Defensievisie 2035: startpunt van een strategisch proces

In oktober publiceerde de minister van Defensie de Defensievisie 2035. Vechten voor een veilige toekomst.[1] Over de vorige nota was de redactie kritisch vanwege de glossy uitstraling en de suggestie dat doen belangrijker zou zijn dan denken. Nu lezen we in de media kritiek dat de nieuwe visie juist geen keuzen inhoudt; wie alles wil, bereikt mogelijk niets. Deze kritiek is niet op haar plaats. De aanpak met principes is eigenlijk heel passend voor zo’n strategische visie omdat het een goed denkproces op gang brengt.

Een strategie, zoals bijvoorbeeld gedefinieerd door Luttwak, is geen uitgestippelde wandelroute maar een logic, ofwel een logisch geheel van beginselen dat richting geeft aan de zoektocht naar een werkbare combinatie van ways, ends and means.[2] We weten immers niet welke vorm de problemen van morgen zullen aannemen; de veiligheidsvraagstukken zijn complex en de oplossingen zijn afhankelijk van politieke keuzen. Politiek en krijgsmacht werken zo, al puzzelend, naar elkaar toe.

Aan het einde van een regeerperiode kunnen we de politieke besluiten waar ieder zo naar lijkt te snakken, niet verwachten. Deze keuze maakt uiteindelijk iedere burger zelf in het stemhokje en deze visie – en niet in de laatste plaats de daarin geschetste financiële scenario’s – bieden politieke partijen prima houvast om in hun programma mogelijke plannen voor Defensie te formuleren. Mogelijk biedt het recente Clingendael-rapport De Nederlandse Wending naar Europa hoop.[3] Het blijkt dat meer Nederlanders dan voorheen vinden dat er meer geld naar Defensie moet: het betreft circa 48 procent, terwijl 24 procent tegen is en 26 procent geen mening heeft.

Voor de krijgsmacht schetsen de tien inrichtingsprincipes het brede palet van eisen waar zij aan zal moeten voldoen: mensenwerk, flexibiliteit, innovatie, escalatiedominantie, informatie, integratie, transparantie, Europa, NAVO en weerbaarheid. Onmogelijk om alles goed te doen. Het goede nieuws is dat een strategie niet perfect hoeft te zijn, maar net wat beter dan die van onze concurrenten. Zolang de strategie helpt om naar tevredenheid ons doel te bereiken, is deze goed genoeg. Het slechte nieuws is dat een strategie al een desastreuze uitwerking kan hebben als slechts één element helemaal fout zit. Ons publiek is onverbiddelijk en rekent Defensie altijd af op die ene uitglijder.

De genoemde dynamiek brengt met zich mee dat zo’n visiedocument slechts het begin is van een strategisch proces. Het aantal ‘tien’ is eigenlijk ongelukkig gekozen, omdat het domweg opvolgen van de geboden niet genoeg is. Het vergt een permanent denkproces over alle factoren van invloed. Het oplossen van de schijnbaar onoplosbare veiligheidspuzzel vereist intellectueel debat. Wie de Militaire Spectator leest komt alle tien genoemde aspecten tegen, alle domeinen, alle regio’s, verleden, heden, toekomst, mens, techniek, recht, binnen-en buitenlandse politiek en instituties, conventioneel en irregulier optreden. Eenieder zet, vaak bevlogen, zijn zienswijze uiteen en propageert aandacht voor een specifiek aspect. Dit stimuleert het debat tussen de Nederlandse professionals die zich bezighouden met militaire veiligheid. Uiteindelijk zullen we Nederlandse oplossingen moeten vinden en dit zal geen copy-paste uit het buitenland zijn.

De artikelen overziend is de redactie blij met de inhoudelijke verscheidenheid en de betrokkenheid van de auteurs. Ook in dit nummer komen diversiteit en kritische opstelling goed tot uiting. We moedigen iedereen aan te blijven schrijven. We bieden niet alleen ruimte aan diepgaande analyses, maar ook aan columns of afwijkende meningen over een eerder gepubliceerd artikel. Iedere bijdrage helpt bij het oplossen van de strategische puzzel.

[1] Defensievisie 2035. Vechten voor een veilige toekomst (Den Haag, ministerie van Defensie, 2020).

[2] Enigszins vrij naar: E. Luttwak, Strategy. The Logic of War and Peace (New Haven, Harvard University Press, 2001) 267.

[3] De Nederlandse wending naar Europa. Steun voor meer Europese militaire zelfstandigheid, taakspecialisatie en een hoger defensiebudget (Den Haag, Clingendael, 2020).