Tactische kernwapens in de Nederlandse landmacht 1953-1968

Vuursteun of afschrikking?

Welke rol speelden tactische kernwapens tijdens de Koude Oorlog in de Nederlandse krijgsmacht, in het bijzonder in de Koninklijke Landmacht? De ‘nuclearisering’ van de landmacht begon al in 1954, en niet zoals vaak wordt gedacht pas in 1959. Dit artikel geeft op basis van archiefmateriaal een overzicht van dit proces en van de rol van tactische kernwapens in de Nederlandse krijgsplannen. Waren deze wapens bedoeld om daadwerkelijk in te zetten tegen de legers van het Warschaupact, of moest het bezit ervan vooral een aanval voorkomen? En waren er binnen de landmacht praktische en ethische bezwaren tegen het gebruik van tactische kernwapens?

Daan Sanders*

Tijdens de Koude Oorlog nam Nederland zogeheten ‘kernwapentaken’ op zich, om samen met de andere NAVO-landen de nucleaire afschrikking tegen het Warschaupact vorm te geven. De kernwapens waren er om de Sovjet-Unie en haar bondgenoten van een aanval te weerhouden; de geallieerden hoopten ze nooit te hoeven gebruiken. Vanuit militair oogpunt was dat echter een ingewikkeld uitgangspunt. Voor geloofwaardige afschrikking moesten de plannen om kernwapens in te zetten juist reëel zijn. Dat laatste gold in het bijzonder voor ‘tactische’ kernwapens: atoombommen ontwikkeld voor inzet op en rond het slagveld. De Nederlandse krijgsmacht had tijdens de Koude Oorlog verschillende soorten van deze kernwapens ter beschikking. Naar die wapens, met name in de Nederlandse militaire context, is weinig onderzoek gedaan: welke rol speelden tactische kernwapens bijvoorbeeld precies in de oorlogsplannen? In de afgelopen decennia zijn steeds meer archieven van de krijgsmacht openbaar geworden. Hoewel de relevante bronnen niet geheel bewaard zijn gebleven en deels nog altijd niet ontsloten zijn, kan nieuw onderzoek toch een beeld geven van de invoering van kernwapens in de Nederlandse krijgsmacht. Dit artikel onderzoekt de meest ingrijpende ‘nuclearisering’, die van de Koninklijke Landmacht.[1]

Ten eerste brengt dit artikel in kaart welke concrete rollen de landmachtleiding de tactische kernwapens toebedeelde in de oorlogsplannen, vanaf de ontwikkeling van de eerste tactische kernbom in 1953 tot de invoering van de Flexible Response van de NAVO in 1968. Vervolgens wordt ingegaan op de logische volgende vraag: waren er binnen de landmacht twijfels over de nuclearisering, bijvoorbeeld omdat kernwapens eigenlijk niet bruikbaar waren op het slagveld, of omdat de ethische afwegingen niet te overzien waren? Waren die tactische kernbommen om echt te gebruiken, of eigenlijk niet?

Atomic Annie

Amerikaanse test van het 280mm-kanon ‘Atomic Annie’, een kanon dat atoomgranaten, tactische kernwapens, kon verschieten. Foto National Nuclear Security Administration

De beginjaren: 1953-1959

De literatuur gaat doorgaans uit van 1959 als begin van de ‘nuclearisering’ van de landmacht, omdat toen de nuclear-capable grond-grondraket Honest John werd geïntroduceerd.[2] Echter, de landmacht raakte in feite al veel eerder betrokken bij potentiële inzet van atoomwapens in het verdedigend gevecht.

Nog geen vijf jaar na de Tweede Wereldoorlog was West-Europa zich alweer aan het voorbereiden op een nieuwe oorlog: tegen het Oostblok, aangevoerd door de Sovjet-Unie. De verdediging van West-Europa in NAVO-verband was aan de noordflank in handen van de Northern Army Group (Northag). Northag, waar het Nederlandse Eerste Legerkorps (1Lk) onder viel, zou de verdediging voeren aan de Rijn-IJssellinie, die door Nederland en Zuidwest-Duitsland liep. 1Lk was verantwoordelijk voor de linie in Noord- en Midden-Nederland. Aan zijn zuidelijke flank lag het ‘vak’ van het Britse legerkorps.[3] De strijdmachten van het Westen hadden een enorme achterstand op de Sovjets — met name in troepenaantallen en bepantsering — die niet binnen afzienbare tijd kon worden ingehaald. De militaire (weder)opbouw werd met name beperkt door tekorten aan mankracht en financiële middelen. Maar de jonge NAVO (1949) had een troef in handen: de Amerikanen hadden een grote voorsprong in atoomtechnologie. Daarom besloten zij atoomwapens niet alleen verder te ontwikkelen ter ultieme afschrikking — gericht op steden en industriële centra (strategisch) — maar de nucleaire vuurkracht ook geschikt te maken voor gebruik op het slagveld, ter bestrijding van de enorme Sovjet-Russische tanklegers.[4] In mei 1953 testten de Amerikanen de eerste atoomgranaat — een tactisch kernwapen verschoten met een kanon — in de woestijn van Nevada. Het enorme 280mm-kanon, doorgaans ‘Atomic Annie’[5] genoemd, werd dat najaar ingevoerd bij de Amerikaanse troepen in West-Duitsland. De urgentie om de broze verdediging te versterken was groot.

In Europa groeide de angst dat tijdens een oorlog het continent in een nucleair slagveld zou veranderen. Toch waren er vele voorstanders van de ‘nuclearisering’. Onder hen waren minister van Oorlog[6] C. Staf en de legerleiding. In hun ogen maakten alleen atoomwapens een geallieerde verdediging tegen de gigantische Oostbloklegers enigszins realistisch.[7] De kernwapens waren te meer noodzakelijk om de ‘voorwaartse verdediging’ mogelijk te maken. Hierbij zou de NAVO-verdediging zo dicht mogelijk bij de grens met het Warschaupact plaatsvinden, in het gesplitste Duitsland. Dan zou heel Nederland verdedigd worden en zelfs buiten het oorlogsgebied vallen.

Intussen was de landmachttop volop bezig de angst en onzekerheid over de destructieve kracht van atoomwapens te bestrijden. In 1954 organiseerde de landmacht demonstratie Paddestoel om militairen en het algemene publiek de effectiviteit te tonen van persoonlijke bescherming tegen atoomaanvallen op het slagveld. De arts van de 4e Divisie liet optekenen dat ‘één atoombom en we zijn er allemaal geweest [...] onzin [is], een dwaas praatje dat beslist de wereld uit moet.’[8] Datzelfde jaar liet commandant 1Lk onder alle legerkorpsofficieren lezingen van zijn stafofficieren circuleren waarin de ontwikkeling van ‘het a-wapen’ werd vergeleken met die van het buskruit. Het kernwapen moest worden gezien als een zeer krachtig explosief, dat de oorlogvoering zou veranderen maar niet onmogelijk zou maken. Deze standpunten waren gebaseerd op de atoomwapens-cursus die gedoceerd werd door Amerikanen op de NATO Special Weapons School in het Beierse Oberammergau. De Generale Staf en de divisiecommandanten hadden deze cursus gevolgd.[9]
NIMH

Oefenaanwijzing van de 4e Divisie, met op de achtergrond een paddenstoelwolk door een nucleaire explosie. Bron: archief NIMH

Tegelijkertijd begon de landmacht betrokken te raken bij eventuele tactische inzet van Amerikaanse atoomwapens. In bovengenoemde lezingen werd namelijk gesteld dat men ‘op dit ogenblik [mag] aannemen dat [Supreme Headquarters Allied Powers Europe] een gelimiteerd aantal a-wapens zal toewijzen aan de legergroepen. (...) Legerkorps commandanten met hun atoomadviesgroep, ik vertelde u vanmorgen al dat deze ook bij 1(NL)Lk aanwezig is, zijn dan verantwoordelijk voor het tactisch gebruik van de toegewezen wapens.’[10] In deze context nam de landmacht in september 1954 deel aan NAVO-oefening Battle Royal, waarbij een voor de gelegenheid samengesteld Brits-Nederlands leger een Canadees-Belgisch leger moest aanvallen. Er werd geen geheim gemaakt van het feit dat hier werd voorbereid op eigen en vijandelijke inzet van atoomwapens op het slagveld; beide gelegenheidslegers hadden tijdens de oefening operatief commando over door Amerikanen bediende Atomic Annie-kanonnen.[11] Er kan dus gesteld worden dat de landmacht voor het eerst substantiële ervaring met (tactische) atoomwapens aan ‘eigen’ kant opdeed in september 1954.[12]

In december autoriseerde de Noord-Atlantische Raad, het besluitvormingsorgaan van de NAVO, de hoogste NAVO-commandanten om tactische nucleaire wapens in hun operatieplannen op te nemen. De Amerikanen wijzigden nationale wetgeving om nucleaire kennis en wapensystemen met bondgenoten te kunnen delen.[13] De landmacht liep intussen vooruit op het beschikbaar komen van atoomsteun: in januari 1955 maakte de commandant 1 Divisie[14] een ‘beoordeling vijandelijke toestand’ op voor de legerkorpscommandant ‘ter beoordeling van de eventuele steun van atomische strijdmiddelen te verlenen aan mijn divisie in het huidige oorlogsvak’.[15] Hij schatte in dat, mocht de vijand bij Deventer de IJssel proberen over te steken, hij ‘(een) atoomdoel(en) op de achtereenvolgens door hem te veroveren eilanden’ zou vormen. Hij adviseerde ‘vuurconcentraties met alle beschikbare wapens [voor te bereiden] op de verzamelplaatsen van de vijand, voor en gedurende zijn overgang.’[16] De Militaire Spectator publiceerde in januari en februari twee speciale ‘atoomoorlognummers’,[17] want ‘de vorderingen van de techniek ten aanzien van de vervaardiging van A-wapens zijn zodanig, dat wij ons ten volle vertrouwd moeten maken met de gedachte dat een volgende oorlog als “atoomoorlog” zal worden gevoerd.’[18]

Nu de technologie en de politieke beslissingen voor de tactische nuclearisering zo vergevorderd waren, kon in 1956 tactische nucleaire atoomsteun daadwerkelijk worden opgenomen in operatiebevelen.[19] Vanaf dat jaar zou 4 Divisie vanuit vooruitgeschoven posities aan het Dortmund-Eemskanaal de vijand trachten op te vangen, voordat die de Rijn-IJssellinie bereikte (zie Kaart 1).[20] In augustus werd in het ontwerp-vuursteunplan voor 1 Divisie gesteld: ‘van 1Lk neemt 4 Div[isie] deel aan het door Northag te voeren verdedigend gevecht, waarbij maximum gebruik van atoomwapens.’[21] Daarnaast werd onder ‘atoomsteun’ gesteld dat ‘op nader bevel van [commandant] Northag komt een batterij van 265 [US Field Artillery Battalion] (280mm) onder operatief bevel van [commandant 1Lk].’[22]

Cartografie Erik van Oosten NIMH

Kaart 1. Cartografie Erik van Oosten, NIMH

Intussen pleitte minister Staf voortdurend in binnen- en buitenland voor het beschikbaar komen van atoomwapens voor inzet door Nederlandse troepen. In december stelde Staf in de Noord-Atlantische Raad voor Europese bondgenoten beschikking te geven over tactische kernwapens door hen dual capable — conventioneel en nucleair bruikbare — systemen te leveren. De kernladingen zouden in Amerikaans beheer blijven.[23] In november, ten tijde van de bloedig neergeslagen Hongaarse Opstand, had de Tweede Kamer al ingestemd met het klaarmaken van de landmacht voor het gebruik van atoomwapens. In april 1957 stelde Staf dat Honest John-raketten met kernladingen binnen een jaar in Nederland zouden arriveren.[24] Uiteindelijk zou de levering door de Amerikanen nog tot eind 1959 op zich laten wachten. In mei werd de cruciale rol van Amerikaanse kernwapens — die al jaren bestond — als officiële NAVO-strategie vastgelegd onder de naam Massive Retaliation; bij een aanval op de NAVO zou grootschalige kernwapeninzet het antwoord zijn. Naast de centrale afschrikking uitgaand van de Amerikaanse strategische kernmacht — het ‘zwaard’ — bleef het nodig om een vijandelijke grondaanval in Europa te kunnen stuiten. De strijdmachten in Europa – het ‘schild’ – zouden hiertoe tactische kernwapens vrijwel onmiddellijk (kunnen) gebruiken.[25]

Rond diezelfde tijd werd de geplande atoomsteun voor 1Lk steeds concreter. In september 1957 distribueerde commandant 4 Divisie, luitenant-generaal Couzy, zijn ‘atoomsteunplan’. De opdracht luidde: ‘1Lk steunt de verdediging in het gebied van het Dortmund-Emskanaal en de Rijn-IJssel met tactische A-wapens volgens door [Supreme Allied Commander Europe (Saceur)] goedgekeurde plannen’. Daarbij zou 2ATAF (Second Allied Tactical Air Force) ‘sterke vijandelijke eenheden, welke na het loslaten van het [Dortmund/Ems]-kanaal langs de as Rheine-Wesel naar de Rijn-IJssel stelling doorstoten, met (max drie) tactische A-wapens [... kunnen] aanvallen.’[26] Daarnaast kon 1(BR)Corps atoomsteun verlenen met Corporal-raketten met ladingen van 10 en 50 kt tegen ‘eventuele [vijandelijke] bruggenhoofden over de Rijn’ op de grens tussen het Nederlandse en Britse vak, vanaf Elten zuidwaarts. Ook zou in oorlogstijd de 265 Field Artillery batterij 280mm onder bevel van commandant 1Lk respectievelijk 4 Divisie komen. Daarbij waren drie atoomgranaten beschikbaar: 8, 10 en 20 kt.[27] De nadruk van de atoominzet zou liggen op het verhinderen van rivierovergangen.

Op 1 juni 1958 zetten de NAVO-lidstaten een grote stap richting de voorwaartse verdediging: het zwaartepunt werd verlegd naar de Weser-Fuldalinie. De Rijn-IJssellinie zou voortaan slechts als laatste stoplijn fungeren.[28] Couzy, inmiddels legerkorpscommandant, had al in juli 1957 aan zijn staf en de divisiecommandanten bericht dat Northag voor de in 1958 ingaande Weserverdediging hem ‘voor het gehele verdedigende gevecht met inbegrip van de fase aan het D/E kanaal een aantal atoomprojectielen ter beschikking zijn gesteld.’[29] De instructies voor de verdedigingstactiek werden in februari 1958 aangepast aan de beschikbaarheid van kernwapens.[30] In januari 1959 vernieuwde Couzy zijn bevelen omtrent de logistiek van deze Amerikaanse atoombatterij(en), waarbij hij specificeerde dat bij het uitbreken van oorlog een atoombatterij van 81(US) Arty onder zijn operatief commando zou komen. Deze batterij, gelegerd bij de Amerikaanse troepen in Zuidwest-Duitsland,[31] zou verplaatsen onder Nederlandse begeleiding en zich nabij Wildeshausen bij 1(NL)Lk voegen.[32] Deze operatieplannen waren de laatste waarin nog geen Nederlandse kernwapen-inzetmiddelen voorkwamen; in 1959 deed de Honest John zijn intrede.

Cartografie Erik van Oosten NIMH

Kaart 2. Cartografie Erik van Oosten, NIMH

‘Nucleaire’ operatieplannen: 1959-1968

Met de Honest John (HJ) kreeg de landmacht haar eerste systeem voor kernwapeninzet. De HJ was een Amerikaanse niet-geleide korteafstandsraket met een bereik van ongeveer 25-30km, ontworpen voor middelzware tactische atoomladingen. In mei 1959 werd op legerplaats ‘t Harde 109 Afdeling Veldartillerie (Afdva) opgericht, als onderdeel van de legerkorpsartillerie. 109 Afdva beschikte over vier HJ-lanceerinrichtingen. In november 1960 volgde de identieke 119 Afdva op legerplaats Steenwijkerwold. Tevens waren in maart 1960 19 Afdva (‘t Harde) en 49 Afdva (Steenwijkerwold) opgericht, als afdelingen voor de parate 1 Divisie en 4 Divisie. Dit waren ‘gemengde’ afdelingen, met elk twee HJ-lanceerinrichtingen en een batterij met vier 8-inch houwitsers (hw).[33] Ook voor de 8”-hw hadden de Amerikanen atoomgranaten (W33) ontwikkeld, die in 1962 in Nederland arriveerden. De HJ-atoomkoppen (W31) waren in de loop van 1960 gearriveerd. De atoomladingen werden in twee ‘sites’ bewaard: ‘t Harde en Darp/Havelte. Daar bleven de wapens in beheer van Amerikaanse Custodial Detachments.[34]

Legerkoerier 1960

De komst van de Honest John werd uitgebreid in de publiciteit gebracht, zoals hier op de cover van de Legerkoerier (september 1960), van de Koninklijke Landmacht

De komst van de HJ werd uitgebreid in de publiciteit gebracht. De Legerkoerier — ‘maandblad voor interne voorlichting’ van de Koninklijke Landmacht — plaatste ronkende berichten over de indrukwekkende raket,[35] en het wapen werd prominent getoond op defilés en Landmachtdagen. Opmerkelijk genoeg werd echter nooit bericht over het in Nederland arriveren van atoomladingen en de nucleaire capaciteit van de HJ. Frappant, want de HJ was uitsluitend voor inzet met atoomladingen binnengehaald.[36] Er was weinig politieke en maatschappelijke discussie rond het arriveren van de atoomkoppen. Dit kan deels verklaard worden door de geheimhouding die de Amerikanen eisten binnen de NAVO, maar ook deels doordat de krijgsmacht en regering tactische kernwapens presenteerden als gewone, bruikbare wapens; discussies over deze wapens konden zo worden beperkt tot zakelijk militair overleg, zonder politieke en ethische kwesties.[37]

De nucleaire artillerie werd geïntroduceerd als zwaar vuursteunmiddel. Gedurende de tweede helft van de jaren vijftig en de jaren zestig werd binnen de krijgsmacht en de defensiegemeenschap gediscussieerd over mogelijkheden en nadelen van tactische atoomwapens. De nucleaire middelen van de artillerie dienden grofweg drie — overlappende — tactische doelen: verhinderen van vijandelijke rivierovergangen, vernietigen van tot concentratie gedwongen vijandelijke invasietroepen — met name pantsereenheden — en mogelijk maken van tegenaanvallen. Verwacht werd dat Nederlandse troepen bij tegenaanvallen tegenover een overmacht zouden staan; nucleaire artillerie kon de vijand zodanig verzwakken dat een snelle, gepantserde tegenaanval kon slagen.[38]

In 1962 kreeg 1Lk een tweede soort tactisch kernwapen. Het betrof hier Atomic Demolition Munition (ADM): lichte atoomwapens die ingegraven moesten worden. Hiermee konden grote obstakels — zoals kraters — worden gemaakt, die strategisch belangrijk gebied ontoegankelijk maakten of belangrijke bouwwerken zoals verkeersknooppunten en bruggen verwoestten. Bij een ADM-detonatie zou vrijwel zeker ook radioactieve besmetting optreden. De ‘Nederlandse’ ADM-ladingen lagen in West-Duitsland opgeslagen en bleven in Amerikaans beheer. Na vrijgave in oorlogstijd zouden de commandanten van 1Lk en 4 Divisie ADM-inzet kunnen aanvragen. Dan zou het Nederlandse ADM-detachment (111 Peloton Speciale Opdrachten) beveiliging, transport en geniesteun verlenen aan Amerikaanse ‘emplacing-teams’, die verantwoordelijk bleven voor het plaatsen en detoneren.[39]

Beeldbank NIMH

Oefening met de 8-inch houwitser. Op de voorgrond zijn de gereedstaande granaten zichtbaar. Foto Beeldbank NIMH

Terwijl de HJ operationeel werd en voor 8”-houwitsers atoomcapaciteit werd ontwikkeld, ging de NAVO nog uit van de Weser-Fuldalinie. Het Nederlandse ‘vak’ in het noorden van de Duitse Bondsrepubliek besloeg een deel van de ‘Noord-Duitse laagvlakte’; vooral de zuidelijke vakhelft werd gezien als ‘uitstekend tankterrein.’[40] Zodoende werd daar een omvangrijke, snelle aanval met tank- en pantserdivisies verwacht.[41]

In het verdedigingsplan voor dit vak — actueel tot midden-1963 (zie Kaart 2) — zou 1 Divisie ten oosten van de Weser een beweeglijke verdediging voeren die afhankelijk was van ruim gebruik van tactische kernwapens. Achter de Weser zou 4 Divisie tegenaanvallen voorbereiden, waarbij kernwapens zouden worden ingezet op concentraties vijandelijke troepen.[42] 1 Divisie kon beschikken over zeker achttien kernwapens, waarvan de belangrijkste zeven 8”-houwitser granaten van 1,5 kt waren. Het gros van de kernwapens zou de brigades vooraan in het zuidelijke deel van het vak steunen. Commandant 1 Divisie klaagde overigens intern tegen de chef van de Generale Staf dat zijns inziens de verdediging — zelfs mét kernwapens — waarschijnlijk hopeloos was; het vak was te breed, de beschikbare middelen karig en de vijand zeer sterk.[43] Op 9 oktober 1962, vlak voor de Cubacrisis,[44] concludeerde een staflid van 1Lk dat grootschalige inzet van tactische kernwapens — vooral ook ADM’s, die de Amerikanen vlak daarna beschikbaar zouden stellen — van cruciaal belang was voor een geloofwaardige verdediging van het vak.[45]

Desondanks werd besloten dat de NAVO per september 1963 de volgende stap voorwaarts ging zetten. De vijand moest nu ten oosten van de Weser worden gestopt en vernietigd. 4 Divisie zou vooraan in het Nederlandse vak vertragend verdedigen, tussen de rivieren Elbe en Aue.[46] Om verdere voorwaartse verdediging mogelijk te maken met de beschikbare middelen werd ‘het gevecht [gebaseerd] op een ruim gebruik van kernwapens.’ Want, ‘in het bijzonder moet met kernwapens de vijand maximale verliezen worden toegebracht.’[47] Dit moest als volgt gebeuren: een afdeling van de legerkorpsartillerie zou ver oostwaarts geplaatst worden om met HJ’s te kunnen vuren op Elbe-overgangen en vijandelijke verzamelgebieden net over de Elbe.[48] Vervolgens had 4 Divisie voor het vertragend gevecht voorin het vak achttien atoomwapens om gekanaliseerde vijanden mee aan te vallen; tien 8”-granaten en acht HJ-raketten.[49] Als de vijand tot de Aue zou zijn doorgedrongen, zou de legerkorpsartillerie ‘het gros’ — aangenomen mag worden: zeker tien — van haar HJ’s inzetten voor de hardnekkige weerstand en een eventuele tegenaanval.[50]

Cartografie Erik van Oosten NIMH

Kaart 3. Cartografie Erik van Oosten, NIMH

De ADM’s hadden ook een belangrijke rol in het nieuwe plan. Al in april had commandant 1Lk aan zijn superieur, commandant Northag, geschreven dat ‘one important requirement to be able to fight a more forward defence is a considerable increase in the allotted numbers of ADM’s as well as an early release to the covering forces, who need them very badly. We feel, that in view of the weakness of 4 Div[ision] and the perfect tank terrain without natural obstacles, ADM’s in sufficient numbers are of primary importance. The exact number required still has to be worked out but will be about 30 of various yields.’[51] De brief lijkt effect te hebben gehad, want er waren 29 ADM-locaties voorbereid. Op twaalf hiervan moesten ADM’s kraters veroorzaken, op vijftien bruggen doen instorten.[52] De ADM’s zouden de vijandelijke opmars in de fases rond de Elbe, Ilmenau en Aue moeten bemoeilijken.

De kernwapens, zo cruciaal voor het oorlogsplan, zouden pas kunnen worden ingezet na vrijgave door de Amerikanen via de NAVO. Toch werd er in de landmacht van uitgegaan dat kernwapeninzet snel zou geschieden, mede omdat werd verwacht dat de Sovjets ook meteen atoomwapens zouden gebruiken. Mocht dat niet zo zijn dan, werd gesteld, zou de NAVO ‘met de beschikbare (...) strijdkrachten niet in staat zijn het NATO gebied te verdedigen, tenzij strategische en tactische kernwapens worden gebruikt.’[53] Toch waren er binnen de landmacht al tekenen van twijfel over de afhankelijkheid van het oorlogsplan van (buitenlandse) kernwapens. Zo schreef de commandant 4 Divisie aan de legerkorpscommandant: ‘het zijn vooral kernwapens die het gevecht beslissend zullen moeten beïnvloeden; de beschikbare vuursteunmiddelen zijn daar niet toe in staat. (...) het is echter zeer de vraag of kernwapens zullen worden ingezet, gezien de huidige politiek-strategische conceptie.’[54] In de Militaire Spectator vroeg een lid van de Generale Staf zich af of het beeld van tactische atoomwapens als sterk vuursteunmiddel niet achterhaald was; de psychologische en politieke aspecten van tactische kernwapens moesten meer in acht worden genomen.[55] Deze kanttekeningen waren deels reacties op de Cubacrisis, toen de wereld maar net aan een grootschalige kernoorlog leek te zijn ontsnapt en waarna de regering-Kennedy aangaf de rol van kernwapens in NAVO-oorlogsplannen te willen verkleinen. Daarnaast had de Sovjet-Unie inmiddels haar atoom-achterstand grotendeels ingehaald; de NAVO kon bij eigen inzet van kernwapens een gelijke respons verwachten. Hoewel publiekelijk uitgesproken twijfels in de minderheid waren, begon men langzaam tactische kernwapens niet meer slechts als militaire, bruikbare wapens te zien, maar juist als wapens ter afschrikking.

Het beschreven operatieplan was nauwelijks geaccordeerd, of in 1964 ging de voorbereiding van een nieuw plan voor nog verdere voorwaartse verdediging alweer van start. De vijand moest nu niet alleen zo oostelijk mogelijk worden opgevangen — zoals in het vorige plan – maar ook zo oostelijk mogelijk worden gestopt. 4 Divisie zou hiertoe met 41 Pantserbrigade vanaf de Elbe steeds hardnekkiger verdedigen. Vervolgens zou 13 Pantserinfanteriebrigade oostelijk van de Ilmenau trachten de vijand te concentreren om hem te kunnen vernietigen. Mochten de Warschaupact-troepen de Ilmenau oversteken, dan zou 43 Pantserbrigade de verdediging verder voeren tot het gebied rond de rivier Aue, waar 4 Divisie het beslissend gevecht moest leveren en 1 Divisie een tegenaanval zou uitvoeren.[56]

Tussen 1964 en 1966 werd dit plan gewijzigd naar aanleiding van lessen getrokken uit oefeningen en vanwege wijzigende politieke omstandigheden. De Amerikanen wilden de mogelijkheid scheppen een conflict met het Warschaupact zonder — of met zo min mogelijk — kernwapens te beëindigen. De hoop was dat een totale nucleaire oorlog kon worden vermeden — en de Verenigde Staten zelf veilig zouden blijven. De Amerikanen werden steeds terughoudender in hun voornemens kernwapens vrij te geven bij het uitbreken van oorlog; zij wilden kernwapens zo laat mogelijk inzetten — de zogeheten Flexible Response.

In december 1964 werd er nog van uitgegaan dat 4 Divisie ‘brigades bij de verdediging voor planning kunnen beschikken over enkele kernwapens. Het gros der kernwapens is bestemd voor inzet tussen de voorste rand weerstandsgebied en de Luhe, waarvan het merendeel tussen Ilmenau en Luhe. Inzet van een kernwapen wordt voorbereid op de brug [over de Elbe] bij Lauenburg.’[57] Er moest ook rekening worden gehouden met Honest John-vuur op andere Elbe-overgangen.[58] Essentieel was ook het steunen van de tegenaanval van 1 Divisie met ‘een aanzienlijk aantal kernwapens’ door divisie- en legerkorpsartillerie. Die tegenaanval was zelfs ‘in belangrijke mate afhankelijk van het beschikbaar aantal kernwapeninzetmiddelen of [...tijdig] toestemming tot inzet van de 30 KT wapens’ werd verkregen.[59] Hoewel men nog geen rekening hield met de mogelijkheid dat de vrijgave van kernwapens — ‘R-hour’ genoemd — lang op zich zou laten wachten of helemaal niet zou komen, werd wel voorbereid op een eerste fase zonder kernwapens. 4 Divisie moest vanaf de Elbe vertragend verdedigen ‘teneinde tijd te winnen i.v.m uitgifte R-Hour.’[60]

Het operatieplan dat in 1966 van kracht werd was vernieuwend vanwege zijn flexibiliteit. Die was noodzakelijk vanwege toenemende onzekerheid over de vrijgave van kernwapens; de eerste fasen van het gevecht konden zonder kernwapens geschieden. Daarom werd het operatieplan flexibel ingericht: ‘bij een optreden zonder voldoende kernwapensteun’ — met name in de beginstadia — zou de verdediging tussen Ilmenau en Aue als zwaartepunt worden aangehouden, terwijl bij ‘tijdig toestemming tot gebruik van kernwapen’ 4 Divisie oost van Ilmenau al zou proberen de vijand met kernwapens tot stilstand — en vernietiging — te brengen.[61] Hetzelfde gold voor de ADM-inzet. 4 Divisie moest rekening houden met, maar mocht niet met zekerheid uitgaan van, ‘inzet ADM’s ter versterking van de hindernisgordels met zwaartepunt (..) tussen de Elbe en de Ilmenau’ en ‘in het gebied ten westen van de Ilmenau’.[62] Vermoedelijk werd ook rekening gehouden met ADM-inzet rond de Aue. In 1964 was de vrijgave ook flexibeler gemaakt door ‘S-hour/Selective Release’ te introduceren, waarbij alleen ‘lichtere’ kernwapens, zoals ADM’s, werden vrijgegeven.[63] Dat de vrijgave onzekerder en flexibeler werd betekende niet dat de afhankelijkheid van kernwapens verminderde; grootschalig gebruik van tactische atoomwapens was nog altijd cruciaal. In oktober 1966 verhoogde Northag zelfs het aantal toegewezen kernwapens aan 1Lk met tien procent.[64]

Cartografie Erik van Oosten NIMH

Kaart 4. Cartografie Erik van Oosten, NIMH

In 1967 besloot de Noord-Atlantische Raad, na jaren van discussie, Flexible Response officieel tot NAVO-strategie te verklaren, ter vervanging van Massive Retaliation. Vanaf dat moment zou de NAVO ‘proportioneel’ reageren op vijandelijkheden; bij een conventionele aanval van Warschaupact-troepen zou de NAVO trachten met conventionele middelen de aanval af te slaan. Slechts wanneer een vijandelijke doorbraak toch dreigde, zouden tactische nucleaire middelen worden vrijgegeven.[65]

Om zich aan te passen aan de nieuwe strategie hief de Koninklijke Landmacht de gemengde Afdva’s 19 en 49 op en voegde de 8”-batterijen samen in de nieuwe 19 Afdva, die nu onder de legerkorpsartillerie viel.[66] Het effect van Flexible Response op de operatieplannen van 1Lk was aanvankelijk vrij gering. De flexibilisering was grotendeels al doorgevoerd in 1966; in grote lijnen bleven de plannen gelijk. Echter, vanaf 1968 werd gesteld dat ‘het gevecht wordt gevoerd zonder rekening te houden met kernwapensteun.’[67] Bestaande plannen moesten dus in principe met conventionele middelen worden uitgevoerd. Wel moest kernwapensteun nog altijd voorbereid worden, voor het geval kernwapens direct of vroeg gebruikt zouden worden. Hetzelfde gold voor ADM-inzet. Ondanks de intentieverklaringen van NAVO-leiders om minder afhankelijk van kernwapens te worden, was het duidelijk dat de NAVO-legers, waaronder 1(NL)Lk, hun conventionele achterstand niet afdoende hadden ingehaald. Een massale Warschaupact-aanval kon nog altijd niet met conventionele middelen worden gestopt. Daarom maakte commandant 1Lk een oorlogsplan waarbij 4 Divisie de vijand tussen de Elbe en het gebied ten westen van de Ilmenau zeker dertig uur zou vertragen. Dan zou de vijandelijke invasiemacht worden gekanaliseerd ten zuidwesten van Lüneburg. Hiermee werd beoogd genoeg tijd te winnen tot de NAVO-top kernwapens zou vrijgeven in de vorm van de ‘Northag simultaneous selective strikes’. Bij die strikes zou de geconcentreerde vijand met aanzienlijke kernwapeninzet in alle Northag-vakken tegelijk vernietigd worden. Vervolgens zou in de getroffen gebieden een tegenaanval worden ingezet om de vijand definitief uit te schakelen; in het Nederlandse vak zou 1 Divisie met de legerkorpsreserve deze aanval uitvoeren.[68] Dit plan bleef in grote lijnen het uitgangspunt voor de 1Lk-operatieplannen tot het eind van de Koude Oorlog.[69]

Cartografie Erik van Oosten

Kaart 5. Cartografie Erik van Oosten, NIMH

Bruikbare wapens of pure afschrikking?

De grote vraag rond tactische kernwapens, die al sinds de late jaren vijftig speelt, blijft: zouden de Nederlandse troepen ze ook echt ingezet hebben als de Koude Oorlog ‘heet’ was geworden? Waren deze wapens niet eigenlijk uitsluitend bedoeld ter afschrikking?

Opvallend is dat de oorlogsplannen totaal afhankelijk waren van tactische kernwapens, die echter vrijgegeven moesten worden door de Amerikanen. De bovenstaande uiteenzetting toont aan dat er groeiende twijfels waren — met name vanaf 1963 — bij commandanten of het politieke besluit om over te gaan tot inzet wel (op tijd) genomen zou worden. Daarnaast speelde de vraag of men in 1Lk kernwapens praktisch gezien wel geschikt achtte voor gebruik op het slagveld. Ook over het antwoord op deze vraag bestonden binnen de Koninklijke Landmacht sluimerende twijfels.

Bij oefeningen bleek geregeld dat operatieplannen en procedures gedeeltelijk papieren werkelijkheid waren. Zo was de coördinatie van atoomsteun in 1959 zo gebrekkig dat een 2 kt-aanvraag werd ‘gehonoreerd’ met een 17 kt-wapen. In een ander geval werd een kernwapen in plaats van voor, na een tegenaanval ingezet.[70] In 1961 bleek het voor brigades praktisch onmogelijk te zijn met bestaande procedures atoomsteun aan te vragen bij de divisieartillerie op onvoorbereide doelen, en voor divisies idem dito bij de legerkorpsartillerie. De gedetailleerde berekeningen over de uitwerking die bij een aanvraag moesten worden aangeleverd, waren tijdrovend en soms niet te produceren.[71] Midden jaren zestig moesten betrokkenen concluderen dat in feite alleen van tevoren voorbereide kernwapeninzet kon voldoen aan veiligheidsvoorschriften, berekeningen en benodigde voorbereidingstijd van de artillerie. Om toch zich ter plekke voordoende doelen te kunnen beschieten, werd het concept ‘kernwapengebied’ bedacht. Kernwapengebieden waren sectoren voor atoominzet waar vijandelijke aanvallen werden verwacht. Artilleristen moesten daar binnen vijf minuten (8”-hw) respectievelijk twintig minuten (HJ) na ‘alert’ kernwapens kunnen inzetten.[72]

Fictief kaartje van de berekende tactische uitwerking van een 5kt- en 20kt-kernwapen. In de Militaire Spectator werd gediscussieerd over de veiligheid van de eigen troepen wanneer tactische kernwapens werden ingezet. Bron: Militaire Spectator 134 (1965) (1)

Een gerelateerd probleem bleef de veiligheid van eigen troepen. Berekeningen en procedures waren ook essentieel om de ‘minimum safe distance’ tussen eigen troepen en de beoogde ‘ground zero’ te bepalen. Op basis hiervan werd bepaald of en hoeveel gevaar eigen troepen liepen. Liepen zij gevaar, dan moesten zij zich respectievelijk terugtrekken, ingraven of dekking zoeken. Ook luchtmachteenheden en bondgenoten moesten tijdig worden gewaarschuwd. Dat dit kostbare tijd zou vergen was eind jaren vijftig al opgemerkt,[73] maar rond de invoering van de HJ waren dergelijke problemen als overkomelijk afgedaan. Wel werd geoefend op procedures en beschermingsmaatregelen om de waarschuwingstijd te verkorten. Midden jaren zestig bleek toch dat men te optimistisch was geweest. Kernwapeninzet moest aan aanzienlijke beperkingen op waarschuwingstijd en kilotonnage onderhevig zijn om het gevaar voor eigen troepen acceptabel te houden.[74] In de praktijk zou dit een behoorlijke handicap zijn geweest.[75]

Hoewel de Afdva’s doorgaans ‘zeer bevredigende resultaten’ bij procedure- en schietoefeningen behaalden — zo vonden ook de Amerikanen[76] — en 4 Divisie bijvoorbeeld in 1964 rapporteerde dat de kernwapeninzetprocedures op oefening goed bevielen,[77] bleef de afhankelijkheid en eventuele daadwerkelijke inzet van kernwapens een experiment met enorme risico’s. Zo bleek in 1966 op oefening dat ‘door onvoldoende kennis [van] en/of ervaring’ met de procedures en uitwerking van kernwapens een (fictief) atoomwapen op eigen troepen was afgegeven. Ook voldeden verschillende atoomaanvragen niet en hadden in oorlogstijd niet tot — soms zo cruciale — atoominzet kunnen leiden.[78] Een jaar later trokken 4 Divisie-troepen tijdens een oefening door miscommunicatie door een met fall-out besmet gebied, veroorzaakt door eigen fictieve atoominzet.[79]

De politieke, ethische en humanitaire afwegingen die het op grote schaal inzetten van kernwapens in dichtbevolkt gebied met zich zouden meebrengen werden in de onderzochte periode zelden bediscussieerd — niet in de nationale politiek, maar ook weinig in de krijgsmacht.[80] Daarbij moeten twee kanttekeningen worden geplaatst. Vanwege de gevoeligheid van dit onderwerp is er vermoedelijk minder archiefmateriaal beschikbaar dan over, bijvoorbeeld, de eerder beschreven operatieplannen. Daarnaast moesten militairen voor ethische afwegingen bij inzet van geweldsmiddelen ‘vanuit hun professie [vertrouwen] op de politici voor de juiste besluitvorming’.[81] De genoemde afwegingen hadden echter ook (in)directe militaire consequenties, die wel degelijk relevant waren voor bijvoorbeeld de legerkorpsstaf.

Beeldbank NIMH

Een groep militairen bekijkt de lancering van een Honest John-raket. De invoering van deze korteafstandsraket was een grote stap in de ‘nuclearisering’ van de Koninklijke Landmacht. Foto Beeldbank NIMH

Al in 1954 realiseerde de legerkorpsleiding zich dat grote aantallen burgerslachtoffers en vluchtelingen als gevolg van eigen atoominzet zowel logistieke problemen zouden veroorzaken — zij moesten worden afgevoerd[82] — als ernstige psychische problematiek kon veroorzaken bij eigen troepen.[83] Er waren evacuatieplannen voor regio’s in West-Duitsland, met name waar de zwaarste gevechten verwacht werden, maar deze lijken niet omvangrijk te zijn geweest. Men verwachtte weinig tijd te hebben voor evacuaties voordat oorlog zou uitbreken. Ook waren de beschikbare middelen gering. De prioriteit lag bij het veiligstellen van ongehinderde militaire verplaatsingen door West-Duitsland. Zodoende gold in NAVO-gebied de ‘stay put/stay at home policy’: burgers moesten bij oorlog thuisblijven tenzij beperkte evacuatie noodzakelijk was, bijvoorbeeld uit frontgebieden. De Duitse autoriteiten waren verantwoordelijk voor de veiligheid en eventuele evacuaties van de bevolking.[84] In de eerste helft van de jaren zestig werd in de NAVO wel de ‘constraints/restraint policy’ ingevoerd. Hierdoor golden beperkingen op het vermogen en aantal kernwapens dat ingezet mocht worden in dichtbevolkte gebieden en per bevelsniveau.[85]

Conclusie

De tendens in de literatuur om het begin van de ‘nuclearisering’ van de Koninklijke Landmacht in 1959 te plaatsen moet worden herzien. De invoering van de korteafstandsraket Honest John was een grote stap in dit proces: Nederland kreeg voor het eerst kernwapeninzetmiddelen en kreeg kernkoppen op zijn grondgebied. Maar het begin was eerder gemaakt. Er waren al substantiële ervaringen met atoomartillerie opgedaan in 1954 en vanaf 1956 bestonden er concrete plannen om Amerikaanse atoomartilleriebatterijen onder Nederlands bevel te stellen in oorlogstijd. Staven waren op atoominzet voorbereid. De inzet van kernwapens zou vermoedelijk in West-Duitsland plaatsvinden, maar wellicht ook in Oost-Nederland.

Vanaf 1959 gingen tactische kernwapens een cruciale rol spelen in operatieplannen van het Legerkorps, tegen het grote conventionele overwicht van de tegenstander. Met name tussen 1962 en 1965 was de afhankelijkheid enorm, maar zelfs na het vaststellen van de Flexible Response in 1967 bleef potentiële kernwapeninzet zeer belangrijk. Het niet inzetten van kernwapens zou het verliezen van de oorlog betekenen. Er was toch groeiende twijfel of deze afhankelijkheid verstandig was, gezien de vraag of de Amerikanen (op tijd) tot vrijgave zouden overgaan. Ook waren er twijfels van praktische aard. Steeds strengere procedures en regels moesten de veiligheid van eigen troepen garanderen, explosieve uitwerkingen zo effectief mogelijk maken en de burgerbevolking enigszins sparen. Diezelfde procedures beperkten kernwapeninzet echter significant en werkten menselijke fouten in de hand. In feite werd de afschrikwekkende werking van de wapens steeds belangrijker, terwijl de daadwerkelijke inzet twijfelachtiger werd.

Of de beschreven operatieplannen — inclusief cruciale kernwapeninzet — ook daadwerkelijk waren uitgevoerd bij het uitbreken van oorlog blijft speculatie. Gedurende de jaren vijftig en vroege jaren zestig was de intentie er wel binnen de landmacht. Tussen 1963-1967 werd de rol van het tactische kernwapenarsenaal als afschrikkingsmiddel geleidelijk steeds belangrijker, onder invloed van de genoemde politieke en technisch-wetenschappelijke ontwikkelingen. Wel werd nog altijd serieus geoefend op kernwapeninzet en kernwapentactiek. Opvallend is dat de kritische aandacht voor de psychologische en ethische gevolgen van grootschalige tactische kernwapeninzet in vaak dichtbevolkte (en ‘bevriende’) gebieden nauwelijks invloed had. De verantwoordelijke staven bleven zich voornamelijk beperken tot militair-technische discussies. De kaders van het ethisch verantwoorde moesten worden bepaald door de regering en politiek,[86] de Duitse autoriteiten en de NAVO. Of dat afdoende gebeurde, zou nog decennia onderwerp van discussie zijn.

 

* Daan Theodorus Sanders is student aan de Universiteit Utrecht in de Research Master History. Hij specialiseert in de geschiedenis van nucleaire bewapening. Dit artikel is geschreven als onderdeel van zijn onderzoeksstage bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). De auteur dankt prof. dr. Jan Hoffenaar voor de begeleiding en het commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

[1] Nieuw onderzoek naar de nuclearisering van de Koninklijke Marine en de Koninklijke Luchtmacht zou ook de moeite waard zijn.

[2] Zie bijvoorbeeld het overzicht van de Nederlandse kernwapentaken en het kernwapenbeleid: D.J. Bloem et al., Nederland en de kernwapens. Een studie over het Nederlands nucleair beleid 1972-1985 (Alphen aan de Rijn/Brussel, Samsom Uitgeverij, 1987).

[3] J. Hoffenaar en B. Schoenmaker, Met de blik naar het oosten. De Koninklijke Landmacht 1945-1990 (Den Haag, SDU, 1994) 106-120.

[4] Zie onder andere: Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 136.

[5] Ook wel gespeld als ‘Atomic Anny’.

[6] In 1959 werden de Ministeries van Oorlog en Marine samengevoegd tot het Ministerie van Defensie.

[7] Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 112, 136.

[8] Nationaal Archief (NL-HaNA), Den Haag, ‘Staf 1e Legerkorps en de daaronder ressorterende Divisies 1-6’, nummer toegang 2.13.148, inventarisnummer 504. Mei 1954.

[9] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr. 537. Kolonel B. Koning, ‘Bundels Oefening “Voorwaarts”’, 5 maart 1954.

[10] Ibidem.

[11] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.507. 1 Legerkorps/4 Divisie, Verslagen betreffende oefening ‘Battle Royal’, oktober 1954.

[12] De Legerkorpscommandant trok een gelijksoortige conclusie in zijn verslag van de oefening. Luitenant-generaal A.T.C. Opsomer, ‘Battle Royal’, in: Militaire Spectator 124 (1955) (3) 106-125. Zie ook Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 136, 138.

[13] D. Starink ‘De nuclearisering van de krijgsmacht’, 85, in: B. Schoenmaker en J.A.M.M. Janssen (red.), In de schaduw van de muur. Maatschappij en krijgsmacht rond 1960 (Den Haag, SDU, 1997) 82-99; Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 136.

[14] In de jaren vijftig nog veelal de ‘7 December Divisie’ genoemd. De volledige naam luidde ‘1 Divisie “7 December”’ Zie voor een geschiedenis M. Elands, R. van Gils en B. Schoenmaker, De geschiedenis van 1 Divisie ‘7 December’ 1946-1996 (Den Haag, SDU, 1996).

[15] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.362. Generaal-Majoor C.J. Valk, 7 December Divisie, ‘BVT nr.2’ (228A/680/ZG), 18 januari 1955.

[16] Ibidem. De atoomwapens speelden in dit document nog niet de centrale rol zoals in de jaren zestig.

[17] Militaire Spectator 124 (1955) (1,2) 1-100.

[18] Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, citaat van Generaal B.R.P.F. Hasselman, Chef van de Generale Staf.

[19] In maart 1956 schreef commandant 5 Divisie al in zijn operatiebevel 1: ‘atoomsteun: nadere gegevens volgen’. NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.77. Generaal-majoor F.W.J.M. Peters, 5 Divisie, ‘Operatiebevel 1 Deel II’ (G3/7), 1 maart 1956.

[20] De inzetgebieden van kernwapens, weergeven in de kaarten bij dit artikel, zijn gereconstrueerd met behulp van de in de tekst en voetnoten aangehaalde bronnen; deze gebieden zijn daarom bij benadering weergegeven.

[21] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.406. Generaal-majoor W. de Boer, 7 December Divisie, ‘Bijlage 5a (vuursteunplan) bij Operatiebevel Nr2 deel 1’, (G3/54/71.63.11/ZG), 31 augustus 1956.

[22] Ibidem.

[23] Starink, ‘De nuclearisering van de krijgsmacht’, 88.

[24] Duco Hellema, Nederland in de wereld. De buitenlandse politiek van Nederland (Houten/Antwerpen, Spectrum, 2016 (zesde druk)), 195.

[25] Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 144-147; Starink, ‘De nuclearisering van de krijgsmacht’, 85-86.

[26] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.184. Luitenant-generaal J.H. Couzy, 1 Legerkorps, ‘Bijlage 15A (Atoomsteunplan) bij operatiebevel nr.2’ (G3/7351/M/ZeerGeheim), 9 september 1957.

[27] Ibidem.

[28] J. Hoffenaar, ‘Hannibal ante portas. De Russische militaire dreiging en de opbouw van de Nederlandse Krijgsmacht’, 63 in: J. Hoffenaar en G. Teitler (red.), De Koude Oorlog. Maatschappij en Krijgsmacht in de jaren ‘50 (Den Haag, SDU, 1992), 54-69.

[29] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.30. Kolonel J.P.F. Agasi, 1 Legerkorps, ‘Verslag commandantenvergadering 1e Legerkorps 26 juli’ (Kab/7342/F/ZG), 29 juli 1957. Legerkorpscommandant Couzy sprak hier van een onlangs door Saceur goedgekeurd ‘nieuw atoomsteunplan’ van Northag, waarin plannen vanuit zijn koker waren opgenomen die reeds in augustus 1956 waren ingediend.

[30] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.82. Luitenant-generaal J.H. Couzy, 1 Legerkorps, ‘Tactische aanwijzing nr.4’, (Kab/21969), 11 februari 1958.

[31] In het plaatsje Baumholder.

[32] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.83. Luitenant-generaal J.H. Couzy, 1 Legerkorps ‘Instructions for traffic control, engineer support and security escort of Cbty-3rd Gun Bn 81(US)Arty’, (G3/7276/ZeerGeheim), 24 januari 1959. Er bestond(en) vermoedelijk (een) versie(s) van deze instructies. Deze is/zijn vermoedelijk vernietigd.

[33] J. Hoffenaar, J. van Hoof en J. de Moor, Vuur in beweging. 325 jaar veldartillerie 1677-2002 (Amsterdam, Boom, 2002) 156-160; Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 160.

[34] Hoffenaar et al., Vuur in beweging, 159-160. Voor meer details over de opslag, zie bijvoorbeeld Frank Oosterboer, Kernwapenopslag in Darp en ‘t Harde. Het geheim in de achtertuin (Soesterberg, Aspekt, 2015).

[35] Zie bijvoorbeeld ‘Afd Honest John aan het werk’, in: Legerkoerier 10 (1960) (5) 15; ‘Honest John gelanceerd. Een stuk scheurt uit hemel en aarde’ in: Legerkoerier 10 (1960) (9) 16-18. De Honest John stond zelfs op de voorpagina die maand.

[36] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.216. Dienst van de Kwartiermeester-generaal, ‘Opbouw Honest John-raketten’ (LogOps/2683/649/ZeerGeheim), 5 oktober 1960.

[37] Een dergelijke conclusie wordt ook getrokken in Hoffenaar et al., Vuur in beweging, 162. Zie ook de conclusie beneden.

[38] Enkele van de vele artikelen die in de genoemde periode werden geschreven over dit onderwerp: Majoor van de Generale Staf H.C.M. Daalmeijer, ‘Wat iedere (taktische) commandant moet weten van taktische atoomwapens’, in: Militaire Spectator 128 (1959) (2) 56-63; Majoor J.H. Carstens, ‘De taktische atoomwapens’, in: Militaire Spectator 128 (1959) (9) 337-344; Majoor L. Schothorst, ‘Enkele denkbeelden over het optreden van de infanterie in de pantserinfanteriebrigade bij de aanval en de tegenaanval onder nucleaire omstandigheden’, in: Militaire Spectator 130 (1961) (2) 51-59.

[39] Voor ADM’s in de Koninklijke Landmacht, zie M. Elands, J. van Hoof, C. Klep en H. Roozenbeek, 250 jaar Genietroepen 1748-1998 (Den Haag, SDU, 1998) 195; Bloem et al., Nederland en de kernwapens, 18-19; Starink, ‘De nuclearisering van de krijgsmacht’, 92; P.B.R. de Geus, Staatsbelang en krijgsmacht. De Nederlandse defensie tijdens de Koude Oorlog (Den Haag, SDU,1998) 100. Voor ADM’s in operatieplannen, zie bijvoorbeeld: NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.573. Generaal-majoor F.E. Meynderts, 4 Divisie, ‘operatieplan nr.1’, (G3/007/R/68/ZG), 30 augustus 1968.

[40] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.35. Generaal-majoor E.J.C. van Hootegem, 1 Divisie, ‘Bezoek CGS aan staf 1 Div “7 Dec”’ (Kab/64/62/Geh), 23 augustus 1962.

[41] Zie bijvoorbeeld H. Hammerich, ‘Fighting for the Heart of Germany: German I Corps and NATO’s Plans for the Defense of the North German Plain in the 1960s’, 155-174; T. Diedrich, ‘The German Democratic Republic’, 175-202; J. Hoffenaar ‘The Dutch Contribution to the Defense of the Central Sector’, 217-238, in: J. Hoffenaar en D. Krüger (red.) Blueprints for Battle. Planning for War in Central Europe 1948-1968 (Lexington, University Press of Kentucky, 2012).

[42] Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 168; NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.35. Generaal-majoor J.H. Heimel, 4 Divisie, ‘Voordracht voor Chef van de Generale Staf’, (KaptAdj./049/ZG), 30 augustus 1962.

[43] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.35. Van Hootegem, ‘Bezoek CGS aan staf 1 Div ‘7 Dec’.

[44] 16-28 oktober 1962. 22-28 oktober wordt ook wel aangehouden.

[45] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.216. Sectie G3, 1 Legerkorps, ‘Memo betreffende de tac samenwerking 1(GE)Lk en 1(NL)Lk’, (Brief 10.522A), 9 oktober 1962.

[46] Voor een bondig overzicht van deze plannen zie Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 170-171.

[47] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.572. Generaal-majoor G.H. Christan, 4 Divisie, ‘Ontwerp operatiebevel nr.15’ (G3/122/E/ZG), 15 juli 1963.

[48] 4 Divisie was echter expliciet niet geautoriseerd om doelen aan de Oost-Duitse kant van de Elbe met kernwapens aan te vallen. Alleen de legerkorpsartillerie onder de commandant 1Lk was daartoe geautoriseerd.

[49] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.572. Christan, ‘ontwerp operatiebevel nr.15’.

[50] Ibidem; Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 171.

[51] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.216. Luitenant-generaal J.C.E. Haex, 1 Legerkorps, ‘Forward Defense Strategy Comments letter’ (G3/63/10.522/A), 29 april 1963.

[52] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.572. Generaal-majoor G.H. Christan, 4 Divisie, ‘2e opgave van wijzigingen op operatiebevel nr.15’, (G3/122/N/ZG), 7 oktober 1963. Het was vermoedelijk niet de bedoeling - en niet mogelijk - om op al deze locaties ADM’s in te zetten. ADM’s zouden als noodoplossing op de meest cruciale plekken worden gebruikt, afhankelijk van het verloop van de strijd.

[53] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.572. Christan, ‘2e opgave van wijzigingen op operatiebevel nr.15’.

[54] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.572. Generaal-majoor G.H. Christan, 4 Divisie, brief ‘Operatieplan F.D.S.’, (G3/122/0/ZG), 5 december 1963.

[55] Luitenant-kolonel van de Generale Staf F. van Pelt, ‘Militaire aspecten van de ontwapening’, in: Militaire Spectator 132 (1963) (4) 177-182.

[56] Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 171-174.

[57] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.572. Generaal-majoor G.H. Christan, 4 Divisie, ‘Operatieplan nr. 3’ (G3/572/-/ZG), 3 december 1964.

[58] Men verwachtte dat de Warschaupacttroepen bij Bleckede, Alt Garge en Darchau de oversteek over de Elbe zouden ondernemen. Met name rond deze locaties werd inzet van HJ-raketten voorbereid. Ibidem.

[59] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.363. Generaal-majoor F.A. Palm, 1 Divisie, ‘Oefening Colloquium (discussie ontwerp operatieplan nr.2 en 3)’, (4A/65/ZG), 20 januari 1965.

[60] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.573. Generaal-majoor G.H. Christan, 4 Divisie, ‘Oefening Colloquium (discussie operatieplannen nr.2 en 3)’, (G3/001/A/65/ZG), 14 januari 1965.

[61] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.573. Generaal-majoor G.H. Christan, 4 Divisie, ‘2e wijziging operatieplan nr.3’ (G3/002/E/ZG), 28 februari 1966.

[62] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.573. Generaal-Majoor G.H. Christan, 4 Divisie, ‘1e wijziging operatieplan nr.3’ (G3/002/D/66/ZG), 15 februari 1966.

[63] Er zijn weinig details bekend over S-hour/Selective Release. Het concept wordt onder andere genoemd in NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.227. Brigade-generaal M.C. Schram de Jong, 1 Legerkorps, ‘Tactisch gebruik 8”-hw eenheden met atoomcapaciteit’ (Art/64/12305), 17 juni 1964; NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr. 573. Christan, ‘Oefening Colloquium (discussie operatieplannen nr. 2 en 3)’.

[64] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.40. Luitenant-kolonel C.Kolff, 1 Legerkorps, ‘Jaarverslag 1966’ (G1/67/2030/K), 25 januari 1967.

[65] Zie voor de invoering en impact van flexible reponse in de Koninklijke Landmacht ook Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 230-240.

[66] Hoffenaar et al., Vuur in beweging, 185-186.

[67] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.573. Generaal-majoor F.E. Meynderts, 4 Divisie, ‘Operatieplan nr. 3R en 3J’ (G3/007/J/68/ZG), 15 juli 1968.

[68] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.573. Generaal-majoor F.E. Meynderts, 4 Divisie, ‘Operatieplan nr. 5’, (G3/007/T/68/ZG), 19 september 1968; Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, 230-233.

[69] Er is in het kader van dit artikel geen onderzoek gedaan naar de 1Lk operatieplannen na 1968. Zie voor meer informatie over die plannen Hoffenaar en Schoenmaker, Met de blik naar het oosten, met name 352-357.

[70] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.376. Generaal-majoor D.C. de Vries, 1 Divisie, ‘Rapport oefening “Side Step”’, (G1/159/40/59/Geheim), 30 september 1959.

[71] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.400. Generaal-majoor D.C. de Vries, 1 Divisie, ‘Verslag oefening “Gentleman’s Relish”’(G3/329/34/61/Geheim), 5 mei 1961. Bij een aanvraag voor atoomsteun moest een berekening geleverd worden, die onder andere specificeerde welk kilotonnage, afstand tot doel en springhoogte nodig waren. Een van de problemen was dat die berekening afhankelijk was van de artilleriestelling van waaruit het kernwapen verschoten zou worden. Commandanten konden echter niet steeds bijhouden waar die stellingen waren tijdens een mobiel gevecht.

[72] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.39. Luitenant-kolonel J.C.M. Smits, 1 Legerkorps, ‘Verslag Artillerie bespreking 3 februari’ (G3/66/21222), 17 februari 1966.

[73] Zie bijvoorbeeld Daalmeijer, ‘Wat iedere (taktische) commandant moet weten van taktische atoomwapens’.

[74] Zie bijvoorbeeld: NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.436. Generaal-majoor J.A.C. Bartels, 1 Divisie/1 Legerkorps, ‘Bespreking waarschuwingstijd inzet kernwapens’, (NBC/02/67/Geheim), 25 oktober 1967.

[75] Luitenant-kolonel van de Generale Staf Heslinga had in 1964 in een ongewoon kritisch artikel al geconcludeerd dat de procedures - die noodzakelijk waren voor de veiligheid van eigen troepen - ernstige problemen veroorzaakten en waarschijnlijk zouden blijven veroorzaken. Luitenant-kolonel R.J.W. Heslinga, ‘Problematiek van kernwapeninzet’, in: Militaire Spectator 133 (1964) (5) 204-210.

[76] Zie bijvoorbeeld: NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.34. Majoor F. Henner, 1 Legerkorps/1 Divisie/4 Divisie, ‘Jaarverslagen 1960’ (G1/5277/B), 1 maart 1961.

[77] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.551. Generaal-Majoor G.H. Christan, 4 Divisie, ‘Eindverslag oefening “Varus-Een”’, (G3/1585/-/Geheim), 3 april 1964.

[78] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.400. Staf 1 Divisie, ‘Verslag oefening “Boem-Rang”’, (G3/328A/37B/66/Geheim), 11 november 1966. Dergelijke incidenten kwamen voor gedurende de gehele periode beschreven in dit artikel.

[79] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.537. Kolonel J.K.L. Koch, 4 Divisie, ‘Verslag oefening “Edel-Draak”’, (G3/00089/H/67/Confidentieel), 3 juli 1967.

[80] Zie over het gebrek aan discussie bij politiek en militairen De Geus, Staatsbelang en krijgsmacht, 103; Starink, ‘De nuclearisering van de krijgsmacht’, 96-98; Hellema, Nederland in de wereld, 194-195. Deze conclusie wordt voor wat betreft de Koninklijke Landmacht ook getrokken in Heslinga, ‘Problematiek van kernwapeninzet’; Kapitein R.C.G.S. Sonnenburg, ‘Meningen van Anderen. Problematiek van kernwapeninzet’, in: Militaire Spectator 133 (1964) (9) 449-450.

[81] De Geus, Staatsbelang en krijgsmacht, 103.

[82] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.521. Generaal-majoor J.H. Couzy, 4 Divisie, ‘Vaste orders 4 Divisie’, 1 april 1955.

[83] NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.537. Kolonel B. Koning. ‘Bundels oefening “Voorwaarts”’, 5 maart 1954.

[84] Zie bijvoorbeeld NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.572. Generaal-majoor G.H. Christan, 4 Divisie, ‘Operatiebevel nr.12’ (G3/152/-/ZG), 22 juli 1963 en NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr. 573. Christan, ‘Oefening Colloquium (discussie operatieplannen nr. 2 en 3)’. Met name de West-Duitse (civiele) politie en vanaf begin jaren zestig Wehrbereichskommando II (territoriale militaire autoriteit) speelden een belangrijke rol.

[85] Heslinga, ‘Problematiek van kernwapeninzet’; Sonnenburg, ‘Meningen van Anderen. Problematiek van kernwapeninzet’. Voor de constraints policy in een operatieplan, zie bijvoorbeeld NL-HaNA, Staf 1e Legerkorps, 2.13.148, inv.nr.573. Christan, ‘2e wijziging operatieplan nr. 3’. Divisieartillerie beschikte vermoedelijk over kernwapens tot 10-15 kt - legerkorpsartillerie tot 30 kt.

[86] Zo stelde in een lezing in 1958 al een majoor van de Generale Staf. W.F.G. Stein ‘Veldartillerie in heden en toekomst’, in: Orgaan van de Vereniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap 1957-1958 (5) 145-170.

Home achtergrond: 
Foto Beeldbank NIMH