Duistere plekjes

Arijan Kurbasic, de manager van het War Hostel in Sarajevo, weet dat zijn idee van vakantiepret de mensen een beetje rauw op hun dak kan vallen. Hij is daarom soms bereid tot kleine concessies in de huisregels. 24 uur per dag draait een cd met het geluid van vuurgevechten en explosies. Op verzoek zet hij het volume ’s nachts wat lager – maar nooit helemaal uit, want dat kon tijdens de oorlog ook niet. Je slaapt er als gast niet per se beter door, want je krijgt geen bed, maar een dun matras op de vloer. Geen kussen of lakens, alleen muffe, loodzware dekens van ruig paardenhaar.

Van de verdere aankleding van het hotel is het ook niet de bedoeling dat je vrolijk wordt: muren en plafonds zijn gedeeltelijk gesloopt, overal zitten kogelgaten in de brokkelige muren, hier en daar piept een mortier door de buitenmuur naar binnen. Posters schreeuwen ‘Death!’ en ‘Welcome To Hell!’. Ramen hebben geen glas, maar karton en vuilniszakken in de sponningen, plafonds zijn geblakerd en de kachel is de ketel van een afgedankte boiler die je stookt met een ouwe schoen en een stuk gordijn.

Voor gasten die tot het gaatje willen gaan in deze holiday experience is er de ‘Bunker’, een kleine kelderruimte zonder ramen, met brokstukken van het plafond op je matras en met een rookmachine die de kelder permanent blauw doet staan.

Arijan Kurbasic (27) was tot voor een paar jaar toeristengids in Sarajevo. Hij merkte dat zijn klanten vooral gefascineerd waren door wat de stad tijdens de oorlog van 1992 tot 1995 had doorgemaakt. ‘Ik besloot de mensen te geven wat ze wilden’, zei hij in de New York Times. Hij was zelf nog een kind toen de oorlog eindigde, dus hij eist van zijn gasten dat ze hem aanspreken met ‘Zero One’, de codenaam die zijn vader gebruikte tijdens de oorlog.

Kurbasic heeft liever niet dat zijn voornamelijk jonge gasten de ervaring cool noemen. ‘Oorlog ís niet cool,’ zegt hij. Hij verwelkomt ze gekleed in een camouflagepak, met zwarte laarzen, een helm en een scherfvest. Hij mag twee etages in zijn ouderlijk huis gebruiken. Er staat een klok, maar die zet hij stil als er gasten aankomen, om ze te laten ervaren hoe iets voelt waar nooit een einde aan lijkt te komen. De elektriciteit liet hij afsluiten: gasten krijgen een oude zaklantaarn met batterijen die elk moment op kunnen zijn. ‘Zo leren ze om er zuinig mee om te gaan.’ Maar wifi is er wel, want als ze niet online kunnen zijn de gasten niet te vermurwen: dan vertrekken ze onmiddellijk.

Een treurige tweepersoonskamer (daarvan is er één) kost 30 euro. Met z’n zessen op een matrasje op de grond kost 10 euro per persoon. Het War Hostel zit tot ver in 2019 volledig volgeboekt.

In de toeristenindustrie heet een verblijf in zoiets als de War Hostel dark tourism, een niche, maar groeiend, want buitengewoon instagrammable. Dark tourism leidt vakantiegasten naar plaatsen waar mensen elkaar vreselijke dingen hebben aangedaan, zoals Auschwitz en het martel- en vernietigingscentrum Tuol Sleng Prison in Phnom Penh. Syrische vluchtelingen boden hun vluchtelingententen in het smerige kamp Moria op Lesbos al eens aan op Airbnb. Dat was toen nog voor de grap, maar je kunt er wachten op de eerste rolkoffers.