Opstand van de Georgiërs op Texel

Het laatste slagveld van Nederland

De vuurtoren op de noordelijke punt van Texel oogt als een ideaal uit een toeristenbrochure. Wie hem bezoekt ontdekt al snel dat achter de buitenste wand verrassend genoeg een oudere vuurtoren schuilgaat, met oorlogsschade. De nieuwe vuurtoren is er omheen gebouwd. Hierdoor is de rode vuurtoren bij De Cocksdorp veel meer dan alleen maar pittoresk; hij heeft de verontrustende gelaagdheid die kenmerkend is voor veel objecten en plekken op voormalige slagvelden. Bij het contact ermee dringen zich verhalen op die zich schuilhouden áchter de schilderachtige contemporaine oppervlakte.

Bij de vuurtoren op Texel draaien deze verhalen om de last stand van een bataljon Georgiërs aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Dit Ostbataillon maakte onderdeel uit van de Wehrmacht. Het nam de wapens op tegen de eigen Duitse wapenbroeders. In de nacht van 5 op 6 april 1945 doodden de hulptroepen meer dan vierhonderd Duitsers bij verrassing, op gruwelijke wijze. Daarna braken felle gevechten uit tussen de Georgiërs en de Duitsers. De laatsten wilden wraak nemen en Texel heroveren. Dit gebeurde door ‘reguliere’ gevechten en daarna meer in de vorm van bestrijding van ‘partizanen’. Aan beide zijden werden daarbij geen krijgsgevangenen gemaakt. De vuurtoren bij De Cocksdorp vormde bij dit alles het decor van een schijnbare slotakte van de geweldsexplosie. Daar werd de opstand gebroken op 20 april 1945, nota bene op de verjaardag van Hitler. Hij beval eerder, na de Sondermeldung Texel, tot het doden van alle Georgiërs. Na hun nederlaag bij de vuurtoren gingen de overgebleven Georgiërs echter ondergronds. De gevechten gingen dus door en verbijsterend genoeg tot weken ná Bevrijdingsdag. De Canadezen stonden klaar om het noorden van Nederland te bevrijden en ook de Waddeneilanden, maar zij wachtten af en verschenen pas op 19/20 mei op Texel.

De bloedige minioorlog op Texel was daarmee militair gezien misschien mosterd na de maaltijd. Maar het was gruwelijk voor de direct betrokkenen en de bewoners van Texel. De felle gevechten veranderden Texel in een rokende puinhoop. Van de ongeveer 800 Georgiërs die op het eiland gelegerd waren, om te worden ingezet om de Widerstandsneste van de Atlantikwall te bemannen, leefden er aan het einde van de gevechten nog slechts 228. De Duitsers leden zelfs veel meer verliezen. In de eerste nacht van de gevechten werden al 412 Duitse militairen omgebracht. Hoeveel Duitsers erna sneuvelden is heel lastig vast te stellen, want gedurende het conflict werden dode en gewonde Duitsers afgevoerd en veel versterkingen aangevoerd. Canadese rapporten van vlak na de gebeurtenissen spreken van 2347 Duitse KIA/WIA/MIA. We zitten er kortom vast niet heel ver naast als we uitkomen op zo’n 3000 doden en gewonden, waarvan driekwart Duits was. Het aantal gedode Texelaars, dat waarschijnlijk ruim boven de 100 ligt, is daarbij meegeteld. Dit alles op een Waddeneiland waar het tot april 1945 relatief rustig was, in de marge van een geallieerde flankoperatie, terwijl de oorlog welbeschouwd voorbij was. Het is daarmee zonder enige twijfel een van de eigenaardigste gebeurtenissen uit de (militaire) geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog.

Boeiende casus

Vooral krijgswetenschappelijk bezien is Texel een heel boeiende casus. Want gedurende de gevechten op Texel (feitelijk de laatste grote ‘slag’ aan het westfront) waren niet altijd heldere scheidslijnen te trekken tussen bezetters, hulptroepen, opstandelingen, collaborateurs, verzet en/of bevolking. De gevechten op Texel roepen interessante vragen op over de afbakening van krijgswetenschappelijke concepten, zoals rebellie, opstand, muiterij, franc-tireurs, partizanen, conventioneel gevecht én counterinsurgency. Alleen al de karakterisering van het begin van de strijd levert problemen op. Kan het afsnijden van de keel van Duitse collegae worden gelegitimeerd als verzet tegen tirannie en bezetting, omdat het de geallieerde zaak en de vrijheid zou dienen? Mochten de Georgiërs de burgers van Texel dwingen, zoals zij deden, om te helpen met deze ‘bevrijding’ van het eiland? Mogen non-combattanten worden gemobiliseerd en bewapend voor ‘de goede zaak’? Omgekeerd kan men zich de vraag stellen of de Duitse reacties te rechtvaardigen waren en proportioneel. Gingen zij zich te buiten aan ongeoorloofde oorlogshandelingen, omdat er naast de ‘reguliere oorlogvoering’ ook sprake was van bombardementen op dorpen en boerderijen waar de muitende vijand zich schuil hield en het afdwingen van informatie via info-ops en terreur bij de bevolking? Tactisch-operationeel is ook lang niet alles zo helder als het op het eerste gezicht lijkt. Hoe moeten de relatief succesvolle Duitse militaire operaties, die werden aangestuurd door de Duitse oud-commandant van de Georgiërs majoor Klaus Breitner, eigenlijk worden gekarakteriseerd? Was de kern ervan een set snelle tegenstoten met Alarmeinheiten en Kampfgruppen? Of was het eerder een goed georganiseerd klassiek conventioneel aanvallend gevecht? Of beide, na elkaar? Wat te denken van de zuiveringsacties en sweeps nadat de opstandelingen in pockets waren teruggedreven, van waaruit zij een soort guerrilla voerden? Laat deze laatste fase van de gevechten zich omschrijven als counterinsurgency?

Duidelijk is in ieder geval: de gebeurtenissen op Texel in 1945 vormen inderdaad een uitermate interessante krijgswetenschappelijke casus. De verklaring ervoor is waarschijnlijk dat de strijd op dit geïsoleerde eiland binnen enkele weken meerdere keren fundamenteel van karakter veranderde. Er was sprake van zowel rebellie, terreur en conventioneel optreden, met diverse vormen van aanvallend en verdedigend gevecht, als irreguliere en asymmetrische gevechtsacties, sweeps, psyops en daarnaast een actief betrokken bevolking en een militaire grootmacht die door zijn afwachtende aanwezigheid indirect effect had. Men zou Texel bijna als een krijgswetenschappelijke laboratoriumopstelling kunnen opvatten. Het is alsof karakter en dynamiek van oorlogvoering hier onder een vergrootglas te bestuderen valt, of in een militaire snelkookpan. De casus Texel had – hoe vreemd dit ook klinkt – niet misstaan in de opleidingen voor de missies in Afghanistan en Irak.

Focus op de Georgiërs

De grote vraag, bij de beoordeling van een nieuw boek erover, is natuurlijk of er een originele analyse plaatsvindt die leidt tot een interessante nieuwe gezichtspunten. Het antwoord kan gelukkig ‘ja’ luiden, voorzichtig weliswaar, als het gaat om Eric Lee’s Opstand van de Georgiërs. Dit komt niet door zijn beschrijving en interpretatie van de gevechten op Texel. Wie geboeid is door de tactische aspecten van de gevechten op Texel kan veel beter andere studies opslaan.[1] Maar Lee biedt wel iets dat in andere boeken over Texel ontbreekt. Hij heeft zich in het bijzonder gericht op de Georgiërs en behandelt hen veel uitvoeriger dan gangbaar is. Eric Lee is een journalist die in New York opgroeide en nu in Londen leeft. Hij schreef eerder onder andere The experiment. Georgia’s forgotten Revolution 1918-1921.[2] Daaruit blijkt dat zijn interesse al langer naar Georgië uitgaat. Dit resulteert vooral in overtuigende passages in de eerste honderd pagina’s van het boek en in de laatste hoofdstukken ervan. In de eerste hoofdstukken introduceert Lee de Georgische hoofdrolspelers, zoals Shalva Loladze en zijn ondercommandanten, verhaalt hij over de voorgeschiedenis van de eenheid, de Sovjet-tijd, hun (grote) gevechtservaring, de gevangenneming aan het oostfront en hun ‘keuze’ voor het Duitse leger. Ook komt de geschiedenis van de Ostbataillone aan de orde: de ambivalentie erbinnen ten opzichte van zowel het communisme als het fascisme. Tegen deze achtergrond verklaart Lee de grote diversiteit binnen de eenheid en hun dromen en angsten. Aan het einde van het boek komen andere boeiende kwesties naar voren, zoals de houding van de bevolking van Texel tegenover de ‘opstandelingen’ en de uiterst complexe herinnerings- en herdenkingscultuur voor wat betreft de gebeurtenissen.

Hierbij blijkt dat Lee uiteindelijk wel begrip kan opbrengen voor de Georgiërs. Er zou goed kunnen worden verdedigd dat zij deloyale lafhartige gewelddadige opportunisten waren. Duitsers en Canadezen redeneerden vaak zo. Maar Lee formuleert het anders. De gevechtshandelingen werden volgens hem ingegeven door ‘de wil te blijven leven’. Bij een eventuele terugkeer naar Rusland, na de overgave op de geallieerden, liepen zij groot gevaar. Daarom wensten de Georgiërs, voordat Stalin hen weer in handen kreeg, ‘hun waardigheid te herwinnen’, stelt Lee. Zij trachtten het beeld dat van hen bestond als verraders te doen kantelen, bij Stalin, de geallieerden, hun eigen volk én niet in de laatste plaats ook bij zichzelf. Dat een relatief vreedzaam eiland erdoor in een slagveld veranderde en collegae de keel werd afgesneden waren volgens Lee ‘offers die in oorlogen betaald worden voor overleven’.

Het moet worden gezegd: in zekere zin slaagde dit plan. Ná de opstand verging het de meeste Georgiërs gezien de omstandigheden vrij redelijk. Zij werden door hun wanhoopsactie relatief bekend en verdwenen mede om hun ‘heldendaad’ (en omdat de geallieerden en de Nederlandse communisten zich voor hen sterk maakten) over het algemeen niet in de goelag. Heel interessant is het dat Lee schetst hoe moeizaam dit heroïsche narratief langzamerhand vorm kreeg en het verwerkingsproces van het oorlogstrauma zich daarbij verstrengelde met de herdenkingscultuur en herinneringspolitiek van vlak ná de oorlog, toen de Koude Oorlog uitbrak. In hoofdstuk 15 komt Lee in dit verband te spreken over de geboorte van ‘de mythe’. Hij gaat er dieper in op de constructie van de herinnering en de doorwerking van de gebeurtenissen. Dit mondt uit in een passage over het ontstaan van de Georgische begraafplaats op Texel, de herdenkingsmonumenten en de vele controverses die gingen spelen. In hoofdstukken 16 en 17 richt hij zich vervolgens ook op de receptie van de gebeurtenissen in Georgië en Rusland, binnen de context van de zeer gespannen relatie tussen de twee landen voor en ná de val van de Berlijnse Muur.

Muiterij of opstand?

Dit alles toont aan dat Eric Lee een oorspronkelijk boek heeft geschreven. Helaas is de kracht van het boek, zoals vaak, mede de oorzaak van de zwakte ervan. Juíst door de sterke focus op de voorgeschiedenis van het Georgische bataljon en de doorwerking van de gebeurtenissen na 1945 komt de beschrijving en analyse van de gevechten, terwijl die juist zo boeiend zijn, niet uit de verf. De passage hierover is veel te kort (nog geen 45 pagina’s) en biedt niets nieuws. Voor wie geïnteresseerd is in tactische aspecten van de casus Texel gaat er daarom nog steeds niets boven het boek dat Serge Blom en Rolf de Winter erover schreven: De Georgische muiterij op Texel, april-mei 1945. Zij geven, thematisch per locatie geordend, zeer gedetailleerde informatie over vooral de militaire kant van het verhaal. Hun boek is voorzien van prachtige en zeer verhelderende kaarten en foto’s. Dat ontbreekt bij Lee. Maar wie zich wil verdiepen in een alternatief verhaal dat ook achter de wand van de vuurtoren van Texel schuilgaat, doet er zeker goed aan Lee’s boek te lezen. Misschien moeten beide boeken maar naast elkaar worden gebruikt. Dan kan de lezer ook zelf beslissen of het Georgische geweld een muiterij was (zoals Blom en De Winter prominent in hun titel zetten) óf een opstand (het woord waarvoor Lee bewust kiest). Dit is geen detailkwestie. Woordkeuze is níet vrijblijvend als Mars om de hoek kijkt.

Dr. H. (Henk) de Jong, universitair docent militaire geschiedenis NLDA

Opstand van de Georgiërs op Texel

Het laatste slagveld van Nederland

Door Eric Lee

Uithoorn (Karakter Uitgevers) 2020

224 blz. – ISBN 9789045218182

 

[1] Met name: Serge Blom en Rolf de Winter, De Georgische muiterij op Texel, april-mei 1945. Een militair-historische gids (Franeker, Van Wijnen, 2016). Eerder verschenen ook: Hans Verhoeven, De polder brandde. Jeugdherinneringen aan de ‘Russenoorlog’ (Den Burg, gemeente Texel, 2005); Dirk van Reeuwijk, Sondermeldung Texel – Opstand der Georgiërs (Den Burg, Open boek, 1995); J.A. Van der Vlis, Tragedie op Texel. 6-26 april van het jaar 1945 (Amsterdam, Becht, 1945).

[2] Eric Lee schreef ook: Operation Basalt. The British Raid on Sark and Hitler’s Commando Order (2016) en Saigon to Jerusalem. Conversations with Israel’s Vietnam Veterans.