Nood breekt taboe

Een jaar geleden riep de redactie van de Militaire Spectator op tot een renaissance van het Nederlandse strategisch inzicht.[1] Die wens kwam uit: velen namen de handschoen op, tot aan het nieuwe kabinet, dat in het regeerakkoord de aankondiging deed van ‘een veiligheidsstrategie waarin binnen- en buitenlandse dreigingen (…) het hoofd wordt geboden en die de huidige Internationale Veiligheidsstrategie vervangt’. Daarbij wordt rekening gehouden met ‘NAVO en EU en de strategische keuzes van belangrijke bond- genoten’.[2] Geïntegreerde Buitenland en Veiligheids Strategie (GBVS) gaat het heten;  er wordt al aan gewerkt. Een diepe zucht van verlichting? Misschien.

Opvallend: toen de vorige minister van Defensie afgelopen april het verwijt van strategisch analfabetisme in een ‘testamentaire’ lezing verwierp met verwijzingen naar recente beleids- nota’s, noemde ze de in het latere regeerakkoord aangehaalde  Internationale  Veiligheidsstrategie (IVS) uit 2013 van haar collega van Buitenlandse Zaken dan weer niet.[3] Misschien omdat de IVS vooral ‘gefragmenteerd’ beleid en ‘generieke zaken’ bevatte, en daarom voor Defensie te weinig handvatten?[4] Of anders wellicht omdat politiek-strategisch denken en militair- strategisch denken in Nederland (dus) vol- strekt verkokerde, intern-departementale aangelegenheden zijn geworden? Het risico bestaat dat Buitenlandse Zaken de IVS een nieuw likje verf zal geven, en zo hernoemt tot GBVS en met beperkte consultatie weer zelf zal (voor)schrijven, ook al is er cosmetisch het etiket ‘Geïntegreerd’ opgeplakt…

Hoe dan ook, het heeft er alle schijn van dat het nieuwe kabinet – net als de vorige minister van Defensie – van mening is dat Nederland allang een strategie heeft. Alleen de referentie verschilt. Exit de wetenschappers die het ‘analfabetisme’ signaleerden. Maar zelfs als  we zouden meegaan in de veronderstelling dat de nota van Buitenlandse Zaken uit 2013 is te beschouwen als een veiligheidsstrategie, dan is er sindsdien het nodige in de wereld gebeurd dat enig omdenken vereist. Aan de slag dus, en het liefst niet alleen op het niveau van perceptie-en symptoombestrijding (falende staten stabiliseren, terrorisme bestrijden, ontwapenen, migratiestromen indammen) maar vooral op het vlak van maatschappelijke en geopolitieke disrupties, zwartste scenario’s en de wezenlijke analyse daarvan.

Voorbeelden van fundamentele acute uitdagingen (in de breedte van onderwerpen en de diepte van tijd) zijn er te over, zoals de potentiële omdraaiing van het Europese integratieproject of het ‘ont-prioriteren’ van  de NAVO door de VS (Obama’s Pivot to Asia; betekenis van het Mattis Ultimatum et cetera), en waartoe dat kan leiden. Of – daarmee samenhangend – het langetermijnperspectief van de wereldwijde erosie van het politieke midden in parlementaire democratieën (zet die door of niet), of de mogelijke gevolgen van de structurele ontwrichting in economische systemen alsook van toenemende ongelijkheid door ongereguleerde mondialisering en digitalisering van werkprocessen. En what about de exponentiële urbanisatie in de wereld?

Minder abstract zijn ze er ook. Wat te denken van de, zoals de vorige CDS signaleerde, reeds zichtbare effecten van klimaatverandering op de leefbaarheid in bepaalde werelddelen? Of de voortgaande proliferatie van kernwapens en de escalatie van situaties zoals met Noord-Korea? Of anders, gericht op het hart van de democratie, aanvallen via sociale media (uitgevoerd door antidemocratische regimes aan onze buitengrenzen) op het Verlichtingsidee  van de rationele waarheid als basis voor inclusief maatschappelijk debat, met hun effect op de Brexit, Amerikaanse en Franse presidentsverkiezingen, rekrutering door IS of de Catalonië-crisis? Demagogen ante portas!

Daarom is het goed om met de belofte uit het huidige regeerakkoord sowieso de welles-nietes- discussie te beëindigen of er in het verleden strategie dan wel vooral beleid is gemaakt. Met een belangrijke toevoeging, namelijk dat Nederland wel degelijk verondersteld wordt reeds een Grand Strategy te hebben, op een hoger niveau dan het nationale. De ambtelijke opstellers en politieke beslissers hoeven wat dat betreft – zoals het regeerakkoord terecht stelt – niet bij nul te beginnen. Er is al een (aanzet tot) strategie: er zijn er zelfs twee.

Ten eerste is er het Strategisch Concept van de NAVO. In de begintijd van de Alliantie was dit concept simpel en klassiek: afschrikking en territoriale verdediging tegen een gezamenlijke vijand. Na het einde van de Koude Oorlog werden er in 1991, 1999 en 2010 geactualiseerde versies opgesteld, als uiting van de evolutie van het bondgenootschap in een veranderende en minder overzichtelijke wereld. Op basis van omgevingsanalyses beschrijft het geldende Concept in algemene termen doelstellingen en mogelijkheden, c.q. middelen om die te bereiken. Nederland heeft daadwerkelijk invloed gehad op dit document en er mee ingestemd: er staat (ook) een Nederlandse handtekening onder.

Ten tweede is er sinds 2016, misschien minder belangrijk, maar wel actueel, de Global Strategy van de EU. Eerder al, in 2003, was er een  eerste versie, de European Security Strategy (ESS). Tot stand gekomen in een tijd van grote verdeeldheid (Irak), was de ESS meer een optimistisch strategisch narratief over gedeelde waarden en mogelijke instrumenten om die te verspreiden, dan een strategie. Met de Global Strategy van 2016, ironisch genoeg gepresenteerd een paar dagen na het Brexit-referendum, hebben de EU-lidstaten een realistischer, op dreigingen gebaseerde en op gedeelde belangen gefundeerde strategische consensus geformuleerd. Wederom: met een Nederlandse paraaf.

Kennelijk is het bestaan van deze kaders tot  op heden grotendeels (en al dan niet bewust) op een andere planeet geparkeerd. Misschien omdat het niet salonfähig was om toe te geven dat Nederland op het punt van defensie- en veiligheidsstrategie feitelijk in grote mate, allang en nog steeds, zijn soevereiniteit heeft overgedragen. Met alle gevoeligheden van dien. Want we weten: bij de consensus-besluitvorming in NAVO en EU heeft iedereen inspraak, maar  de grote landen net iets meer dan de kleine.

En dan is er in de NAVO die ene, hele grote.  Zelfs in de overzichtelijke Koude Oorlog kon die geallieerde onbalans tot diepe politieke crises leiden op nationale niveaus (bijvoorbeeld het kernwapendebat van de jaren tachtig), daarna zo mogelijk nog meer (Irak 2003). Dit onderkennen is politiek echter verheven tot een ogenschijnlijk taboe.

Dit hangt boven het speelveld. Zie de IVS. Bondgenootschappelijke strategie is politiek op eieren lopen. Tegenover een spraakwaterval aan vrijblijvende goede bedoelingen en symboliek uitstralende uitvoeringsmaatregelen, staat er dus nauwelijks een fundamenteel woord in al die nota’s over de overkoepelende strategische leidraden, en vooral de inhoud daarvan. Laat staan wat ‘we’ ervan vinden. Nederland is echter al 70 jaar met reden strategisch deelgenoot van grotere projecten. Zonder dat bondgenoten het per definitie altijd eens (hoeven) zijn. Maak je  dat eigen. Benoem het meerjarige waarom en het waartoe. Geef rekenschap van de fundamentele keuzes van 1949 (NAVO) en 1957 (EEG) in het licht van recente ontwikkelingen en dreigingen en kijk dan naar ends, ways en means. Omarm wat goed is in ‘onze’ strategieën, vooral die van de NAVO, en vul die aan. Het nieuwe regeerakkoord belooft dit ook. Tijd dus om een strategie te schrijven in lijn met het bondgenootschappelijke historisch fundament, minder generiek dan de IVS en met alle ministeries samen. Nood breekt taboe.

[1] ‘2017: het jaar van strategisch inzicht’, editoriaal in: Militaire Spectator 186 (2017) (1) 2-3.

[2] Regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst (2017) 48.

[3] Jeanine Hennis-Plasschaert, ‘Nu doorpakken’, in: Militaire Spectator 186 (2017) (7/8) 353-361.

[4] ‘Defensie, quo vadis?’, editoriaal in: Militaire Spectator 186 (2017) (12) 538-539.