De dekolonisatie van Nederlands-Indië 1945-1950

Thijs Brocades Zaalberg en Bart Luttikhuis schreven een reactie op mijn commentaar in de Militaire Spectator op de recensie van Henk de Jong. In die reactie staat een opsomming van uitingen ad hominem, met aantijgingen, valse beschuldigingen en verdachtmakingen. Het geeft blijk van het niet kunnen velen van kritiek, noch die kunnen pareren en zich verlagen tot het zaaien van twijfel over de persoon van de opponent.

Ik loop langs de hoofdpunten van mijn eerdere commentaar en de reactie daarop van Brocades Zaalberg en Luttikhuis. Het eerste punt is de onderzoeksopdracht uit de regeringsbrief d.d. 2 december 2016. In die brief  staat dat een zo volledig mogelijk beeld van de periode 1945-1950 in Nederlands-Indië moet worden beschreven. Daarin staat het Nederlandse geweld niet centraal. Het kabinet wenst dat ook de inzet van Nederlandse militairen, waarbij geen of nauwelijks geweld aan de orde was, wordt onderzocht. De Bersiap is een belangrijk deel van het onderzoek. Brocades Zaalberg en Luttikhuis schrijven in hun reactie echter dat in het lopende onderzoek de aard, omvang en oorzaken van het Nederlandse geweld nadrukkelijk wel centraal staan. Dat is in strijd met de regeringsbrief. Daarin staat dat het boek van Rémy Limpach, De brandende kampongs van Generaal Spoor, slechts de aanleiding tot het onderzoek is, niet het uitgangspunt.[1] Brocades Zaalberg en Luttikhuis maken duidelijk in hun reactie dat de benadering in dit boek wel het uitgangspunt van het onderzoek is.

Brocades Zaalberg en Luttikhuis hebben goed gezien dat mijn commentaar de situatie in Nederlands-Indië betreft. Dat leidt bij hen tot ophef en beschuldigingen. Dat is opmerkelijk. Daarnaast is uit de literatuur bekend dat er geen twee koloniale systemen zijn die echt vergelijkbaar zijn. Spaans, Portugees, Duits, Frans, Brits, Amerikaans, Nederlands: alle hadden andere karakteristieken en andere uitingen. De Britten hadden clubs met teksten als: ‘verboden voor honden en Indiërs’, Fransen hadden in verhouding veel relaties met de lokale bevolking. Appels en peren. Je kunt de historische context niet weglaten en alleen over geweld in allerlei variaties schrijven van één van de actoren. Dat is onvolledig, eenzijdig en geen zorgvuldig onderzoek.

Als je vergelijkingen wilt maken tussen de situatie in Nederlands-Indië en die in andere landen, moeten de beschrijvingen van elk onderscheiden land wel kloppen. Elke beschrijving dient uit te gaan van de historische context, te zijn gebaseerd op een gedegen bronnenonderzoek, daaruit afgeleide feiten en de reconstructies die op basis daarvan zijn beschreven. Daarvan is bij Brocades Zaalberg en Luttikhuis echter geen sprake. Ik licht dat toe.

Het centrale begrip ‘extreem geweld’ wordt niet duidelijk omschreven. In de BMGN-publicatie van Brocades Zaalberg en Luttikhuis was notabene ‘gezond verstand’ de wetenschappelijke basis voor dat begrip. Dat is in strijd met het principe Zorgvuldigheid, dat optimale precisie eist. In hun reactie is het vaagheid troef. Nu gaat het over: ‘onder meer definiëren en afbakenen als bewust gericht tegen non-combattanten, inclusief gevangenen’. Ze introduceren een rechtmatigheidselement dat ook vaag is door te verwijzen naar ‘de bredere kaders van humanitair oorlogsrecht en mensenrechten die deels al bestonden, maar eind jaren veertig sterk in ontwikkeling waren’. Om het centrale begrip ‘extreem geweld’ optimaal te kunnen preciseren is dus een toets aan de militaire noodzaak, de proportionaliteit en rechtmatigheid vereist. Brocades Zaalberg en Luttikhuis  werken die begrippen niet uit.

In de eerste casestudy in de BMGN-bundel wordt beweerd dat Nederlandse militairen systematisch wreedheden begingen die werden verdoezeld en weggewerkt door middel van manipulatie van informatie, het organiseren van desinformatie en het managen van schandalen met als achterliggende doelstelling het herstellen van de koloniale verhoudingen. Die achterliggende doelstelling is onzin. Duidelijk is dat het Nederlandse beleid was gericht op dekolonisatie. Onderdeel van de onderhandelingen en de militaire strijd daarover was de manier waarop en het tempo waarin. De onderbouwing met de affaire-Pesing en het optreden van kapitein Westerling op Zuid-Celebes klopt derhalve niet. Op de website www.dekolonisatie-nedindie.nl staan twee publicaties die relevant zijn.[2] Daaruit blijkt dat noch in de affaire-Pesing, noch in het optreden van kapitein Westerling op Zuid-Celebes enige onderbouwing voor dat standpunt is te vinden.

Als verkrachting aan de orde komt hebben Brocades Zaalberg en Luttikhuis  het over een analytische focus van de onderzoeker. Er staan in die bijdrage veel onzekerheden. Er wordt aangegeven dat de gegevens onvolledig zijn, incorrect  en multi-interpretabel. Het dient mijns inziens te gaan over de feiten op grond van betrouwbare bronnen. Op grond daarvan blijkt dat er in Nederlands-Indië aan Nederlandse kant weinig verkrachtingen waren. Die werden ook vervolgd. Hoe dat zat bij de andere kant is niet onderzocht. Als reden daarvoor wordt opgegeven dat dit ‘in de context van dit NIAS-project’ niet mogelijk’ zou zijn geweest. Dan kunnen er dus ook geen gefundeerde conclusies worden getrokken.

In de derde casestudy is sprake van een vaag centraal begrip (‘technisch geweld’) en eenzijdige concentratie op alleen inzet aan Nederlandse kant. Ik heb in mijn vorige reactie aangegeven dat de aanval op Wonosari (10 maart 1949) geen argument oplevert voor de stelling dat straffeloosheid de oorzaak is van de inzet van ‘technisch geweld’. Ook de zogenoemde Pasundan-kwestie is daarvoor geen argument. Brocades Zaalberg en Luttikhuis gaan daar niet op in. Ook de vierde casestudy, over microdynamiek en revolutionair en contrarevolutionair geweld, levert geen argumenten voor de opvatting dat structurele straffeloosheid de oorzaak van het extreem geweld was. Ook hier is er een eenzijdige beschrijving van alleen de Nederlandse kant. En ook hier is de historische context niet duidelijk beschreven.

Brocades Zaalberg en Luttikhuis baseren zich op: ‘het feit dat veel politieke en militaire leiders – maar zeker ook in lagere rangen – ook toen geweldsontsporingen wel degelijk al herkenden, meestal afkeurden en veroordeelden’. Zij komen op de proppen met een dagboek van een pelotonscommandant. En dat is hun basis voor: ‘veel politieke en militaire leiders’. Er is meer onderbouwing met betrouwbare bronnen en feiten nodig om dergelijke forse conclusies te trekken.

Brocades Zaalberg en Luttikhuis besluiten met de opmerking dat ik dit systeem van straffeloosheid niet wil inzien. Maar zonder bewijs bestaat dat systeem slechts in hun verbeelding. Dit leidt tot de conclusie dat niet overtuigend is onderbouwd dat structurele straffeloosheid aan Nederlandse kant de oorzaak was van het voorkomen van geconstateerd extreem geweld. Brocades Zaalberg en Luttikhuis dienen met controleerbare feiten te komen, gebaseerd op betrouwbare bronnen, die wijzen op het tegendeel.

Mr. Bauke Geersing

[1] Rémy Limpach, De brandende kampongs van Generaal Spoor (Amsterdam, Uitgeverij Boom, 2016).

[2] Drs. Cees Somers, ‘Feit of fictie: het ‘framen’ van een reguliere gevechtsactie tot een ‘war crime’ in Nederlands-Indië’; mr. Bauke Geersing, 'Prof. dr. Peter Romijn over Nederlands-Indië: een hersenspinsel gebaseerd op een verontrustend beeld van eenzijdigheid en vooringenomenheid’.