Nóg 200 jaar Koninklijke Marechaussee

Deze jubileumuitgave van de Militaire Spectator staat uitgebreid stil bij tweehonderd jaar Koninklijke Marechaussee: geboren in 1814 en nog steeds springlevend. Dat springlevend zijn is overigens niet altijd vanzelfsprekend geweest, zoals Herman Roozenbeek in het openingsartikel duidelijk maakt. Vooral de laatste drie decennia heeft de marechaussee een opzienbarende ontwikkeling doorgemaakt, met een stroomversnelling in de laatste tien jaar. Daarom heeft de redactie gemeend aandacht te moeten besteden aan het Beleidsplan KMar 2010, de visie van de huidige marechausseeleiding op de toekomst en op het informatiegestuurd optreden (IGO), leidend tot fundamentele wijzigingen in de structuur en de werkwijze van het jongste krijgsmachtdeel.

De marechaussee is van oudsher een politieorganisatie met een militaire status. Deze ogenschijnlijke januskop heeft regelmatig ter discussie gestaan. De marechaussee wil er graag ‘toe doen’ en dus toekomstbestendig zijn. Maar hoe moet zij daar inhoud aan geven als zij zich ook in de toekomst op het snijvlak  van het militaire en het politiedomein blijft opereren? De belangrijkste actoren in het nationale veiligheidsdomein zijn steeds nauwer gaan samenwerken. De komst van de nationale politie heeft, op het eerste gezicht en zeker op termijn, een uniek selling point van de marechaussee verzwakt. Voor de verantwoordelijke bewindslieden in Den Haag was het Wapen immers decennialang aantrekkelijk omdat met een druk op de knop een groot aantal gezagshandhavers op straat kon worden gebracht. Binnen de krijgsmacht, die sinds het begin van de jaren negentig razendsnel in omvang, inzetmogelijkheden en voortzettingsvermogen achteruit gegaan is, hebben velen met lede ogen de ontwikkeling van de marechaussee gadegeslagen. Want waarom zou de krimpende defensiebegroting moeten worden belast met een militair politieapparaat, dat voor 90 procent civiele politietaken uitvoert? De laatste tijd zijn die kritische geluiden verstomd, mede doordat de marechaussee haar toegevoegde waarde voor het defensieapparaat beter over het voetlicht heeft weten te brengen.

Het onderscheid met de nationale politie wordt gemaakt vanuit het veiligheidsdomein. Zo is de politie van de veiligheid van de straat en de marechaussee van de veiligheid van de staat. Dit onderscheid heeft voor de positionering van de marechaussee tot veel duidelijkheid geleid. Zo werd intern helder dat er geen capaciteit meer werd ingezet voor ‘straattaken’,  anders dan op expliciet verzoek wanneer ook een bovenregionaal belang in het geding was (zoals bijvoorbeeld bij de handhaving van de wietpas in Noord-Brabant en Limburg). Daarnaast was de marechaussee actief in Kunduz bij het opleiden van de Afghaanse politie in bijzondere omstandigheden en was zij recent betgrokken bij de afwikkeling van de MH17-ramp. Het zijn voorbeelden dat de marechaussee vooral politietaken verricht in een militaire context en dat steeds vaker doet met verschillende partners zoals de Nationaal Coördinator Terrorisme Bestrijding, de Politie, Buitenlandse Zaken, Defensie en het ministerie van Veiligheid en Justitie. Geen snijvlak dus, maar veel meer de marechaussee als verbindend element met de genoemde partners en mét een sterke eigen focus. Daartoe gaat de marechaussee haar organisatie en werkwijze de komende jaren aanpassen.

Bij dat aanpassen komen wel enkele vragen naar voren. Hoe gaat de marechaussee bijvoorbeeld het Landelijk Tactisch Commando (LTC) inrichten? Daarbij is vooral de vraag opportuun op welke manier de hoofdonderdelen Intelligence, Plans, Operations en Support (IPOS) gaan aansluiten bij Defensie of andere partners. Harro Damstra beschrijft in zijn artikel hoe dat zou kunnen en wat daarvoor nodig is. Een diversiteit aan kansen dient zich daarbij aan, ook al omdat schaalvergroting van deze onderdelen tal van (coördinatie-, en sturings) voordelen biedt. Toch zijn er ook tegengeluiden te horen. Zo zou de verbinding tussen het LTC en de teamleider over grote afstand tot stand moeten komen, zijn er vragen over de gereedstellende functie van brigadecommandanten en is nog niet duidelijk hoe IPOS kan aansluiten bij de Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden-structuur van de politie en de J-structuur van Defensie en de NAVO. Vanuit een internationaal gendarmerieperspectief gezien lijken deze vragen veel minder belangrijk. Zo heeft de marechaussee een stevige positie binnen Frontières Extérieurs, de FIEP (de organisatie voor samenwerking van gendarmerie forces) en de European Gendarmerie Forces. Groot voordeel is dat er regelmatig met deze gendarmerie forces wordt geoefend, zoals bij de European Police Service Training.

Samenwerking binnen Defensie blijft ook in de toekomst een heel belangrijk onderwerp, mede omdat de marechaussee voor de uitvoering van haar operaties  afhankelijk is van ondersteuning door andere onderdelen van de krijgsmacht. Het joint-optreden, zoals bij de missie in Kunduz of bij de MH17-ramp, heeft dit nogmaals aangetoond. Zonder nauwe samenwerking binnen Defensie waren deze missies niet mogelijk geweest. Die samenwerking is niet altijd even gemakkelijk. Omdat er verschillende opdrachtgevers en financiers van de marechaussee zijn, ziet Defensie de marechaussee nog (te) vaak als een ‘broodje speciaal’. Deze schijnbaar bijzondere positie heeft, zeker in het verleden, tot spanningen geleid en is ook nu nog een thema om rekening mee te houden. Vooral van de marechausseemedewerkers die bij een centrale organisatie zoals de Defensiestaf werken, vraagt dit specifieke, verbindende competenties, vooral op het persoonlijke vlak.      

De C-KMar heeft in zijn toespraken al regelmatig aangegeven dat het belangrijk is om ‘van binnen naar buiten, maar ook van buiten naar binnen te kijken’. Dat betekent dat de marechaussee zelf oog moet hebben ‘voor wat er gebeurt in de omgeving dat van invloed is op de dienstverlening van de KMar naar die omgeving’. Dat is belangrijk om antwoord te kunnen vinden op de vraag waarom dingen gebeuren en hoe de marechaussee zich daarop snel en flexibel kan aanpassen. Deze werkwijze valt onder de principes van de lerende organisatie of strategische wendbaarheid. Wat dat betreft sluiten de door Annelies van Vark en Gillis Oostdijk in hun artikel genoemde ‘8 van IGO’ en ‘de ontwikkelagenda’ hier prima op aan. Of de marechaussee de komende jaren een lerende, strategisch wendbare organisatie kan zijn, zou wel eens bepalend kunnen zijn voor haar overlevingsduur. Door alert te blijven en innovatief te blijven aanpassen kan de marechaussee haar positie en toegevoegde waarde verduidelijken. Dat leidt ongetwijfeld tot nóg tweehonderd jaar KMar.