Maurits, waar ben je?

Op dit moment is er heel veel in beweging binnen de krijgsmacht. Het beschikbaar komen van meer geld en de heroriëntatie op het campagnethema Major Combat leidt tot ijverige plannenmakerij op diverse stafniveaus. Staven van gecentraliseerde eenheden hebben hierin de hoofdprijs: zij moeten in alle verschillende plannen hun specialisme proberen in te passen, rekening houdend met de ontwikkelingen binnen de te steunen eenheden en de ontwikkelingen op hun eigen vakgebied.

Majoor K.A. Alderliesten

Een generieke bijdrage past hier allang niet meer, want iedere eenheid heeft specifieke wijzen van optreden, is anders georganiseerd en werkt met andere middelen. De 13e Lichte Brigade is zich aan het omvormen naar een medium- infanteriebrigade met zware wielvoertuigen, de 43e Gemechaniseerde Brigade naar een zware infanteriebrigade met zware gevechtsvoertuigen en de 11e Luchtmobiele Brigade ontwikkelt, naast de reguliere luchtmobiele capaciteit, specialistische capaciteit ter ondersteuning van het KCT. Het KCT zelf werkt aan specifieke eigen capaciteiten ter ondersteuning van hun speciale operaties. Ook NLMARFOR is in het kader van de Amphibious Taskgroup 2020 (ATG2020) de steun van enabling-capaciteit aan het herbezien en het Operationeel Ondersteunings Commando Land is het divisietroepenconcept aan het herontdekken. Daarnaast worden specialistische capaciteiten zoals C-UAS, C-IED, cyber en civiel-militaire interactie verder doorontwikkeld.

Een Leatherman-achtig apparaatje

Mijn verbazing over deze diversiteit groeit met de dag. Hoe kan het dat een kleiner geworden krijgsmacht zoveel specialismen heeft ontwikkeld? Ik moest denken aan een multitooltje dat ik ooit gekregen heb, een klein Leatherman-achtig apparaatje van een paar centimeter groot. Alle basisopties zitten er wel op, maar het is zo klein dat je er niets mee kunt. Een gedachte die me niet meer loslaat als het gaat over onze krijgsmacht: veelzijdig inzetbaar, maar zo klein dat we niets meer écht kunnen.

De brigades hebben te weinig manoeuvrecapaciteit om binnen het campagnethema Major Combat als brigade effectief te kunnen opereren. Daarnaast is het onmogelijk geworden om de ambitie van de krijgsmacht om een bataljonstaakgroep langdurig in te zetten, waar te maken zonder de manoeuvrebataljons overhoop te gooien. Voor het langdurig volhouden van operaties zijn namelijk vier min of meer identieke eenheden nodig. Op dit moment zijn binnen de krijgsmacht geen vier vergelijkbare eenheden van bataljonsgrootte te vinden. Daar komt nog bij dat de capaciteit van de ondersteunende eenheden ruimschoots ontoereikend is om alle gevechtseenheden te kunnen steunen.

De meest verbazingwekkende en frustrerende trend is dat alle eenheden zélf hun operationele concepten uitwerken, organisaties aanpassen en materieelbehoeften formuleren. Als deze lijn wordt doorgezet is binnenkort geen concept meer hetzelfde, is elke eenheid anders georganiseerd en beschikt elke eenheid over ander materieel. Hierin zit bovendien een vicieuze cirkel. Doordat elke eenheid anders is, kennen de bovenliggende commandanten, staven en expertisecentra de specifieke capaciteiten en wijzen van optreden van de onderliggende eenheden steeds minder. Hierdoor worden ze meer en meer afhankelijk van de input van deze eenheden. De integrale visie en inhoudelijke sturing ontbreekt hierdoor en beperkt zich veelal tot regie op cijfers en budgetten.

Helaas heeft deze trend nog meer bijwerkingen. De gemiddelde staf van brigadegrootte is nauwelijks nog aan het trainen voor het plannen en uitvoeren van gevechtsoperaties. Deze staven zijn druk met het schrijven van operationele concepten, reorganisatiedocumenten en materieelbehoeften. En als ze een oefening houden zijn deze staven druk met het coördineren met alle gecentraliseerde gevechtssteun- en gevechtsondersteunende eenheden, die op de een of andere wijze moeten bijdragen aan de oefening.

Bovenstaande zorgt er ten langen leste voor dat de eenheid van opvatting, eenheid van commandovoering, interoperabiliteit en communicatie sneuvelt voordat we daadwerkelijk aan een operatie binnen Major Combat zijn begonnen.

Organisatie

De laatste weken moet ik steeds meer denken aan Maurits van Oranje, de prins aan wie de ingrijpende legerhervormingen van het Staatse leger in de 16e en 17e eeuw worden toegeschreven. Deze legerhervormingen maakten het kleine Staatse leger effectief tegen de Spaanse grootmacht. Maurits investeerde veel in organisatie, scholing en tactiek.

Zo werd onder meer het ‘landknechtswezen’ afgeschaft. In dit systeem bepaalden commandanten zelf hun slagorde. Hierdoor was er een grote diversiteit aan eenheden en was feitelijk geen eenheid hetzelfde. Bovendien liet Maurits eenheden veelvuldig bepaalde manoeuvres uitvoeren, gebruikmakend van een vernieuwde, duidelijke commandotaal (zowel mondeling als met signalen) om zo het manoeuvreren en de communicatie op het gevechtsveld te verbeteren. Daarnaast voerde Maurits een standaardisatie door. Door eenheden uit te rusten met dezelfde type wapensystemen verbeterde het voortzettingsvermogen van het Staatse leger enorm, want het hoefde veel minder verschillende munitietypen en onderdelen mee te voeren. Ten slotte investeerde Prins Maurits in tijdige en voldoende uitbetaling van soldij om zo het muiten van de troepen te voorkomen.

Van oefeningen tot arbeidsvoorwaarden

Waar prins Maurits het systeem van landknechtswezen afschafte om zo uniformiteit in de gelederen te brengen, laat onze krijgsmacht (noodgedwongen) steeds meer initiatief en vrijheid aan lagere commandanten om zelf de organisatie en bijbehorende middelen te bepalen. Waar Maurits goed had gezien dat het veelvuldig beoefenen van manoeuvres essentieel is om succesvol te zijn op het gevechtsveld, oefenen onze (brigade)staven juist veel minder dan decennia geleden, terwijl de onbekendheid met de vele specialismen waarover ze beschikken juist groter is geworden.  Waar Maurits de diversiteit aan wapens, munitiesoorten en onderdelen verkleinde, zorgt de groeiende diversiteit binnen onze krijgsmacht voor een verveelvoudiging van de typen wapensystemen en de bijbehorende logistieke ketens. En is het te gemakkelijk om een link te leggen tussen Maurits’ investering in het tijdig uitbetalen van soldij en de problemen van onze krijgsmacht om een goed arbeidsvoorwaardenakkoord af te sluiten?

Met weemoed denk ik terug aan onze nationale trots, de jonge, succesvolle Maurits, prins van Oranje. Aan de veldtochten die hij als ambitieuze twintiger hield in de jaren 90 van de 16e eeuw. Wie kent niet ‘1600, Slag bij Nieuwpoort’? Zijn legerhervormingen gaven vaak de doorslag tegen de Spaanse troepen.

Onbewust kijk ik naar de commandanten en leiders van onze krijgsmacht. Maurits, waar ben je?