De Scheldekwestie revisited

De geopolitieke en militair-strategische betekenis van de Scheldemonding

Lopend over de Boulevard de Ruyter valt direct de strategische ligging van Vlissingen op. Aan de overkant van de Westerschelde ligt Zeeuws-Vlaanderen. De vaargeul richting havenstad Antwerpen loopt pal langs Vlissingen. Het is alsof de schepen bijna zijn aan te raken. Het is overduidelijk dat het vanuit Vlissingen niet moeilijk moet zijn om de Scheldemonding af te sluiten. Er is in Nederland nergens zo veel strijd geleverd als hier: van de bevrijding van Vlissingen in 1572 tot de opening van de Scheldemonding in het najaar van 1944. In deze bijdrage aan het themanummer over het Korps Mariniers willen we wijzen op het historische belang van de Scheldedelta, zowel politiek als militair.

'We have no eternal allies and we have no perpetual enemies. Our interests are eternal and perpetual, and those interests it is our duty to follow'. Henry John Temple, Viscount Palmerston, 1848.[1]

Dr. V. Enthoven en luitenant-kolonel der mariniers H.J. van der Maas MA*

In 2020 zullen twee mariniers­bataljons, delen van het gevechtssteunbataljon en het amfibisch logistiek bataljon verhuizen naar de Michiel Adriaenszoon De Ruyterkazerne in Vlissingen.[2] Mariniers komen terecht in een van de zwaarst bevochten delen van Nederland. Het is daarom interessant te beschrijven wat zich hier door de eeuwen heen heeft afgespeeld. Zoals gezegd willen we in dit artikel ingaan op het historische belang van de Scheldedelta (geologisch is de Scheldemonding overigens geen delta, maar een estuarium). Vanuit die optiek is het een voor de hand liggende keus om de mariniers in Vlissingen te legeren. Het verhaal wordt thematisch verteld. Het eerste deel gaat over de Nederlandse Opstand, waarbij Zeeland van het centrum van de Lage Landen naar de periferie van de Republiek verschoof. Daarna komen de politieke consequenties hiervan aan de orde en de politieke twisten tussen de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden: de Schelde­kwestie. Vervolgens passeren enkele buitenlandse militaire interventies de revue. Voor de Nederlandse samenleving en defensie is het goed te weten in welke historisch geopolitieke context het Korps Mariniers in 2020 in Vlissingen gaat ‘landen’.

Kaart van de Scheldemonding, met de belangrijkste in de tekst vermelde geografische namen en plaatsen. Bron: SHAPE

Van centrum naar periferie

De Scheldedelta vormde in de zestiende eeuw het kloppend hart van de Lage Landen; de zeventien gewesten die onder landsheer Karel V waren verenigd.[3] Bovenstrooms aan de rechteroever (gezien met de stroom mee) lag Antwerpen, met 100.000 inwoners het economisch centrum. De grote zeeschepen gingen op de Walcherse rede voor anker, waarna de goederen in binnenvaart­schepen van en naar de Scheldestad werden vervoerd. Zeeland lag ingeklemd tussen het minder ontwikkelde Holland en het economisch belangrijke Brabant. Landsheer Filips II was doordrongen van het grote belang van Walcheren: ‘van den voirs. Eylande [Walcheren] daer van notoirlijck dependerende es de naevigatie ende t welvaren van desen onsen Nederlanden’.[4] Maar het gistte en broeide in de Lage Landen: handel en scheepvaart hadden te lijden van de vele oorlogen, nieuwe godsdienstige overtuigingen bloeiden en de gewestelijke bestuurders verzetten zich tegen het centralistische beleid van Brussel. Het verzet verzamelde zich rond Willem van Oranje.

Kaart van het graafschap Zeeland, circa 1600, met middenonder Antwerpen. Bron: gemeente Middelburg

De bevrijding van Zeeland

De Watergeuzen kregen door de verovering van Den Briel (1 april 1572) voor het eerst vaste voet aan de grond in de Lage Landen. Vijf dagen later weigerde de bevolking van Vlissingen drie vendels Spaanse troepen de toegang tot de stad. Vlissingen ging kort daarop over naar de zijde van Willem van Oranje. Veere volgde een maand later. Daarentegen bleef Middelburg de landsheer trouw, terwijl Zierikzee en de rest van Schouwen op 8 augustus 1572 voor Oranje kozen. In Zeeland kreeg de Opstand het karakter van een burger­oor­log.[5] Gedurende de periode mei 1572 tot en met februari 1574 draaide de strijd in de Scheldemonding om Middelburg. De opstandelingen probeerden met een beleg de stad tot overgave te dwingen, terwijl de loyalisten vanuit Antwerpen de belegerde stad trachtten te bevoorraden. Op de Schelde vonden enkele ‘zeeslagen’ plaats. Maar vanuit Veere en Vlissingen heersten de opstandelingen over het water en na een twintig maanden durend beleg gaf Middelburg zich op 18 februari 1574 over. Heel Walcheren was nu in handen van de opstandelingen.[6]

De zeeslag bij Lillo op Pinksterdag, 30 mei 1574. Overwinning van de Zeeuwen onder admiraal Louis Boisot op de Spaanse vloot van Adolf van Haemstede. Links het kleine Spaanse fort Ordam (A) aan de rechteroever van de Schelde. In de verte ligt Antwerpen (B). Bron: Rijksmuseum

Voor de beheersing van de Westerschelde waren gewapende schepen nodig. In het voorjaar van 1574 volgde een eerste maatregel om tot een oorlogsvloot te komen. De vloot bestond toen uit vijftig schepen, waarvan er 32 op de Ooster- en Wester­schelde en voor de Vlaamse kust de wacht betrokken: op station lagen. De overige achttien schepen bleven in reserve om bij calamiteiten direct te kunnen ingrij­pen. ­­­­­De pacificatie van Gent (8 november 1576) maakte vooralsnog een eind aan de openlijke strijd en leidde tot een reductie van de vloot. Het aantal schepen werd teruggebracht naar vijftien, vervolgens tien en slechts drie in oktober 1577. Admiraal over deze ‘vloot’ was sinds februari 1578 Willem Blois van Treslong. Zijn admiraalsschip lag ‘op de wachte op de Honte [Westerschelde] ofte elders daervan noode wesen sal’, om de uit zee komende vaartuigen te doen betalen ‘’t recht van den thol [van Zeeland] ende convoyen’.[7] Gewapende schepen controleerden het scheepvaartverkeer met Brabant en Vlaanderen om zo de betaling van de verschuldigde heffingen af te dwingen. Met de belastinginkomsten uit deze handel werd de Zeeuwse oorlogsvloot gefinancierd.

De val van Antwerpen

In de loop van 1578 namen vooral in de zuidelijke gewesten de spanningen tussen protestanten en katholieken toe. Op 6 januari 1579 sloten enkele loyale gewesten de Unie van Atrecht (Arras). Kort daarop sloten Holland, Zeeland, Utrecht, Gelre en de Friese Ommelanden de Unie van Utrecht. Andere gewesten volgden. De Unie kende verschillende bepalingen betreffende de gemeenschappelijke strijd tegen het landsheerlijk gezag, ook wel aangeduid als ‘de gemene zaak’. Hiervoor zou worden samengewerkt in de Staten-Generaal. In dit opzicht lijkt de Unie op een verdragsorganisatie van soevereine gewesten. Voor de bewaking van de Zeeuwse wateren werden nieuwe schepen in dienst genomen.

In de Scheldestad had het calvinisme onder burgemeester Marnix van Sint Aldegonde vrij spel. Om het scheepvaartverkeer op de Schelde te controleren, besloot de magistraat in januari 1578 tot de bouw van het fort Lillo. Het fort zou net buiten het dorpje Lillo, op achttien kilometer stroomafwaarts van de stad op de rechter Scheldeoever verrijzen. Fort Liefkenshoek verrees op de andere oever.[8] Vanaf 1579 maakte Alexander Farnese, hertog van Parma, zijn snelle opmars van zuid naar noord, waarbij de opstandelingen steeds meer terrein verloren. Met uitzondering van het onneembaar geachte Oostende kwamen de meeste zuidelijke gebieden weer onder landsheerlijk gezag. Begin juli 1584 sloeg Parma het beleg voor Antwerpen. Vanuit Zeeland probeerde men de bevolking over de rivier te bevoorraden, maar het lukte niet de stad te ontzetten. Toen de Spanjaarden een 730 meter lange brug van schepen over de rivier hadden aangelegd, kon de uithongering beginnen. Pogingen vanuit de stad en vanuit Zeeland om de schipbrug te doorbreken, mislukten. Op 17 augustus 1585 gaf Marnix van Sint Aldegonde de stad over. Kort daarop verlieten tienduizenden de Scheldestad.[9]

Controle over de Schelde

Na de val van Antwerpen herstelde het scheepvaartverkeer over de Schelde zich langzaam weer. Op enkele vaste plaatsen, waaronder Lillo, Philippine en IJzendijke, betrokken Nederlandse oorlogsschepen de wacht.[10] De Zeeuwse autoriteiten hadden het liefst dat de binnenvaartschepen met bestem­ming de Spaansgezinden over Sas van Gent gingen. Bij Biervliet konden de Zeeuwse wacht­schepen dit het beste controleren. De kooplie­den gaven er echter de voorkeur aan om naar Lillo te varen, omdat de Ant­werpse kooplie­den daar hun schuiten en beurtschepen naar toe stuurden. Overi­gens ging het vracht­ver­keer naar Gent meest­al ook niet verder dan het Sas: de sluis. Om fraude en smokkel tegen te gaan, dienden aan de grens stukgoederen te worden overge­slagen. Voor bulkgoederen, zoals wijn, molenstenen, zout en verse vis, gold dit niet.

Tot aan het Twaalfjarige Bestand (1609-1621) bleef de Scheldemonding, en vooral de linkeroever, oorlogsfront. Om wat wij nu Zeeuws-Vlaanderen noemen, werd lang en hard gevochten. Het doel was Antwerpen zoveel mogelijk af te sluiten van zee. In 1583 bestond het Staatse gebied alleen maar uit Terneuzen en Biervliet. Vooral Biervliet was belangrijk omdat het stadje de Braak­man beheerste, de verbinding van de Schelde met Gent. In 1586 veroverde men ook nog Axel en Philippi­ne, gelegen tussen Sas van Gent en Biervliet. In 1591 volgde Hulst, dat echter in 1596 alweer verlo­ren ging.[11] De bekende expeditie van 1600 naar Oostende leverde Maurits van Nassau na de slag bij Nieuwpoort veel roem op, maar weinig resultaten. Het gevolg was het beruchte beleg van Oostende: de Staatse enclave in Vlaanderen. Vlissingen fungeerde hierbij als vooruitschoven operatiebasis om de belegerde haven te bevoorraden. Maurits wist Oostende niet te redden, maar veroverde in 1604 wel het belangrijker geachte Sluis. Hiermee keerde de rust in de Scheldemonding terug.[12]

De Scheldekwestie

Voor de Vlaamse economie is de Schelde de levensader, maar onze zuiderburen gaan niet meer over de Scheldemonding. De politieke spanningen die hieruit voortvloeiden, staan bekend als de Scheldekwestie. Voortbouwend op het werk van Stanley T. Bindoff heeft jurist Eric van Hooydonk een overzicht gemaakt van de politieke verwikke­lingen rond de Schelde.[13]

Strijd om de opening van de Schelde, 1586-1792

Met de overgave in 1585 verloren de Antwerpenaren de controle over de Westerschelde. Zij spreken van de Scheldesluiting. De Nederlanders verboden schepen vanuit zee om de Schelde op te varen naar Antwerpen. De schepen dienden op de Walcherse rede voor anker te gaan, waarna de goederen via Lillo en Biervliet, respectievelijk Antwerpen en Gent konden bereiken. Te Lillo en Biervliet moesten de verschuldigde tolgelden worden betaald. De Noord-Nederlandse controle over de Scheldemonding zou meer dan tweehonderd jaar duren, zonder dat de Zuid-Nederlanders er een zinnig antwoord op vonden. Tot 1792 was de strijd om de opening van de Schelde voor hen een opeenvolging van mislukkingen.

Het incident van 's lands schoener 'Dolphijn' (A) onder commando van luitenant Tobias Tak Cuperus met de keizerlijke brik 'Louis' (B) ter hoogte van Saeftinghe op 8 oktober 1784. De incidenten op deze dag worden aangeduid met de spotnaam 'Keteloorlog': een bij de kombuis aan dek staande ijzeren ketel werd getroffen. Bron: Rijksmuseum

Een eerste serieuze poging tot opening van de Schelde vond plaats tijdens de bestandsonder­handelingen van 1607/8. De Zuiderlingen namen aan dat vrede noodzakelijkerwijs tot heropening van de Schelde zou leiden. Maar voor de Zeeuwen was dit onbespreekbaar. Nu Zeeland aan de periferie lag, ver weg van het economische centrum Amsterdam, was controle over het goederenvervoer van en naar het achterland een must. Het noorden koesterde dan ook geen enkele intentie om de Schelde te heropenen. Aan de andere kant maakte de koning van Spanje geen breekpunt van de Scheldevaart. Ook tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) en daarna bleef de Schelde gesloten. De Vrede van Münster (1648) tussen de Republiek en de koning van Spanje bezegelde de Scheldesluiting formeel en definitief. Vanwege de opstand van de Portugezen en een nederlaag tegen Frankrijk speelde de Schelde voor de koning geen rol van betekenis. Artikel XIV legt de sluiting van de Schelde vast: ‘De Riviere de Schelde, als mede de Canalen van het Sas, Swyn, en andere Zeegaaten daar op reponderende, sullen van de zyde van de Heeren Staaten gesloten worden gehouden’. Het kanaal van het Sas was de vaarweg naar Gent; het Zwin de verzande route richting Brugge. Het Verdrag van Münster bevestigde niet alleen de Scheldesluiting, maar ontzegde de Zuid-Nederlanders ook de handel buiten Europa. Tot eind achttiende eeuw waren de Zuidelijke Nederlanden op economisch gebied vleugellam.

Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701-1713) had Lodewijk XIV van Frankrijk zijn oog op de vacante Spaanse troon laten vallen. Voor Engeland (vanaf 1707 vanwege de unie tussen de Engelse en de Schotse kroon, Groot-Brittannië) en de Republiek was dit onacceptabel. Na een harde en bloedige strijd kwam er een Bourbon op de Spaanse troon, maar gingen de Zuidelijke Nederlanden over naar Oostenrijk. Tevens kreeg de Republiek het recht om, als extra verdediging tegen Frankrijk, een garnizoen van 12.000 man in enkele Zuid-Nederlandse vestingen te legeren: de zogeheten Barrière. Voorlopig was de Republiek veilig. Enkele initiatiefrijke ondernemers meenden nu om onder Oostenrijkse vlag met Afrika en Azië te kunnen handelen: de Generale en Koninklijke Indische Compagnie, beter bekend als de Oostendse Compagnie. Op instigatie van de Verenigde Oost-Indische Compagnie tekenden de Staten-Generaal hiertegen protest aan. Ze betoogden dat in de Vrede van Münster de handel buiten Europa tussen de onderdanen van de koning van Spanje en die van de Republiek was verdeeld.

De Oostenrijkers waren doof voor de Nederlandse argumenten. Om hun zaak kracht bij te zetten, sloot de Republiek zich aan bij het Verdrag van Hannover (1725), gericht tegen Oostenrijk. Vervolgens besloten de Staten-Generaal in de winter van 1726-1727 het leger te versterken met circa 20.000 man, om eventueel richting Oostende op te kunnen trekken. De Oostenrijkers bonden in en hieven de Oostendse Compagnie op.[14] De Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) verliep dramatisch voor de Republiek. De Nederlandse vloot was niet opgewassen tegen de Royal Navy. Keizer Jozef II van Oostenrijk zag zijn kans schoon. Op 23 augustus 1784 eiste hij volledige vrijheid van scheepvaart op de Schelde. Als reactie kwam er weer een wachtschip bij Lillo en lagen enkele oorlogs­schepen bij Vlissingen op station. Op 8 oktober 1784 vertrok de ongewapende brik Louis vanuit Antwerpen richting zee. Pas ter hoogte van Saeftinghe werd de brik onderschept. Op 15 november werd de uit Oostende vertrokken Verwachting voor Vlissingen opgebracht. Een blamage voor de keizer. Onder bemiddeling van Frankrijk kwam het Verdrag van Fontainebleau (1785) tussen de Republiek en Oostenrijk tot stand, waarbij de keizer genoegdoening kreeg – de Republiek stond de forten Lillo en Liefkenshoek af en er kwam een schadevergoeding – maar het gehate artikel XIV van het Verdrag van Münster bleef gehandhaafd. Na de Franse Revolutie trokken Franse troepen in 1792 de Oostenrijkse Nederlanden binnen. De Fransen maakten zich vervolgens sterk voor de vrije vaart over de Schelde. De Staten-Generaal kozen eieren voor hun geld en gaven onder protest toe. Op 8 december 1792 bereikte een Frans eskader Antwerpen. Na twee eeuwen was Antwerpen weer toegankelijk vanuit zee!

De Nederlandse stationsschepen op de rede van Vlissingen onder commando van vice-admiraal Pieter Hendrik Van Reynst, 1784. Het zeilende linieschip links is de 'Hercules'. De beide andere grote schepen zijn vermoedelijk de 'Alkmaar' en de 'Tromp'. Het zeilende schip rechts is een oorlogskotter. Bron: MuZEEum

Strijd om de vrijheid van de Schelde, 1792-1997

Nu was de Scheldesluiting wel ten einde, maar de opening van de rivier diende wel verdedigd te worden. De Nederlanders controleerden nog steeds de Scheldemonding. Op 16 mei 1795 sloten de Bataafse Republiek en Frankrijk te Fontainebleau een nieuw verdrag, waarbij de scheepvaart op de Rijn, de Maas en de Schelde vrij zou zijn. Bovendien werd Vlissingen Frans grondgebied. De herenigde Nederlanden van 1814 bevestigden de vrije scheepvaart en maakten definitief een eind aan het zogeheten Münsterse regime. Dit was maar voor korte duur. De Zuiderlingen kwamen in opstand en scheidden zich af. Op 27 oktober 1831 werd de Scheldestad door Nederlandse kanonneerboten onder vuur genomen. De vrije doorvaart over de Schelde was een heikel punt bij de vredesonderhandelingen tussen noord en zuid. Nederland versterkte enkele forten langs de Schelde en bouwde bij Ellewoutsdijk een nieuw fort. Pas in 1839 kwam het Schei­dingsverdrag tussen België en Nederland tot stand, waarbij de Schelderegeling een prominente plaats innam. Alle voor België essentiële waarborgen waren opgenomen terwijl Nederland verschillende tarieven mocht heffen. Tot op de dag van vandaag vormt het verdrag van 1839 de grondslag van het Schelderegime.

In de loop der tijd ontwikkelde zich een soort van gemeenschappelijk bestuur over de Westerschelde, met een permanente commissie van toezicht (1840), een uitvoerings­verdrag (1842) en het Scheldereglement (1843). In 1863 kocht België de Scheldetol van anderhalve gulden per ton af. De tweede helft van de negentiende eeuw stond vooral in het teken van het beter bevaarbaar maken van de rivier vanwege de steeds groter wordende (stoom)schepen. De Belgen gingen langzaam maar zeker steeds verder de rivier stroomafwaarts op diepte houden; ook op Nederlands grondgebied. Vanaf 1912 werd dit een structurele noodzaak. De bevaar­baarheid van de Schelde stond in de verdragsonderhandelingen tot aan de Tweede Wereld­oorlog centraal. De deltawerken sloten alle zeearmen af, met uitzon­dering van de Westerschelde. Daarnaast namen de scheepsafmetingen in snel tempo toe. In 1975 kwamen nieuwe verdragen tot stand. Het Bathverdrag regelde het rechttrekken van de bocht van Bath door de aanleg van een nieuwe, kortere vaargeul en het formuleerde normen voor de waterkwaliteit. Het Baalhoekverdrag verzekerde de aanleg van een zeekanaal tussen de Westerschelde en de linkeroeverhaven bij Antwerpen. Alle kosten waren voor België. Bovendien waren er economische clausules; zo mocht de Belgische overheid bedrijven geen investeringssteun geven.

In 1995 kwam er een nieuw Scheldereglement, dat het reglement van 1843 verving, waarbij vooral de beloodsing op de Westerschelde werd geregeld. De Belgische Loodsensociëteit Unie is gevestigd op Boulevard de Ruyter 4 in Vlissingen. Daarnaast kwam er dat jaar een Vlaams-Nederlands Verdrag voor een nieuwe verdieping van de rivier. De onderhandelingen van de voorgaande decennia karakteriseert Vlaming Van Hooydonk als volgt: ‘De Nederlandse houding kan in het licht van de Scheldegeschiedenis weinig verbazing wekken: vanuit hun soevereiniteitsobsessie rond de riviermondingen en hun traditionele koopmansgeest stelden zij zich heel de tijd steenhard op en wei­gerden ze andermaal te onderhandelen op basis van een erkenning van al op hen rustende verplichtingen. De slecht voorbereide Belgen verschenen in gespreide slagorde en toonden weinig daadkracht. Bevreesd voor de effecten op hun verou­derde industrie legden de Walen in de nieuwe milieukwestie een star conserva­tisme aan de dag. Hun reacties waren erg emotioneel, alsof het voortbestaan van Wallonië op het spel stond [..] Antwerpen ten slotte slaagde er gedurende een kwart­eeuw niet in om de Belgische regering te overtuigen de Scheldeverdieping te behandelen als een nationale prioriteit’.[15]

Strijd om de functies van de Schelde, 1998-heden

Na de uitvoering van het Scheldeverruimingsverdrag van 1995 vroegen de Belgen in 1998 om een nieuwe Scheldeverdieping. De scheepsafmetingen namen onverbiddelijk toe. Voor Antwerpen was een verbetering van de vaargeul van essentieel belang om een rol te kunnen blijven spelen als containerhaven. Maar de Belgische, later de Vlaamse, wensen stuitten in Nederland op striktere milieueisen. De Scheldekwestie richt zich nu vooral op de functio­naliteit en de identiteit als waterweg, dan wel als natuurgebied. Inmiddels is de Westerschelde beperkt aangepast en gaat de strijd nu om de ontpoldering van de Hertogin Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen. Woensdag 7 oktober 2015 bepaalde de Raad van State dat de polder ontpolderd mag worden. De Schelde is geduldig en stroomt verder.

Buitenlandse militaire interventies

De Schelde was niet alleen twistpunt tussen Noord- en Zuid-Nederlanders, maar vormde militair-strategisch ook een internationaal strijdtoneel waar Fransen, Britten, Duitsers en Canadezen zwaar om hebben vochten.

De Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748)

De erfopvolging van keizer Karel VI door Maria Theresia viel niet in goede aarde bij Frankrijk en Pruisen. Tegelijkertijd broeide het in de Republiek. Het volk was ontevreden over de regenteske magistraat, terwijl de Oranjes gefrustreerd waren omdat ze geen stad­houder waren. Op hun beurt vonden veel regenten het Oranje-hof te Brits. Ondanks de aanwezigheid van een gecombineerd Oostenrijks-Nederlands-Brits leger veroverde Frankrijk tussen 1744 en 1746 de vestingen in de Oostenrijkse Nederlanden. In juni 1746 viel Antwerpen.[16] In het vroege voorjaar van 1747 wilde generaal Prince William, Duke of Cumberland, in de tegenaanval gaan door Antwerpen te belegeren. Het probleem was dat Antwerpen werd verdedigd door een ring van forten. Een beleg zou alleen maar kunnen slagen als op beide Scheldeoevers de forten zouden worden ingenomen. De aanval zou vanuit de Republiek plaatsvinden terwijl de zware werktuigen en het belegeringsgeschut over de Schelde aangevoerd zouden worden.

In april verwachtte Cumberland over 125.000 man te beschikken en er lag een expeditionaire vloot gereed. Op dat moment kruiste commo­dore Matthew Michell met een eskader voor de Zeeuwse kust. Hij stond in contact met Charles Stuart, Deputy-Conser­vator van de Schotse stapel in Veere (een oude geprivilegieerde handelsor­ganisatie). Begin april verkenden de eerste Franse troepen Bergen op Zoom. De gebeurtenissen volgden elkaar toen in snel tempo op.[17] Op 17 april verklaarde Lodewijk XV dat hij het grondgebied van de Republiek niet langer zou kunnen ontzien. De koning deed dit met de beste bedoelingen: hij wilde de Staatse vestingen slechts tijdelijk in bewaring nemen om ze weer te ontruimen wanneer het gezond verstand (lees minder pro-Brits) in de Republiek was teruggekeerd. Een oorlogsverklaring bleef achter­wege. De volgende dag trokken de eerste Franse troepen Zeeuws-Vlaanderen binnen om de Scheldemonding onder controle te brengen ter beveiliging van de Schelde­stad.[18] In Zeeland werden uitleggers in gereedheid gebracht om de zeegaten te beveiligen en Charles Stuart bood de hulp van het eskader van Michell aan. Op 20 april arriveerden de eerste Engelse schepen in Vlissingen. In korte tijd vielen Sluis, fort IJzendijke, fort De Parel en fort Liefkenshoek. Op 24 april braken er onlusten uit in Middelburg terwijl er op dat moment enkele Britse troepentransportschepen met drie bataljons in Vlissingen arriveerden.[19] ’s Avonds kwam het volk in opstand, waarbij: ‘[the people] seemed all to be turned to Rage against those members of the States [van Zeeland] whose measures had brought them into so great distress. In the evening the populace got together at Middelburch and in a manner peculiar to the Dutch went from house to house of these members of the State that were suspected to be in the French interest […] Accordingly at six in the morning he [the Prince] was proclaimed Marquis of Campveere’.[20]

Het eskader van Michell, van in totaal achttien schepen, nam vervolgens posities in de Scheldemonding in. Op 28 april riepen de Staten van Zeeland Willem IV van Oranje-Nassau uit tot stadhouder. Terwijl de Fransen Staats-Vlaanderen onder de voet liepen – als laatste vielen Hulst en Axel begin mei – deed Cumberland niets. Willem IV werd tot erfstadhouder uitgeroepen en het volk was tevreden.[21] Begin mei werd de verdediging van de Schelde serieus ter hand genomen. Vice-­admiraal Cornelis Schrijver werd benoemd tot commandant van het eskader tot beveiliging van de Schelde. Op 19 mei waren er zestig schepen operationeel: 28 kleinere vaartuigen, 21 schepen van de Royal Navy en 11 grote Nederlandse oorlogsschepen. Een maand later was het eskader van Schrijver uitgegroeid tot 74 schepen met in totaal 4.500 man.[22] Zeeland was gered, maar Bergen op Zoom ging na een beleg van twee maanden (12 juli-16 september 1747) verloren. Een jaar later veroverden de Fransen ook de vesting Maastricht.[23] Voor de Republiek liep de Oostenrijkse Successieoorlog met een sisser af. Om de Nederlanders niet te veel in het Britse kamp te drijven, hield Lodewijk woord: de Nederlandse vestingen werden teruggeven, maar de Barrière werd ontmanteld. Als grote mogendheid had de Republiek afgedaan.

De Britse expeditie naar de Schelde van 1809

Sinds de Vrede van Amiens (1802-1803) verkeerde Groot-Brittannië weer in oorlog met Frankrijk en zijn bondgenoten, inclusief het Koninkrijk Holland. [24] Antwerpen en Vlissingen vormden, na Toulon, het tweede Franse marine arsenaal. Daarbij was het vanuit Zeeland slechts één dag varen naar de Thamesmonding. De Schelde was als een geweerloop gericht op Engeland.

Overzicht van de defensie van Antwerpen tot aan fort Bath in 1809. A: fort Vlaams Hoofd (Tete de Flandre); B: fort St. Marie; C: fort De Perel (La Perle); D: fort Liefkenshoek; E: fort Lillo; F: Zandvliet; G: fort Bath. Bron: Service Historique de la Défense 

Om niet verrast te worden, lagen twee Engelse eskaders voor Zeeland op station. Daarnaast kon bond­genoot Oostenrijk ook steun gebruiken. Het zou voor de hand hebben gelegen om een tweede front (diversion) in Noord-Duitsland te vormen. Daar lagen immers de erflanden van koning George III, maar dit zou betekenen dat de oorlog op eigen grond zou worden uitgevochten. Het oog viel op de Schelde, waarbij de Britten drie doelen voor ogen hadden: een krachtige diversion tot steun van bondgenoot Oostenrijk,
het vernietigen van de Franse vloot en de Antwerpse haveninstallaties en het gebruik van Vlissingen als marinebasis te ontzeggen. Bij het Verdrag van Fontainebleau van 1795 was Vlissingen aan de Fransen overgedragen. Dit was niet eenvoudig: Vlissingen sloot de Scheldemonding af, Antwerpen lag tientallen kilometers van zee en de Scheldestad werd verdedigd door een ring van forten op beide Scheldeoevers. Antwerpen was daarbij zowel over land als over water lastig bereikbaar. Om de Fransen niet de gelegenheid te geven Antwerpen in staat van verdediging te brengen, was snelheid essentieel. Luitenant-kolonel J.H. Gordon ontwierp het volgende plan. De vloot zou met de hoofdmacht de rivier opvaren, terwijl een deel van de troepen in de Scheldemonding op beide oevers zouden landen ter bescherming van de vloot. Bij Zandvliet op de rechter Scheldeoever moest de hoofdmacht aan land worden gezet om vervolgens naar Antwerpen op te trekken. Men was het er over eens dat het Eiland van Cadzand, Walcheren en Zuid-Beveland eerst moesten worden ingenomen, voordat de oorlogsschepen veilig de Schelde op konden varen.

De landing bij Cadzand was essentieel voor een snelle opmars over de linker Scheldeoever richting Antwerpen, zonder eerst op de inname van Vlissingen te hoeven wachten. Op Walcheren zouden 14.000 man landen om Vlissingen te belegeren. Twee dagen later zouden 8.000 man aan de noordkant van Zuid-Beveland aan land gaan. Nadat ze het eiland hadden overgestoken, zouden ze vanaf fort Bath kunnen beletten dat de Franse oorlogs­schepen richting Antwerpen zouden ontkomen. Vervolgens zouden ze de vloot dekking geven terwijl die richting Zandvliet voer. Voor de eerste fase waren 28.000 man en voor de tweede fase 16.500 man beschikbaar. Op 27 juli 1809 voer een vloot van 352 koopvaarders en 266 oorlogsschepen uit richting de Schelde. De operaties op Walcheren verliepen vlot en tegen 1 augustus werd het beleg voor Vlissingen geslagen, dat door een Frans garnizoen werd verdedigd. Ook de operaties op Zuid-Beveland verliepen zonder problemen en op 1 augustus was heel Zuid-Beveland eveneens in Britse handen, inclusief fort Bath. Maar de rest van de operatie mislukte. De landing bij Cadzand vond vanwege een combinatie van te weinig landings­vaar­tuigen, sterke stroming en een hoge branding niet plaats. Hiermee was de hele expeditie gedoemd te mislukken.

Hoe zouden nu de tactisch belangrijke forten op de linkeroever bij Antwerpen veroverd kunnen worden? Er bestonden geen plannen om troepen van de rechter- naar de linkeroever over te zetten. Het lukte de Royal Navy niet, vanwege Vlissingen en ondieptes, om de rivier op te varen. Daarbij duurde het beleg van Vlissingen veel te lang. Pas op 14 augustus gaven de Fransen zich over. Het duurde vervolgens nog een week voordat 30.000 Britse troepen zich op Zuid-Beveland hadden verzameld, terwijl een flinke armada bij fort Bath voor anker lag. Maar toen was het te laat.

Het Britse perspectief van de Frans-Hollandse vergrendeling van de Schelde. Op de voorgrond het fort Bath (A) en het Britse eskader. Halverwege de Hollandse forten Lillo (B) en Liefkenshoek (C), met daartussen een ketting gespannen, en Franse oorlogsbodems. Meer stroomopwaarts fort De Perel (D). Bovenaan het silhouet van Antwerpen (E), met daarvoor de grote Franse slagschepen. Bron: Zeeuws Archief

Ter hoogte van fort Lillo hadden de Hollanders en de Fransen de Schelde vergrendeld. Verder hadden de Fransen ongeveer 35.000 man rond de Scheldestad samengetrokken. Een aanval op Antwerpen was uitgesloten. Er restte de Britten niet veel meer dan zich terug te trekken op Walcheren om zo het gevaar vanuit Antwerpen te neutraliseren. Op het eiland zouden ongeveer 15.000 man achterblijven. Het werd een fiasco. De meesten werden ziek en velen stierven, en op 23 december ontruimden de Britten Vlissingen. Operationeel en tactisch was de expeditie naar de Schelde een mislukking. Antwerpen bleek een haven te ver. Strategisch had de Schelde-diversion bondgenoot Oostenrijk gesteund door de binding van veel Franse troepen.

De Meidagen van 1940

Op 15 mei 1940 capituleerde het Nederlandse leger. De capitulatie gold echter niet voor Zeeland, waar Franse eenheden posities hadden ingenomen in Zeeuws-Vlaanderen en Walcheren. De Duitsers hadden inmiddels west Noord-Brabant bereikt. In de vroege ochtend van 15 mei begon de Duitse aanval op Zeeland. Ongehinderd namen ze de stelling Bath in. Na gevechten met Nederlandse en Franse eenheden volgde op 16 mei de rest van Zuid-Beveland. In de loop van de avond verkenden Duitse eenheden de Sloedam, de 800 meter lange spoor­verbinding tussen Zuid-Beveland en Walcheren. Een eerste aanval vond op 17 mei om 09.20 uur plaats, maar werd afgeslagen. Een tweede aanval volgde een uur later, waarbij de Duitsers de westzijde van de dam bereikten. Vervolgens namen drie Duitse artillerie­ afdelingen de Nederlands-Franse stellingen op Walcheren onder vuur. Hierbij werd de binnenstad van Middelburg in brand geschoten. Althans, dat zijn de meest recente inzichten. Het was een tactisch artilleriebombardement om de Frans-Nederlandse stellingen te raken. Kort daarop gaven ongeveer 2.000 Franse en 6.000 Nederlandse militairen zich over. ’s Avonds werd in Vlissingen de Zeeuwse capitulatie getekend. Zeeuws-Vlaanderen bleef daarvan uitgesloten. Daar werd tot eind mei nog doorgevochten.[25]

De bevrijding van Antwerpen, najaar 1944

Na D-day (6 juni 1944) verliep de geallieerde opmars naar het noorden relatief voorspoedig. Op 4 september trokken Britse troepen Antwerpen binnen. De bevoorradingslijnen vanuit Normandië waren toen wel tot het uiterste opgerekt. Daarnaast vormde de Rijn een formidabel obstakel. Via een risicovolle gecombineerde lucht­landingsoperatie (Market) bij Arnhem en een grondoffensief vanuit België (Garden) wilden de geallieerden bij Arnhem de Rijn oversteken om daarna oostelijk af te buigen naar Duitsland. Het bleek een brug te ver. Nog voordat Market-Garden was afgelopen, was de geallieerde legerleiding ervan door­drongen dat verdere operaties zinloos waren, zolang de logistieke problemen niet waren opgelost. Op 22 september kreeg de 21 Army Group het bevel van opperbevelhebber Eisenhower ‘to open the port of Antwerp as a matter of urgency’. De Antwerpse haven was onbeschadigd in geallieerde handen gevallen, maar de Duitsers controleerden de Scheldemonding. Op 27 september, de dag nadat de laatste geallieerde troepen vanuit hun posities bij Oosterbeek over de Rijn werden geëvacueerd, kreeg de 1st Canadian Army, onderdeel van de 21 Army Group, van de net bevorderde veldmaarschalk Bernard Montgomery opdracht om de Scheldemonding te openen.[26] Het plan was om dit in verschillende fasen te doen. Vanuit het zuiden zou eerst Zeeuws-Vlaanderen worden aangevallen (Switchback). Daarna volgde vanuit Noord-Brabant de aanval op Zuid-Beveland (Vitality I) met ondersteuning vanuit Zeeuws-Vlaanderen (Vitality II). Nadat het eiland was geïnundeerd, zou de laatste aanval op Walcheren bestaan uit een landing bij Vlissingen vanuit Breskens (Infatuate I), een landing bij Westkapelle vanuit Oostende (Infatuate II) en een aanval vanuit Zuid-Beveland (Mallard).[27]

Op vrijdag 6 oktober staken de eerste Canadezen bij Strobrugge het Leopoldkanaal over. Ze dachten Zeeuws-Vlaanderen binnen vier dagen te kunnen consolideren. Wat volgde behoorde tot zwaarste gevechten voor de Canadezen. Op 16 oktober bereikten ze pas het grensplaatsje Eede.[28] Eisenhower irriteerde zich mateloos over het trage Britse optreden. De opperbevel­hebber zag zich diezelfde dag genoodzaakt om Montgomery onomwonden een order te geven om de Scheldemonding te openen, anders zou hij zijn biezen kunnen pakken.[29] Het duurde nog tot 7 november voordat de laatste Duitsers zich op Walcheren hadden overgegeven. Nadat de Scheldemonding mijnenvrij was gemaakt, arriveerden op 28 november de eerste Liberty-schepen met voorraden in Antwerpen.[30] De geallieerden hadden echter toen het momentum verloren. Duitse eenheden hebben tijdens het Ardennenoffensief in december 1944 nog tevergeefs geprobeerd Antwerpen te bereiken om zo de geallieerde logistiek af te snijden. Tegelijkertijd verhongerde de Nederlandse bevolking. Had Montgomery de Schelde maar veel eerder geopend!

Britse eenheden van het Royal Marine Commando, met in hun gelederen een Nederlands detachement, landen bij Westkapelle, 1944. Foto Beeldbank NIMH

Tot slot

De geopolitieke en militair-strategische betekenis van de Scheldemonding in de afgelopen eeuwen is nauwelijks te onderschatten.  Van de Nederlandse Opstand aan het eind van de zestiende eeuw tot de nadagen van het Derde Rijk in 1944 is er om de Scheldemonding gevochten. Daarnaast was, is en blijft de Westerschelde een politiek twistpunt tussen noord en zuid. Gezien het belang van de haven van Antwerpen zal de Scheldemonding ook in de toekomst van betekenis blijven. Het Korps Mariniers zal terechtkomen in een historisch uiterst interessante omgeving, waarbij het strategische belang van Vlissingen en Walcheren ongeveer een eeuw voor 10 december 1665 – de oprichtingsdatum van het Korps Mariniers  door Michiel Adriaenszoon de Ruyter – al door Filips II en Willem van Oranje werd onderkend.

* Victor Enthoven is historicus en verbonden aan de Vrije Universiteit, Amsterdam. Rik van der Maas is momenteel werkzaam op het Supreme Headquarters Allied Powers Europe (NATO/SHAPE) in de J5 Plans & Policy Branch te Mons, België.

[1] A. Jay (red.), The Oxford Dictionary of Political Quotations (Oxford: Oxford University Press, 1996) 284, 1 maart 1848.

[2] Kamerbrief Minister van Defensie nr. BS/2012012623, 10 april 2012, beschikbaar op de webpagina van de Rijksoverheid, URL: www.rijksoverheid.nl (geraadpleegd september 2015).

[3] Indien niet anders is aangegeven, is deze paragraaf gebaseerd op: V. Enthoven, Zeeland en de opkomst van de Republiek. Handel en strijd in de Scheldedelta, c. 1550-1621 (Leiden: Luctot et Victor, 1996) deel 1 en 2; V. Enthoven, ‘De jonkvrouw van Zeeland. De goederenstroom in de Scheldemonding rond 1600’, in A.M.J. de Kraker (red.), De Westerschelde, een water zonder weerga (Kloosterzande: Drukkerij Duerinck, 2002) 69-86); V. Enthoven, ‘Een duivels dilemma: Zeeland en de beheersing van de Schelde, 1572-1609’, in M. Ebben en S. Groenveld (red.), De Scheldedelta als verbinding en scheiding tussen Noord en Zuid, 1500-1800 (Maastricht: Shaker Publishing, 2007) 27-49.

[4] Zeeuws Archief, Middelburg, Archief Rekenkamer A [502] inv. nr. 458 (7e copulaatboek) f. 429, Filips II aan de Staten van Walcheren, 28 september 1565.

[5] C. Rooze-Stouthamer, De opmaat tot de Opstand. Zeeland en het centraal gezag, 1566-1572 (Hilversum: Verloren, 2009) 101 ev.

[6] E.B. Swalue, De daden der Zeeuwen gedurende den opstand tegen Spanje (Amster­dam: P.N. van Kampen, 1846) 32-66.

[7] H.G. van Grol, Het beheer van het Zeeuwsche zeewezen (Vlissingen: Drukkerij F. van de Velde, 1936) 9-10, 13-14.

[8] J.M.G. Leune, Lillo en Liefkenshoek. Deel 1: De geschiedenis van twee Scheldeforten, 1585-1786 (Brussel: Algemeen Rijksarchief, 2006).

[9] G. Asaert, 1585. De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders (Tielt: Lannoo, 2004) 133-166.

[10] D. Roos, Twee eeuwen varen en vechten, 1550-1750. Het admiraalsgeslacht Evertsen (Vlissingen: ADZ, 2003) 57.

[11] W.J. Annard, Bestuur en bestuurders in Oost Staats-Vlaanderen, 1645-1673 (Hulst: Gemeentearchief Hulst, 1993) 5; K.J.J. Brand, ‘Over het ontstaan van de fortificaties in Oost Zeeuws-Vlaanderen en aangrenzend gebied’, in: Archief. Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (Middelburg: Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1981) 13-17; T. de Kruijf (e.a., red.), Atlas van historische vestingwerken in Nederland: Zeeland (Zutphen: Walburg Pers, 2004).

[12] A.M.J. de Kraker, Landschap uit balans. De invloed van de natuur, de economie en de politiek op de ontwikkelingen van het landschap in de Vier Ambachten en het Land van Saeftinghe tussen 1488 en 1609 (Utrecht: Matrijs, 1997) 335 ev; S. Groenveld, ‘”Een doore geopent”. Noord-Nederlandse tijdgenoten over de positie en de verovering van Sluis, 1604’, Archief. Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (Middelburg: Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 2004) 5-48; V. Enthoven, ‘Een stad te ver. De materiële verzorging van het garnizoen van Oostende’, in W. Thomas (red.), De val van het nieuwe Troje. Het beleg van Oostende, 1601-1604 (Leuven: Davidsfonds, 2004) 59-71.

[13] S.T. Bindoff, The Scheldt question to 1839 (Londen: G. Allen & Unwin, 1945). Indien niet anders vermeldt is deze paragraaf gebaseerd op E. van Hooydonk, Strijd om de stroom. Een politieke geschiedenis van de Schelde (Leuven: Davidsfonds, 2013).

[14] V. Enthoven, ‘Dan maar oorlog! De reactie van de Republiek op de Oostendse Compagnie, 1715-1732’, in J. Parmentier (red.), Noord-Zuid in Oost-Indisch perspectief (Zutphen: Walburg Pers, 2005) 131-148.

[15] Van Hooydonk, Strijd om de stroom, 349.

[16] O. van Nimwegen, De Republiek der Verenigde Nederlanden als grote mogendheid. Buitenlandse politiek en oorlogvoering in de eerste helft van de achttiende eeuw en in het bijzonder tijdens de Oostenrijkse Succesieoorlog, 1740-1748 (Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 2002).

[17] H.W. Richmond, Cambridge Naval and Military Series. The Navy in the War of 1739-48, volume III (Cambridge: Cambridge University Press, 1920) 113; Van Nimwegen, De Republiek der Verenigde Nederlanden, 297.

[18] Van Nimwegen, De Republiek der Verenigde Nederlanden, 298.

[19] N.A.M. Roger, ‘Instigators or spectators? The British government and the restoration of the Stadholderate in 1747’, Tijdschrift voor Geschiedenis 106 (1993) 496-514.

[20] The National Archives, Kew, State Papers Holland inv. nr. 84/583 f. 208-209, Stuart aan Stone, 29 april 1747.

[21] Roger, ‘Instigators or spectators?’, 501; Van Nimwegen, De Republiek der Verenigde Nederlanden, 303.

[22] Nationaal Archief, Den Haag, Archief der Staten Generaal inv. nr. 9368 f. 29-31, 93-96 en 162, Verbaal van luitenant-admiraal C. Schrijver, mei 1747-augustius 1748.

[23] J. von Eggers, Journal du siège de Berg op Zoom (Leipzig: Arkstee & Merkus, 1750); O. van Nimwegen, ‘Het beleg van Bergen op Zoom in 1747’, Militaire Spectator 166 (1997) 418-424.

[24] Indien niet anders is aangeven is deze paragraaf gebaseerd op V. Enthoven, ‘Een haven te ver. De Britse expeditie naar de Schelde’, in V. Enthoven (red.), Een haven te ver. De Britse expeditie naar de Schelde van 1809 (Nijmegen: Vantilt, 2009) 111-197.

[25] P. Sijnke (red.), Middelburg 17 mei 1940. Het vergeten bombardement (Goes: De Koperen Tuin, 2010); T. van Gent, ‘Een toetsing van het Duitse bombardement van 17 mei 1940 op Middelburg aan het humanitaire oorlogsrecht’, Zeeland. Tijdschrift van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen 20 (2011) 2:59-72.

[26] F.C. Pogue, United States Army in World War II. The European Theater of Operations. The Supreme Command (Washington: Center of Military History United States Army, 1989) 294, beschikbaar op de webpagina van U.S. Army Center of Military History, URL: http://history.army.mil/html/books/007/7-1/index.html (geraadpleegd oktober 2015); A.B.J. Goossens, West-Zeeuws-Vlaanderen, 1939-1946. Deel 2: vlucht en bevrijding (Apeldoorn: in eigen beheer, 1997) 176.

[27] G. van der Ham, Zeeland 1940-1945, deel 2 (Zwolle: Waanders, 1990) 369 e.v.; H. Sakkers, Enigma en de strijd om de Westerschelde. Het falen van de geallieerde opmars in september 1944 (Meppel: Aspekt, 2011).

[28] Goossens, West-Zeeuws-Vlaanderen, 224.

[29] Pogue, The Supreme Command, 297; S.E. Ambrose, Eisenhouwer. Soldier and President (New York: Simon & Schuster, 1990) 166; C. Klep en B. Schoenmaker (red.), De bevrijding van Nederland 1944-1945. Oorlog op de flank (Den Haag: SDU, 1995) 173. We danken Marc van Alphen voor deze verwijzingen.

[30] J.L. Moulton, De slag om Antwerpen en de Schelde, 1944-’45 (Baarn: Hollandia, 1978) 252.

Home achtergrond: