Nooit meer weggegaan

Wat je ook van de Eerste Wereldoorlog mag vinden, hij bracht het oorlogsbedrijf wel een aantal belangwekkende nieuwigheden. In de sector persoonlijke militaire beschermingsmiddelen bijvoorbeeld werd de helm ontdekt. De Franse generaal Adrian ontmoette bij toeval een soldaat die zijn metalen etenspan bij voorkeur onder zijn hoofddeksel bewaarde en aan die gewoonte zijn leven te danken had. In die pan was een vijandelijke kogel blijven steken. Generaal Adrian zag de mogelijkheden en in het najaar van 1915 werd in het Franse leger de ‘casque Adrian’ ingevoerd. Het voorbeeld werd in hetzelfde jaar door de Duitse en Britse, en in 1916 door de Belgische en Italiaanse legers gevolgd. In de Tweede Wereldoorlog hadden alleen al aan Amerikaanse zijde meer dan 70.000 man hun leven te danken aan hun ‘casques’.

In de stellingen van de Eerste Wereldoorlog werd ook bedacht dat het efficiёnter kan zijn om gewonden voor medische behandeling niet eerst helemaal naar een plek achter het front te transporteren, maar de hulp vlak in de buurt en soms zelfs direct op het slagveld te verlenen. De Franse militair-geneeskundige dienst vond de zogeheten ‘équipes chirurgicales mobiles’ uit, mobiele chirurgische units. Al snel reden er honderden over de slagvelden heen en weer. Onder de onverschrokken chauffeurs bevond zich ook Marie Curie. Als een eigentijdse Florence Nightingale reisde zij langs de loopgraven met haar uitvinding, de ‘radiologische automobiel’. Hoogstpersoonlijk verbond zij haar röntgenapparaat met een kabel aan de dynamo van het voertuig en in een snel geïmproviseerde donkere kamer lichtte zij zieke en gewonde soldaten door. Een daverend succesvol initiatief: alleen al in de jaren 1917 en 1918 zijn meer dan een miljoen Franse soldaten met röntgen onderzocht.

Nog een verschijnsel dat schijnbaar begon in de Eerste Wereldoorlog en nooit meer is weggegaan, is de ‘oorlogsneurose’. Grote aantallen militairen kwamen thuis van de Grote Oorlog met tijdelijke en blijvende geestelijke stoornissen en psychoses. Tegen de vreselijkheden van de moderne oorlogvoering met zijn nieuwe gevechtsmethodes, met tanks, doorlaadgeweren, vlammenwerpers en gifgassen, bleek ook toen al de geest van lang niet elk mens opgewassen. Alleen al in het Amerikaanse leger werden na de Eerste Wereldoorlog tegen de 70.000 psychisch gewonden geregistreerd.

Kunst heeft de Grote Oorlog gelukkig ook opgeleverd. Een literair genre werd volwassen: oorlogspoёzie. Nooit eerder of later heeft een oorlog zo veel dichters tot schrijven geïnspireerd. Niet alleen bekende literaire figuren, maar ook mensen uit alle hoeken van de samenleving ‒ soldaten, moeders, vrijwillige verpleegsters ‒ hebben hun gevoelens over de oorlog in poëzie op papier gezet. Wilfred Owen werd misschien wel de belangrijkste War Poet. Hij diende in het Britse leger in Frankrijk, overleefde granaten en gas, maar liep wel shell shock op. Zijn arts moedigde hem aan om zijn nachtmerries in gedichten te verwerken. Owen schreef onder meer een beroemd geworden vers over de indruk die een aan gasverstikking stervende kameraad maakte. Als je het had gezien, spreekt hij de lezer toe, de doodsstrijd van die man en het bloedschuim op zijn lippen, ‘My friend, you would not tell with such high jest / To children, ardent for some desperate glory / The Old Lie: ‘Dulce et decorum est / Pro patria mori’ (… Mijn vriend, dan zou je zo luchthartig niet / Aan kinderen, hopend op wat ijdele roem / De Oude Leugen vertellen: / ‘Het is zoet en eervol voor het vaderland te sterven’.

Een week voor het einde van de oorlog sneuvelde Owen in Frankrijk, 25 jaar jong.