Filosofie voor militairen

Het schrijven van een artikel voor de Militaire Spectator is eigenlijk best lastig, want waarover moet je dan schrijven? Het blad wordt uitgegeven door de Koninklijke Vereniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap, en daar heb je het al. Het begrip ‘wetenschap’ geeft aan dat het blad de pretentie heeft een bijdrage te leveren aan het wetenschappelijke debat over de krijgskunde. Maar dekt dat begrip ‘krijgskunde’ de lading wel? Er is toch ook nog sprake van zoiets als krijgskunst, ‘the art of war’? In deze bijdrage zal de auteur aangeven wat de praktische betekenis is van filosofie voor zowel de krijgskunst als de beoefenaren daarvan. Militairen zijn eigenlijk per definitie allemaal praktisch filosoof. Alleen weten de meesten dat (nog) niet. 

Natuurlijk kun je ook vanuit een wetenschappelijk perspectief aan kunstbeschouwing doen, maar dat is best saai. Kunst gaat immers ook over het oproepen van emotie, iets onverwachts en authentieks tot stand brengen, iets moois doen! Het gaat dan in wezen om persoonlijke handelingen en oordeelsvorming; ik vind het mooi of lelijk. Dat kan ook morele oordeelsvorming zijn; ik vind dit goed of slecht. Dat zijn begrippen die naar mijn mening ook onverbrekelijk zijn verbonden met het militaire métier. Kortom, de wetenschappelijke pretentie doet onvoldoende recht aan de aard van de militaire praktijk.

Lezers?

Een tweede probleem is voor wie je schrijft. Tot voor kort kreeg elke officier het blad thuis gestuurd: het was dus blijkbaar niet bedoeld voor onderofficieren en soldaten. Vandaag de dag is het blad weliswaar digitaal voor iedereen beschikbaar, maar het is de vraag of dat ook zal leiden tot een substantieel ander type lezer. Er lijken ook nog andere beperkingen te zijn. Het is kennelijk ook niet echt bedoeld voor sub-alternen; ik zie tenminste niet vaak een bijdrage van een subaltern officier. Maar ook opperofficieren laten het in de kolommen afweten; ze zijn er aan gewend anderen voor zich te laten schrijven. Wellicht heeft het er ook mee te maken dat hun mening vaststaat en ze de artikelen die daaraan proberen te morrelen niet willen lezen, laat staan begrijpen.

Gortdroge stijl

Is het blad dan alleen bedoeld voor hoofdofficieren? Daar lijkt het wel op, want het zijn vooral hoofdofficieren die het blad vullen. Dat is te merken aan de aard van de artikelen en de stijl waarin de meeste zijn geschreven: ambtelijk en gortdroog, zelden een glimlach oproepend. Kortom, de Militaire Spectator lijkt een blad te zijn waarin slechts een beperkt - vooral technisch - deel van het beoogde onderwerp wordt behandeld. En dan ook nog uitsluitend door en voor hoofdofficieren. Toch ga ik het proberen, een artikel schrijven dat recht doet aan de krijgskunst en dat naar ik hoop ook een glimlach oproept en daardoor niet alleen hoofdofficieren zal aanspreken maar wellicht ook door sub-alternen zal worden gelezen. En misschien ook wel door onderofficieren en soldaten en mogelijk zelfs door militaire leken. Over de andere categorie doe ik het zwijgen er toe. Zoals gezegd wil ik proberen aan te geven wat de praktische betekenis is van filosofie voor zowel de krijgskunst als de beoefenaren daarvan, voor militairen ongeacht hun rang, stand of categorie.

Militairen en filosofie

Filosofie voor militairen, kan dat wel? Filosofie gaat over nadenken en militairen zijn toch vooral doeners! Daarmee lijken deze begrippen elkaars tegenpolen te zijn en lijkt een discours daarover bij voorbaat nutteloos. Dit is een misvatting en ik zal dat uitleggen. Filosofie betreft inderdaad nadenken. Maar het is een bepaalde manier van nadenken. Het denken betreft de aard en inhoud van het grote geheel, de wereld om ons heen. Maar filosofie betreft ook het nadenken over onze rol als mens in dit grote geheel, de ervaringen die je daarmee hebt opgedaan en wat deze voor je betekenen.

Filosofie betreft ook het nadenken over onze rol in het grote geheel, de wereld om ons heen. Militairen kunnen met behulp van een kaart precies vaststellen waar ze zijn. De vragen ‘waar ben ik’, ‘hoe ben ik hier gekomen’ en ‘waar wil ik heen’ zijn bij uitstek filosofisch. Foto MCD, G. van Es

Het gaat dan erom voor jezelf je plaats te bepalen en vast te stellen waar je heen wilt. En dat is precies wat militairen doen en waar ze goed in zijn. Militairen kunnen met behulp van een kaart precies vaststellen waar ze zijn, of soms menen te zijn. Daarbij kijken ze onder meer naar de manier hoe ze daar zijn gekomen. De gevolgde route vormt een belangrijk hulpmiddel in het bepalen van je positie. Vervolgens kun je vaststellen waar je wilt zijn en kun je aan de hand van de kaart een route uitstippelen en deze met behulp van een kompas gaan volgen. De vragen ‘waar ben ik’, ‘hoe ben ik hier gekomen’ en ‘waar wil ik heen’, zijn ook heel erg filosofisch! Militairen zijn eigenlijk per definitie allemaal praktisch filosoof. Alleen weten de meesten dat (nog) niet. Ik wil hierna proberen te laten zien hoe militairen hun praktische filosofie bewuster in praktijk kunnen brengen.

Goede vragen

‘Hoe ben ik hier gekomen?’ is een belangrijke vraag. Het vergt nadenken, reflecteren op de route die je hebt afgelegd en wat je daarbij is overkomen. Dat is niet alleen een kwestie van geschiedenis, maar ook van morele ontwikkeling. Wie zijn onderweg belangrijk voor mij geweest en waarom eigenlijk? Wat is het dat zij voor mij zo’n grote rol hebben vervuld? En als je op deze vragen een antwoord hebt geformuleerd, kun je vervolgens nagaan wat dat over je zelf zegt. Dat hoeft overigens niet per definitie uitsluitend positief plaats te vinden. Het kan ook heel nuttig zijn om te refereren aan de misselijke figuren die je hebben dwarsgezeten en gekoeioneerd. Maar het zou natuurlijk jammer zijn als dat de enigen waren! Al doende houd je je zelfbeeld eens goed tegen het licht. Dan kan je ook nog nagaan wat je onderweg is overkomen, wat herinner je? Dan besef je meteen ook wat je allemaal bent vergeten. Welke gebeurtenissen herinner je je? Wat hebben die voor je betekend? Waarop ben je trots en waarvoor schaam je je eigenlijk?

Nuttige mislukkingen

Die laatste vraag wordt vaak overgeslagen, en dat is jammer. Het is juist heel nuttig om ook na te denken over je mislukkingen en over je verkeerde handelwijzen. Wat heeft daarbij een rol gespeeld? Hoe kan het dat ik niet heb gedaan wat ik eigenlijk moest doen? Wat heb ik daarvan opgestoken? Het voor jezelf beantwoorden van deze vragen geeft inzicht in je ontwikkeling en hoe het is gekomen dat je bent waar je bent en vooral wie je bent.

Phyrro van Elis

Dit is het moment om de eerste filosoof te introduceren, te weten Phyrro van Elis.[1] Dit is de grondlegger van het scepticisme, letterlijk ‘het rondkijken’. Een belangrijk aspect van zijn leer is het opschorten van het oordeel. We hebben vaak de neiging snel tot een oordeel te komen, terwijl het vaak handiger is een oordeel op te schorten. Hierdoor blijven we openstaan voor andere indrukken en meningen, en vervallen we minder gauw in vastgeroeste dogma’s. Door je open te stellen zal veelal ook meer rust ontstaan. Dat geldt vooral ook voor zelfkennis. Het gaat daarbij niet uitsluitend om het zelfbeeld, maar ook om het beeld wat mensen uit je omgeving van je hebben. Het zelfbeeld wordt immers vaak vertekend door wat je van jezelf weet, namelijk je bedoelingen. Mensen in je omgeving worden vaak als eerste geconfronteerd met wat je doet, je gedrag. Dat gedrag wordt vervolgens door hen geïnterpreteerd en gewaardeerd. De uitkomst van die waardering zou wel eens heel anders kunnen zijn dan wat je hebt bedoeld. Door de ervaringen van anderen mee te nemen, wordt het zelfbeeld meer compleet. Dat helpt bij je plaatsbepaling.

De vraag ‘waar ben ik’ moet antwoord geven op je positie en hoe je die ervaart. Dat betreft niet alleen je maatschappelijke positie, je werk, je gezin, de buurt waarin je woont, je verenigingen enzovoort, maar ook je positie in morele zin. Belangrijke vragen zijn dan ‘wat zoek ik eigenlijk?’ en ‘heb ik dat gevonden?’

Wat zocht je?

Dan komen wellicht ook andere vragen op, zoals ‘wat heb ik gezocht en niet gevonden?’ en ‘wat heb ik wel gevonden dat ik eigenlijk niet zocht?’ Het beantwoorden van deze vragen is niet eenvoudig. We zijn gewend aan vragen die beginnen met ‘Waarom…?’ Dat soort vragen verwacht een antwoord met een rechtvaardiging van je positie. In het beantwoorden van dit soort vragen zijn we over het algemeen erg bedreven: moeiteloos rolt de een na de andere inhoudsloze algemeenheid over nut en noodzaak van een krijgsmacht over onze lippen. De ‘zoek-vragen’ worden heel weinig gesteld. En daarom moeten we over het antwoord daarop ook meer nadenken. Dat is leuk om te doen. Wat zocht ik eigenlijk toen ik in dienst kwam? Was het avontuur? Was het de goedkeuring van mijn vader? Was het een manier om eindelijk van huis te gaan maar wel met behoud van enige zekerheid, of wist ik gewoon niets beters te verzinnen? De antwoorden zijn soms zeer verhelderend voor ons zelf.

Wat wil je?

De vragen helpen in ieder geval met het bepalen van je huidige positie, afgezet tegen je verwachtingen. Je positie krijgt een context. Dit biedt een uitstekende uitgangspositie voor het bepalen wat je wilt, wat je doel is, waarheen je wilt gaan. Daarmee is niet gezegd dat het eenvoudig is vast te stellen wat je wilt. Het is hierbij heel nuttig om dat hardop tegen jezelf te zeggen. Je hebt dan onmiddellijk in de gaten of dat wat je zegt ook echt is wat je wilt. Dus zeg je nog een keer hardop tegen jezelf wat je wilt, en nog een keer en nog een keer, totdat je tot de conclusie komt dat je nu echt weet wat je wilt!

Peter Bieri

Ik introduceer de tweede filosoof, Peter Bieri.[2] Hij stelt dat je je eigen wil moet toe-eigenen. Dat betekent dat je eerst je wil moet articuleren. Dat wil zeggen: duidelijkheid scheppen over wat je nu eigenlijk wilt. Als je dat niet weet, als je daarover onzeker bent, voel je je ook niet vrij! Vervolgens moet je deze uitgesproken wil begrijpen. Ook al komt het ons vreemd voor wat we willen, dan nog is het van belang te snappen waar die wil vandaan komt en in welk opzicht die bij je past. Ten slotte moet je die wil beoordelen, dat wil zeggen aanvaarden dat die wil kennelijk bij je hoort en dat die wil de moeite waard is. Als je die wil afwijst, blijf je als het ware onvrij. Een belangrijk aspect in dit proces is het ontmaskeren van zelfbedrog!

Nu we weten waar we zijn en wat we willen, kunnen we op pad gaan. Dat we vervolgens de eerste stap zetten is een teken van optimisme. Dat optimisme hoort bij de militair. De militair wordt daarin gevormd. Met de reveille moet je opstaan en dan kan je dat maar beter vol optimisme doen, want anders wordt het een verschrikkelijke dag. Als militairen op voorhand bij de pakken gaan neerzitten zal het ook nooit wat worden.

Konvooi Nederlandse Bushmasters tijdens een rit van Kandahar naar Tarin Kowt, Afghanistan. Optimisme hoort bij de militair. Militairen zijn doeners die het onmogelijke willen waarmaken. Foto MCD, R. Frigge

Militairen zijn doeners die juist het onmogelijke willen waarmaken! Daarmee is niet gezegd dat zij de realiteit niet onder ogen willen zien, maar dat ze daarmee weloverwogen omgaan en zich niet op voorhand ergens van laten weerhouden. De militair accepteert de wereld zoals deze is en tracht in die wereld zijn weg te vinden. Hij handelt in overeenstemming met wat in zijn macht ligt. En voor velen is dat beduidend meer dan dat zij menen! Daar komen we voor het eerst achter tijdens onze opleiding, waarin we dingen moeten doen die we niet voor mogelijk hadden gehouden. Maar als we onze vermogens tot uitdrukking willen brengen, dan moeten we daarvoor wel de ruimte krijgen. Commandanten moeten die ruimte scheppen!

Epictetus

De derde filosoof is de Stoicijn Epictetus.[3] De kern van zijn filosofie is vervat in zijn vijfde leefregel: ‘Het zijn niet de dingen die de mensen van streek maken, maar hun denkbeelden daarover.’ Er is niets wat uit zichzelf tot ons komt. Wij krijgen uit onze omgeving slechts indrukken en we interpreteren deze indrukken met behulp van onze rede, het verstand. Het gaat erom om op de juiste manier met al deze indrukken om te gaan. Dat wil overigens niet zeggen dat we niet emotioneel zouden mogen zijn. Integendeel: emoties horen bij de mens. Maar het gaat er wel om deze als zodanig te onderkennen en daarmee redelijk om te gaan. Voor een rationeel wezen is het irrationele onverdraaglijk, maar het rationele nooit. Vanuit het verstand redenerend kan iedereen datgene doen wat gezien de omstandigheden is vereist en wat in zijn macht ligt. Ook al zal een persoon de top niet kunnen bereiken, dan moet dat hem er niet van weerhouden zich ervoor in te zetten, zolang hij de overtuiging heeft dat het mogelijk is.

Je weg vinden in de wereld betekent: handelen. De militair handelt! Actie is het kenmerk van de militaire handelwijze. Tot actie overgaan is echter niet altijd eenvoudig. Soms zijn situaties zo complex of zijn de belangen zo groot, dat enig nadenken is vereist. Regels helpen de militair bij het nemen van zijn besluit hoe te handelen. Als hij handelt overeenkomstig de regels handelt hij juist. De vraag is vervolgens of hij daarmee ook goed handelt. Regels geven weliswaar houvast maar regels zijn per definitie statisch, terwijl de werkelijkheid waarin deze regels moet worden toegepast bol staat van de dynamiek. Er kunnen dus situaties ontstaan waarin het volgen van de regels niet leidt tot een heldere oplossing voor een acuut probleem. Dan moet de militair zelf beslissen hoe te handelen en antwoord geven op de vraag wat is in dit geval goed. Het gaat er dan niet alleen om tot handelen over te gaan, maar dat zodanig te doen dat je je later kunt verantwoorden voor wat je hebt gedaan. Aangezien militair handelen vaak het gebruik van geweld inhoudt, is verantwoordelijk handelen essentieel. Het vermogen verantwoord te handelen komt ons niet aanwaaien; dat vergt opleiding, training, vorming en oefenen. Daarbij is het maken van fouten essentieel. Fouten zijn er om van te leren en niet om te bestraffen! Het wordt tijd dat ook deze waarheid (als een koe) in alle geledingen van de militaire praktijk doordringt.

Aristoteles

Tijd voor de vierde filosoof, Aristoteles.[4] Hij is de ‘vader’ van de deugdethiek. Deugden betreffen een zedelijke houding, disposities tot handelen, die je kunt verwerven. Door je bijvoorbeeld vertrouwd te maken met gevaar kun je een moedige houding ontwikkelen; een houding die je in staat stelt gevaar tegemoet te treden. Dat moet wel op een overwogen manier gebeuren en dat vergt praktisch inzicht. Een weloverwogen keuze houdt in dat je voor jezelf eerst een voorstelling maakt wat het gemakkelijkste is te doen (weglopen voor het vuur en zeggen dat je geen vuur hebt gezien). Daarna vraag je je af wat het moeilijkste is wat van je kan worden gevraagd (het vuur met je blote handen proberen te doven). Vervolgens ga je na wat praktisch is en wat binnen je mogelijkheden ligt (een emmer water halen en die op het vuur gooien). Per situatie moet dus een afweging worden gemaakt en moet een verantwoorde keuze worden gemaakt hoe te handelen. Die handeling moet binnen je vermogen liggen en je moet je kunnen verantwoorden over je keuze.

Een goede militair wil zichzelf verbeteren. Hij toont ambitie! Ambitie is per definitie een sociale deugd. Dat velen denken dat het daarentegen een asociale eigenschap is, zal ik weerleggen. Het is heel eenvoudig: je moet ergens bij horen om daarboven te kunnen uitsteken. In de praktijk samenwerken met anderen leert je wat goed is en welke kwaliteit van je wordt gevraagd. Als iemand iets leuk vindt zal hij ernaar streven dat ook zo goed mogelijk te doen. Daarmee verbetert hij niet alleen de kwaliteit van zijn eigen handelen maar ook de kwaliteit van de groep, van de praktijk waarvan hij deel uitmaakt. Oefenen is een belangrijk element in het je eigen maken van kwaliteit en oefenen is een militaire bezigheid bij uitstek!

Peter Sloterdijk

De laatste filosoof die ik in dit verband wil introduceren is Peter Sloterdijk.[5] Hij betoogt dat de mens zijn eigen leven moet vormgeven; niemand anders doet dat voor hem of haar. Dat vormgeven, krijgt inhoud in het jezelf ter hand nemen. Je moet jezelf veranderen. Als je genoegen neemt met wat je bent, dan sta je stil, dan dut je in. De mens moet zichzelf nieuwe doelen durven stellen: beter, hoger, verder! Door te blijven streven geven we ons leven zin en inhoud. Vanuit dat perspectief is oefening een noodzaak.

Slotsom

Het zal duidelijk zijn dat de militaire praktijk zich naar mijn mening prima laat verenigen met filosofie. Een groot deel van de filosofie is namelijk zeer praktisch van aard en is in haar benadering ook relevant voor de militaire praktijk. Veel moderne filosofieboeken gaan ook nadrukkelijk in op de vele praktische problemen waarmee mensen vandaag de dag worden geconfronteerd. Door de militaire praktijk ook eens vanuit een ander, filosofisch, perspectief te bezien kan het inzicht in het eigen handelen worden verbreed en verdiept. Dat soort inzicht is een noodzakelijke voorwaarde om tot verbeteringen te komen in de wijze waarop je in de (militaire) wereld staat. Dat betreft niet alleen het verstand, maar ook de emotie die je daarbij ervaart. Dat kan bevrijdend zijn! De militaire praktijk geeft daarvoor tal van aanknopingspunten! Ik hoop dat vorenstaande uiteenzetting voor velen een aanleiding zal zijn om filosofie te zien als een praktisch instrument in plaats van een gortdroge hobby van ook verder beklemmend saaie mensen.[6]

[1] P. Kunzman, F. Burkard, F. Wiedman, Atlas van de filosofie (Amsterdam, Anthos, 2005) 29.

[2] P. Bieri, Het handwerk van de vrijheid (Das Handwerk der Freiheit) (Amsterdam, Wereldbibliotheek, 2011) 352-355.

[3] Epictetus, Discourses and writings (Londen, Penguin Books, 2008) 42-47.

[4] Aristoteles, Ethica Nicomachea (Budel, Damon, 2005) Par. 1106b1-5.

[5] P. Sloterdijk, Du musst dein Leben ändern (Frankfurt am Main, Suhrkamp, 2009) 458, 459.

[6] Lees bijvoorbeeld eens: H. Arendt, On Violence (San Diego, Harcourt, Brace & Company, 1970); S.E. French,  The Code of the Warrior. Exploring Warrior Values Past and Present (Oxford, Rowman and Littlefield, 2003); K. Marlantes, What It Is Like to Go to War (New York, Atlantic Monthly Press, 2011); N. Sherman, Stoic Warriors. The Ancient Philosophy Behind the Military Mind (Oxford, Oxford University Press, 2005).