Wie gaat er mee naar Mali?

Nu de eerste militairen naar Mali gaan zijn de media weer erg geïnteresseerd. Militaire missies trekken al jaren de aandacht in de pers. Toch is de toon gereserveerder dan toen Nederlandse eenheden naar Uruzgan vertrokken: zowel als het gaat om wat er in Mali bereikt moet worden als over de kans dat het bereikt wordt zijn de verwachtingen nu duidelijk getemperd. Uiteraard is het de primaire taak van de media om de politiek in het algemeen en de ministers in het bijzonder kritisch te ondervragen. De gereserveerde houding ten opzichte van het besluit om Nederlandse militairen in te zetten valt op zich dus goed te begrijpen. Maar toch zitten er een paar addertjes onder het gras.   

 

Gelukkig rust de missie op brede steun in de Tweede Kamer. Behalve de regeringspartijen VVD en PvdA gaven ook CDA, D66, ChristenUnie, GroenLinks, SGP en 50Plus hun fiat. Uiteraard is er alle reden om hierover verheugd te zijn. Maar toch wringt er iets. En dat is dat het nog maar zo kort geleden is dat de verlenging van de vergelijkbare missie in Afghanistan inzet werd van politiek gekrakeel.

 

We zetten die geschiedenis nog maar even op een rij. Op 12 januari 2010 presenteerde de Commissie-Davids het eindrapport naar de politiek-militaire besluitvorming rond de Irakoorlog. Dat veroorzaakte de nodige spanning in Den Haag en op 19 februari ontstond er een kabinetscrisis over de verlenging van de missie in Uruzgan. Een dag later viel het kabinet Balkenende-IV hierover. Toch  was het defensiebeleid géén issue in de daaropvolgende verkiezingen. Het kabinet Rutte-I bleef heel kort aan het bewind, maar bezuinigde ondertussen wel één miljard op Defensie. En de besluitvorming rond de politiemissie in Kunduz mag ronduit moeizaam genoemd worden.

We verklappen dus geen geheim als we zeggen dat deze politieke werkelijkheid diepe sporen heeft nagelaten binnen de krijgsmacht. De missie in Uruzgan was maar ten dele voltooid en bondgenoot Australië moest het dreigende vacuüm opvullen. Laten we het erop houden dat dit wat ongemakkelijk aanvoelde. Uiteraard is en blijft de terugtrekking uit Uruzgan een politieke beslissing en daarom is deze loyaal uitgevoerd. Maar militairen houden niet van half werk of van het uitbesteden van hun taken.

 

Al met al zijn de afgelopen vier jaar bepaald niet gunstig geweest voor de krijgsmacht. Daar lijkt nu verandering in te komen. Het huidige kabinet is duidelijk meer op het buitenland gericht dan de vorige twee. En de brede steun voor de missie in Mali onderstreept die koerswijziging. Maar kunnen we er ook op rekenen dat die politieke steun blijvend is?

Ronduit verontrustend is het feit dat slechts een kwart van de Nederlandse bevolking voorstander is van deze nieuwe uitzending. Volgens een enquête van Maurice de Hond van 15 december 2013 is maar liefst 43 procent ronduit tegenstander en 32 procent is neutraal of weet het niet. Dat zijn geen gunstige cijfers.

 

In dit nummer van de Militaire Spectator staat een artikel van een jonge auteur over de wonderbaarlijke drie-eenheid van Carl von Clausewitz. Daarin wordt – niet voor eerste keer overigens – uitgelegd dat die drie-eenheid zeer belangrijk is bij militaire inzet. Door Clausewitz weten we dat de steun van de bevolking een cruciale factor is. Uiteraard schreef hij in de tijd van de grote dienstplichtlegers, waarbij er dus een specifieke relatie was tussen de bevolking en de krijgsmacht. Hoe die verhouding zich ontwikkelt nu Nederland weer over een beroepskrijgsmacht beschikt is nog niet volledig uitgekristalliseerd. Maar dat politici gevoelig zijn voor wat er onder de kiezers leeft is evident. En dat de media daarbij een grote rol spelen is ook geen nieuws.

 

Het verschil in politieke en maatschappelijke steun voor de missie in Mali is dus opvallend. De vraag is nu hoe zich dat verder gaat ontwikkelen. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat er geen probleem ontstaat als de inzet een succes wordt. Laten we daar dan ook vanuit gaan. Maar missies zoals die in Mali zijn een clash of wills en het is daarom niet op voorhand zeker dat de extremisten zich zonder meer naar onze wil zullen schikken. Bij onverhoopte tegenslagen of bij tegenvallende resultaten zullen de media onmiddellijk en onverbiddelijk reageren. Die negatieve pers zal ook gevolgen hebben voor de mening van de gemiddelde Nederlander. Dat zal direct zichtbaar worden in de sociale media en in één van de vele enquêtes die wekelijks in ons land worden gehouden. En wat gaan de oorspronkelijke voorstanders van missie in de Tweede Kamer dan doen?

 

Net als destijds bij de verlenging in Afghanistan zal diezelfde pers de woordvoerders van die politieke partijen gaan confronteren met de negatieve gevoelens onder hun kiezers. En in de Tweede Kamer zullen de huidige tegenstanders alsnog hun gelijk proberen te halen. Blijven de gelederen dan gesloten of gaat men dan toch schuiven? Anders gezegd, durven de politici het dan aan om op een ander beroemd adagium van Clausewitz te wijzen? Die uiterst realistische uitspraak was: ‘Der Krieg ist also ein Akt der Gewalt, um den Gegner zur Erfüllung unseres Willens zu zwingen.