De invasie van Nederlands-Indië vanuit Japans perspectief

Er is een Engelse vertaling verschenen van de officieuze Japanse stafstudie naar de aanval op Nederlands-Indië in 1942, en in het bijzonder naar het Japanse landoptreden. Deze vertaling is een wereldprimeur. Niet eerder verscheen een deel uit de 102 delen tellende Senshi Sōsho reeks (letterlijk: oorlogsgeschiedenis serie) in een westerse taal. Hoewel de studie zwijgt over discutabele kwesties en veel bronnenkritiek vergt van de lezer heeft zij deze ook veel te bieden. Bijvoorbeeld de mogelijkheid om het Japanse en Nederlandse optreden tot op tactisch niveau te vergelijken. Offensief en verassend optreden waren de Japanse axioma’s, grote risico’s werden niet geschuwd en in de commandovoering, die leek op de Duitse ‘auftragstaktik’, werd veel initiatief verwacht van de lagere commandanten. Ten slotte bleek het Japanse leger in sommige opzichten, zoals het gebruik van het luchtwapen, uiterst modern.

Prof. dr. P.M.H. Groen*

De Pacificoorlog is voor Nederland van grote betekenis geweest. Het was het begin van het einde van het Nederlandse koloniale rijk in Zuidoost-Azië. Het was ook het begin van een bijna tien jaar durende oorlog in en om de Indonesische archipel, die voor veel Nederlanders en Indische Nederlanders een scheidslijn in hun bestaan vormde. Die opeenvolgende oorlogen van Nederland, eerst tegen Japan en vervolgens tegen de Indonesische Republiek, hebben in de afgelopen decennia af en aan in de belangstelling gestaan. Wat betreft de oorlog tegen Japan was vooral de snelle nederlaag van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) onderwerp van discussie onder (militair-)historici, zoals ook de schok van de snelle nederlaag van het Nederlandse leger in mei 1940 de gemoederen lang bezig bleef houden.[1] Kon men echter in het laatstgenoemde geval ook de Duitse bronnen raadplegen, het onderzoek naar de oorlog tegen Japan werd gefrustreerd door de taalbarrière tussen de meeste westerse onderzoekers en de Japanse bronnen. Men moest zich behelpen met schaarse vertalingen van Japanse studies en met de Japanese Monographs – een serie operatieoverzichten geschreven door Japanse officieren na de oorlog die door de Amerikaanse historische dienst zijn vertaald en uitgegeven.[2] In die situatie is verandering gekomen met de publicatie vorig najaar van The Invasion of the Dutch East Indies, de vertaling van het derde deel uit de Senshi Sōsho reeks van 102 studies over de Pacificoorlog.[3] Daarmee heeft Nederland een primeur, want tot nu toe zijn slechts fragmenten uit deze serie vertaald en gepubliceerd in Australië.[4] Dat dit werk van 600 pagina’s integraal kon worden uitgegeven, is te danken aan de financiële steun van de Corts Stichting maar vooral aan de vertaler en redacteur, dr. Willem Remmelink, jarenlang directeur van het Japan-Nederland Instituut in Tokyo. Hoe is deze Japanse studie nu tot stand gekomen, wat kan de lezer en onderzoeker verwachten, waarop moet hij/zij verdacht zijn, wat is nu het belang van deze uitgave?

Karakter en beperkingen van de nieuwe Japanse bron

Van 1966 tot 1980 heeft het War History Office van het National Defence College of Japan (tegenwoordig het National Institute for Defence Studies - de tegenhanger  van het NIMH -) de Senshi Sōsho serie samengesteld. Daarmee lijkt deze reeks te passen in de officiële geschiedenisseries over de Tweede Wereldoorlog waartoe veel westerse regeringen de historische diensten van de krijgsmacht nadien opdracht gaven. In ons land verscheen bijvoorbeeld van 1949 tot 1961 de zevendelige serie Nederlands-Indië contra Japan, samengesteld door de krijgsgeschiedkundige sectie van de Generale Staf (KNIL, later KL) in opdracht van generaal S.H. Spoor.

Senshi Sōsho is weliswaar samengesteld door een overheidsinstantie maar de Japanse regering heeft hiertoe geen officiële opdracht gegeven, noch heeft zij de uitgave goedgekeurd. De controverses in Japan over zijn rol in de Tweede Wereldoorlog in Azië waren en zijn daarvoor te groot. Zelfs over de naam van de oorlog is men het niet eens.[5] De voorbereidingen voor de Senshi Sōsho reeks begonnen in 1955, toen in Japan het War History Office werd opgericht. Tientallen veteranen verbonden aan dat instituut verzamelden duizenden documenten  (operatieplannen, - bevelen  en -verslagen, oorlogsdagboeken, naoorlogse memoires et cetera), hielden duizenden interviews en bespraken de bronnen en ruwe manuscripten in talloze studiebijeenkomsten. Met dit basismateriaal stelden 135 auteurs en onderzoekers, allen veteranen, vanaf 1965 de reeks samen.[6] Deze werkwijze heeft geresulteerd in een andersoortige, meer hybride studie dan de westerse lezer gewend is, althans waar het gaat om het nu vertaalde derde deel over de invasie van Nederlands-Indië. De lezer krijgt geen verhalende analyse van een militaire campagne voorgeschoteld, maar een compilatie van primaire bronnen - originele documenten zoals opeenvolgende operatieplannen en operatieverslagen - doorsneden en verbonden met korte analyses van de auteur, Matsuki Hidemitsu.

Door de gevolgde werkwijze is deze studie echter geen eenmanszaak, maar veeleer een gezamenlijk product en een gedeelde visie van de bij het War History Office betrokken veteranen.[7] Controversiële zaken of historische debatten (bijvoorbeeld over de Japanse oorlogsdoelen of de rol van de keizer) worden daarbij gemeden, het eigen optreden staat centraal en de schaduwzijden worden niet belicht, zoals bijvoorbeeld de executie van Nederlands-Indische krijgsgevangenen bij Tarakan of in de Tjiaterpas. [8] Overigens werd in de officiële westerse oorlogsseries ook zelden aandacht besteed aan de ‘eigen’ geweldsontsporingen. Een andere beperking is dat in dit deel het landoptreden centraal staat en de vlootoperaties afzonderlijk worden besproken in een volgend, nog te vertalen deel. Bovendien reikt deze studie niet verder dan de capitulatie van het KNIL op 9 maart 1942, waardoor de later die maand plaatsvindende Japanse operaties op Midden- en Noord-Sumatra onbehandeld blijven.

De voormalige officierswoning op het vliegveld Kalidjati waar op 8 en 9 maart 1942 de capitulatiebesprekingen plaatsvonden. Het huis is nu een museum. Foto W. Buijze

Detailstudie

Maar ondanks deze beperkingen, de officieuze status van de Senshi Sōsho delen, de zwijgzaamheid over discutabele zaken en de noodzakelijke bronnenkritiek, heeft dit deel, The Invasion of the Dutch East Indies, de westerse geïnteresseerde lezer, en zeker de Nederlandse, veel te bieden. Het geeft een zeer gedetailleerd beeld van de plannen en plannenmakerij van het hoogste tot het laagste niveau en van de operaties in de archipel. Daardoor lijkt het alsof er een gordijn wordt weggetrokken en er plotseling licht valt op talloze details die tot dan toe verborgen bleven. Voor het eerst kunnen we nu tot in detail nagaan hoe er aan Japanse zijde werd gedacht en gehandeld, en kunnen we de Japanse operatieverslagen vergelijken met de Nederlandse. Daardoor lijkt de weg open voor een geïntegreerde analyse van de strijd om Nederlands-Indië.

Riskante planning

Behalve de mogelijkheid van een gedetailleerde, geïntegreerde analyse tot op tactisch niveau, biedt deze studie ook meer zicht op algemenere karakteristieken van het Japanse optreden. Enkele daarvan wil ik hier aanstippen. Allereerst is het frappant hoe riskant de Japanse plannen voor de verovering van Zuidoost-Azië eigenlijk waren. Volgens de oorspronkelijke plannen moest dit immense gebied in 150 dagen in twee etappes in Japanse handen geraken.[9] In de eerste fase van ruwweg een maand moesten het 14-de en 25-ste leger respectievelijk de Filipijnen, Brits Borneo en Malakka veroveren. Dat waren de stepping-stones om in de tweede fase Nederlands-Indië te kunnen veroveren. Eerst moesten de vliegvelden in Zuid-Sumatra, Zuid-Borneo en Celebes worden veroverd; vandaar moest luchtdominantie boven de Java-zee en Java worden bevochten, daarna kon Java in naar schatting twee maanden worden veroverd.[10] Maar twee van de drie divisies die aanvankelijk nodig werden geacht voor de invasie van Java in de tweede fase zouden ook al in de eerste fase worden ingezet. Hoe snel die troepen daadwerkelijk beschikbaar zouden komen en hoe zij er dan aan toe zouden zijn, moest worden afgewacht.[11]

Een tweede riskant aspect van de planning was dat het tempo van de operaties te land gedicteerd werd door de snelheid waarmee de vijandelijke vliegvelden konden worden veroverd. Luchtdominantie en luchtsteun voor de Japanse legereenheden, vaak numeriek de mindere, golden als een eerste vereiste in de Japanse doctrine.  Vernieling van de vliegvelden kon dus een streep door de planning betekenen. Ten slotte vergde het hergebruik van eenheden ook een minutieuze logistieke voorbereiding of, zoals deze studie stelt: ‘The units concerned had to move as a clockwork of gears and cogweels’.[12] Alsof dit nog niet voldoende was, werden de risico’s aanzienlijk vergroot door de operatie flink te versnellen. De invasie op Java, oorspronkelijk voorzien na 103 operatiedagen, werd eerst met ruim 30 en uiteindelijk met 20 dagen versneld.[13] Deze herhaalde ingrepen in het toch al krappe tijdschema zorgden voor een logistieke chaos die de operatie richting Java serieus in gevaar bracht.[14] Ook de verovering van de vliegvelden op Borneo en op Zuid-Sumatra was veel te optimistisch ingeschat. Deze waren ofwel grondig vernield of moesten eerst met veel moeite verlengd en bevoorraad worden. Daarom moest op 18 februari 1942 het scheepskonvooi met de invasiemacht naar Java vertrekken zonder dat de luchtstrijdkrachten de luchtstrijd om Java al hadden kunnen beslissen, zoals de doctrine voorschreef.[15]

In deze studie wordt zeer uitvoerig stilgestaan bij iedere verandering in het tijdschema. De ratio erachter kan de lezer destilleren uit de argumenten die tijdens de beraadslagingen werden gewisseld. Het Zuidelijke Leger had er een erezaak van gemaakt om de operaties sneller uit te voeren dan voorzien in het oorspronkelijke tijdschema van 150 dagen dat aan de keizer was gepresenteerd.[16] Daarnaast wilde het voorkomen dat de geallieerden nog tijdig versterkingen naar Zuidoost-Azië konden sturen.[17] Een dieperliggend politiek-strategisch argument van het Algemene Keizerlijke Hoofdkwartier was dat Japan een ‘undefeatable position’ moest hebben ingenomen in Zuidoost-Azië, mochten de geallieerden de oorlog langer volhouden dan verwacht.[18]

Offensief en verrassing

Het tempo waarin het operatieplan voor de verovering van Zuidoost-Azië moest worden uitgevoerd, bracht met zich mee dat op strategisch, operationeel en tactisch niveau veel nadruk lag op offensief en verrassend optreden culminerend in een beslissende slag, al sinds de eeuwwisseling de leidende principes in de gevechtsdoctrine van het Japanse leger.[19] De term surprise attack of surprise landing komt maar liefst 83 maal voor in deze publicatie. Het ultieme voorbeeld van een dergelijk optreden op strategisch niveau is natuurlijk de aanval op Pearl Harbor. Het plan daarvoor kwam overigens uit de koker van de Japanse marine, die een herhaling van een beslissende slag zoals die bij Tsushima in 1905 bleef najagen.[20] Ook de gelijktijdig ondernomen aanvallen op de Filipijnen en Malakka waren echter bedoeld om de geallieerden te verrassen en te dwingen hun krachten te verdelen. Op tactisch niveau moest een verrassend offensief vorm krijgen door nachtelijke aanvallen, aanvallen in de rug van de tegenstander en met meerdere colonnes. [21] Een schoolvoorbeeld dat aan al deze vereisten voldeed was de aanval van het Sakaguchi Detachment op Tarakan.[22] Een noviteit voor een verrassend offensief was de paralanding. Deze waren voorzien bij de aanvallen op de olie-installaties en -voorraden in Balikpapan en Palembang. Zo moesten deze strategische doelen in Nederlands-Indië onbeschadigd in Japanse handen vallen.[23] Uiteindelijk voerde het leger alleen bij Palembang een paralanding uit, waarbij echter de verovering van het vliegveld prioriteit kreeg. Dat viel onbeschadigd in Japanse handen, evenals de grootste van de twee olieraffinaderijen. Een paar dagen later vernietigde de geallieerde luchtmacht de functionerende olieraffinaderij alsnog.[24]

Brandende olietanks en -raffinaderijen bij Palembang, 15 februari 1942. Foto Beeldbank NIMH

De paralanding bij het vliegveld van Palembang geeft aan hoe belangrijk de verovering van vliegvelden werd geacht en hoezeer daarbij verrassing was geboden om vernieling te voorkomen. Bij de verovering van het vliegveld Ledo (of Singkawang-II zoals de naam in de Nederlandse bronnen luidt) in Midden-Borneo mislukte dat volkomen. Pas een maand na de landing bij Kuching in Brits Borneo veroverde het Kawaguchi Detachment het compleet vernielde vliegveld, dat van cruciaal belang werd geacht voor de luchtaanvallen op Zuid-Sumatra en West-Java. Bijna 8100 man werkten dag in dag uit aan de reparatie van het vliegveld en de opvoer van voorraden, zo vermeldt deze studie. Wie die 8100 man waren, wordt overigens niet duidelijk; waarschijnlijk ging het om dwangarbeiders uit de inheemse bevolking. Maar desondanks bleef het vliegveld onbruikbaar tijdens de verdere Japanse opmars.[25] Daarentegen wist het Shōji Detachment, negen uur na de nachtelijke landing op 1 maart bij Eretan op de noordkust van Java, het belangrijke militaire vliegveld Kalidjati op West-Java te veroveren in wat een ‘blitzkrieg-like operation’ wordt genoemd.[26] Het bleek een strategische overwinning. De Japanse luchtmacht die vanaf 2 maart vanaf Kalidjati opereerde, maakte de dag daarna korte metten met de ‘grote tegenaanval’ die het koloniale leger ondernam.[27]  Daarna lag nog slechts een sterke linie, die in de Tjiaterpas, tussen het Shōji Detachment en Bandung, de militaire hoofdstad van Java.

Commandovoering

De nadruk op verrassend offensief optreden vergde van de Japanse commandanten veel improvisatietalent en gedrevenheid. Dat werd ook van hen verwacht. De gevechtsdoctrine vroeg om ‘imaginative leadership and initiative’.[28] Dat paste bij een wijze van commandovoering die sterk lijkt op wat in het Pruisische en Duitse leger bekend stond als ‘Auftragstaktik’. ‘A command method stressing decentralized initiative within an overall strategic design’, zoals Gunther Rothenberg deze wijze van leidinggeven samenvatte.[29] Dat is precies wat we terugzien in de elkaar van hoog naar laag opvolgende operatiebevelen in deze publicatie. Op het hoogste militaire niveau werden de doelen, middelen, de hoofdlijnen van de militaire campagne en het tijdschema vastgesteld. Vervolgens bepaalden de commandanten top-down maar wel in nauw overleg met elkaar hoe die doelen moesten worden gerealiseerd. Erg gedetailleerd waren de operatieplannen op de hogere niveaus echter zelden, zodat de lagere troepencommandanten veel vrijheid van handelen behielden.[30] Verbindende schakels in dit geheel waren de stafofficieren. Net als in het Duitse leger moesten zij erop toezien dat de operatieplannen pasten bij de bedoelingen van de hogere commandanten. Soms ontwierpen zij zelfs de operatieplannen of leidden zij de operaties.[31] Deze opdracht- of missiegerichte commandovoering, zoals we dat tegenwoordig zouden noemen, was niet zonder problemen. Soms bleek een commandant een opdracht niet goed begrepen te hebben. Zo was generaal-majoor Kawaguchi, die op Kerstdag 1941 Kuching had veroverd, niet doordrongen van de noodzaak om vervolgens direct op te rukken naar het vliegveld Ledo. Het hoofdkwartier van het Zuidelijke Leger in Saigon herinnerde hem enkele malen geïrriteerd aan deze opdracht. Het nam ook geen genoegen met zijn uitleg over moessonregens, vernielde bruggen en wegen die door kniehoge modder onbegaanbaar waren. Pas toen Kawaguchi met een geïmproviseerde vloot van gerekwireerde zeil- en motorboten koers zette naar het 400 kilometer zuidelijker gelegen Pemangkat was Saigon tevreden.[32]

Bij de operaties op Java werd de greep van de commandant van het 16-de leger, luitenant-generaal Imamura, op zijn ondercommandanten sterk bemoeilijkt doordat bij de landing in Bantambaai diverse schepen werden getroffen, waarschijnlijk door ‘friendly fire’.[33] Bijna alle verbindingsmiddelen gingen verloren en Imamura was dagenlang incommunicado. Nu had de legercommandant al voorzien dat vanwege de grote afstanden tussen de landingspunten en de ver uiteen gelegen aanvalsdoelen de vier grote aanvalsgroepen nog meer autonomie moest worden gegund dan gebruikelijk. Om al te eigenzinnig optreden te voorkomen kregen de divisie- en detachementscommandanten relatief gedetailleerde directieven mee en ‘dedicated staff officers’.[34] Maar sommige commandanten trokken desalniettemin hun eigen plan. Op Oost-Java bijvoorbeeld had de divisiecommandant zijn zinnen gezet op een beslissende slag aan de Brantas. Zijn ondercommandant, generaal-majoor Abe, rukte met zijn troepen echter zo snel op dat de divisiecommandant geen beslissende slag, maar slechts achterhoedegevechten hoefde uit te vechten.[35] Maar het meest treffende voorbeeld is natuurlijk de opmars van het detachement onder leiding van kolonel Shōji. Imamura had deze detachementscommandant notabene speciaal geselecteerd vanwege hun speciale band en omdat hij meende te weten dat Shōji ‘would be of one mind with him’.[36] In weerwil van Imamura’s operationele directieven besloot Shōji echter op 4 maart eigenmachtig met zijn twee bataljons de aanval op Bandung in te zetten. De tegenstand had tot dan toe geen indruk op hem gemaakt en hij wilde de successen van zijn collega-regimentscommandanten bij Palembang minstens evenaren.[37] Aan het advies van de voorzichtigere stafofficier had hij geen boodschap, te meer niet daar de luchtmachtcommandant hem wel wilde steunen.[38] Toen Shōji een dag later generaal Imamura informeerde over zijn opmars zag de legercommandant dit als een levensgevaarlijke afwijking van het operatieplan. Tegenover het Zuidelijke leger sprak hij echter van een buitenkans om niet voor laf te worden versleten.[39] Deze gang van zaken illustreert dat de grens tussen initiatiefrijk en roekeloos optreden flinterdun is. De uitkomst, winst of verlies, bepaalt of eigenmachtig optreden achteraf wordt bejubeld of verguisd. Dit voorbeeld geeft overigens ook het onverminderde belang aan van traditionele martiale waarden als eer, moed en gedrevenheid in het Japanse leger.[40]

Ouderwets of modern?

Een laatste observatie betreft het in sommige opzichten geavanceerde karakter van het Japanse leger, hoewel andere historici juist het relatief ouderwetse karakter hebben benadrukt.[41] Het Japanse leger was inderdaad een licht infanterieleger op gymschoenen en met fietsen, zonder zware artillerie, en met weinig en dan nog slechts lichte tanks. Het hield inderdaad vast aan een doctrine waarin het offensief gecultiveerd werd, zoals in de geallieerde legers voor de Eerste Wereldoorlog. Maar op andere punten was het verbazingwekkend modern. Als geen andere mogendheid zag Japan al tijdens het interbellum de waarde en mogelijkheden van het luchtwapen, zowel te land als ter zee. De marine ontwikkelde een doctrine waarin de carrier centraal stond, in plaats van het slagschip.[42] De legerluchtmacht ontwikkelde net als Duitsland een succesvolle doctrine voor luchtdominantie en tactische luchtsteun bij het landoptreden. Modern was ook de inzet van paratroepen, in navolging van de Duitse successen in het voorjaar van 1940.[43] Dat daarmee bij Palembang geen compleet succes kon worden geboekt, maakte ook direct duidelijk dat een paralanding weliswaar een modern maar tevens heel lastig te hanteren en kwetsbaar wapen was. Een andere moderniteit was de inzet van ‘black clandestine broadcasts’ door het zuidelijke leger in Saigon. Deze radio-uitzendingen van 1 tot 9 maart zorgden voor een grote hoeveelheid desinformatie die de toch al tamelijk chaotisch verlopende verdediging  door het KNIL verder ontregelde. Zo blijkt de verwarring over de wapenstilstand- c.q. capitulatie-orders van het KNIL op 8 maart te herleiden naar deze clandestiene radio-uitzendingen.[44]

Tot slot

Dit laatste detail illustreert eens te meer wat de kracht van deze imposante publicatie is: de grote hoeveelheid gedetailleerde informatie over militaire operaties waarover we tot nu toe letterlijk een eenzijdig beeld hadden. Zoals gezegd, maakt deze belangrijke bron een gedetailleerde en geïntegreerde analyse van gegevens van beide zijden mogelijk, zodat we tot een evenwichtiger beeld van de strijd kunnen komen dan tot nu toe mogelijk was. Deze vertaling van dit deel uit de reeks Senshi Sōsho kan daarom een belangrijke stap zijn in de geschiedschrijving over het gezamenlijke oorlogsverleden van Japan, Nederland en Indonesië.

* De auteur is als senior wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Dit artikel is een bewerking van een lezing die zij op 21 september 2015 heeft gegeven aan de Universiteit Leiden ter gelegenheid van de presentatie van deze studie.

[1] J.J. Nortier, P. Kuijt en P.M.H. Groen, De Japanse aanval op Java, Maart 1942 (Amsterdam 1994) 9-15, 248, 249. Na 1994 zijn twee studies verschenen die het oude debat nieuw leven proberen in te blazen: H.T. Bussemaker, Paradise in peril. Western colonial power and Japanese expansion in South-East Asia, 1905-1941 (PhD UvA 2001); P.C. Boer, Het verlies van Java. Een kwestie van Air Power. De eindstrijd om Nederlands-Indië van de geallieerde lucht-, zee- en landstrijdkrachten in de periode van 18 februari t/m 7 maart 1942 (Amsterdam 2006).

[2] Japanese monographs zijn onder andere in te zien bij het NIMH: Collectie 508 Nederlands-Indië contra Japan (1940-1946), invnr. 168-258.

[3] Willem Remmelink (ed.), The invasion of the Dutch East Indies. Compiled by The War History Office of the National Defense College of Japan. Leiden University Press, 2015. De vertaling is integraal te lezen op: https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/35184.

[4] Zie de website van het Australian War Memorial, waar fragmenten uit deze reeks zijn te raadplegen die tot stand zijn gekomen in het kader van het Australia-Japan Research Project via http://ajrp.awm.gov.au/ajrp/ajrp2.nsf/Web-Pages/JapaneseOperations?OpenD...

5] The invasion of the Dutch East Indies, xiii, xvii; S. Daito en H. Takahashi, ‘Postwar trends and developments in the study of military history in Japan’, Mededelingen van de Sectie Militaire Geschiedenis (nr 14-1991) 74-81 aldaar 75-76.

[6] The invasion of the Dutch East Indies, xvii-xviii.

[7] Ibidem, xvii-xviii, xxix.

[8] Ibidem, xiv.

[9] Ibidem, 59.

[10] Ibidem, 4-9, 44-48, 56-69, 76-81, 100, 155.

[11] Ibidem, 267.

[12] Ibidem, 6.

[13] Ibidem, 8, 9.

[14] Ibidem, 133, 151.

[15] Ibidem, 428, 448-450.

[16] Ibidem, 25, 26, 59

[17] Ibidem, 26, 42, 276, 420, 425, 456

[18] Ibidem, 42.

[19] E.J. Drea, Nomonhan: Japanese-Soviet tactical Combat 1939. Forth Leavenworth Papers, jan 1981, 17-18; zie ook J.A. Drea, In the Service of the Emperor. Essays on the Imperial Japanese Army (Lincoln 1998) 1-14.

[20] W. March, ‘’Different shades of blue’. Interwar air power doctrine development. Germany and Japan’,  The Canadian Air Force Journal’, spring 2009, vol 2 nr. 2, 21-26.

[21] The invasion of the Dutch East Indies, 408.

[22] Ibidem, 174-181.

[23] Ibidem, 82, 355: In Balikpapan waren op 18 januari de olievoorraden al in brand gestoken.

[24] Ibidem, 272-273, 282, 333-344.

[25] Ibidem, 311, 312, 315, 451-453.

[26] Ibidem, 193, 507-508.

[27] Nortier, Japanse aanval op Java, 121-134.

[28] Drea, Nomonhan, 19; Kyoichi Tachikawa, ‘General Yamashita and his style of leadership’, in B. Bond, Kyoichi Tachikawa ed., British and Japanese military leadership in the Far Eastern War 1941-1945 (Abingdon 2004) 78. ‘Its conduct (of larger units PG) requires the skill to take advantage of the operational situation by especially brave and bold decisions and manoeuvre’. 

[29] G.E. Rothenberg, ‘Moltke, Schlieffen, and the Doctrine of Strategic Envelopment’, in P. Paret ed., Makers of Modern Strategy from Machiavelli to the Nuclear Age (Princeton 1986) 296.

[30] Bijvoorbeeld The invasion of the Dutch East Indies 69, 81-88, 95-98, 142-145, 155, 173-176, 198, 226-233, 237-240, 245, 259, 270-273, 282-284, 288-289, 316-319, 353, 392-393, 404-409, 434, 460-467, 538-540, 549, 551. Vergelijk Faris R. Kirkland, ‘Combat Leadership Styles: Empowerment versus Authoritarianism’, Parameters (december 1990) 61-72 aldaar 62, 65-66.

[31] The invasion of the Dutch East Indies, 102, 171, 194, 202, 205, 208, 240, 251, 272, 283, 345, 355, 369, 465; vergelijk Rothenberg, ‘Moltke’, 301.

[32] The invasion of the Dutch East Indies, 197-203.

[33] Ibidem, 471.

[34] Ibidem, 460.

[35] Ibidem, 549, 558-563.

[36] Ibidem, 251.

[37] Ibidem, 512, 513, 516.

[38] Ibidem, 518, 521.

[39] Ibidem, 498-500, 502-503.

[40] Drea, Nomonhan, 90.

[41] Ibidem; Bussemaker, Paradise in peril, 746.

[42] March, ’Different shades of blue’, 25-26.

[43] The invasion of the Dutch East Indies, 23.

[44] Ibidem, 576-585.