Geweld en oorlog in Indonesië

Achter de schermen bij het Indië-onderzoek

Hoe tel je slachtoffers van een conflict dat zo’n 70 jaar geleden speelde? Welke bronnen, die vaak zijn opgesteld in een fog of war, zijn betrouwbaar? Tijdens de publieksbijeenkomst ‘Onderzoek in uitvoering’ in het Nationaal Archief op 2 november 2019 stonden onder andere deze vragen centraal.[1]

Maarten Katsman

Drie instituten werken samen in een grootschalig onderzoeksproject naar het geweld voorafgaande aan de Indonesische onafhankelijkheid: het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Zij willen in hun project Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950 ‘een wetenschappelijk gefundeerd antwoord geven op vragen naar de aard, omvang, oorzaken én impact van het Nederlandse geweld, bezien in een brede politieke, maatschappelijke en internationale context’.[2]

Indie-onderzoek NIMH NIOD KILTV

De workshop Strikt vertrouwelijk! De invloed van internationale diplomatie op de Indonesische onafhankelijkheid. Foto NIOD, Marcel Israel

Het project begon in september 2017 en loopt tot september 2021, waarna de resultaten worden gepubliceerd in een overzichtswerk, bundels en monografieën. Nu, ruwweg halverwege de looptijd van het onderzoek, geven de onderzoekers een inkijkje in hun methoden en de hindernissen waar zij tegenaan lopen. Hieronder volgt een kleine greep uit het zeer uitgebreide programma van de publieksbijeenkomst.

Meer perspectieven

Na een korte introductie door Marens Engelhard, directeur van het Nationaal Archief, gaf Frank van Vree (directeur NIOD, penvoerder van het project) een toelichting op het onderzoeksproject. Hij benadrukte dat dit project geen onderzoek is naar de volledige Nederlandse koloniale geschiedenis, en het geweld en racisme die daarmee verbonden zijn. Wel is er aandacht voor de bredere historische context. Zo is het van belang te beseffen dat de fundamenteel ongelijke samenleving die Nederlands-Indië voor de oorlog was, een cruciale factor vormt in het begrijpen van het geweld tussen 1945-1950.

Het project tracht nuance aan te brengen door samen te werken met Indonesische en andere buitenlandse wetenschappers. Hiermee wordt het ‘normale’ eurocentrische perspectief ontweken. Internationale projecten kijken bijvoorbeeld naar lokale en regionale effecten van de oorlog in Indonesië en vergelijken die met andere onafhankelijkheidsoorlogen in die tijd.

Indie onderzoek NIMH NIOD KILTV

Brenschutter voor een brandende woning tijdens de Eerste Politionele Actie. Foto Beeldbank NIMH

Het doel van de publieksbijeenkomst, aldus Van Vree, was om door middel van workshops en lezingen mee te kunnen kijken met de onderzoekers en om ideeën uit te wisselen over de bronnen die zij (kunnen) gebruiken.

Fog of war

Mogelijk problematische bronnen kwamen aan de orde in de workshop door Azarja Harmanny (NIMH): ‘Zonnestraal heeft doel bereikt’: militaire rapportage als historische bron. Harmanny’s onderzoek richt zich op het gebruik van ‘technisch geweld’ (luchtaanvallen, artilleriebeschietingen).[3] Militaire rapportages, beschrijvingen die zijn opgesteld door eenheden die operaties uitvoeren, geven soms gedetailleerde gegevens over de inzet van wapens, de slachtoffers, buitgemaakt materieel, en de behaalde doelstellingen. Aan de hand van een casus maakte hij inzichtelijk wat de valkuilen kunnen zijn van deze officiële rapportages. Zo kunnen slachtofferaantallen sterk afwijken van de melding daarvan in andere bronnen. Waarmee overigens niet vaststaat dat die andere bronnen dan wél betrouwbaar zijn. Zoals altijd moet de historicus zich bewust zijn van de belangen van de opsteller van een bron. Spelen er propagandadoeleinden mee, om met cijfers de werkelijkheid beter of slechter voor te laten stellen dan die is?

Onwetendheid of achteloosheid kunnen ook voorkomen. Zo kwam tijdens de workshop een gruwelijk voorbeeld ter sprake, waarbij Nederlandse militairen gesneuvelde Indonesische strijders onthoofdden. Nederland vermoedde namelijk dat er Japanners meestreden aan Indonesische zijde. De hoofden moesten dienen als bewijs dat het om Japanners ging, door ze te tonen aan de Commissie van Goede Diensten (CGD) van de Verenigde Naties, die toezicht hield op de wapenstilstand na de eerste Politionele Actie. Een militair verwoordde deze bewijsvoering in zijn memoires: ‘Ik moet zeggen een lichaam zonder kop is een lullig gezicht. De C.G.D. was wel overtuigd.’ In werkelijkheid waren het echter toch Indonesiërs. Door alleen af te gaan op het simpele uiterlijke kenmerk van kaalgeschoren hoofden namen de Nederlanders aan dat het Japanners waren, terwijl de andere bronnen wijzen op Indonesische cadetten. Die schoren, in tegenstelling tot ‘gewone’ strijders, hun hoofden kaal.

Indie onderzoek NIMH NIOD KILTV

Sessie van het Nationaal Archief: Wegwijs in de stamboeken van het KNIL. Foto NIOD, Marcel Israel

Ten slotte moet men rekening houden met de fog of war: nachtelijke operaties, slecht weer, of algemene chaos tijdens de strijd kunnen onjuiste of misleidende informatie opleveren. Hierdoor zal de waarheid over sommige incidenten nooit helemaal te achterhalen zijn.

Kwantificeren              

Ron Habiboe (fellow bij een van de deelonderzoeken)[4] probeert in kaart te brengen hoeveel slachtoffers er zijn gevallen tijdens ‘bersiap’, het extreme geweld tegen (Indische) Nederlanders in de periode kort na de Japanse capitulatie. Habiboe benadrukte in de sessie Slachtoffers tellen dat het niet alleen om kwantificeren gaat, maar ook om het geven van een gezicht aan slachtoffers en daders. Er worden zoveel mogelijk gegevens gezocht en met elkaar vergeleken om tot een zo compleet mogelijk beeld te komen, niet alleen van de hoeveelheid slachtoffers, maar ook van wie dat dan waren.

Indie onderzoek NIMH NIOD KITLV

Begrafenis van een Nederlandse luitenant in Nederlands-Indië in 1947. Foto Beeldbank NIMH

Wat betreft namen biedt het Slachtofferregister van de Oorlogsgravenstichting een eerste aanknopingspunt om gegevens over deze periode (1945-1946) te krijgen. Veel namen die uit andere bronnen naar voren komen ontbreken echter in dit register, waarmee duidelijk is dat meer onderzoek nodig is. De onderzoekers gebruiken het datamanagementsysteem NodeGoat als hulpmiddel om uiteindelijk de gegevens inzichtelijk te maken voor analyse. Daarmee kunnen personen en gebeurtenissen tijdens ‘bersiap’ geordend of gevisualiseerd worden op geografische, relationele, en chronologische wijze.

‘Slachtoffers tellen’ is niet gemakkelijk, omdat ook hier geldt dat ooggetuigenverslagen soms niet betrouwbaar zijn, of gewoonweg niet specifiek genoeg. Wat betekent ‘een stapel lijken’? Klopt het wel als iemand in een traumatische situatie ‘honderden executies’ waarneemt op één dag? Daarnaast is het moeilijk om namen te achterhalen: veel mensen waren in die tijd niet geregistreerd, soms is er alleen een voornaam bekend, of er worden verschillende schrijfwijzen gehanteerd.

Rond het onderzoeksprogramma zijn vaker publieksbijeenkomsten georganiseerd, die verhitte discussies en kritiek teweegbrachten.[5] Door het ontbreken van paneldiscussies of debatten en de focus op de praktische kant van het onderzoek was dat ditmaal veel minder het geval.

 

[1] Publieksbijeenkomst ‘Onderzoek in uitvoering. Achter de schermen van het onderzoeksprogramma Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’, Nationaal Archief in Den Haag, 2 november 2019.

[2] Zie https://www.ind45-50.org/over-het-onderzoeksprogramma.

[3] Zie https://www.ind45-50.org/de-toepassing-van-technisch-geweld-tijdens-de-d....

[4] Zie https://www.ind45-50.org/geweld-bersiap-berdaulat-transitie-1945-1946.

[5] Frans van Nijnatten, ‘Kick-off onderzoek dekolonisatieoorlog in Indonesië’, in: Militaire Spectator 186 (2017) (10) 470-472; A. Hoets, ‘Dekolonisatie, rekolonisatie? Het is bezetting en herbezetting’, in: Militaire Spectator 187 (2018) (9) 474-478.