Extreem Nederlands militair geweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog 1945-1949

‘Brengun erover en zo gauw mogelijk naar Holland’

De Nederlandse krijgsmacht maakte zich in de oorlog tegen de onafhankelijke Indonesische Republiek-in-wording in de periode 1945-1949 op grote schaal schuldig aan moord, marteling, brandstichting en andere buitensporige gewelddaden. Tot deze conclusie komt Rémy Limpach,  auteur van het onlangs verschenen boek De brandende kampongs van Generaal Spoor, na bestudering van een grote hoeveelheid ambtelijke en niet-ambtelijke bronnen en literatuur. Om die reden kunnen we volgens hem spreken van structureel extreem geweld. In dit artikel gaat hij in op de belangrijkste oorzaken van deze Nederlandse geweldtoepassing. De tekst is gebaseerd op het boek en de citaten zijn ook uit het boek afkomstig.

Dr. Rémy Limpach*

De dekolonisatieoorlog in Indonesië (1945-1949) is de grootste Nederlandse gevechtsmissie ooit. De kleine handelsnatie aan de Noordzee, zelf nog nauwelijks bijgekomen van de ingrijpende Duitse bezetting, mobiliseerde circa 200.000 man om het Indonesische streven naar onafhankelijkheid desnoods gewapenderhand de kop in te drukken. Deze indrukwekkende mobilisatie resulteerde procentueel gezien in een grotere troepenmacht dan de Fransen in hun dekolonisatieoorlog in Algerije (1954-1962) of de Amerikanen in hun oorlog tegen de communistische opstandelingen in Vietnam (1965-1973) op de been brachten. De Nederlandse krijgsmacht, volgens officiële verklaringen uitgezonden om voor 70 miljoen Indonesische onderdanen ‘recht en veiligheid’ of ‘rust en orde’ te brengen en Nederland te behoeden voor de catastrofe ‘Indië verloren, rampspoed geboren’, voerde een grimmige contraguerrillacampagne. Talrijke Nederlandse militairen hadden voor hun uitzending een rol vergelijkbaar met die van de Britten, Canadezen, Amerikanen en Polen bij de bevrijding van Nederland voor ogen. Na aankomst in de archipel moesten ze echter snel constateren dat ze in een verbeten guerrilla waren beland en dat veel Indonesiërs hen als bezetters zagen.

Nederlandse geweldpleging

Gedurende de vier afmattende oorlogsjaren die volgden op de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 en het uitroepen van de Republiek Indonesië op 17 augustus, maakten bij beide partijen in het conflict ethiek en oorlogsrecht al gauw plaats voor normvervaging en extreem geweld. Benadrukt moet worden dat in dit artikel niet het extreme Indonesische geweld tegen Nederlanders, Indo-Europeanen, Ambonezen of Chinezen of het onderlinge Indonesische geweld centraal staat, maar de buitensporige Nederlandse geweldpleging. Dit onderwerp ligt bij veel Indië-veteranen nog steeds gevoelig. Zij dachten voor een goede zaak te strijden en kregen na terugkeer nauwelijks waardering voor hun gevaarlijke missie. De aandacht voor deze extreem gewelddadige kant van hun inzet overzee zien zij als geenszins representatief voor het Nederlandse optreden, dat in hun ogen veel meer werd gekenmerkt door hulpverlening, wederopbouw en goede contacten met de bevolking.

De Indië-veteraan Joop Hueting doorbrak in 1969 op de televisie het ‘grote zwijgen’ over Nederlands militair geweld in Indonesië. Foto ANP

Mede door de maatschappelijke desinteresse en gebrekkige nazorg zwegen de Indië-veteranen na 1949 twintig jaar lang nagenoeg volledig over het extreme Nederlandse geweld. Het was de veteraan Joop Hueting die dit ‘grote zwijgen’ op 17 januari 1969 tijdens een voor veel ophef zorgend televisieoptreden doorbrak. Hueting deed onder meer uit de doeken dat Nederlandse militairen, onder wie die van zijn eigen eenheid, zonder militaire noodzaak talrijke kampongs hadden doorzeefd, vele op de sawahs werkende boeren hadden doodgeschoten en duizenden gevangenen hadden gemarteld.

Excessennota 1969

Na bestudering van een grote hoeveelheid ambtelijke en niet-ambtelijke bronnen en literatuur kom ik in mijn proefschrift tot de conclusie dat door Nederlandse militairen gepleegde extreme gewelddaden zoals moord, marteling en brandstichting geenszins incidentele gebeurtenissen waren. Veel meer was het een zich steeds herhalend patroon, een uitvloeisel van diepgewortelde, geweld bevorderende factoren in de Nederlandse krijgsmacht van toen. Dit betekent dat de krijgsmacht zich structureel en niet slechts incidenteel aan ontsporingen schuldig maakte, in tegenstelling tot wat de regering, door de onthullingen van Hueting onder druk gezet, in de medio 1969 haastig opgestelde Excessennota uitdroeg. In deze nota concludeerde de Nederlandse regering dat de krijgsmacht zich in haar geheel correct had gedragen, met uitzondering van de commando’s onder leiding van kapitein Raymond Westerling gedurende drie maanden in 1946-1947 in Zuid-Celebes (Zuid-Sulawesi) en de chronisch martelende inlichtingendiensten.

Dit regeringsstandpunt kan gelezen worden als een poging het extreme militaire geweld te bagatelliseren tot ongewilde incidenten waaraan voornamelijk de commando’s en de inlichtingendiensten zich schuldig hadden gemaakt. Hooggeplaatste militaire en civiele autoriteiten bleven zo in de Excessennota buiten schot. Deze interpretatie is een rookgordijn. Zij is feitelijk onjuist, want ook de veel talrijkere reguliere eenheden van de Koninklijke Landmacht (KL), het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en de Mariniersbrigade pleegden op grote schaal extreem geweld. Dit wordt in ambtelijke bronnen bevestigd, met name door vertegenwoordigers van het koloniale justitiële apparaat en het burgerlijke bestuur. In niet-ambtelijke stukken als dagboeken en brieven spreken militairen eveneens duidelijke taal. Velen maken zelfs vergelijkingen met het optreden van de Duitse bezetter in Nederland van 1940-1945.

Dat de harde conclusie ‘structureel extreem geweld’ veel veteranen kwetst die daaraan part noch deel hadden is begrijpelijk. De vaststelling dat Nederlandse militairen structureel extreem geweld toepasten wil echter niet zeggen dat de Nederlandse militairen oorlogsmisdadigers waren. De meerderheid hield namelijk schone handen. Belangrijke redenen hiervoor waren stationering in een rustig gebied of in een niet-gevechtsfunctie, waardoor men relatief weinig met gewapende of gevangen genomen vijandelijke strijders te maken had. Vooral in de hitte of in het kielzog van het gevecht en/of contact met de vijand vonden extreme gewelddaden plaats. Maar deze correlatie was niet alleen doorslaggevend. Het is geen zwart-wit verhaal. De werkelijkheid en de oorzaken waren complexer. Militairen met een gevechtsfunctie in een onrustig gebied pleegden namelijk niet per definitie extreem geweld. Omgekeerd zijn er gevallen bekend van in rustig gebied gelegerde koks of stafmedewerkers die ontspoorden. Ook al waren dit uitzonderingen, ze laten toch zien dat geen legeronderdeel geheel immuun was voor het toepassen van extreem geweld.

Duidelijk is, zo blijkt uit talloze voorbeelden, dat de schaal en intensiteit van het extreme geweld per saldo te groot waren om slechts van incidenten te kunnen spreken. Sterker nog, dat was ook het toenmalige oordeel van veel medewerkers van de militair-juridische organisatie die dit extreme geweld moest beteugelen en bestraffen.

Riskante strategie

Hoe konden Nederlandse excessen, extreem geweld, oorlogsmisdaden, massageweld, of hoe men het disproportionele geweld ook wil noemen, ontstaan en voortduren? De oorzaken hiervoor waren complex en veelvormig. Ze variëren dikwijls van eiland tot eiland en van regio tot regio, en ook wat betreft oorlogsfase. De militaire leiding in Batavia schiep een ideale voedingsbodem voor het ontstaan van dit geweld doordat zij psychisch en fysiek te veel vergde van de troepen. De riskante ‘speerpuntenstrategie’ van de energieke en (te) optimistische legercommandant generaal Simon Spoor (KNIL) en zijn medestanders, die met een paternalistisch-koloniale mentaliteit behept waren, was gebaseerd op een zware onderschatting van de vijand en een overschatting van eigen kracht. De strategie, die de regering in Den Haag had goedgekeurd, leidde er samen met een niet goed doordachte contraguerrillacampagne toe dat de Nederlandse krijgsmacht in kleine, dikwijls geïsoleerd optredende eenheden werd opgedeeld.

Aankomst van de in de VS opgeleide en modern uitgeruste Mariniersbrigade in de haven van Soerabaja (1946). Foto Beeldbank NIMH

Deze kleine eenheden moesten medio 1947, na een grootschalig offensief dat de geschiedenis inging als Eerste Politionele actie of Agresi Militer Belanda I, door slopend lange patrouilles en vele operaties gebieden ‘zuiveren’ en ‘pacificeren’ die doorgaans veel te groot en dichtbevolkt waren. Een bataljon met vaak nauwelijks meer dan 400 operationeel inzetbare militairen was gemiddeld verantwoordelijk voor een gebied groter dan de provincie Utrecht. Daarmee verlangde generaal Spoor van zijn manschappen feitelijk het onmogelijke. Voor militairen te velde was het slechts een kleine en verleidelijke stap om te pogen de grote problemen bij de gebiedsbeheersing, die met normale militaire middelen niet konden worden opgelost, met extreme methoden de baas te worden, ook al waren die in strijd met het oorlogsrecht.

Troepentekort

Voor veel militairen begon vanaf medio 1947 een afmattend bestaan op kleine buitenposten. Zij moesten daarnaast vaak aanzienlijk langer dienen dan hun was toegezegd en hen werd nauwelijks rust en recuperatie gegund. Bovendien schoot de organisatie van de toch al karige ontspanning tekort. Veel militairen raakten daardoor uitgeput en waren niet meer inzetbaar. Militaire artsen stuurden de legerleiding alarmerende rapporten over ziekteverzuim en vermoeidheidsverschijnselen, die in hun ogen vooral het gevolg waren van het troepentekort. Als gevolg van de onderbezetting, in combinatie met te ambitieuze doelen van het hoofdkwartier, stonden bovendien geen reserves ter beschikking. In deze omstandigheden werden individuen die bekendstonden als rotte appels of zelfs ‘psychopaten’, onder wie ook officieren, vaak niet op non-actief gesteld.

Na het tweede grootschalige militaire offensief van 19 december 1948 tot 5 januari 1949 en de verovering van geheel Java en grote delen van Sumatra (in Nederland bekend als de Tweede Politionele Actie), namen de problemen met de Nederlandse gebiedscontrole nog meer toe. Het te beheersen gebied per bataljon werd in deze fase nog groter. Als gevolg van het troepentekort zag de legerleiding zich genoodzaakt bepaalde gebieden militair uit te dunnen. Problematisch was ook dat de vastberaden en numeriek sterkere tegenstander zijn hit-and-run tactiek inmiddels met meer succes uitvoerde en, ondanks de harde klappen die hij moest incasseren, het goed zichtbare Nederlandse leger met steeds meer doden en gewonden opzadelde.

In enkele regio’s waar de Nederlandse militaire aanwezigheid tot een minimum was teruggebracht, moesten voortaan slecht uitgeruste en opgeleide hulptroepen, waaronder veiligheidsbataljons, ondernemingswachten of politiemensen, dit vacuüm zien op te vullen. Het afschuiven van taken naar grotendeels autochtone en onvoldoende toegeruste hulptroepen mondde regelmatig uit in extreem geweld, mede omdat de opstandelingen liever deze eenheden aanvielen dan de in het open gevecht superieure Nederlandse militairen. Hieruit blijkt opnieuw dat het troepentekort en alle negatieve gevolgen daarvan belangrijke oorzaken waren voor het ontstaan van extreem geweld.

Gespannen Nederlandse militairen patrouilleren door Solo. Foto Beeldbank NIMH

Rug tegen de muur

De al te ambitieuze doelstellingen en miscalculaties van Spoor leidden er bovendien toe dat de Nederlandse troepen in 1949 meer en meer in het strategisch defensief terechtkwamen ofwel met de rug tegen de muur stonden. Voor sommige commandanten was dit met het oog op de veiligheid van hun eigen militairen, de plaatselijke planters en pro-Nederlandse dorpshoofden reden om – open of verdekt – tot militaire terreur over te gaan. Zo gaf luitenant-kolonel F.O.B. Musch (KNIL), commandant van het KNIL-bataljon Infanterie I (Inf. I), begin 1949 toe zogenoemde ‘contra-terreur’ rondom Solo toe te passen en in dit opzicht niet alleen te staan. Ook brigadecommandant kolonel H.J. Krönig (KL) bracht zulk extreem optreden in de praktijk. Zo bedacht hij begin maart 1949 een plan om door gerichte moorden de stad Malang (Oost-Java) en omgeving, waar de Nederlanders kampten met Republikeinse infiltraties, weer geheel in handen te krijgen. Krönig liet zestien gedetineerden uit de plaatselijke gevangenis halen, allen afkomstig uit onrustige kampongs rondom Malang, en stuurde hen mee met drie patrouilles. Krönig gaf, daarin bereidwillig ondersteund door bataljonscommandant A.F.L. Maris (KNIL) van Inf. IV, de drie patrouillecommandanten de opdracht de gevangenen onderweg te liquideren. In de rapporten stond dat ze bij een vluchtpoging waren gedood. Krönig en Maris gaven later tegenover de militaire justitie toe dat ze een afschrikwekkend voorbeeld voor opstandelingen en bevolking hadden willen stellen, maar bleven ongestraft. Dergelijke methoden paste ook compagniescommandant majoor C.J.J. van de Heijden (KL) van het bataljon 3-14 RI (Regiment Infanterie) toe. Deze commandant schreef eind 1949 in privécorrespondentie aan zijn meerdere, bataljonscommandant P.W. van Duin (KL), dat het geheim van het succes van 3-14 RI een ‘meedogenloos optreden’ was geweest, dat ‘niet voor publicatie geschikt’ was.[1]

Terreur als uitweg

Nederlandse brigade-, bataljons- en compagniescommandanten als Musch, Krönig, Maris, Van de Heijden en Van Duin beschouwden alle middelen als gewettigd. Militaire terreur was voor hen een uitweg. Deze oplossing werd in de hand gewerkt doordat er aan Nederlandse zijde een afschuiving van de verantwoordelijkheid voor gebiedsbeheersing van boven naar beneden plaatsvond. Deze afschuiving mondde vaak uit in eigenmachtige en extreem gewelddadige acties van commandanten te velde. Deze leidinggevenden, van wie sommigen zich in hun sectoren gedroegen als onderkoningen die meenden boven de wet te staan, voelden zich vaak door Den Haag en Batavia en vooral door politici in de steek gelaten. De commandanten, ook van lagere rang dan de bovengenoemden, speelden bij ontsporingen vaak een sleutelrol. Van hun leiding, gezag en moreel kompas hing het vaak af of militairen wel of niet over de schreef gingen.

Inwoners van Salomoni moeten toekijken hoe een twintigtal personen standrechtelijk wordt geexecuteerd (1947). Foto Beeldbank NIMH

Tekenend is dat tot extreem geweld geneigde commandanten op veel begrip en oogluikende toestemming van zowel de militaire als de civiele autoriteiten konden rekenen. Dit bevestigen ook andere gewelddaden dan de hierboven genoemde. Twee andere voorbeelden van eigenmachtig optreden waren het bombarderen vanuit de lucht van Bandjarnegara (Midden-Java) op last van generaal-majoor Simon de Waal (KNIL) in november 1947 en het gelasten van ‘standrecht’ na de verovering van Tjiandjoer (West-Java) medio 1946 door kolonel B.A. van Gulik (KNIL) in de hele regio. Zowel De Waal als Van Gulik ontving daarna een protestbrief van generaal Spoor. De legercommandant vreesde in beide gevallen negatieve politieke gevolgen als deze wijze van optreden bekend zou worden. In het geval van Tjiandjoer gaf hij aan ‘standrecht’  te beschouwen als een verwerpelijk en fascistisch middel dat nadrukkelijk in strijd was met het oorlogsrecht.

Toch greep Spoor niet strafrechtelijk in en liet hij beide officieren op hun post. Voor zulke lokale ontsporingen droeg het hoofdkwartier dan ook een aanzienlijke medeverantwoordelijkheid. De generaal voerde een inconsequent en gemankeerd personeelsbeleid. Voor hem was bij zijn hoogste ondercommandanten een koloniale gezindheid belangrijker dan militaire ethiek. Voorts stelde de legerleiding de commandanten te weinig middelen ter beschikking in verhouding tot hun taak: een strikte controle over grote en moeilijk toegankelijke, voor de guerrilla uitermate geschikte gebieden. Bovendien gaf Spoor zelf het slechte voorbeeld door al eind 1946 zijn eerder geuite fundamentele kritiek op ‘standrecht’ om opportunistische redenen overboord te gooien. Zo sloot het hoofdkwartier de ogen voor de drie maanden durende massamoord in Zuid-Celebes die vooral door commando’s onder bevel van Westerling en door KNIL-militairen werd gepleegd, ook bekend als de ‘Zuid-Celebes-affaire’. Daarmee werd zulk geweld, als de militaire situatie daartoe ‘dwong’, tot koloniaal beleid verheven. Procureur-generaal Henk Felderhof, die het bloedbad tot ‘in noodrecht gegronde militaire actie’ verklaarde en daarmee legitimeerde, speelde bij dit proces van escalatie van extreem Nederlands geweld een belangrijke rol.[2]

Generaal Spoor (rechts) gooide al eind 1946 zijn eerder geuite fundamentele kritiek op ‘standrecht’ om opportunistische redenen overboord. Foto Nationaal Archief

Standrecht wijdverbreid

De geest van het standrecht was na Zuid-Celebes volledig uit de fles. Onder standrecht moeten in 1945-1949 executies zonder enige vorm van proces worden verstaan. Al eind 1946 kwalificeerde de hoge militair-jurist Bernard Jan Lambers deze executies expliciet als militaire moorden. Dit ‘standrecht’ werd daarna ook op Java, Sumatra en elders veelvuldig door Nederlandse militairen toegepast, zij het op kleinere schaal en minder openlijk dan in Zuid-Celebes. Belangrijke reden hiervoor was dat zij hun gevangenen niet meer kwijt konden in de overvolle koloniale gevangenissen, waaruit gevangenisdirecteuren hen deels snel weer vrijlieten. Andere gevangenen kwamen vrij door corruptie of als gevolg van politieke afspraken met de Republiek.

De vrijlatingen en een politioneel-justitieel apparaat dat de arrestaties niet meer kon bijbenen werkten een dodelijk systeem van eigenrichting in de hand. KL-Militair H.M. Bax ging hier in een brief uit 1969 als volgt op in: ‘Wij hebben dikwijls gevangenen gemaakt en deze werden […] na enige maanden weer vrij gelaten, dan kwam je deze lui weer tegen. Weer lagen ze je in een hinderlaag op te wachten. Die terrorist, die je al eens gevangen had. Opruimen die lui, dat was de enige manier.’[3] Om de druk te verlichten op de overvolle gevangenissen, grotendeels veroorzaakt door eigen, vaak ongerichte massa-arrestaties, zijn gevallen bekend dat militairen ‘gingen wandelen’ met gevangenen en zonder hen terugkeerden. Deze moorden werden te velde vaak met de dekmantel standrecht verhuld, waarmee een vorm van rechtspraak en legitimiteit werd gesuggereerd.

Officier van justitie L.Th. Vervloet beoordeelde deze vorm van geweld in september 1947 vanuit Semarang als volgt: ‘Het heeft […] veel moeite gekost om verschillende militaire commandanten ervan te overtuigen, dat toepassing van het standrecht tot het uiterst minimum moet worden beperkt; indien echter de militairen weten, dat de Ned. rechter in ernstige zaken geen recht kan spreken bij ontstentenis van een betrouwbaar politie-apparaat om voorloopige onderzoeken te houden vrees ik, dat dit verderfelijk standrecht gaat opleven.’[4] Deze te velde wijdverbreide eigenrichting van gevangenen en de daarmee samenhangende dreigende politieke schade was ook de hoofdreden waarom Batavia vanaf maart 1948 op Java en Sumatra zogeheten bijzondere krijgsraden opzette. Deze krijgsraden die snelrecht toepasten, veroordeelden een onbekend aantal personen tot de dood of langdurige gevangenisstraffen. We kunnen hierin een bevestiging van eigen falen zien.

Schietgraag optreden

Ook de invloed van de voor afstomping zorgende harde guerrillaoorlog tegen een zelden geüniformeerde en vaak onzichtbare tegenstander, wiens strijdwijze als laf en verraderlijk werd ervaren en die zich zijnerzijds aan geen enkele regel gebonden leek te voelen, werkte extreem militair geweld in de hand. De onzichtbaarheid van de opstandelingen had tot gevolg dat veel militairen nooit wisten wie hun vijand was en dat ze, als ze iemand zagen van wie ze vermoedden dat hij gevaarlijk kon zijn, hem onmiddellijk onder vuur namen. Er zijn dan ook talloze berichten van militairen die vooral in het laatste oorlogsjaar geen risico’s meer wilden nemen en buitengewoon schietgraag optraden. Het gebrekkige vermogen en/of de onwil om burgers van strijders te onderscheiden leidde voorts tot een algemene verdenking tegen burgers die noodlottige gevolgen kon hebben. Het schietgrage optreden werd soms in de hand gewerkt door bevelen van commandanten op alles te schieten wat bewoog.

De schijn kon bedriegen: naarmate de oorlog langer duurde, zakte het moreel van de Nederlandse militairen naar een dieptepunt. Foto Beeldbank NIMH

Een andere factor was het dalende moreel. Dit probleem en het bijbehorende fatalisme bereikten vooral in de eerste helft van 1949, tijdens de heftigste fase van de oorlog, een dieptepunt. In deze fase begon de Nederlandse nederlaag zich als gevolg van buitenlandse druk (vooral van de VS en de VN) en de succesvolle Indonesische uitputtingsstrategie steeds meer af te tekenen. H. Adema (KL), lid van de staf van de 3e Infanterie-Brigadegroep, schreef op 26 maart 1949 uit Garoet (West-Java) dat de meeste militairen al langer dan de afgesproken twee jaar in Indonesië waren, dat ze zich daardoor ‘bedonderd’ voelden en dat het moreel steeds meer achteruit ging. ‘De doorsneesoldaten [zijn] rijp gemaakt voor de leuze: schieten maar jongens, maar schiet raak, de bren erover. Haat, wraak om gevallen kameraden, verveling, uitzichtloosheid, lusteloosheid, moeheid enz. enz. enz. doen de rest.’

Dienstplichtig soldaat J. Bruintjes van 1-2 RVA (Regiment Veldartillerie), die tijdelijk dienst deed als ambulancechauffeur, schreef op 19 februari 1949 vanuit Soekarnagara (West-Java) een brief aan een vriend die tekenend is voor de wijdverbreide ontgoocheling en verharding. ‘Veel is er niet te doen. Want van onze kant wordt er zelden een geraakt. En van de andere kant komen er geen gewonden meer, want dat is er niet meer bij. Opruimen de vuilnis. Niks geen pardon meer. […] We hebben gescholden op moffen van wreedaards dit en wreedaards dat, maar een Hollander is geen greintje beter op dat gebied.’ Uit Bruintjes brief wordt verder duidelijk dat hij aan een patrouille had deelgenomen waarbij de deelnemers drie gevangenen hadden gemaakt. Deze wilden niet verraden waar ze hun wapens hadden verstopt. ‘Ja, wat moet je daarmee doen. Gewoon proberen het eruit te slaan. Maar m’n petje af voor de heren. Zo hard als metaal. Niets zeiden ze.’ Uiteindelijk noemden de gevangenen toch een plaats die echter niet bleek te kloppen, aldus Bruintjes. ‘Nu ja, dat ze zoiets duur moesten betalen behoef ik niet te zeggen. Daar was nog wel 3x7 cent [prijs van een geweerkogel] voor over. De kali in! […] we zitten nu al over de twee jaar […] van huis. Nu, ik vind het wel welletjes. En de meeste jongens […] kennen dan ook geen genade meer. Enkel nog de leus ‘opruimen dat zootje’. Brengun erover en dan zo gauw mogelijk naar Holland. Iedereen is keihard geworden. Schrijf over dit niet aan mijn […] familie, want als ik hun schrijf zit ik weer gruwelijk te liegen van ‘alles is goed’ enz.’[5]

Traditie van extreem geweld

Een andere voedingsbodem voor ontsporingen was de militaire traditie van extreem geweld, met name bij het KNIL, dat om zijn hardhandige optreden bekend stond. De blanke officieren of Indo-Europeanen van dit koloniale leger bezetten alle sleutelposities van de vanaf 1946 in de archipel ingezette Nederlandse troepen, ook binnen de inlichtingendiensten. Vooral de bloedige Atjeh-oorlog (1873-1914) was een leerschool geweest voor KNIL-officieren, die op hun beurt de uit Nederland verscheepte KL-militairen inprentten niet zuinig te zijn met het gebruik van geweld. KNIL-instructeurs benadrukten bij de aanvullende opleiding soms de noodzaak om geen krijgsgevangenen te maken of vertelden gedetailleerd hoe gevangenen het beste konden worden geliquideerd, namelijk door ze buiten zicht van de eenheid even ‘te laten pissen’. Deze woorden gaven aan dat gevangenen verplaatst moesten worden en zogenaamd de gelegenheid tot vluchten moesten krijgen, wat een goed excuus was om hen ‘neer te leggen’.

Korporaal A.T. Hendriksen (KL) van 1-3 RI noteerde in januari 1948 in zijn dagboek wat de KNIL-vorming met zijn eenheid oorlogsvrijwilligers had gedaan: ‘Iedereen maakte aan het einde van de week de balans op hoeveel er te grazen genomen waren, het werd een onderlinge wedstrijd en ik kan niet anders zeggen, dat ik in de plaats van zo’n T.R.I. vent liever niet tegen zo’n stelletje lieve jongens als wij waren opliep. We waren hier nu ruim een jaar en hadden zo ongeveer wel het kunstje van de oude rotten van het K.N.I.L. afgekeken, soms dacht ik wel eens, wat is het toch eigenlijk een rare boel, maar het was nu eenmaal niet anders.’[6]

Problematische mobilisatie

De (te) snelle mobilisatie van soms getraumatiseerde, overgemotiveerde en naar wraak voor de Bersiap-gruwelen dorstende KNIL-militairen die de Japanse krijgsgevangenkampen hadden overleefd, vergrootten de kans op het ontstaan van massageweld. Voor hen en de nieuw gemobiliseerde, (te) kort opgeleide KNIL-rekruten stond in de oorlog in sociaaleconomisch, cultureel  en psychologisch opzicht veel meer op het spel dan voor hun KL-collega’s en zij moesten in het geval van een nederlaag een bijltjesdag vrezen. Niet minder problematisch was de mobilisatie van veel ongedisciplineerde oorlogsvrijwilligers van de KL, die vaak afkomstig waren uit het verzet tegen de Duitse bezetting, toen eigenrichting schering en inslag was en diefstal soms als daad van verzet gold. Veteraan A. Nypels schreef hierover in 1969: ‘Onder de officieren en onderofficieren [van de vrijwilligers] waren veel mensen uit het verzet, waar [...] lang niet altijd op de menselijkheid, menswaardigheid en de conventies van Genève werd gelet. [...] Deze jongens waren, althans vergeleken bij hun vooroorlogse leeftijdsgenoten, avontuurlijker, agressiever en wreder.’[7]

De mobilisatie van KL-dienstplichtigen verliep eveneens problematisch. Na een korte opleiding voeren deze jonge, onervaren en gemakkelijk te beïnvloeden militairen naar Indonesië. Na aankomst in de archipel belandden zij in een hun volstrekt onbekende, dikwijls beangstigende omgeving. Daar werden ze door een bloedige contraguerrillacampagne gevormd en vaak geleid door uiterst jonge officieren. Deze pelotonscommandanten waren wegens personeelstekorten soms (te) snel bevorderd en konden hun minderen wegens gebrek aan ervaring, autoriteit en leidinggevende capaciteiten maar moeilijk in de hand houden. Zij hadden daardoor, als ze al wilden, vaak niet het overwicht om willekeurige wraakacties tegen gevangenen of burgers tegen te houden, bijvoorbeeld als er een kameraad was gesneuveld.

Twee Javaanse mannen worden in de buurt van Soekaboemi zonder proces neergeschoten nadat zij een groep Nederlandse militairen eind december 1948 in een hinderlaag hadden gelokt. Foto Beeldbank NIMH

Hare Majesteits Ongeregelde Troepen

Wat de selectie betreft mobiliseerden de in het nauw gedreven koloniale autoriteiten nagenoeg alle beschikbare krachten, ook al waren die nog zo dubieus of ongeschikt. Het meest duidelijke voorbeeld was de inzet van overgelopen milities en TNI-militairen onder leiding van luitenant Koert Bavinck (KL). Het merendeel van deze HAMOT’s (Hare Majesteits Ongeregelde Troepen) had een criminele achtergrond. Enkelen werden wegens het vermoorden van Europeanen tijdens de Bersiap door de politie gezocht. Batavia gaf deze mannen echter wapens en tijdelijke immuniteit om ze onder Nederlandse vlag op hun oude kameraden los te kunnen laten. De HAMOT’s boekten in 1947 weliswaar enkele successen, maar namen snel hun toevlucht tot extreem geweld en plunderingen, ook in door Nederland beheerste gebieden.

Hierdoor moest deze eenheid na bijna anderhalf jaar worden opgeheven. Toch maakte het model van de HAMOT’s school in de Nederlandse gelederen. Eenzelfde opportunisme, waarbij het troepentekort en een inconsequent personeelsbeleid opnieuw een rol speelden, leidde tot de vorming van Compagnie Erik. Deze speciale troep bestond uit oud-commando’s die vanwege hun grote neiging tot extreem geweld uit het Korps Speciale Troepen (KST) waren verwijderd. Zoals te voorzien viel ging deze eenheid, toen zij werd ingezet, snel weer ernstig over de schreef.

De problemen met de discipline, waaronder vuurdiscipline, waren voorts zo groot dat de legerleiding zich voortdurend genoodzaakt zag commandanten en hun ondergeschikten hierop aan te spreken. Desondanks slaagde het hoofdkwartier er niet in de discipline te verbeteren en ook dat is een belangrijke verklaring voor de veelvuldige extreme gewelddaden alsook de plunderingen van huizen en kampongs die volgens Spoor dagelijks plaatsvonden. Waar de bovengenoemde factoren samenkwamen met een falend justitieel apparaat, gebrekkige controlemechanismen van binnen en buiten en een van hoog tot laag tekortschietend leiderschap dat extreme methoden in feite goedkeurde, leken schendingen van het oorlogsrecht onontkoombaar.

Martelingen in dienst van de oorlogsdoelen

Deze goedkeuring betrof ook het beschieten van doelen met zware wapens (artillerie, tanks, scheepsgeschut of vliegtuigen), dat aan Indonesische zijde regelmatig veel burgerslachtoffers veroorzaakte. Deze vaak onnauwkeurige en/of willekeurige toepassing van zogeheten technisch geweld, waarvan de grens tussen proportioneel en disproportioneel moeilijk vast te stellen is, werd door de autoriteiten nooit onderzocht, laat staan bestraft. Het bereiken van de oorlogsdoelen en de beperking van de eigen verliezen door deze beschietingen wogen zwaarder. Dezelfde afweging van belangen gold – dit blijkt uit uitvoerig archiefonderzoek – voor het eveneens van hogerhand gedoogde martelen. Deze praktijk was op papier weliswaar verboden, maar werd door de inlichtingendiensten, zoals de militaire justitie en het legerhoofdkwartier heel goed wisten, systematisch toegepast.

Het gebruik van technisch geweld leidde aan Indonesische zijde regelmatig tot veel burgerslachtoffers. Foto Indiëgangers.nl

Dit gebeurde omdat de opstandelingen er met name in de laatste fase van de oorlog steeds beter in slaagden het Nederlandse inlichtingennetwerk, dat vooral gebaseerd was op informatie van de bevolking en de dorpshoofden, uit te schakelen. Dit lukte hen in de eerste plaats door succesvolle en vaak onder dwang uitgevoerde infiltraties. Naarmate de guerrillaoorlog vorderde, tastten de Nederlandse militairen  steeds meer in het duister over het optreden en de plannen van de vijand. Mede daardoor namen de martelingen toe. Vooral met dwangmiddelen losgekregen informatie van gevangenen werd de belangrijkste inlichtingenbron over de vaak onzichtbare en ongrijpbare vijand.

Martelingen voor als cruciaal beschouwde vijandanalyse kon, ondanks de verontwaardiging van sommigen, op begrip van velen rekenen. Zo schreef een militair begin 1949 uit Mantoep (Oost-Java) naar huis dat een gevangene door de Veiligheidsdienst van de Mariniersbrigade door zijn ‘Hollandse, Indo-Europese, Ambonese en Chinese beulen’ was gefolterd en daarna had bekend een spion te zijn. Vervolgens werd de man ‘ergens in het bos’ neergeschoten. ‘Ik heb het geval eergisteravond besproken met een jongen van onze Cie [compagnie] [...] die er ook mee in z’n maag zat, die voelde heel goed, dat dit beestachtig was. Hij is ’s avonds nog naar de luit geweest om erover te spreken. De luit vond het ook erg, maar aan de andere kant nodig voor het verkrijgen van inlichtingen.’[8]

Falend militair-juridisch apparaat

Het oogluikend toestaan van martelingen, alsmede disproportioneel technisch geweld, brandstichtingen en andere misdaden toont tevens aan dat de militaire justitie, die zich tegenover Nederlandse militairen die over de schreef gingen tandeloos en vooringenomen opstelde, nagenoeg volledig faalde. Dit falen droeg wederom bij aan een cultuur van wetteloosheid in de krijgsmacht en aan het regelmatig toedekken van extreem geweld. Dat leidde ertoe dat enkele commandanten het militair-juridische apparaat doelbewust omzeilden. Wat het doden van gevangenen te velde betreft schreef auditeur-militair van het KNIL E. Bonn in maart 1949 aan zijn superieur, procureur-generaal Felderhof: ‘Het is voor mij zeer lastig te beoordelen wat er precies te Velde gebeurt. Dat het e.e.a. niet mals is, staat voor mij vast. Het is echter onmogelijk tot vervolging over te gaan, omdat na acties of niets wordt gerapporteerd dan wel alleen wordt vermeld: ‘Tijdens actie cq op de vlucht gedood’. De diverse eenheden zijn op dit punt solidair en verraden elkaar uiteraard niet.’[9] Bij aantijgingen van binnen of buiten de krijgsmacht sloten de vaak brede coalities van daders van hogere en lagere rangen dan ook snel en geruisloos de gelederen. De ongeschreven wet van ‘de vuile was niet buiten hangen’ werd nog bevorderd doordat klokkenluiders in plaats van op steun en bescherming eerder op bedreiging en bestraffing van collega’s of de legerleiding moesten rekenen.

Simplistisch vijandbeeld

Aan het geweld bevorderende klimaat droegen ook racisme en een door de voorlichtingsdiensten verspreid negatief en simplistisch vijandbeeld bij. Die diensten miskenden het Indonesische streven naar onafhankelijkheid en schilderden de tegenstander af als barbaars, laf, crimineel of extremistisch. Bovendien werkte de invloed van de extreem gewelddadige Bersiap na, die aan beide kanten haat en verachting had gekweekt. Op basis van deze factoren vond er een wisselwerking plaats met het eveneens structurele Indonesische extreme geweld. Dit Indonesische geweld lokte vaak Nederlandse wraakacties en vice versa uit, zodat lokaal vicieuze cirkels van geweld konden ontstaan. Toch kan veel extreem Nederlands geweld niet ‘slechts’ worden gezien als een wraakactie. Het stond dikwijls op zichzelf. En wanneer er wel sprake was van een Nederlandse reactie op Indonesisch geweld, dan was dat ‘antwoord’ vaak buitensporig.

Een andere verklaring voor de ontsporingen waren de op het verleden gebaseerde politieke opvattingen en de koloniale ideologie van de belangrijkste besluitvormers. De inschattingsfout dat het merendeel van de Indonesische bevolking goedwillend tegenover Nederland stond, leidde er toe dat de militaire en civiele autoriteiten nauwelijks de moeite namen het Indonesische volk politiek of anderszins te overtuigen van de Nederlandse bedoelingen. Ideeën over het vergaren van steun van de bevolking door een uitgekiende hearts and minds-campagne, bijvoorbeeld door dosering van geweld, meer militair-civiele samenwerking, een sterker politioneel accent en overtuigende politieke beloftes voor de toekomst, kwamen niet op bij Spoor en luitenant-generaal-gouverneur Huib van Mook, of zij legden dergelijke plannen, die tijd en geduld vergden, weer snel naast zich neer.

Als we de balans opmaken blijft het moeilijk te beoordelen welke van de bovengenoemde oorzaken voor het ontstaan van extreem geweld de belangrijkste waren. Dit verschilde vaak van geval tot geval. Bovendien gaven meestal meerdere, elkaar versterkende factoren de doorslag. Wel is duidelijk dat het troepentekort in combinatie met te ambitieuze doelen en onderschatting van de vijand, het ontbreken van checks and balances, het inconsequente personeelsbeleid, een van hoog tot laag falend leiderschap, de opportunistische selectie van deels problematische troepen en hulptroepen, de gebrekkige discipline, het dalend moreel en de korte opleiding tot de centrale oorzaken behoren.

De trojka Spoor, Felderhof en Van Mook

Hoofdverantwoordelijk voor het extreme geweld – met in de VN besproken schandalen zoals Zuid-Celebes, Rawagede en Bondowoso als dieptepunten – was in de archipel de trojka bestaande uit generaal Spoor, procureur-generaal Felderhof en luitenant-gouverneur-generaal Van Mook. Alle drie toonden zij zich soms verontwaardigd over extreme methoden, maar ze lieten bij herhaling na strafrechtelijk of anderszins in te grijpen. In plaats daarvan bagatelliseerden, gedoogden of legitimeerden zij het extreme geweld, terwijl ze de daders – die natuurlijk eveneens schuld dragen – de hand boven het hoofd hielden en door oppervlakkig, maar langdurig onderzoek gras over spraakmakende ‘affaires’ lieten groeien. De drie belangrijkste men on the spot en hun medewerkers legden interne of externe kritiek naast zich neer, voerden een struisvogelpolitiek en verhieven extreem geweld impliciet tot koloniaal beleid als de militaire situatie dat in hun ogen vergde.

Maar de politiek verantwoordelijken in Den Haag treft de hoofdblaam. Zij waren het die een grote, nauwelijks voor haar taak berekende legermacht mobiliseerden en naar overzee stuurden. Om in Indonesië een grimmige dekolonisatieoorlog uit te vechten, waarbij Nederland – in de woorden van minister Ben Bot in 2005 – aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond. De politici faalden inzake controle van de toegepaste methodes en keurden het ambitieuze militair beleid goed, maar konden onvoldoende militaire, politionele en justitiële middelen ter beschikking stellen. Zij toonden wat de geweldstoepassing betreft, weinig belangstelling voor kritische geluiden – een enkel Tweede Kamerlid uitgezonderd. Voor hen lag het primaat eveneens bij de oorlogsdoelen en niet bij de handhaving van de beginselen van de rechtsstaat, ook in tijden van oorlog.

 

* Rémy Limpach is tijdelijk wetenschappelijk medewerker bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Dit artikel is gebaseerd op zijn proefschrift over Nederlands extreem geweld tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië, Die brennenden Dörfer des Generaal Spoor. Niederländische Massengewalt im indonesischen Unabhängigkeitskrieg 1945-1949, dat hij in september 2015 aan de Universiteit van Bern verdedigde. Op 29 september 2016 verscheen een handelseditie met de titel De brandende kampongs van Generaal Spoor. Alle in dit artikel gebruikte citaten zijn aan dit boek ontleend.

[1] NIMH, Losse Stukken, 5179/3, Van de Heijden aan Van Duin, 10 september 1949.

[2] NA, 2.10.17 (procureur-generaal, PG), 1325, Felderhof aan officier van justitie A.G. Veldhuis, 6 januari 1947.

[3] Beeld & Geluid, Achter het Nieuws, 2631, H.M. Bax, 26 januari 1969.

[4] NA, PG, 1315, Vervloet aan Felderhof, 15 september 1947.

[5] NA, 2.21.285 (Collectie Goedhart), 61, J. Bruintjes, 1-2 RVA, 6 januari 1949.

[6] NIMH, Losse Stukken, 3239, Dagboek A.T. Hendriksen, januari 1948 (geen nader tijdstip genoemd).

[7] Beeld & Geluid, Achter het Nieuws, 2023, A. Nypels, 20 januari 1969.

[8] NA, Collectie Goedhart, 61, Gedeelte van een brief dd. 1.1.1949 uit Mantoep.

[9] NA, PG, 1287, Bonn aan Felderhof, 9 maart 1949.