Schaamte

‘Ik schaam me kapot’, zei een officier van de Amerikaanse Special Forces in de New York Times over de orders van president Trump om zich uit Noord-Syrië terug te trekken en de Koerden achter te laten. De operatie die de Amerikanen samen met de Koerden uitvoerden, IS uit Noordoost-Syrië verdrijven, was afgerond, dus Trump had de Koerden niet meer nodig.

Minister van Defensie Mark Esper wilde het geen verraad aan de Koerden noemen: ‘We laten de Koerden niet in de steek’, zei hij. De VS had immers de Turken gevraagd om het offensief tegen de Koerden te staken. Dat de Turken dat verzoek naast zich neer hadden gelegd, tja, daar kon de VS verder niets aan doen.

Vorig jaar kwamen de Amerikaanse commando’s samen met de Koerdische strijdkrachten onder vuur te liggen. Ze werden aangevallen door tanks van de Syrische regering en door honderden troepen, waaronder Russische. De Amerikanen brachten de hele Pentagon-santekraam in stelling tegen de aanvallers, inclusief B-52 bommenwerpers en de aanval werd afgeslagen. Die episode maakte duidelijk hoe ver de Amerikanen bereid waren te gaan om de Syrische Koerden, hun voornaamste bondgenoot aan de grond in Syrië, te beschermen. Nu, terwijl het Witte Huis die bescherming voor de Koerden intrekt, durven de Special Forces de Koerden nauwelijks meer in de ogen te kijken over de orders om ze aan hun lot over te laten. ‘Ze vertrouwden ons. Het is een smet op het Amerikaanse geweten.’

De Amerikanen leggen de Turken geen strobreed in de weg bij de schoonmaak van het gebied dat in handen was van de Koerdische troepen. De orders uit Washington aan de eigen manschappen waren duidelijk: bemoei je er niet mee, laat de Koerden het zelf opknappen. Waarmee aan vier jaar samenwerking in de oorlog tegen IS een abrupt einde kwam.

De Amerikaanse Special Forces hadden nauwe banden met de Koerdische bondgenoten: ze verbleven in dezelfde stoffige kampen en deelden hun eten. Koerden bewaakten de plaatsen waar Amerikanen waren gelegerd en evacueerden elkaars gewonden. ‘Om de doden rouwden we samen’, zei ex-generaal Joseph Votel deze week.

De samenwerking begon al in 1974 met de Amerikanen die Koerden bewapenden in hun rebellie tegen Irak. Iran en de VS waren bondgenoten in die tijd. De sjah van Iran en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger moedigden de Koerden in die opstand aan. Die episode eindigde overigens ook in verraad. In 1975 sloot de sjah van Iran een deal met Irak: in ruil voor enkele grenscorrecties trok hij zijn steun aan de Koerden in. Kissinger deed hetzelfde. Hij zei dat Amerikaanse militairen nu eenmaal geen missionarissen waren.

Maar altijd was er wel weer een nieuw conflict of een oorlog waarbij de Koerden goed van pas kwamen. De Amerikanen hebben duizenden Koerdische strijders getraind in de loop der jaren. In de strijd tegen IS in Noord-Syrië hadden ze elkaar ook weer nodig: de Amerikanen hadden nauwelijks boots on the ground en de Koerden hadden geen luchtsteun. Het wederzijdse vertrouwen was enorm, het succes groot. De Koerden trokken IS-gebied binnen en heroverden het. Met groot verlies van mensenlevens.

Trump neemt op z’n Trumpiaans afscheid van de bondgenoten, met een ‘aju paraplu’-tweetje: ‘Het maakt mij niet uit wie de Koerden nu gaat beschermen: Rusland, China, of Napoleon Bonaparte. Ik wens ze succes, wij zitten er 11.000 km vandaan!’