling. Ik merk op dat loyaliteit niet altijd naar twee kanten werkt, politiek en militair leiderschap zijn niet identiek.

Geersings kritiek

Genoeg aanleiding voor geschiedkundige analyses over de korte campagne van Westerling dus. Vele historici kleurden hun onderzoek naar de feiten met eigen ideologische en morele opvattingen over het fenomeen kolonialisme en de toepassing van geweld in een postkoloniaal conflict. Bauke Geersing (1944) heeft al deze onderzoeken tegen het licht gehouden. Hij is gedegen militair en juridisch geschoold (KMA en RU Groningen) en maakte na subalterne jaren bij de pantserinfanterie een burgercarrière, onder meer als directeur van de NOS. Geersing richt zijn pijlen vooral op de meest bekende onderzoeken: van W. IJzereef aan wie hij 45 pagina’s kritiek wijdt, J.A. de Moor (15) en R. Limpach (38). De teneur van zijn kritiek is dat belangrijke militaire en juridische facetten van de gebeurtenissen verdraaid of verzwegen zijn, mede tegen de achtergrond van de in de loop van de jaren gewijzigde maatschappelijke denkbeelden over het (Nederlandse) kolonialisme.

Laat ik de essentie van Geersings kritiek per auteur samenvatten. IJzereef schrijft in 1984 zijn doctoraalscriptie geschiedenis over de affaire. Hij communiceert uitvoerig met H.J. Koerts, in de bewuste periode ambtenaar van het Binnenlands Bestuur en dus een primaire bron. Koerts schrijft later twee boeken over zijn ervaringen. Frappant is dat IJzereef hun uitvoerige briefwisseling niet eens vermeldt. Hij wil vooral Westerling in diskrediet brengen en laat niet na in dat kader feiten te verdraaien. Zo schrijft hij dat de onderzoeken van overheidswege – Enthoven (1948), Van Rij/Stam (1954) en de Excessennota (1969) – niet hebben onthuld wat zich toentertijd heeft afgespeeld. Deze drie bronnen zijn evenwel volledig en eenduidig. IJzereef acht de weergave van de feiten ondergeschikt aan de politieke en historische context en concludeert ten onrechte tot een exces. ‘Onhistorische kletskoek’, volgens Geersing. Toch wordt IJzereef nog steeds gevraagd voor publieke optredens en kopiëren historici van naam zijn bevindingen.

Geersing slaat De Moor (Westerling’s [sic] oorlog) hoger aan en prijst diens onderzoek op vele punten. De Moors juridische analyse schiet evenwel te kort; zo volgt hij IJzereef in de opvatting dat de legerleiding Westerling op pad stuurde ‘zonder enige specifieke instructie’ en ‘met blanco volmacht’. Geersing toont aan dat alle betrokken autoriteiten, met name Van Mook en procureur-generaal H.J. Felderhof, de opdracht onderschreven. Gegeven de ernst van de situatie ter plaatse achtte Felderhof de herinvoering van de Staat van Oorlog en Beleg geboden, wat de toepassing van het staatsnoodrecht inhield. Terroristen konden dus standrechtelijk worden terechtgesteld; eerder deden de Britten hetzelfde. Dat de nationalistische groeperingen bij hun guerilla het standrecht naar willekeur toepasten behoeft geen uitleg. Naast een precieze opdracht vanuit Batavia oefende kolonel H.J. de Vries, territoriaal bevelhebber, supervisie uit op de operaties van het DST, daarin bijgestaan door officier van justitie A.G. Veldhuis.

Limpach (De brandende kampongs van generaal Spoor), lid van de huidige binationale onderzoekscommissie, heeft welbewust de zwarte kanten van het postkoloniaal conflict aan uitsluitend Nederlandse zijde opgezocht. Geersing noteert dat hij de analyse van F. van der Veen, oud-bevelhebber van de landmacht, in het oeuvre van L. de Jong negeert: Westerling ging vrijuit, in tegenstelling tot Vermeulen, Stufkens en Rijborz. Voorts trekt Limpach het oordeel van B.J. Lambers, destijds hoofdambtenaar van justitie ter plaatse, voorstander van Indonesische soevereiniteit en criticus van het optreden van het DST, in twijfel. Lambers onderstreept in zijn rapportages de ‘noodzaak tot dergelijke uitzonderlijke harde maatregelen’. Geersing verwijt Limpach een ernstig gebrek aan militaire en juridische kennis.

Grondige naspeuringen

Nu mijn kritiek. Geersing is geen geschoolde historicus, maar heeft inhoudelijk wel een sterke casus opgebouwd. Hij is evenmin een geboren verteller. Ook op de structuur van zijn boek valt het nodige af te dingen: talloze herhalingen, afgezien van tekstuele slordigheden. Een meer thematische dan chronologische aanpak zou de complexe materie bondiger hebben beschreven. Een kaart had niet mogen ontbreken. Lof voor zijn grondige naspeuringen en zijn moeite waar mogelijk in contact te treden met eerdere auteurs over het onderwerp (ik tel er 25). Zo kon Geersing zich verzekeren van een correcte interpretatie van hun bevindingen en is zijn boek onmisbaar als correctie op het werk van IJzereef, De Moor, Limpach en anderen. 

Bij het brede publiek ontbreekt het besef dat Indonesië in augustus 1945 niet bestond. Er was een kolonie die door de oorlog zwaar gehavend was als gevolg van Japans wanbestuur. Collaborerende nationalisten, communisten, islamisten en separatisten betwistten elkaars positie. Evenmin voerden de Nederlandse autoriteiten eensgezind beleid. Het is dan ook historisch eenzijdig de schuld voor de geweldsexcessen op een specifieke plaats te leggen;  geweld is nu eenmaal dynamisch van karakter. Daarom wantrouwen velen nu al de uitkomsten van het binationale onderzoek waaraan drie gerenommeerde Nederlandse instituten deelnemen. Te hopen is dat zij hun voordeel doen met het boek van Geersing.

Drs. A.C. Tjepkema, kolonel-vlieger b.d. Koninklijke Luchtmacht

Kapitein Raymond Westerling en de Zuid-Celebes-Affaire (1946-1947). Mythe en werkelijkheid

Door Bauke Geersing

Soesterberg (Aspekt) 2019

508 blz. – ISBN 9789463387651