Afghanistan

Cultuur is wat ons met de paplepel is ingegoten, schreef ooit de vorig jaar overleden organisatiepsycholoog Geert Hofstede. En wat ons met de paplepel is ingegoten is hardnekkig. Het laat zich niet met een cursus koe-knuffelen of een symposium van een dagje wegmasseren. Al helemaal niet als die cultuur gebaseerd is op een sterke archaïsche geloofsbeleving die al eeuwen gekoesterd wordt in geografische isolatie. De internationale gemeenschap heeft deze les weer eens geleerd na de recente val van Kaboel. We hadden dat natuurlijk na kunnen vragen bij de Chinezen, die al tientallen jaren heropvoedingskampen exploiteren, waarin ze bevolkingsgroepen met een hun onwelgevallige cultuur of religie tot een nieuwe culturele identiteit proberen te verleiden. Doorgaans verblijven de bekeerlingen vele jaren in die kampen, waar ze van vroeg tot laat worden blootgesteld aan zeer intensieve hersenspoeling onder een regiem dat zich niet heel veel aantrekt van wat wij mensenrechten noemen. Cultuur afspoelen is een zware klus, die niet mag worden onderschat.

En dat is wat wij hier in het Westen, en vooral in Nederland, iedere keer weer doen. We onderschatten de kracht van in onze ogen irrationele culturen. We overschatten onze eigen polsstok en onderschatten de breedte van de sloot. De meeste cultureel antropologen zijn er inmiddels van overtuigd dat we allerlei volkeren in de wereld niet zomaar de westerse maatstaven moeten opdringen, omdat ze daar niet noodzakelijkerwijs gelukkiger van worden, aan toe zijn of het nut van inzien. Aan de andere kant trappen we er toch steeds weer in: het willen verbeteren van de internationale rechtsorde bij een in onze ogen foute cultuur. Over Afghanistan strooiden onze politici jaren met illusies. Ze spraken ons moed in, dat we nog even vol moeten houden. En ze sommen als een mantra de zegeningen van ons werk op: meisjes die naar school gaan, betere infrastructuur, verkiezingen en een op westerse wijze ingericht rechtssysteem. Een culturele omwenteling in een archaïsch land. En wij – de militairen – spraken ze na, omdat je wil geloven in je werk. Het bleek allemaal toch zelfbedrog.

Een cultuur waar vrouwen en meisjes verregaand rechteloos zijn en de shariawetgeving wordt toegepast, is naar Nederlandse maatstaven natuurlijk schandalig. Daar moest ingegrepen worden! Maar feitelijk gaat het om een geïsoleerd land met een eigenzinnige cultuur, dat al 50 jaar speelbal is van de proxy-oorlog tussen Rusland en Amerika. Van 1979 tot 1989 sneuvelden er 15.000 Russische soldaten en een miljoen Afghanen. In die tien jaar gaf de CIA circa 6 miljard dollar uit om het Afghaanse verzet te bewapenen, enkel en alleen om de USSR dwars te zitten. De laatste 20 jaar was dat andersom. En onze politici kiezen ervoor om de VS te helpen, want met verhalen van onderdrukte vrouwen en barbaarse regels krijg je hier de handen in de Tweede Kamer wel op elkaar. Maar als we dan tot daden overgaan, blijkt dat je je aan al die hete potten en pannen in Afghanistan lelijk kunt branden. Dat er langdurige en zware offers gebracht moeten worden om dit soort culturele transformaties te bereiken.

Maar offers passen niet meer in onze Nederlandse cultuur. Wij zijn gewend alles met een goed gesprek en een vaststellingsovereenkomst op te lossen. Of we kopen het af. En als we er helemaal niet uitkomen, dan splitsen wij ons af van waar we eerst bij horen. Zo is Nederland aan 19 politieke partijen en honderden geloofsgenootschappen gekomen. Er is ruimte voor elke nuance. Gelukkig maar. Maar daarmee regeert wel de waan van de dag. Vandaag doen we mee, morgen weer niet.

Natuurlijk. Als onze westerse troepen, met hun mooie spullen en verlichte theorieën, binnenstappen in een land dat cultureel nog in de middeleeuwen verkeert, zijn er daar mensen die ons toejuichen. En met hen gaan we praten. We omringen ons met gelijkgestemden, die ons het gevoel geven dat we goed bezig zijn. Maar we hebben achteraf gezien misschien wat te weinig oog gehad voor de grote meerderheid van de bevolking die eenvoudig (nog) niet klaar is voor onze culturele metamorfose. Die woont merendeels in ontoegankelijke gebieden, waar we geen enkel zicht op hebben. En communicatie met hen is door de wederzijdse taalbarrière ook al niet mogelijk. En dan blijkt uiteindelijk dat onze medestanders bestaan uit een (veel te) kleine groep van enerzijds idealisten, en anderzijds opportunisten en corrupte zakkenvullers die samen niet kunnen rekenen op veel draagvlak onder de bevolking. Dan blijkt dat de aanhangers van de oude (barbaarse) cultuur nog bereid zijn offers te brengen voor hun overtuiging, maar de aanhangers van de moderne cultuur niet. Want de idealisten hebben inmiddels van ons geleerd niet te vechten maar te praten en de opportunisten denken in dollars. Inmiddels worden de idealisten door hun landgenoten geëxecuteerd, en de opportunisten… ach, die redden zich wel weer.[1] Zo ging het in Vietnam, zo ging het in Srebrenica, en zo gaat het in Afghanistan. En de chaotisch aftocht leverde voor de media vergelijkbare beelden op.

Soortgelijke verhalen heeft u waarschijnlijk de afgelopen weken in de kranten kunnen lezen en in de praatrubrieken op tv kunnen horen. Wijsheid achteraf. Net als mijn verhaal. Er zijn weer genoeg lessen te leren. Ik ben benieuwd welke criteria we aan het toetsingskader inzet vredesmissies gaan toevoegen om herhaling van dit soort gebeurtenissen te voorkomen. Ik zie de komende vijf jaar geen Nederlandse bijdrage aan een gevaarlijke missie in een vreemde cultuur in het verschiet. U wel?

Misschien moeten we in Nederland – in gedachte onze eigen cultuur – de hoofdtaken van onze krijgsmacht nog maar eens goed tegen het licht houden. Wat meer hulp bij (natuur)rampen en wat minder internationale rechtsorde? Het eerste is namelijk meestal een inzet van weken of maanden, die bij vrijwel iedereen op sympathie kan rekenen. Het laatste is iets wat langdurige offers vergt die wij – op de keper beschouwd – toch niet willen en kunnen brengen. Dat inzicht is voor de nabestaanden van de 25 omgekomen Nederlandse militairen en de andere slachtoffers een schrale troost. De vraag of onze Afghanistanmissie daarmee zinloos is geworden, heb ik al eens eerder proberen te beantwoorden.[2] Ik blijf nog even bij mijn antwoord: voor de krijgsmacht niet. Maar het ligt dus wel aan wie je het vraagt en welke maatstaf je gebruikt. Eén ding is echter glashelder geworden: de Afghaanse cultuur moderniseren is niet echt gelukt.

 

[1] Ik vermoed dat de mensen die het meeste verdiend hebben aan de honderden miljarden die het Westen heeft uitgegeven in Afghanistan niet in de laatste vliegtuigen zitten die Kaboel in grote wanorde hebben verlaten, maar al weken eerder met business class zijn vertrokken.

[2] Zie Frans Matser, ‘Was Afghanistan een zinloze missie?’, in: Militaire Spectator 187 (2018) (10) 542-543.