Mahan, Corbett, and the Foundations of Naval Strategic Thought

In de driekwart eeuw na het einde van de laatste maritieme oorlog (bedoeld wordt het strijdgebied in de Stille Oceaan tijdens de Tweede Wereldoorlog) is de kennis en het denken over wat het doel van een marine is en wat zij wel en niet kan doen verdampt, betoogt Kevin McCranie in Mahan, Corbett, and the Foundations of Naval Strategic Thought. Rond 1900 bestond volgens hem een enigszins vergelijkbare situatie. Het einde van de Napoleontische Oorlogen luidde een lange periode van vrede in op de wereldzeeën, waarbij kennis van inzet van vloten voor het bereiken van nationale politieke doeleinden langzaam wegzakte. Dat creëerde de omstandigheden waaronder enkele academici en marineofficieren de pen opnamen om dat vacuüm te vullen. McCranie, hoogleraar comparatieve strategie aan het U.S. Naval War College, heeft zich van de taak gekweten om het gedachtegoed van twee van hen, Alfred Thayer Mahan en Julian Corbett, met elkaar te vergelijken en het belang daarvan voor de moderne marinestrategie (naval strategy) te onderstrepen.

Dat de Amerikaan Mahan en de Brit Corbett als grondleggers te boek staan van theorieën rond de begrippen seapower en maritime strategy was bekend. Hun blijvende relevantie voor de hedendaagse strategiebeoefening was dat ook. Hun namen worden steevast genoemd in overzichtswerken over strategie (denk aan boeken van Lawrence Freedman, Beatrice Heuser, Colin Gray en de klassieker van Edwin Meade Earle) of over de oorlogvoering ter zee (zie onder meer Geoffrey Tills standaardwerk Seapower en Ian Spellers Understanding Naval Warfare). De fijnere punten uit hun geschriften halen is echter nog niet eenvoudig. Mahan en Corbett lieten immers een volumineuze bibliografie na. Mahan hanteerde daarbij bovendien een schrijfstijl die niet altijd gemakkelijk weglas. Bovendien sprak hij zichzelf in latere werken nog weleens tegen.

Systematische vergelijking

De werken van Mahan en Corbett zijn elk afzonderlijk al eens onderwerp geweest van uitgebreide analyse. Zo ondernam Jon Sumida in Inventing Grand Strategy and Teaching Command. The Classic Works of Alfred Thayer Mahan Reconsidered een geslaagde poging om de met de jaren ingeslepen misinterpretatie van Mahans gedachtegoed recht te zetten. De Zweed Jerker Widén ontleedde in zijn boek Theorist of Maritime Strategy Corbetts uitlatingen over maritieme strategie en door wiens denken hij beïnvloed zou zijn tijdens het schrijven van zijn werken. Nooit echter werden de auteurs in één boek zo systematisch met elkaar vergeleken en geanalyseerd als nu door McCranie. Hierin schuilt dan ook de toegevoegde waarde van zijn werk. Met zijn analyse wil McCranie de hedendaagse relevantie van de theorieën van Mahan en Corbett benadrukken, daar waar deze zo vaak gesimplificeerd worden of gebruikt zonder echt begrip van de fundamenten waar ze op berusten. Gegeven zijn leerstoel is McCranie uitstekend gepositioneerd om zijn beide subjecten aan een grondige analyse te onderwerpen.

Het denken over de rol van marines als machtsinstrument van de staat om nationale belangen te dienen kwam pas laat op gang. Aan het einde van de negentiende eeuw verschenen de eerste verhandelingen. Eén van de oorzaken lag in institutionele obstructie: marineofficieren werden geacht hun kennis in de praktijk op te doen en aan te scherpen, niet achter een bureau (ook wel de Materiële School genoemd). Een zekere afkeer voor intellectuele ontwikkeling was het gevolg. Dat kwam in Nederland bijvoorbeeld tot uiting doordat de marine pas na de Eerste Wereldoorlog overging tot de oprichting van een instituut voor hogere militaire vorming, de Hogere Marine Krijgsschool (hoewel de cursus aan de Hogere Krijgsschool van de Koninklijke Landmacht voor die tijd wel voor marineofficieren openstond). Niettemin was in een tijdperk van snelle technologische veranderingen als gevolg van de Industriële Revolutie theorie nodig om effectief gebruik van de bestaande capaciteiten mogelijk te maken.[1] Kennis van marinegeschiedenis werd tevens gezien als bron voor lessen over de oorlogvoering ter zee (de zogeheten Historische School). Een deugdelijke theoretische onderbouwing voor nut en noodzaak van een vloot wrong des te meer voor landen waarin een marine ‘verkocht’ moest worden aan volk en politiek, zoals de Verenigde Staten, Duitsland en Japan aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Het is tegen deze achtergrond dat de werken van Mahan en Corbett het licht zagen.

Manieren van oorlogvoeren

McCranie vergelijkt de twee theoretici langs een aantal lijnen in een tiental hoofdstukken. Zo komt het gebruik van geschiedenis en de ontwikkeling van theorie aan de orde. Daarin was Corbett een vertegenwoordiger van de inductieve methode, terwijl Mahan meer neigde naar de deductieve methode. Vervolgens analyseert McCranie hoe Mahan en Corbett de verhouding tussen de concepten oorlog, beleid en strategie zagen en welke rol de marine daarin speelde. Corbett zag de marine als een instrument, met name voor zeemogendheden, om nationale doelstellingen mogelijk te maken. Mahan daarentegen zag de marine als de spil waar alles om draaide om die doelstellingen te bewerkstelligen.

In daaropvolgende hoofdstukken komen de bekende elementen van de marinestrategie voorbij, zoals de rol van de zeehandel en de sealines of communication, het verkrijgen van command of the sea, de rol van het offensief en defensief in marineoperaties, het principe van concentratie, sea denial, het verkrijgen van strategische effecten door het controleren van de zeehandel en joint expeditionary warfare. McCranie sluit zijn analyse af met een beschrijving van Mahans manier van oorlogvoering en die van Corbett. De eerste beschrijft McCranie als vooral economisch van karakter. In Mahans concept van seapower zorgde de marine voor economische voordelen waardoor een staat het meest gunstige resultaat tegen de laagste ‘kosten’ kon bereiken; met de verstikkende hefboomwerking van het ontzeggen van toegang tot de wereldeconomie werd de tegenstander op de knieën gedwongen, terwijl de eigen zeeverbindingen openbleven zodat deze bij konden dragen aan het genereren van welvaart.

Corbetts manier van oorlogvoering concentreerde zich meer op de specifieke sterktes en zwaktes van de Britse situatie, waarbij hij de verschillende machtsinstrumenten – ter zee, ter land, diplomatiek en economisch – samen liet komen in een gezamenlijke aanpak. Hij erkende de kracht van het uitoefenen van economische druk na het verwerven van de heerschappij ter zee. Corbett zag dat echter als onvoldoende om op zichzelf tot een beslissing te komen. Het was bovendien langdurig en dreigde daarbij ook nog eens, mede door de nadelige invloed op de economieën van andere staten, te escaleren. Daarom verfijnde Corbett het van Clausewitz overgenomen concept van de gelimiteerde oorlog en voegde daar de inzet van diplomatieke middelen, militaire, marine- en economische strategieën aan toe. Dit alles resulteerde in een theorie van maritieme strategie waarin marine en militaire elementen samenkwamen in een joint approach. Corbett zag dit vooral in een ‘chirurgische’ toepassing van power projection in operatiegebieden van secundair belang. In de woorden van de Britse politicus Sir Edward Grey: ‘The British Army should be a projectile to be fired by the British Navy’.  Te allen tijde diende Groot-Brittannië inzet van massalegers op het continent te vermijden.

Specifieke context en achtergrond

McCranie besteedt in zijn conclusie veel aandacht aan de specifieke context en verschillen in achtergrond waarin Mahan en Corbett tot hun stellingnames kwamen. Zo schreef Mahan bijvoorbeeld om een sceptisch Amerikaans publiek te bewegen zich achter een vlootexpansie en een rol op het wereldtoneel voor de Verenigde Staten te scharen. Zijn seapower-these werd gedreven door handel, niet door marinemacht (naval power, McCranie, blz. 16). Corbett daarentegen hoefde de marine niet te verkopen aan het Britse volk. Al sinds de tijd van koningin Elizabeth I rustte de Britse veiligheid immers op een suprematie ter zee om zo invasies af te kunnen slaan en de handelsverbindingen met een almaar uitdijend koloniaal rijk te kunnen beschermen. Corbetts these ging juist uit van de beperkingen van maritieme kracht (maritime power) en concentreerde zich juist op hoe, gegeven de asymmetrie tussen de zeemogendheid Groot-Brittannië en de landmogendheden van het Europese continent, die eerste in staat zou kunnen zijn om de laatsten de baas te blijven (McCranie, blz. 29). Dat was geenszins een onomstreden strategische visie. Dat hij deze toch kon verkondigen, kwam mede doordat Corbett niet schreef om in zijn levensonderhoud te voorzien; zijn welgestelde afkomst zorgde daar immers voor. Zijn geschriften waren daarom eerst en vooral bedoeld voor consumptie binnen de krijgsmacht. Heel anders was dat voor Mahan, voor wie na afloop van zijn dienstverband bij de marine het schrijven van boeken en artikelen een belangrijke inkomstenbron was.

McCranie werkt dit verschil verder uit door te wijzen op het effect hiervan op de academische kwaliteit van de werken van beide auteurs. Geen van hen was academisch geschoold in de discipline waarin zij schreven (Corbett had rechten gestudeerd en enige tijd als advocaat praktijk gevoerd). Niettemin ontwikkelde hij zich tot een schrijver die zich gaandeweg de historische methode eigen maakte. Mahan daarentegen maakte archiefonderzoek en bronnenvermelding ondergeschikt aan het verkondigen van zijn centrale boodschap (hoewel voor zijn verdediging valt aan te voeren dat er weinig bronnen bestonden als het op marine-strategische theorie aankwam toen hij begon te schrijven).

McCranie ontkracht en nuanceert ook vele populaire mythes die er rondom Mahan bestaan. De vaak aan Mahan toegeschreven bewering dat de allesbeslissende zeeslag het einddoel moet zijn voor elke marine ligt verfijnder: het einddoel dient het beheersen van de zeeverbindingen te zijn teneinde de tegenstander door economische uitputting op de knieën te dwingen. Hoewel Corbett het belang van het beheersen van de zeeverbindingen ook onderschreef, geloofde hij niet zo zeer in een dergelijke uitputtingsslag. Hij zag de oplossing veel meer in een snellere overwinning door het conflict zo veel mogelijk te beperken. Corbett leunde hiervoor op het concept van de gelimiteerde oorlog van Clausewitz en ontwikkelde zo een theorie waarbij een combinatie van machtsinstrumenten meer gelimiteerde politieke doelstellingen kon bereiken.

Hardnekkigheid van vooroordelen

McCranie heeft een zeer geslaagd boek geschreven. Het is hem gelukt de essentie van het denken van beide theoretici weer te geven en dat in een werk van ongeveer tweehonderdvijftig bladzijden. Dat is geen sinecure omdat Mahan en Corbett een aanzienlijke literaire nalatenschap achterlieten, waarin hun denken met de tijd ook nog eens evolueerde. McCranie concludeert dat de werken voor het hedendaagse marine-strategisch denken zowel essentiële kost, maar ook beperkend kunnen zijn, gegeven hun vroeg-twintigste-eeuwse lens. De werkelijke waarde van Mahan en Corbett vergt daarom een uitgebreide bestudering van hun geschriften en McCranies boek vormt daar een uiterst effectieve synthese van.
Kent dit boek ook zwakke kanten? Het antwoord kan kort zijn: weinig. Of het zou de herhaling moeten zijn waar McCranie met enige regelmaat in vervalt. Voor diegenen die goed in deze materie zitten, kan dat tijdens het lezen wellicht tot ergernis leiden. Aan de andere kant: de hardnekkigheid van de vooroordelen over de standpunten die Corbett en Mahan innamen, vergt misschien wel juist constante herhaling om ze uit de wereld te helpen.

Mr. Erik Meijer MA

Mahan, Corbett, and the Foundations of Naval Strategic Thought

Door Kevin D. McCranie

Annapolis (U.S. Naval Institute Press) 2021

344 blz. – ISBN 9781682475744

[1] Rolf Hobson, Imperialism at Sea. Naval Strategic Thought, the Ideology of Sea Power and the Tirpitz Plan, 1875-1914 (Boston, Brill Academic Publishers, 2002) 41.