Smeerpijperij

Hebben VN-vredesmissies impact? Nou en of. Negen maanden na de aardbeving, in oktober 2010, brak in Haïti een verschrikkelijke cholera-epidemie uit.

Meer dan 9000 doden zijn geteld (Artsen zonder Grenzen denkt dat er nog duizenden ongeteld zijn) en bijna een miljoen mensen raakten besmet. Deskundigen destijds legden uit dat dat geen wonder was. Vele honderdduizenden Haïtianen verloren hun huis in de beving en waren door de VN en hun internationale hulppartners in tentenkampen ondergebracht, hutjemutje, zoals de cholerabacil dat graag ziet.

Maar in werkelijkheid lag de oorsprong van de cholera-uitbarsting op grote afstand van het aardbevingsgebied. Artsen wisten tot op de centimeter te bepalen wáár precies: pal buiten de muren van een vooruitgeschoven militaire post van de VN-missie MINUSTAH in het gehucht Méyè. Binnen die muren waren Nepalese blauwhelmen neergestreken, vers uit Kathmandu, waar cholera endemisch is. Het Nepalese kamp lag pal aan een zijtak van Haïti’s grootste en belangrijkste rivier, de Artibonite. Mensen gebruiken het rivierwater om te baden, te koken en te drinken. Vanuit hun kamp loosden de Nepalezen hun rioolwater zó de rivier in.

Het laatste geval van cholera in Haïti was in 1860. In de eerste maand na de aankomst van de Nepalezen waren al 2000 choleradoden geteld en 7000 besmettingen; allemaal stroomafwaarts van de Nepalese rioolpijp. Frappant? De VN vindt van niet en houdt sinds 2010 al stug vol niets met de cholera-explosie te maken te hebben.

Op 5 april 2016 kreeg de Britse krant The Guardian een rapport toegespeeld uit de geheime archieven van de VN. Het dateert van een maand ná de cholera-uitbraak en laat zien dat de VN toen niet alleen al wist van de Nepalese smeerpijperij, maar ook dat hetzelfde gebeurde in een op de tien VN-kampen in Haïti: blauwhelmen kieperden hun rioolbagger zó over het hek de natuur in. En zeven van de tien VN-kampen smeten hun afvalwater uit keukens en douches over de muur naar buiten. MINUSTAH had vijf waterzuiveringsinstallaties naar Haïti meegenomen. Twee daarvan waarvan stuk. De andere drie waren nooit uitgepakt vanwege ‘concurrerende prioriteiten’. Ook na de onthulling van dit rapport houdt de VN vol van niets te weten, als een met chocola besmeurde kleuter die zegt niet te snappen hoe die Nutellapot leeg is geraakt.

In New York proberen 1500 Haïtiaanse cholera-overlevenden de VN aan te klagen voor nalatigheid. Een andere groep, die zich Code Blue noemt, probeert VN-blauwhelmen aansprakelijk te stellen voor seksueel misbruik. ‘Ti-MINUSTAH’s’ heten de kinderen in Haïti die uit het misbruik geboren worden, kleine Minustaatjes. Na de aardbeving circuleerde in Haïti een boekje voor buitenlandse militairen en andere hulpverleners met een ‘essentiële Creoolse woordenschat’. Eén handige zin in dat boekje luidde: ‘Ou pa oblije kite moun fè bagay ak ou pou manje ou dwe resevwa gratis’: U hoeft niet in te stemmen met seks in ruil voor hulpvoedsel. Het woordje ‘pa’ werd soms weggelaten, kennelijk.

Het is zeer de vraag of het tot rechtszaken gaat komen. Blauwhelmen zijn immuun voor vervolging, ongeveer zoals staatshoofden en diplomaten. Ze kunnen alleen veroordeeld worden door hun eigen regeringen en dat gebeurt zelden of nooit.

De civiele kant van de hulpoperatie in Haïti heeft er trouwens net zo goed met de pet naar gegooid. Met spotgoedkope chloor zou de cholera prima te bestrijden zijn geweest, maar een half jaar na de uitbraak waren in slechts 20 procent van alle opvangkampen voor aardbevingsslachtoffers chloorwatertappunten te vinden. Zes maanden later in nog maar 10 procent. En van de 12.000 kamplatrines kon slechts een derde gebruikt worden. De rest was verstopt of overstroomd.

Aldus, door laksheid links en rechts, kon de cholera-epidemie tot volle wasdom komen. ‘First, do no harm’, staat in de basisbeginselen van de humanitaire hulpverlening. In Haïti waren het hulpverleners zélf die levensgevaarlijk waren.