Godzijdank, een recessie

De economie groeit al 68 maanden op rij. De afgelopen tijd daalde de werkloosheid volgens het CBS met gemiddeld 10.000 mensen per maand. Hoe minder werklozen, hoe minder uitkeringen, hoe meer geld de staat overhoudt voor andere zaken: na jaren wordt er voor het eerst weer geïnvesteerd in Defensie. Allemaal goed nieuws dus.

Of toch niet? Meer groei betekent ook een krappe arbeidsmarkt. De vijver waaruit Defensie nieuw personeel vist, wordt met de maand kleiner, terwijl de personeelstekorten alleen maar toenemen. Voor de zomer telde het personeelsbestand 8600 onvervulde vacatures. Tekorten die inmiddels iedereen voelt. Mensen met anderhalve baan zijn binnen Defensie geen uitzondering meer. ‘We moeten met 300 man gaan kunnen wat 600 mensen nu kunnen’, zei de vertrekkend Commandant Landstrijdkrachten generaal Leo Beulen eind augustus in een afscheidsinterview met NRC Handelsblad.

Het is makkelijk om de economie de schuld te geven van dit alles. Hoogconjunctuur, niets aan te doen. Of toch wel? Als de visvijver maandelijks kleiner wordt, kun je twee dingen doen: met je hengeltje lijdzaam langs de kant gaan zitten wachten tot alle vis op is, of als een gek beter aas aan je hengel hangen en nog meer dobbers het water in gooien. Defensie zou het laatste moeten doen. Maar slaagt zij daarin?

Laten we met het aas beginnen. Natuurlijk, niemand gaat bij Defensie werken voor het grote geld. Kameraadschap, avontuur, inhoudelijk en maatschappelijk interessant werk tellen voor velen zwaarder dan een vorstelijke beloning. Maar als er na je afstuderen vijf bedrijven zijn die jou honderden euro’s meer bieden dan Defensie, gaan de knaken toch tellen. Dat begin juli na maanden onderhandelen eindelijk een akkoord werd bereikt waarmee defensiepersoneel er de komende jaren 6,3 procent op vooruit gaat, is goed nieuws, maar de wervers bij Defensie moesten het tot die tijd doen met de oude,  onaantrekkelijke salaristabellen. Bepaald geen uithangbord voor Defensie. De vacatures liepen intussen alleen maar meer op.

Belangrijker dan geld is misschien nog wel de houding binnen Defensie. Na jarenlange bezuinigingen is het departement kampioen krimpen. Nu er geld bij komt, moet plots het roer om. Van krimp naar groei. Niet iedereen kan deze mentale ombuiging aan. Potentiële rekruten worden knorrig aan de kazernepoort ontvangen met de non-verbale boodschap: je mag blij zijn dat je hier mag werken, want zo was het vroeger.

Waar blijft de rode loper waarop we mensen hartelijk welkom heten binnen ons militair bedrijf? Ik ken helaas te veel voorbeelden van het tegendeel. Een vriend van mij is afgestudeerd als arts. Daarnaast heeft hij op hoog niveau basketbal gespeeld en geroeid. Avontuurlijk, teamspeler, dokter-in-wording (Defensie heeft ook tekort aan medisch personeel). Kortom, die vriend van mij leek zo van de wervingsposter te zijn gelopen. Op een dag bezoekt hij een open dag op de kazerne. Daar waar hij zich had ingesteld op een avontuurlijke baan met veel oefeningen en uitzendingen, wordt hem eenmaal binnen de kazernemuren op zielloze toon te verstaan gegeven dat huisarts bij Defensie echt niet veel meer is dan blaren prikken en soa’s testen. Gedesillusioneerd keert hij Defensie de rug toe. Korte tijd later krijgt hij een aanbod om te specialiseren als huisarts in de burgermaatschappij, een aanbod dat hij met beide handen aangrijpt. Defensie belde hem maanden later nog eens op, maar het had al geen zin meer, want deze jongen hebben we met z’n allen laten lopen. Helaas ken ik vele varianten op dit voorbeeld.

Het wervingsbeleid lijkt bovendien versnipperd. Nog een voorbeeld: de personeelstekorten bij de Luchtmobiele Brigade zijn zo hoog opgelopen dat enkele pelotons in Schaarsbergen zijn aangewezen om uit arren moede zelf maar scholen in de omgeving te bezoeken om jongeren te enthousiasmeren voor een baan bij de brigade. De Luchtmobielers laten trots zien hoe loodzwaar hun rugzak is onder operationele omstandigheden. Jongens in de klas mogen het ook even proberen. De paar jongens wiens rug niet onmiddellijk knakt, raken enthousiast en tekenen het inschrijfformulier. De brigade boekt zo succes in het terugdringen van het tekort binnen de eigen gelederen. Maar Defensie is meer dan een luchtmobiele infanterie. De hackende puber achter in de klas voelt ook die immense rugzak, zakt acuut door zijn hoeven en denkt: Defensie, dat is niks voor mij! Terwijl zo iemand misschien geknipt was voor het Defensie Cybercommando. Juist in een wereld met een steeds diffusere dreiging, waarbij aanvallen zowel in het fysieke als in het informatiedomein op ons af kunnen komen, heeft Defensie evenveel aan de breedgeschouderde infanterist als aan de puisterige computerexpert.

Een andere manier om die vacatures omlaag te krijgen, is ervoor te zorgen dat ze niet ontstaan. Dit klinkt helaas simpeler dan het lijkt. Het rigide personeelsbeleid binnen Defensie werkt helaas nog altijd vaak volgens het adagium ‘nee, tenzij’. Het leidt tot frustratie en frustratie leidt tot onnodige uitstroom. Een bevriende marineofficier wil bijvoorbeeld dolgraag eens weg van het water. Hij meldt zich aan als waarnemer voor de VN-missie in Israël (de marine levert daar een functie). Jarenlang wordt hem telkens voorgehouden dat hij geknipt is voor deze job, maar helaas, door gigantische tekorten in Den Helder mag hij niet weg. Functie na functie wordt hij directief geplaatst op een van de schepen met de belofte dat hij hierna écht op uitzending mag. Na de zoveelste niet nagekomen belofte van de personeelsfunctionaris is hij het spuugzat. Binnenkort tekent hij zijn ontslagbrief. Hoppa, weer een vacature extra om te vullen!

Gelukkig is de redding voor het personeelsprobleem nabij. Met China en de VS verwikkeld in een handelsoorlog, een krimpende economie in Duitsland en de Brexit op komst is een recessie gelukkig niet ver weg. Nog even geduld en we zitten weer in een economische neergang. Gelukkig maar! De werkloosheid zal in de toekomst weer stijgen, jongens en meisjes melden zich weer aan de kazernepoorten. Alle personeelsproblemen opgelost!

Of gaat Defensie lessen trekken zodat het ook in de toekomst een aantrekkelijke werkgever blijft – in slechte én goede tijden?