Honderd jaar Maritieme Strategie en Zeetactiek

In 1913 publiceerde luitenant ter zee der 1e klasse G.J.W. Putman Cramer Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek. Het boek geeft een beeld van de Nederlandse marinedoctrine zoals die honderd jaar geleden werd onderwezen. Door het werk van Putman Cramer te vergelijken met huidige inzichten blijkt de dynamiek van marinedoctrine. Opmerkelijk is dat strategische elementen uit het eerste deel van Maritieme Strategie en Zeetactiek ook nu nog relevant zijn, terwijl de tactiek in het tweede gedeelte inmiddels in onbruik is geraakt door technische innovaties in de afgelopen eeuw.

Het jubileumjaar van de Zeestrijdkrachten valt samen met het honderdjarige bestaan van de Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek. Dit boek, geschreven door luitenant ter zee der 1e klasse G.J.W. Putman Cramer, bezat een formele status binnen de Koninklijke Marine. Uit het voorbericht blijkt voor wie het bedoeld was: niet alleen als leerboek voor adelborsten, maar ook voor officieren die hun examen voor luitenant ter zee der 1e klasse voorbereidden. Het geeft een beeld van de Nederlandse marinedoctrine zoals die honderd jaar geleden werd onderwezen. Dit beknopte artikel laat in het midden in hoeverre Putman Cramers werk invloed heeft gehad op de Nederlandse vlootplannen in de twintigste eeuw.[1] Wel zal ik, om de dynamiek van marinedoctrine te schetsen, enkele elementen uit zijn boek vergelijken met huidige inzichten. Deze dynamiek hangt samen met de stand van de techniek, geopolitieke ontwikkelingen en voortschrijdend strategisch inzicht. Na een introductie van de persoon Putman Cramer geef ik de context weer waarin hij het boek schreef. De daarop volgende paragraaf gaat over de meest interessante elementen uit het boek. Dan volgt een beschouwing over wat hij niet behandeld heeft. Ik sluit af met een conclusie over de betekenis van Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek voor deze tijd.

 

Gerhard Joan Wilhelm Putman Cramer

Putman Cramer werd op 18 juni 1875 geboren in Bergen op Zoom. Hij kwam in dienst als adelborst en studeerde in 1903 af als elektrotechnisch ingenieur aan de universiteit van Luik (met Grande Distinction). Tot 1908 was hij belast met de opleiding in de draadloze telegrafie bij de KM. Na bevordering tot luitenant ter zee der 1e klasse in 1911 werd hij leraar aan het Koninklijk Instituut voor de Marine. Tijdens deze plaatsing schreef hij Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek . Van 1916 tot 1919 was Putman Cramer Chef Marinestaf in Batavia. Na bevordering tot kapitein-luitenant ter zee in 1919 wijdde hij zich aan de (verworpen) Vlootwet. In 1922 werd hij benoemd tot commandant van Hr. Ms. Zeeland, waarna hij aan het eind van datzelfde jaar op eigen verzoek met pensioen ging. Daarmee startte hij echter een nieuwe carrière, als secretaris van de Ondernemersraad voor Nederlands-Indië en voorzitter van de Ondernemersraad voor Suriname.[2] Uit de lijst van zijn nevenactiviteiten blijkt dat Putman Cramer een zeer brede interesse aan de dag legde. Zo was hij als marineofficier secretaris van de Tweede Vredesconferentie in Den Haag (1907) en de maritiem expert van de Nederlandse delegatie bij de Ontwapeningsconferentie in Washington (1920-1921).[3] Hij overleed op 21 april 1949 in Wassenaar.  

 

De context van het boek

Wat was de stand van de techniek in 1913? Stoomschepen hadden hun intrede gedaan en zuigermachines hadden plaatsgemaakt voor stoomturbines.[4] Optimaal manoeuvreren ten opzichte van de wind was niet meer nodig. De onuitputtelijke bron van energie, de wind, was vervangen door steenkool. Dit bracht de noodzaak met zich mee te bunkeren bij steunpunten; het overnemen van steenkool op zee stond nog in de kinderschoenen.[5] Vloeibare brandstof was in opkomst.

Weliswaar hadden zeestrijdkrachten de zeiltijd achter zich gelaten, toch leken artillerieduels nog veel op klassieke liniegevechten. Op grotere afstand, dat wel, maar nog steeds voeren oorlogsschepen bij voorkeur in kiellinie, met een maximaal schootsveld over de bredezij. Torpedo’s bestonden al, maar hadden tussen oppervlakteschepen door de grote lanceerafstanden geringe trefkans. Onderzeeboten daarentegen konden hun doelen dichter naderen en bedienden zich daardoor met meer succes van dit wapen. Zeemijnen vonden eveneens toepassing.

Het oog was het enige waarnemingsmiddel. Radar en sonar bestonden nog niet en verkenning vanuit de lucht gebeurde alleen boven land met waarnemingsballonnen. Snelle, lichtbewapende kruisers moesten de vijand verkennen. Radiotelegrafie bestond al, zodat de hoofdmacht de vijandsmeldingen wel buiten zichtafstand kon ontvangen. Als het tot een treffen kwam moesten schepen zo snel mogelijk ingeschoten raken. Dat was geen eenvoudige opgave, want zowel afstandsmeting als aanslagwaarneming gebeurde visueel. Slecht zicht, rook van de kolengestookte ketels en kruitdampen konden dit ernstig belemmeren. De wedloop tussen kalibers en bepantsering was volop gaande. De holle lading, die bepantsering kan doorboren, was nog niet in gebruik.

Gerhard Putman Cramer (tweede van links) in 1914 met andere vlootofficieren op de Marinekazerne in Amsterdam
Credit: Foto Beeldbank NIMH

 

Het boek

In tegenstelling tot het twee jaar eerder verschenen Some Principles of Maritime Strategy van Julian S. Corbett, waarvan het Engels nog steeds verrassend modern overkomt, oogt Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek gedateerd. Gebruik van naamvallen, dubbele klinkers en lange citaten in het Frans maken nu een ouderwetse indruk. De notatie voldoet niet altijd aan de huidige wetenschappelijke eisen. Zo schrijft Putman Cramer steeds over gewicht en mijlen, waar hij massa en knopen (of zeemijlen per uur) bedoelt. Ook de noten in het boek zijn schaars en onvolledig. Voor aanhangers van het marinejargon ‘kanons’ is het verrassend dat hij over ‘kanonnen’ schrijft.

Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek bestaat uit twee delen: het eerste deel gaat over strategie en het tweede over tactiek. Ik behandel de meest interessante elementen uit deel een en laat deel twee over tactiek buiten beschouwing, aangezien dit zijn relevantie heeft verloren.

Putman Cramer begint met definities van krijgskunde, strategie en tactiek en schrijft: ‘De krijgskunde is geen positieve wetenschap, wèl omvat zij een samenstel van beginselen en regelen, die – getoetst aan de resultaten daarmede sinds onheuglijke tijden verkregen – in hun wezen steeds onveranderd zullen blijven en als onomstotelijke waarheden aangenomen kunnen worden, maar tevens omvat zij een voortdurend veranderend element.’ Hij noemt alleen strategie en tactiek als ‘hoofdwetenschappen van de krijgskunde’.[6] Het operationele niveau van militair optreden bestond feitelijk nog niet in 1913. Dit niveau van de militaire campagne kwam pas in 1920-1930 in de landoorlog tot ontwikkeling. De eerste maritieme campagnes dateren van de Tweede Wereldoorlog.[7] De strategische hiërarchie onderscheidt inmiddels vijf niveaus: het politiek-, militair- en operationeel-strategische niveau en het tactische en technische niveau. De laatste twee noemt Putman Cramer de ‘toegepaste’ en de ‘elementaire tactiek’.[8] Hij stelt feitelijk dat de hogere strategische niveaus een onveranderlijk element kennen en dat de lagere niveaus wel sterk aan verandering onderhevig zijn, voornamelijk door technologische ontwikkelingen. Zijn boek zelf bevestigt dit: strategische elementen uit het eerste deel hebben relevantie tot op heden, terwijl de tactiek in het tweede gedeelte inmiddels in onbruik is geraakt door technische innovaties in de afgelopen honderd jaar.

Putman Cramer blijkt zijn klassieken te kennen: hij noemt onder meer Von Moltke, Von Clausewitz, Napoleon en Mahan en diens belangrijkste werk uit 1890: The Influence of Sea Power upon History 1660-1783.[9] Twee strategische denkers, die thans als invloedrijk gelden, ontbreken echter: Sun Tzu en Corbett. Van De Kunst van het oorlogvoeren van Sun Tzu verscheen de eerste vertaling in de westerse wereld in 1772 in Parijs onder de naam Art Militaire des Chinois, vertaald door de Franse jezuïet J.J.M. Amiot. Het werk kreeg lovende kritieken, maar raakte daarna in de vergetelheid. Pas in 1905 deed kapitein E.F. Calthrop een eerste moedige, doch gebrekkige poging Sun Tzu in het Engels te vertalen, gevolgd door een revisie in 1908. Zijn werk werd hevig bekritiseerd door de sinoloog Lionel Giles, die in 1910 een eigen versie uitbracht. Een eerste Duitse vertaling van Bruno Navarra verscheen in hetzelfde jaar.[10] Het belangrijkste werk van Julian Corbett , Some Principles of Maritime Strategy, kwam uit in 1911. Aangezien beide werken betrekkelijk kort voor Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek in het buitenland verschenen, lijkt het waarschijnlijk dat Putman Cramer er geen kennis van heeft gehad. Hij refereert namelijk op geen enkele wijze aan beide denkers.

Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek steunt vooral op de denkbeelden van Mahan. Vermeldenswaardig is een door Putman Cramer vertaalde quote van Mahan: ‘Maritieme strategie heeft inderdaad tot doel het stichten, steunen en vermeerderen, zoowel in vredes- als in oorlogstijd, van de zeemacht van een land, en daarom is hare bestudeering belangrijk en waardevol voor al de burgers van een vrij land, maar vooral voor hen, die belast zijn met de buitenlandsche en militaire betrekkingen van dat land.’ In een voetnoot voegt Putman Cramer eraan toe: ‘De instelling van een lectoraat voor het onderwijs in de krijgswetenschap aan elk onzer universiteiten is in 1906 door het bestuur der Vereeniging tot beoefening van de krijgswetenschap per request aan H.M. de Koningin verzocht.’[11] Net als Mahan benadrukt Putman Cramer het belang van maritieme strategie als vakgebied.

In het hoofdstuk over het Verband tusschen politiek en strategie geeft Putman Cramer een voorbeeld, om te illustreren dat mogelijke oorlogsgevallen afhangen van geografische ligging: ‘Zoo zal, om een uiterst geval te noemen, Nederland zich nooit hebben voor te bereiden op een gewapend conflict met Zwitserland of Servië.’ Hoewel Putman Cramer stellig het woord ‘nooit’ gebruikt, nam Nederland nog diezelfde eeuw deel aan een gewapend conflict tegen Servië. Zijn andere argument, dat oorlogen kunnen voortvloeien uit de botsing van politieke of economische belangen, lijkt meer tijdloze geldigheid te bezitten.[12]

Over maritieme allianties schrijft hij dat de totale kracht van een bondgenootschap minder zal zijn dan de som der krachten van de afzonderlijke  bondgenoten: ‘In de eerste plaats zullen de verschillende bondgenooten, al is hun gemeenschappelijk doel het overwinnen van de vijand, er meermalen op bedacht zijn hunne bijzondere belangen te beschermen, welke belangen voor de deelnemers zeer uiteen kunnen loopen; zulks moet natuurlijk ten nadeele der gemeenschappelijke actie komen.’ Hij voegt hieraan toe dat de bundeling van scheepsmachten van verbonden staten, door hun verschillende militaire tactische vorming en leiding, steeds een kiem van zwakheid in zich draagt.[13] Dit staat haaks op moderne opvattingen over synergie, die regionale organisaties als bijvoorbeeld de NAVO en EU nastreven. Toch heeft de geschiedenis van de Slag in de Javazee Putman Cramer gelijk gegeven. Bijna dertig jaar na het verschijnen van zijn boek leed de Amerikaans- Brits-Nederlands-Australische Striking Force onder bevel van schout-bij-nacht Doorman een fatale nederlaag (1942). Deze was grotendeels te wijten aan de multinationale samenstelling van de Striking Force.[14] De efficiencywinst die bondgenoten kunnen behalen ten tijde van vrede is kennelijk geen maat voor de effectiviteit in tijd van oorlog.

 

 Putman Cramer besteedt in het hoofdstuk Kustverdediging ook aandacht aan de blokkade en merkt op dat de zich technisch snel ontwikkelende onderzeeboten ‘in handen van bekwame en stoutmoedige commandanten (…) eene krachtige bedreiging’ en een gevaarlijk wapen kunnen gaan vormen

 

Het hoofdstuk Maritieme strategie opent met twee opvattingen over de samenstelling van de scheepsmacht. Ten eerste ‘Met de daarvoor beschikbaar gestelde geldmiddelen een zoo krachtig mogelijke krijgsmacht te scheppen, die, zo goed als met deze verkregen macht mogelijk is, berekend is voor haar taak.’[15] Deze opvatting voert honderd jaar later de boventoon. De belangrijkste parameter voor de instandhouding van de krijgsmacht is thans het (krimpende) budget. Gezien het tempo waarmee dit budget thans omlaag gaat, is het echter zeer de vraag of Nederland daarmee ook een krachtige krijgsmacht in stand kan houden.

De tweede opvatting noemt Putman Cramer: ‘Na te gaan welke de strijdmacht moet zijn, die in de waarschijnlijk voorkomende gevallen noodig zal wezen tot het bereiken van het doel, welk doel voor ons is: het verdedigen van Nederland en Koloniën en het handhaven van de neutraliteit, en te trachten met inspanning van alle krachten zooveel mogelijk te naderen tot deze noodige sterkte.’ Dit is de koninklijke weg: de doelstellingen op politiek-strategisch niveau vertalen naar middelen op militair-strategisch niveau. Hij voegt hieraan toe dat dit waarschijnlijk onbereikbaar zal blijven en haalt daarbij Johan de Witt aan die tweeënhalve eeuw eerder klaagde over ‘het Hollandsche karakter, dat alleen dàn geld wilde geven voor de landsverdediging, wanneer het oorlogsgevaar dreigend voor de deur stond.’ Maar, zo concludeert hij, ‘de geheele historie, ook de onze, leert het, dat geen opoffering – hoe groot ook – tijdens den oorlog, goed kan maken het gebrek aan eene voortdurende, intensieve en systematische voorbereiding tot den oorlog.’[16]

Putman Cramer besteedt slechts een halve bladzijde aan wat we nu joint optreden noemen; in zijn tijd de samenwerking tussen marine en landmacht.[17] In navolging van Mahan blijft bij Putman Cramer de samenwerking tussen de krijgsmachtdelen onderbelicht en amfibisch optreden komt zelfs helemaal niet aan bod. Mahan en ook Putman Cramer waren daarin overigens niet uniek. Clausewitz heeft, andersom, in het geheel geen aandacht besteed aan maritiem optreden. Het is de verdienste van Corbett, dat hij wèl daadwerkelijk de integratie van zee- en landstrijdkrachten behandelt: ‘Since men live upon the land and not upon the sea, great issues between nations at war have always been decided—except in the rarest cases—either by what your army can do against your enemy's territory and national life or else by the fear of what the fleet makes it possible for your army to do.’[18] De strijd om Nederlands-Indië kan wederom als voorbeeld dienen, want daar is joint optreden nauwelijks in praktijk gebracht. De verschillende krijgsmachtdelen traden daar in vergaande mate afzonderlijk op.[19]

Ondanks zijn focus op eenzijdig zeeoptreden benadrukt Putman Cramer wel het algemene belang van een goede strategie: ‘Want de tactiek is slechts in zéér, zéér enkele gevallen in staat de nadeelen goed te maken door eene slechte strategie teweeggebracht.’[20] Sun Tzu stelde het belang van strategie al boven het belang van tactiek: ‘Thus, what is of supreme importance in war is to attack the enemy’s strategy.’ Daaraan ondergeschikt noemt Sun Tzu het ontregelen van bondgenootschappen en dan: ‘The next best is to attack his army.’[21]

 

Wat Putman Cramer niet behandelt

Inleiding tot Maritieme Strategie en Zeetactiek gaat vooral over het treffen van vloten in een interstatelijk conflict. In essentie is bij Putman Cramer sinds de Engelse oorlogen van de zeventiende en achttiende eeuw niet zoveel veranderd: strategie en tactiek draaien vooral om grote oppervlakteschepen die in artillerieduels de beheersing van de zeeën bevechten. Ook hij ontkomt niet aan de heersende nadruk op beslissende zeeslagen, het navalisme van het begin van de twintigste eeuw, wat een uitvergroting is van de denkbeelden van Mahan.[22]

Putman Cramer behandelt een aantal zaken niet. Eerder noemde ik al amfibische operaties, terwijl de mariniers toch al sinds 1665 bestaan. Hij rept met geen woord over optreden tegen niet-statelijke actoren, zoals zeerovers. Assistentie bij natuurrampen komt evenmin aan de orde. De strategieën van de Franse Jeune Ecole uit de late negentiende eeuw ontbreken, terwijl deze zeer bruikbare asymmetrische elementen bevatten voor een relatief zwakke mogendheid. En dat was Nederland, te midden van grote landen als Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk en tegenover Japan in de Oost.

Andere zaken die nu wel de aandacht vergen van maritieme strategen, waren honderd jaar geleden nog niet aan de orde. In de huidige tijd zijn zowel maritieme belangen, bedreigingen, alsook de tactische inzetmogelijkheden veel complexer geworden. De maritieme belangen zijn toegenomen door verdergaande globalisering. Producten in de schappen van Europese winkels komen vaker van andere continenten. Op de zeebodem liggen (internet)kabels en pijpleidingen. Het Zeerechtverdrag van 1982 heeft de rechten van de kuststaten verruimd. Zij doen rechten gelden in hun Exclusieve Economische Zones, die zich tot honderden mijlen uit hun kusten kunnen uitstrekken. Intensieve visserij, winning van fossiele brandstoffen en windenergie op zee zijn gemeengoed. Zowel zeevarende naties als kuststaten zijn economisch afhankelijker van de zee dan honderd jaar geleden.

De bedreigingen zijn gevarieerder. Het beeld dat Putman Cramer schetst van het interstatelijk conflict is weliswaar dominant geweest tot het einde van de Koude Oorlog, tegenwoordig vormen non-state actors een betrekkelijk nieuwe dreiging op zee. Belangrijke non-state actors zijn criminelen en terroristen. Criminele activiteiten als zeeroverij en mensenhandel zijn al heel oud, maar illegale activiteiten als dumping en terroristische aanslagen op schepen zijn problemen van recente datum. Naast de dreiging van non state actors nemen de ecologische dreigingen toe. Vervuiling, klimaatverandering, tsunami’s en orkanen hebben door bevolkingsgroei en grotere agglomeraties aan de kust een grotere impact dan in 1913. Afgezien van deze nieuwe maritieme dreigingen is de klassieke dreiging niet verdwenen. Zo zijn China en India in opkomst als maritieme mogendheden, met groeiende investeringen in hun zeestrijdkrachten.

Putman Cramer in de rang van KLTZ als afgevaardigde naar de Ontwapeningsconferentie in Washington, D.C., 1921
Credit: Foto Beeldbank NIMH

 

De tactische inzetmogelijkheden zijn ook dramatisch veranderd. Putman Cramer schreef in de nadagen van het eeuwenlang durende fenomeen dat zeeoorlogen met artillerie werden beslecht tussen oppervlakteschepen. Een staat kon tot het begin van de twintigste eeuw volledige beheersing van de zee, Command of the Sea, verkrijgen door de uitschakeling van de oppervlakte-eenheden van de vijand. Daarna is dat onwaarschijnlijker geworden. Als de oppervlaktevloot is uitgeschakeld kan er nog altijd een dreiging onder water zijn van onderzeeboten of zeemijnen, of een dreiging vanuit de lucht. Artillerie is langzamerhand grotendeels verdrongen door raketten, gelanceerd vanaf de kust, van schepen of onderzeeboten, of vanuit de lucht. Torpedo’s zijn geleid en geperfectioneerd en hun dracht is vele malen vergroot. Ook de sensoren zijn verbeterd. Naast het menselijk oog zijn radar en sonar en middelen van Elektronische Oorlogvoering (EOV) nu onmisbare enablers voor wapeninzet.

 

De betekenis van Putman Cramer voor vandaag

Putman Cramer heeft in 1913 een moedige poging gedaan de toen geldende doctrine te boek te stellen, waarvoor hij lof verdient. Zijn boek is verschenen op een scharnierpunt in de tijd: zoals in de voorgaande eeuwen stond bij hem de artillerie nog centraal. Aan belangrijke innovaties zoals het vliegtuig kwam hij niet toe, want bij de uitgave van zijn boek vond de luchtvaart voor het eerst militaire toepassing. Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek was daardoor bij verschijnen eigenlijk al verouderd. Door de vrijwel simultane uitgave van de vertaling van Sun Tzu, De Kunst van het Oorlogvoeren en het hoofdwerk van Corbett, Some Principles of Maritime Strategy, heeft Putman Cramer niet kunnen putten uit de zeer rijke strategische wijsheden van deze grote denkers.

Putman Cramer heeft zich vooral laten inspireren door het denkwerk van Alfred Mahan en wellicht zelfs de uitvergrote vorm daarvan, het Navalisme. Daardoor treden in zijn boek grote oppervlakteschepen en de ‘beslissende zeeslag’ prominent op de voorgrond. Optreden tegen niet-statelijke actoren komt in het geheel niet aan de orde, evenmin als amfibisch optreden. Joint opereren noemt hij slechts in de marge, maar werkt dit verder niet uit.

Bij de bestudering van Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek is het contrast met het hedendaags maritieme optreden treffend. In de afgelopen honderd jaar heeft een ware technologische revolutie plaatsgevonden in sensoren en wapensystemen. Met name door de toepassing van elektronica heeft de afgelopen eeuw zeer veel innovaties met zich meegebracht. Daarvóór waren eigenlijk alleen de artillerie en stoomvoortstuwing de wezenlijke veranderingen sinds de Oudheid. Dit verklaart waarom huidige marines vergaand technisch georiënteerde krijgsmachtdelen zijn. Maar niet alleen de techniek heeft de tactiek en in mindere mate de strategie beïnvloed. Dankzij de bredere toegankelijkheid van strategische denkers bestaat thans een geïntegreerde visie op operationeel, joint en amfibisch optreden. Dit is ook zeer noodzakelijk, gezien de inmiddels complexe belangen- en dreigingsomgeving waarin zeestrijdkrachten moeten opereren.

Niet verwonderlijk heeft de strategische – en niet de tactische – doctrine van Putman Cramer relevantie tot op heden. Strategie verandert immers minder snel dan tactiek. In de eerste plaats wijst hij op de noodzaak de maritieme strategie te bestuderen en adequaat toe te passen. Goede tactiek maakt strategische fouten niet goed. Eén zo’n strategische fout noemt hij met name: alleen het budget als drijvende factor kiezen. Een gedegen strategische analyse zou daarentegen de basis moeten zijn van de samenstelling van de (zee)strijdkrachten. Een tweede interessante observatie is dat hij oorlogen voorziet als gevolg van botsingen van economische belangen. De maritieme strategie moet er dus ook op gericht zijn deze belangen te beschermen en te verdedigen. Tot slot wijst hij erop dat coalities inherent zwak kunnen zijn. Succesvolle samenwerking in vredestijd, op het gebied van logistiek, verwerving, onderhoud en onderwijs en dergelijke impliceert niet dat de coalities ook succesvol zijn in een oorlog.

Putman Cramer geeft vooral een interessante inkijk in de stand van de maritieme strategie en zeetactiek van honderd jaar geleden. Sommige elementen zijn bovendien uitermate actueel. Ook in 2013 verdienen de Nederlandse (economische) belangen een gedegen maritieme strategie. Internationale samenwerking kan daarin een rol spelen, maar is geen panacee voor de bescherming van alle Nederlandse belangen.

 

[1] De geïnteresseerde lezer verwijs ik hiervoor naar het proefschrift van Jaap Anten, Navalisme nekt onderzeeboot. De invloed van buitenlandse zeestrategieën op de Nederlandse zeestrategie voor de defensie van Nederlands-Indië, 1912-1942 (Amsterdam, Pallas Publications, 2011) Vrij te raadplegen op internet.

[2] Tijdschrift Onze Vloot (1949) 97.

[3] P.S. van ’t Haaff en M.J.C. Klaassen, Gedenkboek Honderdjarig bestaan der adelborsten-opleiding te Willemsoord 1854-1954 (Bussum, C.A.J. van Dishoeck, 1954) 170.

[4] Putman Cramer, Inleiding tot de Maritieme Strategie en Zeetactiek (Den Helder, De Boer Jr., 1913) 145.

[5] Putman Cramer, 44.

[6] Putman Cramer, 1.

[7] Joseph Henrotin, Les fondements de la stratégie navale au XXIe siècle (Parijs, Economica, 2011) 336.

[8] Putman Cramer, 5.

[9] Putman Cramer, 3.

[10] Sun Tzu, The Art of War (Oxford, Oxford University Press, 1963) ix-xi.

[11] Putman Cramer, 4.

[12] Putman Cramer, 8.

[13] Putman Cramer, 14.

[14] Ph.M. Bosscher, De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog, deel 2 (Franeker, Van Wijnen, 1986) 296.

[15] Putman Cramer, 17.

[16] Putman Cramer, 18.

[17] Putman Cramer, 29.

[18] J.S. Corbett, Some Principles of Maritime Strategy (Londen, Longmans, 1911) 16.

[19] L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11a (Leiden, Martinus Nijhoff, 1984) 927.

[20] Putman Cramer, 29.

[21] Sun Tzu, 77-78.

[22] G. Teitler, J.M.J. Bosch, W. Klinkert e.a., Militaire strategie (Amsterdam, Mets en Schilt, 2002) 120.