Koloniale reflexen in de West, 1945-1962

Het naoorlogse verdedigingsconcept voor de Nederlandse Antillen wordt ten onrechte vaak alleen vanuit het perspectief van de Koude Oorlog geanalyseerd. Het optreden van de Koninklijke Marine werd in die periode ook bepaald door een oudere imperiale traditie van wereldwijd maritiem optreden, die terugging tot de negentiende eeuw. Dit artikel beoogt, op basis van nieuw onderzoek in Nederlandse en Amerikaanse diplomatieke en militaire archieven, deze maritiem-koloniale reflexen nader in kaart te brengen.

Tico Onderwater MA*

In januari 1954 waarschuwde de Nederlandse gezant in Caracas, H. Riemens, in een geheime nota aan de minister van Buitenlandse Zaken, Joseph Luns, voor de toegenomen dreiging van Venezuela, dat openlijk de Nederlandse Antillen claimde. De oplossing voor dit probleem lag volgens Riemens in een intensievere inzet van de Koninklijke Marine in het Caribisch gebied. Door unilateraal vlagvertoon, militaire oefeningen en de aanwezigheid van ‘parate troepen’ moest Caracas ervan weerhouden worden een aanval op de Benedenwindse Eilanden uit te voeren.[1] Met deze aanbeveling greep de gezant terug op een traditie van gunboat diplomacy om de Nederlandse belangen overzee te verzekeren.[2]

In lijn met Riemens’ observatie betoogt dit artikel dat de verdediging van de Nederlandse Antillen tussen 1945 en 1962 niet alleen vanuit het raamwerk van de Koude Oorlog moet worden verklaard. Hoewel het Oost-Westconflict zijn weerslag had op de veiligheidssituatie in het Caribisch gebied, speelden tevens een (imperiale) maritieme beleidstraditie van wereldwijd optreden en regionaalpolitieke factoren een belangrijke rol bij de Nederlandse militaire aanwezigheid in de regio. Deze constatering sluit zowel aan bij de stelling van marinehistoricus Anselm van der Peet dat de marineleiding tijdens de Koude Oorlog vasthield aan een wereldwijd takenpakket als bij de hypothese van politicoloog Alfred Pijpers dat de zeemacht en Buitenlandse Zaken gericht waren op ‘postkoloniale maritieme compensatiedrang’.[3] Ook strookt ze met de oproep van Latijns-Amerikakenners Gilbert Joseph en Daniela Spenser tot een ‘conceptualization of the Cold War that is more attuned to the logic of Latin American history and does not merely replicate the standard timeline of the postwar world’.[4]

Naoorlogs marinebeleid

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het de Nederlandse marineleiding in Londen duidelijk dat toekomstige conflicten in bondgenootschappelijk verband uitgevochten zouden worden. Een situatie waarin Nederlandse marineschepen verspreid onder geallieerd commando zouden worden ingezet, zagen luitenant-admiraal Johan Furstner en zijn staf echter als onwenselijk. De marine stelde tijdens de oorlog de bondgenoten namelijk wel eenheden ter beschikking, maar had vervolgens geen zeggenschap over de inzet daarvan.

De naoorlogse Koninklijke Marine richtte zich op de opbouw van een zo groot mogelijke, harmonisch samengestelde vloot van verschillende smaldelen of eskaders. Op die manier konden de zeestrijdkrachten zowel in bondgenootschappelijk verband als onder eigen vlag optreden. Het Vlootplan van 1943 ging uit van een sterkte van vijf smaldelen, waarvan de kern werd gevormd door een vliegkampschip en een kruiser. Volgens historicus Dick Schoonoord vormde het schipperen tussen tomeloze ambities en krappe budgetten de belangrijkste beleidsconstante van de zeestrijdkrachten in de vier decennia na 1945.[5] Direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog frustreerde de dekolonisatieoorlog in Indonesië (1945-1949) de opbouwplannen van de Marinestaf. Het takenpakket van de zeestrijdkrachten in de Oost varieerde van het ondersteunen van landstrijdkrachten (kustbombardementen, troepenvervoer en amfibische operaties) tot het optreden tegen ‘zeeroof’ en het uitvoeren van een maritieme blokkade van Republikeinse gebieden.[6] Deze grote, maar ongewenste, krachtsinspanning vroeg om een brown water navy van klein materieel. Marinehistoricus Gerard Raven omschreef de oorlog als ‘een lastige erfenis die de wederopbouw slechts stoorde’.[7] Verder betekende het aangaan van militaire bondgenootschappen (de Westerse Unie in 1948 en de NAVO in 1949) dat de behoeftestelling multinationaal afgestemd moest worden om een geloofwaardige afschrikking te organiseren. In de verdedigingsconcepten van beide allianties moest de Koninklijke Marine zich aanvankelijk richten op havenverdediging en mijnenbestrijding op de Noordzee, maar tussen 1949 en 1951 wist de zeemacht een rol bij de beveiliging van de geallieerde trans-Atlantische scheepvaartroutes te bemachtigen.[8] Daarmee verzekerde de senior service zich van haar blijvende bestaansrecht als oceaangaande oorlogsvloot.

Tico Onderwater

Fregatten Hr.Ms. Piet Hein en Hr.Ms. Evertsen in Nederlands Nieuw-Guinea, 1959. De Evertsen bracht in januari 1962 de Indonesische motortorpedoboot RI Matjan Tutul tot zinken. Foto Beeldbank NIMH

Hoewel de traditionele geschiedschrijving als gevolg van de NAVO-taak op de Atlantische Oceaan de nadruk legt op marine-optreden in bondgenootschappelijk verband, betoogt Van der Peet dat het vasthouden aan een wereldwijd takenpakket voor de marinleiding tijdens de Koude Oorlog van groot belang bleef.[9] Unilateraal (maritiem-)militair optreden was tijdens deze periode van gewapende vrede weliswaar niet zo wijdverbreid als voor de Tweede Wereldoorlog, maar kwam wel voor. Internationaal bezien valt de Amerikaanse zeeblokkade van Cuba in 1962 en het optreden van de Royal Navy en de Royal Marines bij de Falklandeilanden in 1982 op. Maar ook de Nederlandse zeestrijdkrachten werden ter bescherming van Koninkrijksbelangen unilateraal ingezet. Het duidelijkste voorbeeld daarvan was – naast de naoorlogse inzet in Archipel - de Nieuw-Guineakwestie (1950-1962). Tijdens dat laatste conflict werden tientallen oorlogsbodems – onder meer het vliegkampschip, torpedobootjagers, fregatten en onderzeeboten – en maritieme patrouillevliegtuigen in de Oost gestationeerd en dienden er ruim duizend mariniers. Een van de laatste wapenfeiten van de vloot in Nieuw-Guinea, de slag bij Vlakke Hoek, toonde aan dat Den Haag niet terugdeinsde voor geweld om zijn belangen te verdedigen. Op 15 januari 1962 bracht de torpedobootjager Hr.Ms. Evertsen de Indonesische motortorpedoboot RI Matjan Tutul tot zinken.[10]

Net als bij Nieuw-Guinea werd het Nederlandse bezit in het Caribisch gebied vanuit een geopolitiek motief bezien. ‘Daar ter wereld in te grijpen, waar de politieke en strategische eisen van het ogenblik zulks nodig zullen maken’ was de kerntaak van de marine, aldus Commandant der Zeemacht viceadmiraal jhr. Edzard van Holthe in 1950.[11] Zoals Pijpers betoogt, zag ook Buitenlandse Zaken een verband tussen de Nederlandse maritieme macht en de invloed die Den Haag in de wereld kon uitoefenen.[12] De ‘postkoloniale maritieme compensatiedrang’ na de soevereiniteitsoverdracht aan de Verenigde Staten van Indonesië beperkte zich niet tot Nieuw-Guinea. Ook in de West was de marine een beleidsinstrument dat moest laten zien dat Nederland nog altijd een mogendheid van mondiale allure was. Doordat de overzeese gebiedsdelen buiten het Atlantisch bondgenootschap vielen, waren die bij uitstek geschikt om te tonen waartoe Nederland zelfstandig in staat was.

In juli 1947 zond de Marinestaf zeeofficieren naar de Antillen om te onderzoeken of Curaçao geschikt was voor het stationeren van een eskader. Zij concludeerden dat het tijdelijk stationeren van een smaldeel in Caribische wateren mogelijk was.[13] Begin 1949 gaf de staatssecretaris van Marine, viceadmiraal Harry Moorman, in de Defensiecommissie te kennen dat Curaçao in het vervolg als enige overzeese ‘hulpbasis’ zou fungeren. Ook haalde de marineleiding in 1950 het belang van de olieraffinage op Aruba en Curaçao en de verdediging van de eilanden aan om te pleiten voor het behoud van het vliegkampschip Hr.Ms. Karel Doorman.[14]

De Venezolaanse dreiging             

Regionale ontwikkelingen in het Caribisch gebied versterkten de intrinsieke motivatie een aanzienlijke militaire aanwezigheid op de Antillen te behouden. In oktober 1945 pleegde de sociaaldemocraat (en voormalig communist) Rómelo Betancourt in Caracas een staatsgreep, die tot democratische hervormingen moest leiden. Betancourts partij Acción Democrática schreef voor het eerst in de geschiedenis van het Zuid-Amerikaanse land democratische verkiezingen uit. Rómelo Gallegos werd na de verkiezingen van 1947 president. De buitenlandpolitiek van Betancourt en Gallegos liep volgens vertrouwde lijnen: de Nederlandse gezant te Caracas, F.W. Craandijk, beschreef het als ‘een nagenoeg openlijk streven tot annexatie van de Nederlandse Antillen’.[15] Het democratische experiment kwam na drie jaar abrupt ten einde. Een groep legerofficieren onder leiding van Marcos Pérez Jéminez arresteerde Gallegos op 24 november 1950 en bracht zijn regering ten val.[16]

Voor Den Haag en Willemstad veranderde er weinig, omdat Pérez Jéminez in de aanwezigheid van de Nederlandse Antillen eveneens een afleiding van binnenlandse problemen vond. De Benedenwindse Eilanden bleven in Venezolaanse ogen irredenta, gebied dat cultureel, etnisch, historisch en sociaal gezien eigenlijk tot Zuid-Amerika behoorde en onrechtmatig behouden werd door Nederland.[17] Binnen de Organisatie van Amerikaanse Staten was Venezuela een van de voornaamste voorvechters van dekolonisatie in het Caribisch gebied.[18] In de Venezolaanse pers werd eveneens geijverd voor Antilliaanse onafhankelijkheid; het sociaaldemocratische dagblad El Nacional stelde in maart 1949 dat wanneer autonomie zou uitblijven, de eilanden ingelijfd moesten worden door Venezuela.[19]

Tico Onderwater

Paradeerrol aan boord van stationsschip Hr.Ms. Van Speyk bij het binnenlopen van de Sint Annabaai, 1946. Foto Nationaal Archief

De secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken, Han Boon, vond, hoewel er sprake was van een “interpretatieve” dreiging, dat ‘het gevaar van Venezolaanse inmenging latent aanwezig blijft’.[20] Eerder berichtte de gouverneur van het Gebiedsdeel Curaçao, Piet Kasteel, dat ‘er honderd bommenwerpers en jagers aan de overzijde’ gereed stonden om te interveniëren.[21] Ook de Nederlandse marineattaché in Washington, schout-bij-nacht jhr. Hendrik van Foreest, was beducht dat Venezuela zich zou storten in een Antilliaans militair avontuur.[22] Verschillende Venezolaanse speldenprikken namen de onrust zeker niet weg. Tijdens de kerstdagen van 1953 vlogen Venezolaanse jachtvliegtuigen onaangekondigd over de Benedenwindse Eilanden.[23] Nog serieuzer was het beschieten en opbrengen van het onder Nederlandse vlag varende vissersschip Marsbango, dat in april 1954 door de Venezolaanse kustwacht van smokkel werd verdacht. Toen de schipper van de Scheveninger kotter kans zag naar Willemstad te telegraferen, werd het stationsschip Hr.Ms. Van Speyk zuidwaarts gedirigeerd om onder de Venezolaanse kust te patrouilleren.[24] Enkele dagen daarna werden schip en bemanning vrijgegeven.[25]

Ook de versterking van de Venezolaanse defensie vormde een reden om de Nederlandse militaire aanwezigheid in de West uit te breiden. Omdat de levering van torpedobootjagers door de VS hem te langzaam ging, wendde Pérez Jéminez zich tot Europese wapenfabrikanten. In april 1953 stuurde Riemens daarover een telegram aan Luns:

Het spreekt vanzelf dat de Venezolaanse marine, tot dusverre toegerust met nauwelijks meer dan enkele oude kanonneerboten, en wat ander klein materiaal, geheel en al van samenstelling zal veranderen, zodra de vloot zal zijn uitgebreid met de zes bestelde schepen. Of de opleiding van het kader aan even hoge eisen beantwoordt als waaraan het materiaal moet voldoen, lijkt twijfelachtig. Het zou echter verkeerd zijn hieruit af te leiden dat men de uitbreidingsplannen van de Venezolaanse marine en bagatelle zou kunnen nemen. (...) Deze belangrijke uitbreiding van de marine en ook die van de luchtmacht wijzen er op dat President Pérez Jiménez zich wil voorbereiden op het spelen van een rol in een eventuele nieuwe wereldoorlog. Wat de Nederlandse Antillen aangaat, zo nauw verweven met de petroleum-economie van Venezuela, is het een evident belang dat Venezuela haar maritieme middelen in deze zin ontwikkelt. De bestaande verhouding tussen deze middelen en die, welke voor de verdediging van de Nederlandse Antillen ter beschikking staan, zou geheel en al worden doorbroken wanneer niet ook een evenredige uitbreiding werd gegeven aan de maritieme verdediging van Curaçao en Aruba.[26]

Om Venezuela van een aanval te weerhouden, greep Nederland terug op de eigen zeestrijdkrachten voor vlag- en machtsvertoon in de Caribische wateren. Zowel de zogeheten West-reizen van Smaldeel V in 1950, 1952, 1959 en 1962, als individuele bezoeken van het vliegkampschip Hr.Ms. Karel Doorman aan de Antillen, kunnen worden gezien als naval diplomacy, door marinehistoricus J.J. Widén gedefinieerd als ‘the use of naval force as a political instrument short of war’.[27] Binnen naval diplomacy staan deze reizen en presentie bekend als catalytic force, een vorm van afschrikking waarmee staten door middel van de aanwezigheid van zeestrijdkrachten plaatselijke gebeurtenissen proberen te beïnvloeden.[28]      

Tico Onderwater

Kranslegging in de Venezolaanse hoofdstad Caracas door de état-majoor van kanonneerboot Hr.Ms. Van Speyk, 1947. Foto Beeldbank NIMH

Daarnaast beoefende de Koninklijke Marine de verdediging tegen coups de main of verrassingsaanvallen. Het tegengaan van deze aanvallen werd vanaf het einde van de negentiende eeuw onderkend als hoofdtaak van de Koninklijke Marine in Nederlands-Indië en paste daardoor in een langere lijn van maritiem-koloniaal optreden.[29] Op de Antillen konden deze aanvallen zich richten op de olieraffinaderijen op Aruba en Curaçao of het gouvernement in Willemstad, zoals de bezetting en plundering van Fort Amsterdam door de Venezolaanse revolutionair Rafael Urbina in 1929 liet zien.[30] De strategie die Den Haag volgde was gericht op afschrikking: de oefeningen hadden het politieke doel Venezuela te overtuigen dat de Nederlandse strijdkrachten in staat waren terug te slaan wanneer de Nederlandse soevereiniteit werd geschonden – en dat Den Haag voor die inzet niet zou terugdeinzen.[31] Naast het politieke signaal dat van deze oefeningen uitging, pasten ze ook binnen het streven van de marineleiding wereldwijd actief te blijven na het verlies van de Nederlandse gebieden in Zuidoost-Azië. De vlagofficier Marine Luchtvaartdienst (MLD), schout-bij-nacht vlieger Heije Schaper, schreef in 1950 aan zijn ranggenoot Van Foreest dat wanneer de MLD eenmaal ‘voet aan wal in de West [heeft], dan kunnen wij daar verder op voortbouwen’.[32] De staatssecretaris van Marine, kapitein-ter-zee Piet de Jong, stelde niet toevallig kort voor de soevereiniteitsoverdracht van westelijk Nieuw-Guinea in 1962 dat de taken in de West goed pasten bij het Korps Mariniers, omdat de eilanden vanzelfsprekend op de grens van land en water liggen en het korps volgens hem ‘“expeditionair” (tropisch getraind) en mobiel’ moest zijn.[33]               

In mei 1952 werd de oefening LANDEX I gehouden, waarbij het grootste gedeelte van het defensiepotentieel in de West inzet zag. [34] In januari van dat jaar had de Koninklijke Marine in de West de beschikking gekregen over het met Fairey Fireflies uitgeruste Squadron 1 van de MLD en het jaar daarvoor had het kernbataljon van het Korps Mariniers de taken van de Koninklijke Landmacht op de eilanden overgenomen. De oefening vormde een uitgelezen kans voor de marineleiding om te tonen dat haar krijgsmachtdeel in staat was te land, ter zee en in de lucht het overzeese bezit te verdedigen. De Antillen, ‘Roodland’ genoemd, werden bij deze oefening bedreigd door ‘Blauwland’. Deze staat had volgens het operatieplan ‘besloten door middel van een coup de main de rode regering omver te werpen en gevangen te nemen om hierdoor het eiland in bezit te nemen’. De kritieke datum voor een blauwe invasiepoging was de nacht van 29 op 30 mei 1952. Het doel voor ‘blauw’ was een snelle en zo mogelijk geruisloze inname en bezetting van Fort Amsterdam in Willemstad, waar het gouvernement zetelde.

Hiertoe beschikte de aanvallende macht over torpedobootjager Hr.Ms. Van Galen onder kapitein-luitenant-ter-zee A.M. Valkenburg, die eveneens het commando over de gehele operatie voerde, het escortevaartuig Hr.Ms. Willem van der Zaan, een koppel Fairey Fireflies van de luchthaven Dakota op Aruba en een peloton mariniers van de op Aruba gelegerde 52ste Infanteriecompagnie. Dit peloton werd op de Willem van der Zaan ingescheept om vanaf dat schip met motorsloepen in de Sint Annabaai in Willemstad en in de ten oosten van Willemstad gelegen Fuikbaai te landen. De eerste groep moest vanuit de Annabaai naar het paleis van de gouverneur oprukken en daar standhouden totdat de tweede groep in vrachtwagens Fort Amsterdam bereikte. Daarbij hield de Van Galen zich vijf mijl buiten de kust op om kustbombardementen af te geven. Na debarkatie van de mariniers vanaf de Willem van der Zaan voegde dit schip zich bij de Van Galen om in gesloten formatie op twee mijl van de kust te kruisen, terwijl de MLD-vliegtuigen luchtsteun konden geven.             

Commandant der Marine in de Nederlandse Antillen, kapitein-ter-zee Binjo Hessing, leidde de ‘rode’ verdediging. Deze bestond uit het fregat Hr.Ms. Ceram en de voor havenverdediging bestemde motorpatrouilleboot P 853, twee Fairey Fireflies van de vliegbasis Hato op Curaçao en het kernbataljon van het Korps Mariniers onder bevel van luitenant-kolonel der mariniers J.G.M. van Nass. Het bataljon werd verdeeld in gevechtsgroepen ‘Poes’ (1ste Infanteriepeloton) en ‘Kat’ (3de Infanteriepeloton), de verkenningspatrouilles ‘Pari’ en ‘Pabo’ (beiden een geweergroep) en het uit het 2de Infanteriepeloton bestaande detachement Waterfort. Daarnaast bemande marinepersoneel kustwachtposten. Gevechtsgroep ‘Poes’ nam stelling bij de kustbatterij Steenrijk, net ten oosten van Willemstad, terwijl gevechtsgroep ‘Kat’ als mobiele reserve op de marinekazerne Suffisant achterbleef. ‘Pari’ en ‘Pabo’ patrouilleerden in Willemstad. De Ceram en de P 853 patrouilleerden voor de landing samen met de Fairey Fireflies voor de kust. In het geval van een landing konden de vliegtuigen luchtsteun aan grondtroepen geven en daarnaast dog fights met vijandelijke vliegtuigen aangaan.

De oefening LANDEX I was een uitgelezen kans voor de marineleiding om te tonen dat haar krijgsmachtdeel in staat was te land, ter zee en in de lucht het overzeese gebied te verdedigen

Uit de evaluatie van de oefening blijkt dat de ‘vijandelijke’ troepen die in de Sint Annabaai landden om 05.00 uur ontscheepten van de Willem van der Zaan, waarna zij om 05.12 uur aan het achter Fort Amsterdam gelegen Waaigat aan land gingen en via de Colombusstraat naar het gouvernementeel paleis optrokken. In deze straat vielen de eerste ‘schoten’, waardoor enkele mariniers ‘uitgeschakeld’ werden. Nadat de rest van de patrouille via het politiebureau het fort bereikte, ‘sneuvelde’ patrouillecommandant kapitein der mariniers J.I.M. Ruijters. Toen één van zijn mariniers doordrong tot het fortplein, werd hij gevangengenomen door de adjudant van de gouverneur. De rest van de groep was ondertussen ‘gesneuveld’.

De onder het bevel van eerste luitenant der mariniers E.G. Oehlers staande landingsgroep bij Fuikbaai verging het beter. Vanaf 05.00 uur gaf de Van Galen een blind bombardement af op verschillende punten langs de Fuikbaai, waar de hoofdlanding van 'blauw' om 05.12 uur plaatsvond. Na vertraging door slecht werkende verbindingen, kwam de colonne via de Schottegatweg bij de marinebasis Parera aan. Daar kwamen de aanvallers in een ‘rode’ hinderlaag terecht, waarna Oehlers om 06.20 uur de opdracht kreeg naar de marinierskazerne Suffisant te gaan. Zowel de patrouille bij Fort Amsterdam als de hoofdmacht werden door het kernbataljon verslagen. Hoewel de oefening uitwees dat de militaire middelen op Curaçao afdoende waren om een (beperkte) Venezolaanse inval af te slaan, stelde de commandant van de Willem van der Zaan in zijn eindverslag dat de opzet van de oefening het slagen van invasies in het algemeen niet uitsloot. ‘Het feit dat het object van de “coup de main” beperkt was tot het complex Fort Amsterdam-Waterfort’ gaf volgens luitenant-ter-zee der eerste klasse J.L. van Meeuwen ‘rood het grote voordeel dat de gehele beschikbare strijdmacht om dit complex kon worden geconcentreerd, zodat het binnendringen uit der aard niet mogelijk was’. 

De Pérez Jiménez-dictatuur wankelde in januari 1958 nadat studentenprotesten gesteund werden door de zee- en luchtstrijdkrachten, de geestelijkheid en de pers. Op 21 januari braken in Caracas straatgevechten uit, waarop legerofficieren Pérez Jiménez op 23 januari dwongen af te treden. Een overgangsregering, voorgezeten door de Venezolaanse Commandant der Zeestrijdkrachten vicealmirante Wolfgang Larrázabal, schreef voor december 1958 verkiezingen uit. Deze leidden tot een terugkeer van Betancourt als president.[35] Het staatshoofd erfde een lege schatkist en hoge werkloosheid, wat een voedingsbodem voor het communisme leek en de angst versterkte dat de democratie in Venezuela niet zou beklijven.[36] Tegen deze achtergrond speelden aan het einde van de jaren vijftig en de vroege jaren zestig meerdere conflicten tussen Caracas en Den Haag. Venezuela verweet Nederland op de Antillen een toevluchtsoord te bieden voor politieke terroristen.   

Een van de conflicten was het Pamflettenincident. In de nacht van 19 november 1959 strooiden twee Cubaanse piloten bij vergissing anti-Venezolaanse pamfletten boven Curaçao in plaats van Venezuela uit, om vervolgens op Aruba te landen. Volgens de Venezolaanse minister van Buitenlandse Zaken, Ignacio Arcaya, ging het om 'destructive printed propaganda (…) with an instigation to rebellion against the Constitutional Government of Venezuela’.[37] Nederland beboette de piloten voor het vliegen over de Shell-raffinaderij, het uitwerpen van de pamfletten en illegaal wapenbezit.[38] Caracas vond de straf te laag en tekende fel protest aan tegen deze gang van zaken, want ‘the history (…) of the recent century shows that the political incidence of the neighboring countries have always repelled in the Netherlands Antilles’.[39]

Boon, de voormalige secretaris-generaal die ambassadeur in Caracas was geworden, wist deze diplomatieke plooi glad te strijken. Hij zegde Venezuela toe dat de Antilliaanse regering erop zou toezien dat de Nederlandse Cariben niet als uitvalsbasis voor ondermijnende activiteiten gebruikt konden worden.[40] Twee vliegtuigkapingen in 1961, door respectievelijk zeven Venezolaanse officieren en zeven studenten die op de Benedenwinden politiek asiel wilden aanvragen, leidden niet tot diplomatieke spanningen. Den Haag besloot dat zij asiel kregen, maar in het Europese deel van het Koninkrijk – niet in de West.[41]

Communisme in de regio                               

Tussen 1948 en 1957 voerden de Koninklijke Marine en de US Navy besprekingen over de verdediging van de Nederlandse Antillen.[42] De onderhandelingen richtten zich voornamelijk tegen de dreiging van de Sovjet-Unie, waarvan werd verwacht dat het de Antilliaanse olieraffinaderijen bij het uitbreken van een wereldconflict zou aanvallen. De situatie was op het eerste gezicht vergelijkbaar met het dreigingsbeeld dat tijdens de Tweede Wereldoorlog bestond. De strategische omgeving tijdens het Oost-Westconflict verschilde echter fundamenteel van die in de Tweede Wereldoorlog, omdat de Koude Oorlog in Amerikaanse ogen in essentie een nulsomspel was tussen het kapitalisme en het communisme. Het was de VS er dan ook alles aan gelegen te voorkomen dat landen in het Caribisch gebied overgingen naar het Sovjet-kamp.

Tico Onderwater

Een marinier tijdens een velddienstoefening op de Nederlandse Antillen, 1958. Foto Beeldbank NIMH

Militair historicus Jan Hoffenaar betitelde deze denkwijze als kenmerkend voor de ‘logica van de Koude Oorlog’: de VS hingen een dominotheorie aan die stelde dat ‘als het communisme in één staat zou overwinnen, dan zou spoedig ook het buurland als een dominosteen omvallen en communistisch worden’.[43] In deze opvatting werden alle staten als potentiële dominostenen beschouwd. Bovendien konden ook binnen neutrale staten vijandige groeperingen zich bij de marxistische wereldrevolutie aansluiten. Een diep wantrouwen tegenover de Sovjet-Unie en het systeem dat het voorstond leidde ertoe dat het rode gevaar in de westerse perceptie alomtegenwoordig was. Of en in hoeverre ook de oliewinning op de Antillen een doelwit vormde voor subversieve acties was dan ook geen vraag. Al in mei 1948 waarschuwde de CIA dat de Sovjetambassade in Venezuela plannen maakte om in geval van oorlog de oliewinning in Venezuela en de olieraffinage op Curaçao en Aruba te saboteren. Volgens het CIA-memorandum was ‘the Ambassador himself (…) a petroleum geologist, and he has a staff sufficient to direct any agents that may have slipped in’.[44] Over de eilandengroep zelf merkte de CIA op dat de arbeidsomstandigheden er goed waren, de bevolking de VS gunstig gezind was en dat communistisch-geïnspireerde vakbonden ontbraken.[45] Ondanks de geruststellende constateringen onderzochten inlichtingenofficieren van het Caribbean Command met Nederlands goedkeuren om de paar jaar de veiligheidssituatie rond de raffinaderijen.[46]

Daarnaast hielden de VS de politieke gezindheid van de bevolking en de Nederlandse militaire en civiele autoriteiten in de West in het oog. De communistische overwinning in China in 1949 en het uitbreken van de Koreaoorlog in 1950 waren voor de district intelligence officer van de Caribbean Sea Frontier aanleiding een lijst op te stellen met de namen van Chinezen en (vermeende) communisten op de Antillen. Hij telde 533 Chinezen op Curaçao, van wie ‘about 30 are interested in Communism and of these about 10 can be really called communists’.[47] Van de 306 Chinezen op Aruba ontpopte volgens de inlichtingenofficier alleen een restauranteigenaar zich als een gedreven communist.[48] Uit de politieke rapportages van de Amerikaanse consul op Curaçao, Ch.F. Knox, Jr., kwam naar voren dat de Nederlandse elite op de eilanden sterk anticommunistisch was. Kapitein-ter-zee M.M. Merens juichte president Trumans beslissing in Korea te interveniëren bijvoorbeeld openlijk toe. Merens had de oorlog in Japanse krijgsgevangenschap doorgebracht, berichtte Knox, ‘and suffered greatly at the hands of Korean military guards – he says the only Koreans he ever saw were “beasts”’.[49] In tegenstelling tot de Antillen, bereidden de VS zich inzake Venezuela wel degelijk voor op de door Moskou aangemoedigde sabotagedaden: The existing international situation presents the possibility of open conflict between the United States and the USSR. There are present in Venezuela (…) certain groups which, because of their pro-Soviet ideology or because of their susceptibility to Soviet propaganda, must be considered a threat to the continuous and uninterrupted flow of oil to the United States from these areas.[50]

Volgens de Amerikanen bevonden zich onder arbeiders in de Venezolaanse olie-industrie ongeveer vijfduizend communisten. Wanneer zij in actie kwamen, trad het uit 1952 stammende operatieplan STYGIAN in werking. Mochten de inlichtingendiensten er niet in slagen om een communistisch oproer vroegtijdig te onderkennen, dan zou het Caribbean Command de olievelden rondom de Baai van Maracaibo en nabij Barcelona bezetten. Daartoe zou de Joint Task Force CHARLIE in het leven worden geroepen, samengesteld uit een versterkt infanterieregiment, een marine-taakgroep voor het transport en beveiliging vanaf zee en een luchtmacht-taakgroep die eveneens voor transport was bedoeld. Over de rol van de Koninklijke Marine in de West bij een invasie bleef het operatieplan vaag, hoewel het de planning talks wel noemde en ook de radiofrequentie gaf voor verbindingen tussen de Caribbean Sea Frontier en het Commandement der Marine in de Nederlandse Antillen.[51] 

Latijns-Amerika had geen prioriteit in de buitenlandpolitiek van de regering-Eisenhower (1953-1961). Zij voerde een beleid dat bevriende dictators steunde die het communisme onder de duim hielden. Over Pérez Jéminez oordeelde de US National Intelligence Estimate: ‘the present dictatorship (…) is not generally liked by the people, but is popular with the majority of the armed forces and of the business interests and privileged classes who prefer a government friendly to them rather than greater civil liberties’.[52] De Amerikaanse publieke opinie was aan het einde van de jaren vijftig evenwel bevreesder voor communistische machtsovernames in het Caribisch gebied dan de regering. Om het publiek tegemoet te komen, alsook om de Democraten en de rechtervleugel van de Republikeinse Partij de wind uit de zeilen te halen, maakte vice-president Richard M. Nixon in het voorjaar van 1958 een officiële reis door Latijns-Amerika. Het doel hiervan was het aanhalen van de banden tussen de VS en bevriende staten op het continent.[53]

Tico Onderwater

De auto van de Amerikaanse vice-president Richard Nixon en zijn vrouw wordt belaagd door een woedende menigte tijdens zijn bezoek aan Caracas, 1958. Foto AP, Henry Griffin

Nixons bezoek aan Uruguay, Argentinië en Peru verliep probleemloos. Op 13 mei arriveerde de vicepresident in Caracas, waar de overgangsregering onder Larrázabal – met steun van de communisten – net enkele maanden aan de macht was. Het liep direct uit de hand: bij aankomst op de luchthaven werden de vicepresident en de second lady door een menigte belaagd en bespuugd. Onderweg van de luchthaven naar de tombe van de vrijheidsstrijder Simon Bolívar werd Nixons stoet door een communistische mensenmassa tegengehouden. De begeleidende Venezolaanse politieagenten namen de vlucht, terwijl de menigte de ruiten van de vice-presidentiële limousine insloeg en dreigde de auto in brand te steken.[54] De chauffeur wist met de zwaar beschadigde Cadillac naar de Amerikaanse ambassade te ontkomen door tegen het verkeer in te rijden. Nixon verschanste zich in de residentie van de ambassadeur totdat hij de volgende ochtend Venezuela verliet. Washington verkreeg aanvankelijk geen contact met Nixon, waardoor president Eisenhower veronderstelde dat zijn vice-president zich in levensgevaar bevond. De Joint Chiefs of Staff stuurden eenheden van de 101st Airborne Divison en van het US Marine Corps respectievelijk naar Puerto Rico en Guantánamo Bay, gereed om ingezet te worden in Venezuela. De US Navy stelde voor deze operatie, codenaam POOR RICHARD, zes torpedobootjagers, een kruiser en een vliegkampschip ter beschikking.[55]

Nixons reis – en bijna-lynching – liet de VS zien dat zij het zich niet meer konden permitteren naïef te zijn over de weerstand die het Amerikaanse beleid in Latijns-Amerika opriep. De Cubaanse Revolutie gaf eveneens aan dat het Amerikaanse buitenlandbeleid in het Caribisch gebied had gefaald. Dat opstandelingenleider Fidel Castro zich in januari 1959 tijdens zijn overwinningsparade in Havana liet rondrijden in een door de VS aan president Fulgencio Batista geschonken tank was tekenend en pijnlijk tegelijk.[56] De Amerikaanse houding ten opzichte van Cuba werd één van de belangrijkste buitenlandpolitieke thema’s in de presidentsverkiezingen van 1960. De Democratische kandidaat, senator John F. Kennedy, zag de gebeurtenissen op Cuba als een voorspel voor wat er nog te gebeuren stond in Latijns-Amerika: ‘Castro is only the beginning of our difficulties throughout Latin America. The big struggle will be to prevent the influence of Castro spreading to other countries’.[57] Na Kennedy’s verkiezing en daaropvolgende inauguratie in januari 1960 richtte het VS-beleid zich sterker op de economische ontwikkeling van Zuid-Amerika via de Alliance of Progress, waardoor de voedingsbodem voor het communisme moest verdwijnen. Daarnaast moest de invloed van Castro ingedamd worden, temeer omdat zijn regime steeds meer onder Sovjetinvloed kwam te staan en Moskou hiermee een belangrijke vooruitgeschoven post had. De Russische beer was tot in de Amerikaanse achtertuin doorgedrongen.[58]

Het Cubaanse regime zorgde ook op de Antillen voor toenemende ongerustheid over regionale veiligheid. Castro stookte het communistisch vuur in Venezuela op door marxistische studenten en de Venezolaanse Communistische Partij vanaf 1960 actief te steunen in hun strijd tegen Betancourt. Daardoor geïnspireerd zetten Venezolaanse communisten in september 1962 onder meer oliepijpleidingen bij Maracaibo in brand.[59] Door de VS georkestreerde false flag-operaties door Cubaanse ballingen om het Castro-regime omver te werpen faalden en verbreedden de kloof tussen Washington en Havana verder. De Amerikaanse dreiging voor het nieuwe Cubaanse gezag leidde bovendien tot toenemende Moskouse betrokkenheid bij de bescherming van de eilandstaat, wat het voorbestaan van communistisch Cuba in toenemende mate tot een geopolitiek spel maakte. Tijdens de – mislukte – invasie van de Varkensbaai op Cuba in april 1961 waarschuwde Sovjetleider Nikita S. Chroesjtsjov Kennedy dat hij het communistische land met alle noodzakelijke hulp zou bijstaan.[60]

De toegenomen spanningen zorgden ervoor dat Den Haag meer en modernere middelen voor de Antilliaanse defensie vrijmaakte. In december 1960 werd het MLD-squadron in de West met vijf Grumman Tracker onderzeebootbestrijdingsvliegtuigen uitgerust. Hiermee werd de luchtvloot gemoderniseerd en kreeg Squadron 1 op Curaçao meer personeel tot zijn beschikking.[61] Met de komst van twee Agusta Bell-helikopters werd het squadron daarnaast beter uitgerust voor search and rescue-taken.[62]

Tico Onderwater

Formatievlucht boven Willemstad door Grumman TBM-352 Avenger onderzeebootbestrijdings- en aanvalsvliegtuigen, 1958. Foto Beeldbank NIMH

De Grumman TBM-352 Avengers, die in 1957 de Fairey Fireflies hadden vervangen,[63] werden afgestoten. Verder bood de soevereiniteitsoverdracht van Nieuw-Guinea in oktober 1962 de mogelijkheid vrijgekomen middelen naar de West te dirigeren. Op die manier bleven de sleepboot Hr.Ms. Wamandai en het landingsvaartuig L9609 op de Antillen achter.[64] Ook kon het kernbataljon van het Korps Mariniers verder worden aangevuld met een wereldwijd inzetbare Qua Patet Orbis-compagnie.[65] Tot slot besloot Den Haag de militaire aanwezigheid in de West te versterken met een tweede stationsschip. Onderzeebootjager Hr.Ms. Rotterdam arriveerde in december 1962 in Willemstad.[66] De marinebevelhebber in de West, commandeur A. van Strien, had hier vanaf 1960 voor geijverd bij de Marinestaf. Zoals de Amerikaanse consul op Curaçao aan Washington schreef, wilde Van Strien over meer middelen beschikken om Nederlanders in nood te kunnen evacueren: Confronted with an uneasy political situation in the surrounding Caribbean, Commodore van Strien is apprehensible that, with a single ship, the van Amstel, he might be unable to undertake the orderly and timely evacuation of Dutch nationals from Caribbean Island Republics if that contingency should arrive. His main concern is that an emergency might occur at a time when the van Amstel was visiting either Surinam (5 days away, including refueling time), the Windward Island of the Netherlands Antilles, or Puerto Rico.[67]

Op diplomatiek vlak probeerde minister Luns van deze ‘uneasy political situation’ gebruik te maken door de VS in november 1960 de bouw van een marinebasis op Bonaire aan te bieden, waarmee hij inspeelde op Amerikaanse onzekerheid over het behoud Guantánamo Bay. De gehoopte komst van de US Navy was een welkome financiële impuls voor de Antillen en Washington kon daarnaast als schokbreker tussen Den Haag en Caracas optreden, moet Luns gedacht hebben. De Amerikaanse regering was echter geenszins van plan de Cubaanse marinebasis te verlaten en beschouwde het aanbod louter als een sympathiek voorstel.[68]

De Koude Oorlog in de West bereikte in oktober 1962 zijn hoogtepunt met het uitbreken van de Cubacrisis. Castro had Chroesjtsjov eerder dat jaar om militaire versterking gevraagd, omdat hij ervan overtuigd was dat de VS zijn land wilde innemen.[69] Chroesjtsjov vond conventionele wapens ontoereikend om de eilandstaat tegen Amerikaanse agressie te verdedigen – alleen kernwapens zouden Washington doen afzien van een invasie. In juni 1962 besloot de Sovjetleiding vijf regimenten raketartillerie – waarvan drie uitgerust met R-12 medium-range ballistic missiles en twee met R-14 intermediate-range ballistic missiles – op Cuba te stationeren. Verder stuurde Moskou twee luchtafweerdivisies, één regiment jachtvliegtuigen, twaalf met raketten uitgeruste patrouillevaartuigen, twee met kruisvluchtwapens bewapende artillerieregimenten en vier met tankbataljons versterkte infanteriebrigades.[70] De verscheping van al dit materieel en personeel (in totaal 50.874 man) vereiste de inzet van 85 koopvaardijschepen en begon in juli. Eind augustus ontdekte de CIA dat de Sovjet-Unie luchtafweergeschut op Cuba stationeerde.[71]

In oktober 1962 berichtte de inlichtingendienst dat de Russen daarnaast waren overgegaan tot plaatsing van met nucleaire ladingen uitgeruste raketten die het Amerikaanse vasteland konden raken.[72] Om verdere versterkingen vanuit de USSR te voorkomen, stelde president Kennedy op 22 oktober een marineblokkade rondom Cuba in. De US Atlantic Fleet zette voor deze quarantaine-operatie 183 schepen in. De oorlogsbodems kregen toestemming Sovjetschepen te onderscheppen, te stoppen en, indien nodig, aan boord te gaan. ‘Whatever we did’, zei captain I. Kidd, een officier in de staf van de Chief of Naval Operations, ‘it had to be credible to the Soviets (…) so there could be no question that we came with enough power to the ball game to win’.[73] De Sovjet-koopvaardijschepen bogen op het laatste moment af, waardoor een mogelijke kernoorlog werd voorkomen. Kennedy en Chroesjtsjov kwamen overeen dat de Sovjet-Unie haar raketten van Cuba weghaalde, op voorwaarde dat de VS op de Sovjet-Unie gerichte kernraketten in Turkije en Italië zou ontmantelen.

Nederland was slechts zijdelings bij de Cubacrisis betrokken. De Koninklijke Marine werd niet gevraagd schepen aan de US Atlantic Fleet af te staan, hoewel de fregatten Hr.Ms. Van Ewijck en Hr.Ms. Van Amstel beide in het Caribisch gebied waren. Overigens werden Britse en Franse oorlogsbodems die zich in Caribische wateren bevonden ook niet ingezet. Tijdens de Cubacrisis stoomde de Van Ewijck van Suriname naar het op de aanvoerroute naar Cuba liggende Sint Maarten, maar dit was bedoeld ter ondersteuning van de jaarlijkse conferentie van Nederlandse ambassadeurs op het westelijk halfrond.[74] Wel ontdekten de Nederlandse militaire inlichtingendiensten door een combinatie van human intelligence en signals intelligence al in september 1962 – eerder dan de Amerikanen – dat Moskou offensieve surface-to-surface kernwapens op Cuba stationeerde. De Binnenlandse Veiligheidsdienst bewees Washington goede diensten door gecodeerd Cubaans diplomatiek verkeer voor de Amerikanen te ontsleutelen.[75]

Tico Onderwater

Het vliegkampschip Hr.Ms. Karel Doorman in de Sint Annabaai, 1948. Op de achtergrond de Shell-raffinaderij. Foto Beeldbank NIMH

Besluit

Naast Sovjet-aanvallen op de sea lines of communication in het Caribisch gebied in een wereldwijd conflict vreesde Den Haag gedurende de Koude Oorlog vooral mogelijke Venezolaanse annexatiepogingen. Om dergelijke dreigingen te weerstaan en om het politieke signaal af te geven dat Nederland bereid was de wapenen op te pakken om zijn bezit in de West te beschermen, werkte Den Haag aan militaire versterkingen in het gebied. De zeestrijdkrachten beoefenden daarnaast het afslaan van een Venezolaanse invasie. Andere moeilijkheden met dat Caribische buurland kwamen voort uit de Venezolaanse angst dat de Antillen als revolutionaire springplank naar het continent gebruikt zouden worden, zoals eerder was voorgekomen. Vooral het Pamflettenincident in 1960 sprong daarbij in het oog.

Waar de relatie Den Haag-Willemstad-Caracas vooral uit lokale ontwikkelingen verklaard kan worden, raakte het Caribisch gebied vanaf halverwege de jaren vijftig tevens meer betrokken bij het Oost-Westconflict. De vrees dat delen van het Caribisch gebied communistisch zouden worden, werd met name aangewakkerd door de Cubaanse Revolutie. Tegelijkertijd nam het anti-amerikanisme ook in andere delen van Zuid-Amerika toe, zoals Nixons bezoek aan Caracas in 1958 liet zien. Die toenemende onrust dwong Den Haag ertoe de eigen militaire aanwezigheid op de Benedenwindse Eilanden verder op te bouwen. De geopolitieke ontwikkelingen versterkten zo de contouren van de ‘postkoloniale maritieme compensatiedrang’ die op de achtergrond beleidsbepalend was. De maritiem-imperiale ambities die Den Haag na het ‘verlies’ van Nederlands-Indië bleef koesteren, uitten zich in de wens om wereldwijd en unilateraal actief te blijven – ook in de West.

 

* T.A. (Tico) Onderwater MA is historicus en werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Een ingekorte versie van dit artikel verscheen in Marineblad 128:7 (2018). De auteur bedankt zijn collega’s M.G. van der Kloet MA en drs. M.A. Loderichs voor hun commentaar op eerdere versies.

[1] Nationaal Archief, Den Haag (NL-HaNA), Code-archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945-1954 [2.05.117] (Code-archief BZ), inv. nr. 15011 (Verhouding Antillen-Venezuela), Nota Riemens aan Luns, 26 januari 1954.

[2] Zie: A.J. van der Peet, Belangen en prestige: Nederlandse gunboat diplomacy omstreeks 1900 (Amsterdam, 1999).

[3] A.J. van der Peet, Out-of-area: De Koninklijke Marine en multinationale vlootoperaties, 1945-2001 (Franeker, 2016) passim; A.E. Pijpers, ‘Dekolonisatie, compensatiedrang en normalisering’ in: N.C.F. van Sas (red.), De kracht van Nederland: Internationale positie en buitenlands beleid in historisch perspectief (Haarlem, 1991) 204-218, 207.

[4] D. Spenser, ‘Standing Conventional Cold War History on its Head’ in: G.M. Joseph en D. Spenser (red.), In from the Cold: Latin America’s New Encounter with the Cold War (Durham, 2008) 381-395, 382. Zie ook: G.M. Joseph, ‘What We Now Know and Should Know: Bringing Latin America More Meaningfully into Cold War Studies’ in: G.M. Joseph en D. Spenser (red.), In from the Cold: Latin America’s New Encounter with the Cold War (Durham, 2008) 3-46.

[5] D.C.L. Schoonoord, Pugno Pro Patria: De Koninklijke Marine tijdens de Koude Oorlog (Franeker, 2012) 311.

[6] M.J. Hoekstra, ‘De “vergeten strijd” in Nederlands-Indië: Zeeroof en zeeroofbestrijding tijdens de dekolonisatieoorlog (1945-1949)’, Marineblad 127:6 (2017) 24-28, 25. Zie over de blokkade: M.J. Hoekstra, ‘De Republiek in een wurggreep: De Nederlandse marineblokkade tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949)’ (masterscriptie Universiteit Leiden 2018).

[7] G.J.A. Raven, ‘Een nieuwe vloot, nieuwe taken 1945-1962’ in: G.J.A. Raven (red.), De kroon op het anker: 175 jaar Koninklijke Marine (Amsterdam, 1988) 117-134, 117.

[8] J.W.L. Brouwer en I. Megens, ‘Het succesvolle verzet van de Koninklijke Marine tegen taakspecialisatie in de NAVO, 1949-1951’, Transaktie 1 (1992) 65-83.

[9] A.J. van der Peet, Out-of-area, passim.

[10] Zie: R.E. van Holst Pellekaan, I.C. de Regt en J.F. Bastiaans, Patrouilleren voor de Papoea’s I, De Koninklijke Marine in Nieuw-Guinea, 1945-1962 (Amsterdam, 1989); R.E. van Holst Pellekaan, I.C. de Regt en J.F. Bastiaans, Patrouilleren voor de Papoea’s II, De Koninklijke Marine in Nieuw-Guinea, 1960-1962 (Amsterdam, 1990) 112-115.

[11] NL-HaNA, Archieven van de Raad van Ministers, 1823-1992 [2.02.05.02], inv. nr. 1000 (Vergaderstukken Raad MAK 1949-1951), Memorandum chef Marinestaf, 29 augustus 1950.

[12] Pijpers, ‘Dekolonisatie’, 207.

[13] NL-HaNA, Archief van de Chef van de Marinestaf en de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten 1945-1948 [2.12.19], inv. nr. 799 (Commissie Onderzoek voor West-Indië), Commissierapport, 21 juli 1947.

[14] Schoonoord, Pugno Pro Patria, 45-46.

[15] NL-HaNA, Code-archief BZ, inv. nr. 15011, Nota Riemens aan Luns, 26 januari 1954.

[16] H.A. Trinkunas, Crafting Civilian Control of the Military in Venezuela: A Comparative Perspective (Chapel Hill, 2005) 27.

[17] I. van Heeswijk, ‘De irredenta van de Benedenwindse Eilanden: Een historisch onderzoek naar de mogelijke militaire dreiging van Venezuela op de Benedenwindse Eilanden in de periode 1945-1986’ (masterscriptie Universiteit van Amsterdam 2011) 30.

[18] Ibidem, 13.

[19] Ibidem, 22.

[20] Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), Sous-chef van de Generale Staf, 1945-1952 [518], inv. nr. 23 (Stukken defensie Nederlandse Antillen en Suriname), Nota verdediging Nederlandse Antillen, 31 oktober 1951.

[21] Oostindie en Klinkers, Knellende Koninkrijksbanden I, 1940-154 (Amsterdam, 2001) 149; NL-HaNA,

Archieven van de Nederlandse Ambassade, Consulaten, Caribische Commissie en Handelscommissariaten in de Verenigde Staten, 1945-1984 [2.05.263], inv. nr. 473 (Afspraken defensie Antillen), Nota Van Foreest, 19 oktober 1951.

[22] Ibidem.

[23] NL-HaNA, Code-archief BZ, inv. nr. 15011, Nota Riemens aan Luns, 26 januari 1954.

[24] Koninklijke Marine, Jaarboek van de Koninklijke Marine 1954 (Den Haag, 1955) 228; Anoniem, ‘Protest bij regering Venezuela tegen opbrengen van kotter’, Het Parool, 21 april 1954; NL-HaNA, Code-archief BZ, inv. nr. 17271 (Militaire aangelegenheden Nederlandse Antillen en Suriname), Instructie Commandant Marine Nederlandse Antillen, 28 juli 1954.

[25] Ibidem.

[26] NL-HaNA, Dossierarchief Ministerie van Koloniën, 1945-1963 [2.10.54], inv. nr. 10933 (Militaire sterkte Antillen i.v.m. uitbreiding Venezolaanse marine), Riemens aan Luns, 25 april 1953.

[27] J.J. Widén, ‘Naval Diplomacy – A Theoretical Approach’, Diplomacy & Statecraft 22:4 (2011) 715-733, 719.

[28] Ibidem, 722. Deze term komt oorspronkelijk van de Britse diplomaat en historicus J. Cable, één van de belangrijkste denkers op het gebied van de politieke inzet van zeestrijdkrachten. Zie: J. Cable, Gunboat Diplomacy, 1919-1991: Political Application of Limited Naval Force (3de druk; New York, 1994).

[29] Na lang gesteggel tussen het koloniale leger en de marine werd dit uitgangspunt pas in 1927 tot beleid verheven. Zie: G. Teitler, ‘Het KNIL en de Vlootwetten: toedracht en uitwerking van de Defensiegrondslagen van 1927’, Mededelingen van de Sectie Militaire Geschiedenis Landmachtstaf 4 (1981) 9-80.

[30] Van Dissel en Groen, In de West, 54

[31] Zie voor deterrence theory onder meer: P.M. Morgan, Deterrence Now (Cambridge, MA, 2003).

[32] NIMH, Van Foreest, inv. nr. 114, Schaper aan Van Foreest, 1 december 1950.

[33] NIMH, Notulen van de Koninklijke Marine, 1945-2004 [069], inv. nr. 33 (Notulen Hoofdenvergadering), Admiraliteitsraad 257, 11 september 1962.

[34] NL-HaNA, Archief van de Commandant der Zeemacht in de Nederlandse Antillen, 1946- 1989 [2.13.112] (CZMNA), inv. nr. 755 (Oefening LANDEX I), Oefening LANDEX I, mei 1952. Indien niet anders aangegeven, is de informatie over LANDEX I uit deze bron afkomstig.

[35] H.M. Tarver en J.C. Frederick, The History of Venezuela (New York, 2006) 98-99.

[36] Ibidem, 102-106.

[37] National Archives and Records Administration, College Park, Maryland (NARA II), Record Group 84: Record Group 84: Records of the Foreign Service Posts of the Department of State (RG 84), Netherlands West Indies (NWI), Consulate General Curaçao (Curaçao), Classified S​ubject Files 1959-19​65, Box 1, Arcaya aan Boon, 11 december 1959.

[38] ‘Verdwaalde Cubanen strooiden pamfletten over Curaçao uit’, Trouw, 23 november 1959.

[39] NARA II, RG 84, NWI, Curaçao, Classified Subject Files 1959-1965, Box 1, Arcaya aan Boon, 11 december 1959.

[40] NL-HaNA, CZMNA, inv. nr. 944 (Rapport Nederlands-Antilliaanse betrekkingen), Rapport Nederlands-Antilliaanse betrekkingen, 1 maart 1970.

[41] Van Heeswijk, ‘De irredenta’, 8; A.M.C. van Dissel en P.M.H. Groen, In de West: De Nederlandse krijgsmacht in het Caribisch gebied (Franeker 2010) 88; NARA II, RG 84, NWI, Curaçao, Classified S​ubject Files 1959-19​65, Box 1, Amerikaanse ambassade Den Haag aan State Department, 23 augustus 1961.

[42] Zie voor deze onderhandelingen: T.A. Onderwater, ‘Koloniale patronen en maritieme compensatiedrang: De Koninklijke Marine op de Nederlandse Antillen, 1945-1962’ (masterscriptie Universiteit Leiden 2018).

[43] J. Hoffenaar, ‘De logica van de Koude Oorlog’, Militaire Spectator 182:2 (2013) 64-73, 73.

[44] NARA II, Record Group 263: Records of the Central Intelligence Agency, Intelligence Publication Files 1946-1950, Office of Research Estimates 31-48, ‘Vulnerability to sabotage of petroleum installations in Venezuela, Aruba and Curaçao’, 23 april 1948.

[45] Ibidem.

[46] NARA II, Record Group 38: Records of the Office of the Chief of Naval Operations (RG 38), Office of Naval Intelligence (Intelligence), Monograph Files Caribbean 1945-1955 (Caribbean), Netherlands West Indies (NWI), Box 17, Intelligence Study of the Curaçao-Aruba Area, 15 april 1948; Ibidem, Amerikaans consulaat Willemstad aan Caribbean Sea Frontier, 16 augustus 1954; NARA II, RG 84, NWI, Curaçao, Top Secret R​ecords 1950-1953, Bo​x 1, Amerikaans consulaat Oranjestad aan State Department, 1 juli 1952; NARA II, Record Group 59: General Records of the Department of State, Decimal Files 1955-1959, 765B.5/2-11557, State Department aan Amerikaans consulaat Willemstad, consulaat Oranjestad en ambassade Caracas, 15 februari 1957.

[47] NARA II, RG 38, Intelligence, Caribbean, NWI, Box 17, Netherlands West Indies Security Report, 12 september 1950.

[48] Ibidem.

[49] NARA II, RG 84, NWI, Curaçao, Classified G​eneral Records 1939-​1954, Box 3​, Amerikaans consulaat Willemstad aan Department of State, 3 juli 1950.

[50] NARA II, Record Group 349: Records of Joint Commands, Plans and Operations Division, Security Classified 'Diagonal Plans', Operation Plans, Box 4, Operation STYGIAN, 15 februari 1952.

[51] Ibidem.

[52] Citaat uit: L. Schoultz, Beneath the United States: A History of US Policy toward Latin America (Cambridge, MA, 1998) 348.

[53] Ibidem, 350-351.

[54] Ibidem.

[55] R.C.S. Trahair en R.L. Miller, Encyclopedia of Cold War Espionage, Spies, and Secret Operations (New York, 2012) 300.

[56] Schoultz, Beneath the United States, 355.

[57] Ibidem, 356.

[58] T. Ashby, The Bear in The Backyard: Moscow’s Caribbean Strategy (Lexington, 1987).

[59] Tarver en Frederick, Venezuela, 108-109.

[60] R.M. Pious, Why Presidents Fail: White House Decision Making From Eisenhower to Bush II (Lanham, 2008) 31.

[61] NARA II, RG 84, NWI,​ Curaçao, Classified S​ubject Files 1959-19​65, Box 1​, Amerikaans consulaat Willemstad aan State Department, 8 november 1960.

[62] Van Dissel en Groen, In de West, 88.

[63] Ibidem, 84.

[64] Schoonoord, Pugno Pro Patria, 136.

[65] Van Dissel en Groen, In de West, 88.

[66] Ibidem.

[67] NARA II, RG 84, NWI, Curaçao, Classified S​ubject Files 1959-19​65, Box 1, Amerikaans consulaat Willemstad aan State Department, 8 november 1960.

[68] Ibidem, Amerikaanse ambassade Den Haag aan State Department, 8 november 1960; Ibidem, State Department aan Amerikaanse ambassade Den Haag, 8 november 1960; Ibidem, Amerikaanse ambassade Den Haag aan State Department, 18 november 1960.

[69] J.G. Barlow, ‘The Cuban Missile Crisis’ in: B.A. Elleman en S.C.M. Paine (red.), Naval Blockades and Seapower: Strategies and Counter-Strategies, 1805-2005 (New York, 2006) 156-167, 156.

[70] Ibidem, 158.

[71] Ibidem.

[72] Ibidem, 159.

[73] R.M. Beer, ‘The U.S. Navy and the Cuban Missile Crisis: A Trident Scholar Project Report’ (scriptie US Naval Academy, 1990) 142.

[74] Koninklijke Marine, Jaarboek van de Koninklijke Marine 1962 (Den Haag, 1963) 131-132.

[75] C. Wiebes, ‘Dutch Sigint during the Cold War, 1945-94’, Intelligence & National Security 16:1 (2001) 243-284, 261-262.