De relatie tussen fysieke en morele moed

Hoewel moed een lastig te definiëren concept is, is er wel overeenstemming over het feit dat er ten minste twee vormen zijn: fysieke moed en morele moed. Morele moed staat dan onder meer voor de bereidheid de eigen reputatie op het spel te zetten voor een hoger, moreel doel. Veel auteurs nemen aan dat morele moed een afgeleide is van fysieke moed, en dat wie het laatste niet heeft, ook op het eerste niet hoog scoort, maar dat is niet per se het geval. Het is wel duidelijk dat de prijs van morele moed doorgaans hoog is. Om te verklaren waarom dit juist ook in de krijgsmacht zo is, gaat dit artikel in op het belang dat zij hecht aan sociale cohesie. Ook de nadelen van sociale cohesie komen daarbij aan de orde.

Dr. P.H.J. Olsthoorn* 

n de Tweede Wereldoorlog plaatste Japan piloten in torpedo’s, en offerde zo de bestuurders op aan een slechts marginaal toegenomen nauwkeurigheid. Slechts twee van de ongeveer honderd gebruikte Kaitens trof doel. Moedwillig missen had geen zin; omdat de torpedo van binnenuit niet opende zou de piloot van honger en dorst omkomen. Vanwege de sterke Japanse eer- en schaamtecultuur was dat overigens een overbodige voorzorgsmaatregel. Er was veel animo voor de functie.[1]

Inleiding

Het is de vraag of opofferingsgezindheid die uit zo’n sterke sociale druk voortkomt, moedig is. Volgens Aristoteles, nog steeds de meest aangehaalde auteur als het over moed gaat, is moed die voortkomt uit bezorgdheid over wat anderen van je denken, geen echte moed. Dat is erg streng; ook een daad die mede is ingegeven door de wens schaamte te vermijden, kan moedig zijn.[2] Daar staat tegenover dat de term ‘moed’ wat aan waarde verliest als moedig gedrag volledig wordt bepaald door sociale druk.

Begripsbepaling

Moed veronderstelt toch wel een zekere vrijwilligheid. Vergelijkbare complicaties zijn er bij de Japanse militairen die zich in dezelfde oorlog liever doodvochten dan overgaven. Waren zij moedig? Of was eerder de incidentele Japanse militair moedig die de sociale druk weerstond en wel capituleerde? Die vraag is lastig te beantwoorden omdat niet altijd duidelijk is wat we onder moed verstaan. Die conceptuele verwarring gaat ver terug: Plato’s dialoog over moed, Laches, eindigde al met de constatering dat niet duidelijk was geworden wat moed eigenlijk is. Een aantal jaar geleden begon William Ian Miller zijn boek The Mystery of Courage zelfs met een vergelijkbare constatering: hij was er niet uitgekomen. Doet, bijvoorbeeld, het doel waarvoor iemand risico’s loopt er toe? En is iemand die geen angst kent moedig, of is juist degene die wel angst kent maar deze weet te overwinnen dat? En als moed risicobereidheid veronderstelt, valt de zelfverkozen dood van zelfmoordterroristen daar dan nog onder? De Amerikaanse filosofe Susan Sontag schreef dat de plegers van de aanslagen van 11 september 2001 moediger waren dan de vliegers die van veilige hoogte bommen afgooien.[3] Haar opmerking leidde tot veel protest in de Verenigde Staten. Sontag liet het doel en de gevolgen van de aanslag echter buiten beschouwing omdat moed volgens haar ‘moreel neutraal’ was, en noemde de plegers van de aanslag moedig omdat zij bereid waren te sterven. De positie van zo’n moderne zelfmoordterrorist is overigens wel enigszins vergelijkbaar met die van de Kaiten-piloot: ook de eerste komt vaak onder grote sociale druk tot zijn daad.

 

De (toneel-)schrijfster, filosofe en criticus Susan Sontag, een van Amerika’s meest gevierde auteurs, kreeg veel kritiek op een artikel in ‘The New Yorker’, dat vlak na de aanslagen van 9-11 verscheen. Foto ANP

Militaire deugden

Ondanks die onduidelijkheden staat moed prominent op de meeste lijstjes van militaire deugden, samen met andere traditionele deugden zoals loyaliteit en discipline. Ook in de nieuwe Visie Leidinggeven is moed een van de vier karaktereigenschappen die een militair leidinggevende dient te hebben.[4] Uit de omschrijving blijkt dat het daarbij niet alleen om fysieke moed gaat, maar bijvoorbeeld ook om de bereidheid impopulaire maatregelen te treffen. De Joint Doctrine Publicatie 5 Commandovoering noemt het ‘je kwetsbaar durven opstellen’ en ‘uitkomen voor je mening’ als onderdelen van moed. Het Competentiewoordenboek Defensie stelt onder ‘durf,’ een notie die toch op zijn minst aan moed verwant is, dat een militair met voorstellen moet durven komen die tegen de heersende mening ingaan.[5] Een recente rapportage van de Centrale Organisatie Integriteit Defensie, ten slotte, meldt onder het kopje ‘urgente, aanvullende aanbevelingen’ dat toekomstige officieren niet alleen over fysieke, maar ook over morele moed dienen te beschikken.[6] Deze aandacht voor morele moed in Nederlandse defensiepublicaties is in lijn met wat we in andere landen zien: ook bijvoorbeeld de Amerikaanse en Britse landmacht verstaan onder moed meer dan alleen de bereidheid om lijf en leden op het spel te zetten, en noemen morele moed expliciet. Meer nog dan fysieke moed is morele moed een ‘hoera-begrip’: iedereen is ervóór. Maar veel consequenties verbindt men daar niet altijd aan. Zoals de Amerikaanse generaal Matthew B. Ridgway stelde: ‘physical courage is never in short supply in a fighting Army. Moral courage sometimes is’.[7]

Opzet artikel

In dit artikel tracht ik te verklaren waarom dat zo is. Daartoe omschrijf ik in de volgende paragraaf wat morele moed is door het te onderscheiden van fysieke moed. Daarna schets ik aan de hand van voorbeelden de hoge prijs die doorgaans staat op het vertonen van deze vorm van moed. Vervolgens komt de rol van sociale cohesie aan de orde. Daarmee wordt tevens verklaard waarom die prijs zo hoog is.

Twee soorten moed

Morele moed is de bereidheid de eigen goede naam, reputatie en vaak ook carrière op te offeren voor een hoger, moreel doel. Terwijl bij fysieke moed het ‘fysieke’ slaat op wat je op het spel zet, namelijk lijf en leden, verwijst het ‘morele’ in de term morele moed naar dat moreel juiste doel.[8] Waar fysieke moed ook immorele doelen kan dienen, is dat bij morele moed niet het geval. Daarom kun je van morele moed ook niet zeggen dat het ‘moreel neutraal’ is. Morele moed sluit aan bij de klassieke aanname dat de belangrijkste deugden onderling verbonden zijn: rechtvaardigheid betekent weinig als de moed ontbreekt om dat wat rechtvaardig is, te verdedigen.[9]

Schaamte overwinnen

Maar morele moed dient dan wel per definitie een moreel juist doel. Logisch noodzakelijk is dat niet: het is immers denkbaar dat iemand zijn goede naam riskeert voor een immoreel doel. Als je consequent zou zijn, zou ‘reputatiemoed’ een betere term zijn dan morele moed. Morele moed bestaat ten dele uit het overwinnen van schaamte, en je zou daarom kunnen stellen dat wie zonder schaamte is, ook niet echt moreel moedig kan zijn, zoals iemand zonder angst ook niet werkelijk fysiek moedig is omdat we het overwinnen van (fysieke) angst nu eenmaal als een essentieel element beschouwen van fysieke moed. Morele moed behelst in zekere zin ook het overwinnen van angst, maar dan gaat het om angst voor de mening van anderen en bezorgdheid om de eigen reputatie. De eerder genoemde Miller definieert morele moed als ‘the capacity to overcome the fear of shame and humiliation in order to admit one’s mistakes, to confess a wrong, to reject evil conformity, to denounce injustice, and to defy immoral or imprudent orders’.[10] Wie morele moed toont, isoleert zichzelf, voegt hij er elders aan toe. Dat laatste blijkt ook uit de oudere definitie van morele moed van de negentiende-eeuwse liberaal Henry Sidgwick, die morele moed zag in personen ‘facing the pains and dangers of social disapproval in the performance of what they believe to be duty’.[11] Dit vermogen misstanden te benoemen is belangrijk voor de krijgsmacht, niet in de laatste plaats omdat ze behoefte heeft aan militairen die een collega op zijn of haar gedrag aanspreken. Een Amerikaanse overste uit de Amerikaanse burgeroorlog, Horace Porter, schreef aan het eind van de negentiende eeuw dat morele moed de belangrijkste vorm van moed is, en noemde het een ‘dagelijkse noodzaak.’[12] Zelfs in de krijgsmacht is fysieke moed, toch een kerndeugd voor militairen, niet iets dat dagelijks wordt gevraagd.

Onderscheid fysieke en morele moed

Tot niet al te lang geleden waren beide vormen van moed overigens niet goed te scheiden. Wie zijn goede naam verspeelde door tegen de gevestigde mening in te gaan, bijvoorbeeld op het gebied van religie, bracht daarmee dikwijls ook zijn leven in gevaar.[13] Dit betekent overigens niet dat het ook het onderscheid tussen morele en fysieke moed van recente datum is. Plutarchus beschreef al hoe Pompeius’ wens om aardig gevonden te worden zijn beslissingen negatief beïnvloedde, terwijl zijn tijdgenoot Cato Minor juist zonder toga en schoenen de straat op ging om zichzelf te leren zich alleen te schamen voor echt schaamtevolle zaken. Plato stelde eerder in Crito dat men in staat moest zijn de mening van de meerderheid te trotseren. Maar hij liet daar direct op volgen dat die meerderheid ons wel kon doden.[14] Dat is nu in veel landen anders, en sinds de negentiende eeuw heeft het onderscheid tussen fysieke en morele moed algemeen ingang gevonden.[15] Toch gaan volgens veel auteurs fysieke en morele moed nog steeds hand in hand. Men beschouwt morele moed in dat geval als een afgeleide van fysieke moed, en daarbij is de gedachte dat wie het laatste niet heeft ook op het eerste niet hoog scoort. Fysieke en morele moed zijn dan twee verschijningsvormen van dezelfde deugd. Daarbij slaat men fysieke moed vaak hoger aan, omdat het bij morele moed ‘slechts’ gaat om je reputatie of populariteit. Een gebrek aan morele moed acht men in het verlengde daarvan juist kwalijker, precies omdat deze vorm van moed gemakkelijker te bereiken zou zijn, en in zekere zin in ieders vermogen zou moeten liggen.

Twee vragen

Deze voorstelling van zaken over de relatie tussen fysieke en morele moed roept een tweetal vragen op, die in de volgende paragrafen centraal staan. Ten eerste: is morele moed inderdaad de ‘makkelijkere’ vorm van moed? Ten tweede: is het werkelijk zo dat fysieke en morele moed probleemloos samengaan, bijvoorbeeld in de krijgsmacht? 

De prijs van morele moed

Om met de eerste vraag te beginnen: soms lijkt morele moed inderdaad de makkelijkere variant. Neem bijvoorbeeld het geval van Pablo Paredes, een Amerikaanse onderofficier die op 6 december 2004 weigerde aan boord te gaan van zijn transportschip, de Bonhomme Richard, dat mariniers naar Irak moest brengen. Paredes vond de oorlog in Irak immoreel en illegaal, en lichtte de media ruimschoots in over zowel zijn daad als zijn beweegredenen. Hoewel sommigen er vooral een gebrek aan fysieke moed in zagen, meenden veel Amerikanen dat de militairen met gewetensbezwaren die weigerden naar Irak te gaan, morele moed toonden.

Degradatie

Het geval van Paredes, die uiteindelijk is veroordeeld tot twee maanden op de basis en degradatie van onderofficier derde klas tot gewoon marine rekruut, laat zien dat de grens tussen morele moed en insubordinatie ook niet altijd even scherp is. Dat blijkt nog duidelijker uit het geval Bradley Manning, de Amerikaanse militair die onder meer honderdduizenden diplomatieke telegrammen naar Wikileaks doorsluisde, waarbij niet duidelijk was welk hoger doel dat diende. We zien hier ook dat morele moed een ingewikkelde categorie is: wie uitzending weigert of documenten lekt, zal zijn goede naam bij zijn collega’s waarschijnlijk verspelen, maar wellicht tegelijkertijd bij anderen aan aanzien winnen. Je zou kunnen stellen dat dit afbreuk doet aan het gehalte aan morele moed, omdat de prijs die men doorgaans voor morele moed betaalt – isolement, en reputatieschade – in dat geval beperkt blijft.[16] Dat brengt ons bij een belangrijk punt: veel literatuur over morele moed haalt voorbeelden aan waarbij ‘een rechte rug’ uiteindelijk loonde. Een van de weinige boeken over dit onderwerp, Moral Courage van Rushworth Kidder, staat vol met dergelijke voorbeelden, waarbij het uiteindelijk met iedereen goed afloopt. De moreel standvastige krijgt, na enig ongemak weliswaar, waardering, behoudt zijn baan, of maakt zelfs promotie.[17] Dat suggereert dat wie morele moed toont, daarvoor nauwelijks een prijs betaalt.

In de echte wereld loopt het vaak slecht af met mensen die tegen de belangen van organisatie en collega’s in morele moed tonen. Op zijn best worden ze genegeerd, maar soms ook moeten zij onderduiken, vrezend voor hun leven, waarmee morele moed onbedoeld aan fysieke moed raakt. Dat morele moed uiteindelijk ook wat fysieke moed vraagt, gebeurt natuurlijk vaker, en Miller merkt terecht op dat wie het helemaal aan fysieke moed ontbreekt waarschijnlijk ook geen morele moed durft te tonen.[18] De aanslag van juli 1944 op Hitler door kolonel Claus von Stauffenberg, vaak aangehaald als voorbeeld van morele moed,[19] was zonder fysieke moed nooit gepleegd: Von Stauffenberg riskeerde ook zijn leven en verloor. Een recenter voorbeeld vormen de lotgevallen van Joe Darby, de Amerikaanse sergeant van de militaire politie die na drie weken twijfelen twee cd’s met foto’s van misstanden in de Abu Ghraib-gevangenis aan de autoriteiten overhandigde. Daarmee diende hij een moreel doel, hij stelde een evident onrecht aan de kaak. Maar tegelijkertijd zorgde Darby ervoor dat collega’s hun baan verloren en tot jarenlange gevangenisstraffen werden veroordeeld. Integriteit, doen wat je persoonlijke waarden en normen je ingeven, botst hier met loyaliteit aan collega’s, ook al zo’n militaire deugd.

Onderduiken

Voor Darby woog integer handelen zwaarder. Het saillante daarbij is dat integriteit even vaak voorkomt op de lijstjes van deugden van de verschillende krijgsmachten als moed en loyaliteit. En hoewel ook de Amerikaanse landmacht integriteit als een van haar zeven waarden noemt, liep het niet goed met Darby af. Hoewel Darby anonimiteit had bedongen, maakte minister van Defensie Donald Rumsfeld zijn naam bekend op een persconferentie. Veel collega’s, maar ook veel mensen uit zijn dorp, namen Darby zijn handelen zo kwalijk dat hij nog steeds noodgedwongen ondergedoken leeft. Rumsfeld schreef een brief waarin hij Darby vroeg te stoppen met iedere keer te vertellen dat hij, Rumsfeld, Darby’s naam had bekendgemaakt.[20] Omdat Darby eigenlijk anoniem had willen blijven, en duidelijk tegen zijn zin tot klokkenluider is gemaakt, kun je je afvragen of zijn geval wel echt een voorbeeld van morele moed is. Een ander bekend voorbeeld is dat duidelijk wel. Op 16 maart 1968 trok een Amerikaanse compagnie onder leiding van kapitein Ernest Medina het dorp My Lai (of Pinkville) binnen. Het dorp zou vol Vietcong-strijders zitten, maar daarvan bleek geen sprake. Ondanks het ontbreken van verzet executeerden de soldaten 400 weerloze burgers. Opvallend is dat bijna iedereen in de compagnie meedeed.

Bedreigingen

Helikoptervlieger Hugh Thompson, Jr., landde zijn helikopter tussen een aantal van zijn collega’s en een groep vluchtende Vietnamezen in, ter bescherming van de laatsten. Voordat Thompson uitsteeg, vroeg hij zijn medebemanningsleden op de eigen troepen te schieten als die geweld tegen de Vietnamezen zouden gebruiken. Uiteindelijk wist Thompson hen te redden. Dezelfde dag nog bracht Thompson rapport uit, maar de Amerikaanse krijgsmacht wist het verhaal stil te houden totdat andere Amerikaanse militairen journalisten en politici over het gebeuren inlichtten. Dit verhaal zal in grote lijnen bij velen bekend zijn. Waarschijnlijk minder bekend is dat men Thompson in eerste instantie zijn ingrijpen en rapporteren over collega’s alleen maar kwalijk nam. Thompson werd jarenlang bedreigd en is op instigatie van president Nixon, die de politieke schade als gevolg van My Lai wilde beperken, in diskrediet gebracht.[21] De voorzitter van het Amerikaanse Congres, Mendel Rivers, hielp hierbij door te stellen dat alleen Thompson naar aanleiding van My Lai de gevangenis in zou moeten. De verantwoordelijken voor My Lai, onder wie kapitein Medina, gingen ondertussen nagenoeg vrij uit, onder meer onder druk van de publieke opinie. Pas dertig jaar later volgde eerherstel voor Thompson, kreeg hij voor zijn daden de Soldier’s Medal voor moed getoond buiten gevechtssituaties, en gaf hij binnen de Amerikaanse krijgsmacht lezingen over het belang van morele moed. Weliswaar bejegenden zowel de Amerikaanse krijgsmacht als de Amerikaanse samenleving Thompson in eerste instantie onheus, uiteindelijk hesen beide hem toch als morele held op het schild. Daarbij gaf zeker de Amerikaanse defensieorganisatie eerdere fouten, zowel wat betreft My Lai als de behandeling van Thompson, ruiterlijk toe. Niet ieder land heeft dat ‘zelfreinigend vermogen’.

Nederlands-Indië

Dat brengt ons bij een voorbeeld dichter bij huis. Ongeveer tien maanden voordat het My Lai incident in de pers kwam, gaf psycholoog en voormalig dienstplichtige Joop Hueting een televisie-interview aan Achter het Nieuws. In dat interview van vrijdag 17 januari 1969 stelt Hueting dat Nederlandse militairen zich in Nederlands-Indië schuldig maakten aan oorlogsmisdrijven, zoals het neerschieten van onschuldige burgers en het mishandelen van gevangenen. Hij geeft toe zelf ook geen schone handen te hebben. Deze onthulling komt nadat er ruim twintig jaar lang nauwelijks iets is gezegd of geschreven over dat wat er niet goed ging tijdens de politionele acties. Brieven die Hueting eerder naar de kranten schreef, zijn nooit geplaatst. Het bijzondere van Hueting is dat hij het er niet bij liet zitten, en het verhaal bleef vertellen dat niemand wilde horen. De Telegraaf hekelde zijn televisieoptreden de maandag daarna in een hoofdredactioneel commentaar. Volgens het dagblad ‘is het volslagen zinloze, buiten alle proporties naar voren brengen van incidentele gruwelen door de heer Hueting een misselijke daad’. Het interview met Hueting markeerde wel het begin van een debat over wat er in Nederlands-Indië is gebeurd. Het leidde tot de Excessennota, waarin de regering voor het eerst het eigen verleden in Nederlands-Indië onderzocht.[22] Maar veel veteranen waren woedend. Sommigen wilden Hueting laten vervolgen: hij had immers toegegeven oorlogsmisdaden te hebben gepleegd. Hueting dook met vrouw en kind onder op de Veluwe. Tot slot: in 2013 was er bij een forum over integriteit voor de Hogere Defensie Vorming een Amerikaanse voormalige VN-contractant te gast die in de jaren negentig de klok luidde over betrokkenheid van door de VN ingehuurd personeel bij mensenhandel en prostitutie. Deze dame, Kathryn Bolkovac, werd ontslagen, heeft daarna nooit meer een vergelijkbare betrekking gekregen en is nu rondreizend deskundige op het gebied van klokkenluiden. Als ervaringsdeskundige raadde zij potentiële klokkenluiders aan zich drie keer te bezinnen. Waar fysieke moed bewondering oogst, wordt morele moed soms bestraft.

Amsterdam 1969: debat over de oorlogsmisdrijven die Nederland in het voormalige Nederlands-Indië gepleegd zou hebben. In het midden dr. J.E. Hueting. Foto ANP

Nauwelijks bescherming

Is daar nu iets aan te doen? Regelingen voor klokkenluiders kunnen helpen. Nederland loopt op dit gebied achter. Wie naar buiten treedt, geniet nauwelijks bescherming: de bestaande regelingen willen juist bereiken dat mensen de misstanden eerst bij hun leidinggevende melden.[23] Daarbij gaat men er aan voorbij dat dát een gepasseerd station is voor wie heeft besloten publiek te gaan. De Verenigde Staten van Amerika en het Verenigd Koninkrijk zijn hierin al verder, en geven rechtsbescherming aan wie misstanden naar buiten brengt. Maar dat lost maar een klein deel van het probleem op. Kathryn Bolkovac vocht op basis van de Britse klokkenluidersregeling met succes haar ontslag aan, maar dat heeft haar weinig opgeleverd omdat haar naam besmet bleef. Ook Abu Ghraib klokkenluider Joe Darby heeft weinig te vrezen van zijn voormalige werkgever (hij nam zelf ontslag). Hij geniet zelfs bescherming van hogerhand, maar hij zal voorlopig geen normaal leven kunnen leiden. In dit soort gevallen heb je weinig aan een klokkenluidersregeling. Dat roept de vraag op waarom iemand die bij het benoemen van een misstand duidelijk het morele gelijk aan zijn kant heeft, toch nadelige gevolgen ondervindt. Waarom is de prijs van morele moed doorgaans hoog? En vooral, waarom lijkt dat soms juist in de krijgsmacht het geval te zijn? Het antwoord op die vraag ligt in ieder geval ten dele in het belang dat militaire organisaties hechten aan sterke sociale cohesie. Daar ligt ook het antwoord op de eerder gestelde vraag of fysieke en morele moed wel altijd probleemloos samengaan. Eerder stelden we vast dat morele moed een zekere mate van fysieke moed veronderstelt. Andersom is dat niet per se het geval.

De rol van sociale cohesie

Het belangrijkste inzicht dat onderzoek naar fysieke moed heeft opgeleverd is dat sociale cohesie deze vorm van moed bevordert. Vooral naar aanleiding van enkele studies naar gevechtsmotivatie in de Tweede Wereldoorlog die eind jaren veertig verschenen, proberen krijgsmachten de sociale cohesie te vergroten. Onderzoekers ontdekten destijds dat militairen zichzelf niet als onderdeel zien van een militaire organisatie die vecht voor abstracte idealen als vrijheid en democratie, maar zich vooral identificeren met de kleine groep medesoldaten met wie zij de meeste tijd doorbrengen. De angst buiten die groep te vallen of als lafaard door het leven te moeten gaan, is volgens de onderzoekers soms groter dan de angst dood te gaan.[24] Meer abstracte motieven, patriottisme inbegrepen, motiveerde slechts vijf procent van de Amerikaanse militairen in de Tweede Wereldoorlog.[25] Interviews met gevangen genomen Duitse Wehrmacht militairen suggereerden dat het hoge moreel van de Duitse troepen het resultaat was van sterke sociale cohesie, niet van ideologischE bevlogenheid.[26]

Overwinnen van angst

Recenter Amerikaans onderzoek naar de gevechtsmotivatie in Irak in 2003 toont aan dat soldaten vooral moed putten uit elkaars nabijheid, en veel minder uit het vooruitzicht van een vrij Irak, een stabiel Midden-Oosten, of een wereld zonder massavernietigingswapens.[27] Dat sociale cohesie helpt om angst te overwinnen  -- en daarmee voorkomt dat militairen instorten of vermijdend gedrag vertonen -- is inmiddels tot een geloofsartikel geworden. Hollywoodfilms en televisieseries als Band of Brothers versterken dat nog eens.[28] Maar de laatste jaren is er ook kritiek gekomen. Het meeste onderzoek naar de rol van sociale cohesie is oud en is methodologisch onder de maat. In de jaren tachtig van de vorige eeuw bleek dat de invloedrijkste onderzoeker naar sociale cohesie, S.L.A. Marshall, zijn onderzoeksresultaten in zijn beroemde Men Against Fire goeddeels heeft gefabuleerd.[29] Dit boek geldt nog steeds als gezaghebbend en heeft de gedachte verbreid dat sociale cohesie moedig maakt. Het onderzoek naar de motivatie van de Wehrmacht was vooral naïef.[30] Wie in de Tweede Wereldoorlog Duitse krijgsgevangenen vraagt naar hun motivatie, krijgt uiteraard het sociaal wenselijke antwoord dat niet nazi-ideologie maar sociale cohesie de motiverende factor was. Ook het recentere onderzoek naar de gevechtsmotivatie in Irak was methodologisch pover, en negeert  veel recent onderzoek dat uitwijst dat sociale cohesie niet tot betere prestaties leidt: ‘social cohesion has no reliable correlation with performance and, at high levels (“clubbiness”), can even undermine task performance.’[31] Zeker wanneer groepsnormen haaks staan op de organisatiedoelen leidt sterke sociale cohesie juist tot mindere prestaties. Taakcohesie (groepsleden onderschrijven allen hetzelfde doel) leidt doorgaans wel tot betere prestaties. De Israëlische krijgsmacht heeft veel ervaring opgedaan met samengestelde eenheden. Daarbij blijkt dat de geringe sociale cohesie de prestaties niet negatief beïnvloedt.[32]

Nadelen van sociale cohesie

Niet alleen betwist men in toenemende mate de voordelen van sociale cohesie, ook is er tegenwoordig meer oog voor de nadelen; iets waaraan in het verleden weinig aandacht is besteed. Niet zonder reden noemde helikoptervlieger Thompson ‘negative peer pressure’ als een verklaring voor My Lai: groepen met een grote mate van sociale cohesie neigen soms eerder tot normoverschrijdingen.[33] Om een paar bekende voorbeelden te noemen: in de Tweede Wereldoorlog executeerden Duitse politieagenten Poolse joden, hoewel het duidelijk was dat er geen sancties stonden op niet meewerken; de agenten vreesden te worden uitgestoten door de groep.[34] In Somalië  (maart 1993) sloegen een paar Canadese Airbornes, bekend om hun sterke sociale cohesie, een Somalische tiener dood die het kamp was binnengedrongen. Een reconstructie voor de rechtbank wees uit dat minstens zestien collega’s dat moeten hebben gezien of gehoord, maar niet één greep in. Onderzoek uit diezelfde periode, ook al in Somalië, liet zien dat de contacten die gemengde teams (naar ras en geslacht), met wat geringere cohesie, hadden met de lokale bevolking minder vaak escaleerden dan die van homogene teams.[35] Een rapport uit 2006 over de staat van Amerikaanse militairen in Irak liet ten slotte zien dat slechts 55 procent van de soldaten bereid was een collega die een onschuldige non-combattant verwondde of doodde aan te geven. Bij mariniers ligt dat percentage met 40 procent (nog) lager. Naarmate een eenheid hechter is vinden de leden het moeilijker om overduidelijke misstanden te benoemen. [36] Hetzelfde rapport stelt dat 47 procent van de soldaten vindt dat zij non-combattanten met respect moeten behandelen, tegenover 38 procent van de mariniers.[37] Sterkere groepsbanden tussen mariniers zouden ook hier de oorzaak van kunnen zijn.

Conclusie

Uit het vorenstaande komt een aantal zaken naar voren: fysieke moed is natuurlijk belangrijk, maar morele moed heeft vaak een grotere reikwijdte. De voorbeelden in dit artikel suggereren dat het relatief vaak buitenstaanders zijn, de burgers die bescherming door militairen behoren te genieten, die baat hebben bij morele moed van militairen. Daarin verschilt morele moed mogelijk van meer traditionele deugden als fysieke moed, loyaliteit en discipline; dat zijn deugden die militairen graag bij elkaar zien, hoewel buitenstaanders daar natuurlijk ook van profiteren. Hoewel volgens veel auteurs fysieke en morele moed nauw met elkaar verbonden zijn, is hiervoor betoogd dat de relatie tussen beide vormen van moed in de krijgsmacht op zijn minst problematisch is, en dat dit vooral komt door het belang dat zij hecht aan sociale cohesie. De opleiding tot militair versterkt dit, en is om begrijpelijke redenen meer gericht op het bijbrengen van een zeker conformisme dan op het opleiden van autonome individuen. 

De laatste jaren staan de vermeende  voordelen van sociale cohesie in toenemende mate ter discussie. Tevens is er steeds meer aandacht voor de nadelige effecten van sociale cohesie voor buitenstaanders. Dergelijke nadelige effecten vormen temeer een probleem nu militairen steeds vaker hun werk doen te midden van burgers. Zoals gezegd zijn het die buitenstaanders, dus de niet-militairen, die vaak baat hebben bij morele moed. Vaak gaat dergelijk moedig gedrag tegen de normen van de groep in, op het moment dat zo’n groep de verkeerde kant opgaat. Maar naarmate de sociale cohesie sterker is, is dat uiteraard moeilijker. De moeite die veel mensen hebben met het weerstaan van peer pressure is een van de voornaamste nadelen van het bevorderen van fysieke moed door het versterken van sociale cohesie; het kan ten koste gaan van morele moed. In een tijd dat krijgsmachten vooral strijden om de hearts and minds van de lokale bevolking is het daarom de vraag of een sterkere sociale cohesie wel altijd een zegen is. Aan de andere kant moeten we deze tegenstelling tussen de belangen van insiders en outsiders niet overdrijven. Ook het aankaarten van wangedrag tussen collega’s vergt morele moed en is iets dat de organisatie nodig heeft.

*De auteur is als universitair docent civiel-militaire interactie verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie.

[1] In die gevallen dat een torpedo vanwege een technisch mankement uiteindelijk niet werd afgevuurd, schaamde de piloot, eenmaal bevrijd uit zijn benarde positie, zich diep. Een van hen zei: ‘Toen ik weer uit de torpedo moest, toen wilde ik pas echt dood.’ I. Miller, The Mystery of Courage (Cambridge, Harvard University Press, 2000) 274.

[2] Zie noot 1, 85.

[3] S. Sontag, ‘Talk of the Town’ , The New Yorker (2001) 24 september.

[4] Visie Leidinggeven Defensie (ExpertiseCentrum Leiderschap Defensie, 2014).

[5] Competentiewoordenboek Defensie (Hoofdirectie Personeel, 2009) 28.

[6] Moed is, volgens de auteurs van het rapport, een ‘impliciete competentie’ waarop cadetten en adelborsten informeel worden beoordeeld; niet in de laatste plaats door elkaar. Wie niet uit het juiste hout is gesneden, loopt het risico te worden weggepest. Het rapport suggereert dat morele moed nodig is om precies dat tegen te gaan; overigens zonder die term te gebruiken. Centrale Organisatie Integriteit Defensie. Integriteit bij de opleiding en vorming van adelborsten en cadetten aan de Nederlandse Defensie Academie duiding van risico's, perspectief op verbetering (Commando DienstenCentra, 2014) 37.

[7] Geciteerd in J.H. Toner, Morals under the Gun: The Cardinal Virtues, Military Ethics, and American Society (Lexington, University Press of Kentucky, 2000) 116.

[8] Dat morele doel zien we ook enigszins terug in het Engelse civil courage, en het Duitse Zivilcourage. In beide gevallen kan het ook heel goed om fysieke moed gaan, maar aan de dag gelegd door niet-militairen. Kees Schuyt vertaalt dit begrip als ‘burgermoed’ in zijn Beschermerslezing Nationaal Monument Kamp Vught, Moedige Mensen en de Actualiteit van Morele Vorming (2014).

[9] Ook de etymologie van integriteit, een aan morele moed verwante deugd, verwijst daarnaar: het Latijnse integer betekent ‘heel’ of ‘ongedeeld.’

[10] Miller, Courage, 254.

[11] Geciteerd in Miller, Courage, 254.

[12] H. Porter, ‘The Philosophy of Courage,’ The Century, 36 (1888) (2).

[13] Miller, Courage, 263.

[14] Plato, Crito 48a/b.

[15] Miller, Courage, 263.

[16] Miller, 2000, 257.

[17] Rushworth M. Kidder, Moral Courage (New York, Harpers Collins, 2005).

[18] Miller, 2000

[19] Zie bijvoorbeeld U.F. Zwygart, ‘Integrity and Moral Courage: Beck, Tresckow and Stauffenberg’ Military Review 74 (1994) (5) 4.

[20] D. Rather, Rather outspoken: My life in the news (New York, Grand Central, 2012).

[21] Trent Angers, The Forgotten Hero of My Lai: The Hugh Thompson Story (Lafayette, Acadian House, 2014).

[22] Anderzijds: op de NLDA is er bijna geen cadet of adelborst die er iets vanaf weet. Op de middelbare school is het nauwelijks een onderwerp.

[23] In 2008 zijn de bestaande regelingen geëvalueerd: ‘De regelingen zijn primair gericht op het bevorderen van het intern melden van misstanden en niet op het beschermen van klokkenluiders. De regelingen kennen zeer uitgebreide voorschriften en procedures voor het doen van meldingen, maar kennen niet of nauwelijks voorzieningen voor het bieden van (rechts)bescherming aan klokkenluiders.’ M. Bovens et al., Evaluatie klokkenluidersregelingen publieke sector’ (Ministerie van Binnenlandse Zaken, 2008). Ook de Aanwijzing SG A/984 Uitvoering van het integriteitsbeleid Defensie voorziet in een klokkenluidersregeling waarbij de melder in beginsel meldt bij zijn of haar leidinggevende. (Ministerie van Defensie, 2012) 20. Een defensiemedewerker die intern onvoldoende gehoor vindt, kan overigens naar de Onderzoeksraad Integriteit Overheid stappen – klokkenluiden noem je dat niet.

[24] S.L.A. Marshall, Men against Fire (New York, William Morrow & Company, 1947) 149; Dollard, Fear in Battle. (Washington, D.C., The Infantry Journal, 1944) 46.

[25] S. Stouffer, The American Soldier vol. II. (Princeton, Princeton University Press, 1949) 108, 150.

[26] E. Shils en M. Janowitz, ‘Cohesion and Disintegration in the Wehrmacht in World War II,’ Public Opinion Quarterly 12 (1948) (2) 280-315.

[27] ‘Social cohesion is what motivates soldiers not only to perform their job, but also to accept responsibility for the interests of other soldiers. At the same time, social cohesion relieves each soldier of the constant concern for personal safety as other members of the unit take on that responsibility.’ L. Wong, T.A. Kolditz, R.A. Millen, and T.M. Potter, Why They Fight: Combat Motivation in the Iraq War (Carlisle Barracks, PA: Strategic Studies Institute, 2003),13-14. De onderzoekers, in dienst van het Amerikaanse leger, pleitten er daarom voor dat soldaten veel tijd met elkaar doorbrengen, liefst onder moeilijke omstandigheden.

[28] Volgens de Movie Cliches List ‘battle will even come to a standstill while the hero cries in agony and curses that “it should’ve been him” when his best friend steps on the land mine/gets blown up/dies charging the machine gun nest.’ Geciteerd in R.J. MacCoun, E. Kier, en A. Belkin, ‘Does Social Cohesion Determine Motivation in Combat? An Old Question with an Old Answer,’ Armed Forces & Society 32 (4) (2006) 250.

[29] P. Robinson, ‘The Way of the Warrior,’ Spectator (2007) June 13.

[30] D.R. Segal and M. Meyer Kestnbaum, ‘Professional Closure in the Military Labor Market,’ in: D.M. Snider and G.L. Watkins (eds) The Future of the Army Profession (Boston, McGraw-Hill, 2002) 441-58, 445-6.

[31] MacCoun e.a., ‘Does Social Cohesion Determine Motivation in Combat,’ 647.

[32] U. Ben-Shalom, Z. Lehrer, and E. Ben-Ari, ‘Cohesion During Military Operations: A Field Study on Combat Units in the Al-Aqsa Intifada,’ Armed Forces & Society 32 (2005) (1) 63-79.

[33] H. Thompson, ‘Moral Courage in Combat: the My Lai Story,’ http://www.usna.edu/...es/documents/ThompsonPg1-28_Final.pdf

[34] P. Robinson, ‘Magnanimity and Integrity as Military Virtues,’ Journal of Military Ethics 6 (2007) (4).

[35] L.L. Miller and C.C. Moskos, ‘Humanitarians or Warriors? Race, Gender, and Combat Status in Operation Restore Hope,’ Armed Forces and Society 21 (1995) (4) 634.

[36] ‘(…) de grote waarde die wordt gehecht aan loyaliteit, groepsvorming en kameraadschap en de intensieve vorming die militairen gezamenlijk ondergaan’ kan de kiem ‘leggen voor een militaire praktijk waarin sprake is van een bovenmatige interne gerichtheid.’ Iets verderop: ‘De belangrijkste (en welbekende) reden die wordt genoemd om niet te melden is het idee dat het niet zou passen bij kameraadschap, dat het deloyaal zou zijn.’ Centrale Organisatie Integriteit Defensie. Integriteit bij de opleiding en vorming van adelborsten en cadetten aan de Nederlandse Defensie Academie duiding van risico's, perspectief op verbetering (Commando Diensten Centra, 2014) 10, 18. De Nederlandse gedragscode voor defensiepersoneel illustreert die interne gerichtheid. De gedragscode uit 1996 noemde nog respect voor andermans cultuur, terughoudendheid in het gebruik van geweld en het eerbiedigen van de (internationale) rechtsregels. De in 2007 van kracht geworden gedragscode is veel minder uitgesproken over wat van militairen op uitzending mag worden verwacht: die code moet vooral ongewenst gedrag tussen collega’s voorkomen. Zelfs het ‘ik ben integer en behandel iedereen met respect’ slaat, afgaande op de toelichting, toch vooral op collega’s die gevrijwaard moeten blijven van pesterijen, discriminatie en seksuele intimidatie. Het doel van de code is, afgaande op de Borging Gedragscode ‘een veiliger en prettiger werkomgeving voor het defensiepersoneel.’

[37] Mental Health Advisory Team IV, Operation Iraqi Freedom 05-07 Final Report (Washington, D.C.: Office of the Surgeon, Multinational Force-Iraq and Office of the Surgeon General, United States Army Medical Command, 2006).