'Grootbedrijf van menschenslachting'

Nederlandse dagbladen over de luchtoorlog, 1914-1940

In het debat over bewapening, neutraliteit en de positie van Nederland in de wereld dat gedurende het Interbellum in Nederland werd gevoerd, speelde het luchtbombardement een hoofdrol. De beeldvorming van de luchtoorlog werd bepaald door duivelfiguren, onschuldige burgerslachtoffers en de anticipatie van het einde van de beschaving. Tegen deze achtergrond leidde de ervaring van de Spaanse Burgeroorlog in de Nederlandse dagbladen tot een kortstondig gevoel van opluchting: de praktijk was weliswaar gruwelijk, maar kon niet voldoen aan de angstbeelden die gedurende de jaren twintig en dertig door pacifisten en ontwapenaars bewust waren herhaald en versterkt. De ervaring van mei 1940 maakte aan enig gevoel van opluchting een definitief einde.

W.F.J. Linmans, BA*

In januari 1905 wierp Herman Heijermans in zijn feuilleton ‘Amsterdamsch schetsboek’ voor het Algemeen Handelsblad een blik in de toekomst: de samenleving zou zich spoedig verplaatsen naar het luchtruim. Droogkomisch beschreef hij hoe brievenbussen op daken werden bevestigd, schipbreuken definitief tot het verleden behoorden en hoe men hoog in de lucht in de meest serene stilte van poëzie genoot. Enerzijds gaf de moderne luchtvaarttechniek een ongekende en bewonderenswaardige dynamiek aan het leven. Anderzijds betekende de luchtvaarttechniek een bedreiging voor de Nederlandse bevolking: de wijde hemel tussen Engeland en Duitsland zou een ‘heerlijke vechthemel’ worden, een nieuw en onbegrensd slagveld en de ideale ruimte om ‘mekaar dood te slaan’.[1]

Discussies omtrent de positie van Nederland in de wereld en de rol die de Nederlandse krijgsmacht (inter)nationaal zou moeten spelen, worden nog steeds gevoerd. Dit artikel poogt nieuw inzicht te geven in het denken over de Nederlandse landsverdediging gedurende het Interbellum door te kijken naar het angstbeeld dat dit denken in deze periode kwam te overheersen, namelijk de luchtoorlog. Niet de diplomatieke en praktische maatregelen die tegen de luchtoorlog werden genomen, maar het publieke discours en de beeldvorming in Nederlandse dagbladen staan centraal. Het voornaamste bronnenmateriaal wordt dan ook gevormd door dagbladen met een landelijke spreiding: Algemeen Handelsblad, Het Centrum, Nieuwe Rotterdamsche Courant, De Telegraaf, De Tijd, De Tribune, Het Vaderland, Het Volk, Het Volksdagblad, Voorwaarts, en Het Vrije Volk. Het artikel begint bij de Eerste Wereldoorlog en werkt via de jaren twintig, de Tweede Italiaans-Abessijnse Oorlog (1935-1936) en de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) toe naar het slot, het bombardement van Rotterdam in mei 1940.

Een moderne oorlog

Tussen 1914 en 1940 berichtten de Nederlandse dagbladen met grote regelmaat over de ontwikkelingen op het gebied van de luchtoorlog. Aanvankelijk werd het vliegtuig slechts gebruikt als verkennings- en spionagetoestel. Eerste luitenant C. Schilderman van het Nederlandse korps Veldartillerie stelde zich in augustus 1914 de vraag of het vliegtuig ook als actief strijdmiddel kon worden ingezet door het met bommen uit te rusten. Daarmee zou het mogelijk worden het moreel van de vijand ‘geduchte slagen’ toe te brengen.[2] Slechts een week nadat de Nieuwe Rotterdamsche Courant zijn voorspellingen publiceerde, werd Luik op 9 augustus 1914 door een Duitse zeppelin gebombardeerd. Gedurende de eerste maanden van de oorlog werden luchtbombardementen beschreven als ‘verbazingwekkend domme en barbaarsche’ daden en een belediging voor de beschaafde wereld.[3] Met name De Tribune, het partijorgaan van de latere Nederlandse communistische partij (CPN), reageerde fel. Luchtbombardementen zouden geheel in strijd zijn met de ‘voorschriften van een beschaafde oorlogvoering’ uit de negentiende eeuw.[4] Het bombarderen van een onschuldige burgerbevolking kon worden gezien als de meest gruwelijke vorm van valsspelen.

In alle Nederlandse bladen werd de onschuld van de burgerslachtoffers breed uitgemeten. Met grote regelmaat konden Nederlandse krantenlezers gruwelen bij even gedetailleerde als tragische verhalen over de meest onschuldige van alle slachtoffers: vrouwen en kinderen. Zo plaatste De Telegraaf, één Nederlands grootste neutrale dagbladen, een bijzonder tragisch verhaal over een Brits jongetje dat zijn vader verloor. Vader dacht vliegtuigmotoren te horen en was de tuin ingelopen toen voor zijn voeten een bom ontplofte. Een scherf trof hem in het hoofd en doodde hem op slag. De achtergevel van het huis werd geheel weggeslagen. Zoonlief was hem gevolgd en werd door een granaatscherf getroffen in zijn arm. Hevig bloedend holde hij terug naar binnen. ‘Ze hebben mijn paatje doodgemaakt’, riep hij angstig tegen zijn moeder, ‘en kijk eens wat ze mij hebben gedaan.’[5]

In september 1915 gaf overtuigd antimilitarist Albert Hahn een vergelijkbaar tafereel weer in een prent voor het satirische weekblad De Notenkraker, uitgave van socialistisch dagblad Het Volk, dat dienst deed als landelijk dagblad van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). De prent ‘Oorlogsjammer’ toont het verwoeste interieur van een gebombardeerde woning. De vloer van de woning is bezaaid met brokstukken en houten balken, restanten van meubels en gordijnen. Centraal op de prent en midden in de ravage ligt een man met een pijnlijke grimas op zijn gezicht, zijn verwrongen hand grijpt naar zijn keel. Op zijn borst ligt zijn jonge dochtertje met schattige krulletjes in een smetteloos wit jurkje. Ze is uit haar ledikant gevallen en ligt nu half onder het puin bedolven. Hahns boodschap is duidelijk: het bombarderen van de burgerbevolking is een oorlogsmisdaad.[6]

In zijn tekening Oorlogsjammer, met als ondertitel Na het Zeppelinbezoek, kritiseerde de antimilitarist Albert Hahn het bombarderen van burgerdoelen. Bron: De Notenkraker

Schandelijke barbaarschheid’

Een Belgische oorlogscorrespondent schreef in september 1915 in De Tijd uitvoerig over een luchtgevecht tussen een Duits en een Brits toestel – een hoge uitzondering in de Nederlandse berichtgeving. Het verslag beschreef in mooie metaforen en zinnebeelden ‘een hoogen kamp tusschen mensch-arenden’ en legde zodoende een interessante tegenstrijdigheid bloot in de beeldvorming van de luchtoorlog.[7] Het bombarderen van de burgerbevolking werd in de Nederlandse dagbladen omschreven als een hoogst laffe daad die het verval van de beschaving en een terugkeer naar middeleeuwse barbarij betekende, maar het luchtgevecht tussen piloten onderling werd beschreven als een ridderlijke strijd tussen twee twintigste-eeuwse cavaleristen die aan elkaar gewaagd waren en deelnamen aan een eervol duel op leven en dood. Het luchtgevecht, merkte historica Joanna Bourke reeds op, vormde, althans in de verbeelding en berichtgeving, een brug tussen moderniteit en hoofse ridderlijkheid.[8]

Het luchtgevecht stond bovendien in schril contrast met het anonieme sterven in de loopgraven. Aanvankelijk droeg de strijd in de lucht een vrij onschuldig karakter, schreef het sociaaldemocratisch dagblad Voorwaarts, maar de revolver maakte al snel plaats voor het machinegeweer: ‘Dan is de eigenlijke ‘luchtoorlog’ ingeluid, die de blauwe luchten boven de loopgraven, poelen, waarin menschenmassa’s als ratten in holen en modder leven, spoedig tot tournooivelden zal maken waar op bovenmenschelijke wijze gestreden zal worden’.[9] Ook het luchtbombardement werd met de nodige symboliek omkleed. De vliegenier cirkelde als de vleesgeworden duivel hoog boven de hoofden van de hulpeloze vijand en wierp naar eigen goeddunken kilo’s dodelijke springstoffen af: ‘Wij zien hem reeds als een verbolgen duivel uit zijn toestel buigen, de hand geheven om de vurige bommen te slingeren. Een schaterlach snijdt door de lucht nu zich beneden hem een tooneel ‘van schrik en bloed’ ontrolt’.[10]

De luchtoorlog en het vliegtuig waren het resultaat van hoogst moderne, wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Die vooruitgang leek er nu voor te zorgen dat de beschaving afgleed ‘tot de schandelijke barbaarschheid van drie of vier eeuwen geleden.’[11] Het vliegtuig werd tegelijkertijd gezien als een wonder van moderne mechanica en ‘het zinnebeeld van dood en verderf, de drager van granaten en andere helsche ontplofbare werktuigen’.[12] In de publieke beeldvorming raakte de luchtoorlog om die reden al snel verbonden met andere moderne oorlogstechnieken. Zo werd de luchtoorlog in de Nederlandse berichtgeving vaak in één zin genoemd met de duikbotenoorlog. De moderne oorlog werd uitgevochten met onderzeeërs, zwaar geschut en mitrailleurs, met bommen en mijnen, en verstikkende gassen en torpedo’s. Deze oorlogvoering was waarlijk al waanzinnig genoeg zonder dat vliegeniers zich schuldig maakten aan het ‘nuttelooze dooden van burgers, van vrouwen en kinderen’, schreef het Algemeen Handelsblad in februari 1916.[13]

De angst voor een toekomstige luchtoorlog raakte onlosmakelijk verbonden met het gebruik van gifgas en chemicaliën. Deze ‘satanische uitvindingen’ hadden in de Eerste Wereldoorlog grote indruk gemaakt. Gifgas was een stille en meedogenloze moordenaar die niemand ontzag: ‘Tegen gas is geen ontsnapping mogelijk. Geen loopgraaf is diep genoeg, geen onderaardsch verblijf, tenzij hermetisch afgesloten, is er veilig tegen’, waarschuwde de vrijzinnig liberaal David van Embden in de Eerste Kamer.[14] Citaten van buitenlandse militaire theoretici in Nederlandse dagbladen bevestigden de angst dat de combinatie van gas- en luchtwapen een vijandelijke natie snel op de knieën zou dwingen om daarmee de strijd te beslechten.[15] De bommenwerper en het chemische wapen maakten geen onderscheid tussen burgers en soldaten en bescherming leek onmogelijk.

Op 30 april 1917 wierp een Britse bommenwerper per vergissing bommen op Zierikzee. Een formatie Britse toestellen was belast met het uitvoeren van een bombardement op Zeebrugge, maar één van de toestellen dwaalde af en wierp zijn bommen af boven Schouwen-Duiveland. Twee volwassenen en een kind kwamen om het leven. Het was voor Hahn aanleiding een prent te maken die enkele dagen later op de voorpagina van De Notenkraker werd geplaatst.[16] Op de voorgrond zijn drie gesloten doodskisten afgebeeld, twee grote en een kleinere. Vlak achter de kisten staat de dood gekleed als vliegenier. Hij haalt zijn schouders op en houdt zijn armen gespreid alsof hij wil zeggen: een ongeluk kan gebeuren. In het onderschrift is de dood aan het woord: ‘‘k Heb een beetje gemorst. Een kleine vergissing is… doodelijk’.[17]

Nadat een Brits vliegtuig in 1917 per vergissing bommen had afgeworpen op Zierikzee, maakte Albert Hahn een prent waarmee hij impliciet waarschuwde voor de komst van de allesvernietigende oorlog. Bron: De Notenkraker

Het psychische front der vijandelijke natie’

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had de beschaafde wereld ‘een blik in de afgrond’ geworpen, concludeerden Nederlandse dagbladen. Het is opvallend hoe uit een zeer groot aantal krantenberichten in de jaren twintig een groeiend besef spreekt van een nog grotere, allesvernietigende oorlog die niet lang op zich zou laten wachten. Het Algemeen Handelsblad stelde in 1924 dat de gemoederen in de naoorlogse wereld nog altijd door oorlogsvrees werden beheerst.[18] De komende oorlog zou in de lucht worden beslecht, voorspelde het dagblad. Het was een gruwelijk vooruitzicht dat deze vorm van oorlogvoering niets en niemand zou sparen: ‘En intusschen wapent de wereld zich voor een nieuwe afrekening, waarbij ‘dankzij’ wetenschap en techniek de gruwelen van den achter ons liggenden oorlog zullen verbleeken. Dat is het droeve resultaat van den oorlog tegen ‘barbaarschheid en militarisme’, van den ‘war to kill war’![19]

‘Als een zwaard van Damocles hangt de bedreiging uit de lucht boven het land’, schreef het Algemeen Handelsblad nog in het najaar van 1930.[20] De grens tussen soldaat en burger vervaagde door vergissing en willekeur enerzijds en door (bewuste) terreurbombardementen anderzijds. Bommenwerpers zouden met behulp van gas-, scherf- en brandbommen hele steden in rokende puinhopen veranderen en het ‘psychische front der vijandelijke natie (…) de wil van het volk’ breken, daar leken alle Nederlandse dagbladen het eind jaren twintig over eens te zijn – ook al verbonden niet alle daaraan de consequentie van eenzijdige ontwapening. De moderne oorlog zou steden verwoesten zoals ‘de Mongolen van den aartsmoordenaar Dsjengish Khan’ dat eeuwen geleden deden.[21]

Politieke agitatie van het slechtste soort’

De nachtmerrie van een allesvernietigende oorlog stond centraal in de discussie over neutraliteit en landsverdediging die in de jaren twintig een hoogtepunt bereikte. Hendrik Colijn probeerde in 1924 de angst voor grootschalige gasbombardementen weg te nemen. In zijn functie als minister van Financiën waren de hoge kosten voor afdoende bescherming tegen luchtbombardementen met chemische wapens zeer onaantrekkelijk. Voor terreurbombardementen hoefde de Nederlandse bevolking niet bang te zijn, stelde hij dan ook. Tot de ‘zelfvernieling van het ‘beschaafde’ deel der bevolking der aarde’ zouden de West-Europese en Amerikaanse staten het volgens Colijn niet laten komen.[22] Het communistisch dagblad De Tribune schetste een heel wat minder hoopvol toekomstbeeld. Het ministerie van oorlog kon zich maar beter ‘voorzien van een voldoende hoeveelheid vergifpijlen en die bij de oorlogsverklaring onder de bevolking verdeelen. Slechts op deze wijze kan men ze voor de pijnlijke dood bewaren die hen anders onder de instortende en brandende huizen – bij een luchtaanval – zou treffen.’[23]

De verhitte discussie over neutraliteit en landsverdediging werd enerzijds aangevoerd door de vrijzinnig liberaal David van Embden en anderzijds enkele militaire theoretici, onder wie de voormalig opperbevelhebber van de land- en zeemacht tijdens de Eerste Wereldoorlog C.J. Snijders. Van Embden, voorman van de Vrijzinnige Democratische Bond (VDB), streefde naar eenzijdige nationale ontwapening. Daartoe hield hij in het voorjaar van 1924 een rede in de Eerste Kamer die later dat jaar als brochure verscheen onder de titel Nationale ontwapening of volksverdelging. Hij achtte het onverantwoord om grote financiële offers te brengen voor een landsverdediging die nooit toereikend zou zijn: ‘Men zendt ons te eenigen dag een ultimatum. Ha, dan grijpen wij het geweer en snellen naar de grens. (…) Geweer en zwaard kunnen in het museum blijven en de grens komt bij u. Binnen 20, 30 minuten cirkelen de vliegtuigen boven onze steden en à la minute zelfs bedreigen ons de vuurmonden van achter de horizon’.[24]

Eenzijdige nationale ontwapening zou volgens hem het vertrouwen kunnen winnen van grote mogendheden als Engeland en Frankrijk. Alleen zo kon voorkomen worden dat de Nederlandse bevolking in de toekomst slachtoffer zou worden van een oorlog die ‘onvergelijkbaar heviger, vreeselijker, moorddadiger zijn zal dan het reeds zoo afschuwelijke uitroeiingsdrama dat achter ons ligt’.[25] Om zijn politieke punt kracht bij te zetten, schetste Van Embden met verve een schrikbeeld waarin gifgas- en luchtoorlog onafscheidelijk waren. Hij betoogde dat bij het ‘chemische uitroeien van menschen’ geen onderscheid werd gemaakt tussen soldaten en burgerbevolking. Sterker nog, vijandelijke bommenwerpers zouden zich in de eerste plaats richten op de vele fabrieken, kantoren, banken, dagbladen en bestuursorganen in grote steden. Door terreur en massamoord zou het moreel van de strijdmacht worden gebroken en een overgave worden afgedwongen. Van Embden dreef het angstbeeld van de massa-oorlog tot in het extreme door en predikte het einde van de Nederlandse bevolking: landsverdediging en nationale bewapening zouden slechts resulteren in een ‘grootbedrijf van menschenslachting’ en een ‘grootscheepsere uitroeiing van al wat hier leeft’.[26]

Op 31 september 1924 stond Van Embden tegenover C.J. Snijders in het zogeheten ‘dierentuindebat’, gehouden in de dierentuin van Den Haag. Het debat werd voorpaginanieuws. De vragen of bescherming tegen een luchtoorlog mogelijk was en of landsverdediging nog zin had stonden centraal. Snijders probeerde de werking van het gaswapen te relativeren door op officiële rapporten en statistieken en verklaringen van deskundigen te wijzen. Gifgas was in de Eerste Wereldoorlog een weinig effectief wapen gebleken, concludeerde Snijders. Hij benadrukte liever de onmenselijkheid, wreedheid en de verwoestende kracht van andere moderne wapens, zoals de  brisantbom. Zijn uitspraken veroorzaakten groot rumoer. Uit de zaal, waarin ook arbeiders en socialisten vertegenwoordigd waren, klonken kreten als ‘Wij willen geen oorlog meer!’ en ‘Arme moeders!’ Dagbladen beschreven hoe de vergadering uiteenging ‘onder het zingen van de Internationale en het anti-militaristenlied’.[27]

Net als Snijders was A.J. Maas, kapitein der Luchtdoelartillerie, fel tegen bezuinigingen op defensieuitgaven.[28] In de brochure Nationale ontwapening? deed Maas de opvattingen van Van Embden af als ‘zuiver speculatieve voorstellingen en luchtspiegelingen der toekomst’.[29] Het zou om technische redenen ‘volstrekt onuitvoerbaar’ zijn om een land als Nederland met luchtbombardementen geheel te vernietigen.[30] Maas erkende dat Nederland was ingesloten door grote mogendheden en in een nieuwe West-Europese oorlog een belangrijke luchtstrategische positie zou hebben. Desondanks voorspelde hij dat Nederland in een luchtoorlog ‘wel steeds een neven-operatie-tooneel’ zou blijven.[31] Even zwaar woog volgens Maas dat gas- en brandbommen tijdens de Eerste Wereldoorlog niet tegen de burgerbevolking waren ingezet. Er was volgens hem geen enkele reden om aan te nemen dat dat in een volgende oorlog wel zou gebeuren.[32]

Naar aanleiding van die brochure betoogden ook liberale dagbladen als de Nieuwe Rotterdamsche Courant dat Van Embden ‘politieke agitatie van het slechtste soort’ voerde. Volgens de NRC toonde Maas overtuigend aan dat de paniekverwekkende verhalen over de gasverschrikkingen van een toekomstige luchtoorlog louter fictie waren. Van Embden verklaarde Nederland bij voorbaat onverdedigbaar, maar de NRC schreef dat ontwapening geen goodwill kon garanderen: ‘De oorlogvoerenden die geen burgerlijke bevolking, geen vrouwen en kinderen sparen, zullen de ontwapenaars niet ontzien alleen omdat ze zeggen dat ze fatsoenlijke lieden zijn die met dien onfatsoenlijken oorlog niets te maken willen hebben’.[33] Volgens het dagblad had de wereldgeschiedenis geleerd dat wie buiten een oorlog wil blijven, zich daartoe moest wapenen. Het tevens liberale dagblad Het Vaderland herhaalde in dat licht een spreuk die in het denken over landsverdediging steeds opdook: ‘si vis pacem, para bellum’: wie vrede wil, bereide zich voor op oorlog.[34]

De sociaaldemocratische pers reageerde fel op de uitspraken van Maas. Voorwaarts stelde dat Maas ontwapenaars onterecht wegzette als ‘valsche profeten, misleiders, volkskrachtondermijnende werkloosheidspropagandisten’.[35] In maart 1925 publiceerden vrijwel alle landelijke dagbladen de conclusies van een militaire commissie van de SDAP. De commissie stelde vast dat de toekomstige oorlog volledig gemechaniseerd zou zijn, met een ‘beslissenden invloed’ van het luchtwapen. Tegen deze moderne oorlog werd verdediging onmogelijk geacht, want terwijl vloten van tanks gevuld met massa’s vloeibaar gas bij de landsgrenzen alle leven wegvaagden zouden luchtvloten ‘groote industrieele en regeeringscentra’ van de vijand aanvallen en zo de burgerlijke bevolking dwingen zich bij de wil van de aanvallers neer te leggen.[36] Om financiële ontreddering te voorkomen kon de Nederlandse regering dus maar beter afzien van elke ‘van-te-voren-tot-mislukking-gedoemde poging’ om de luchtverdediging naar de eisen van de tijd in te richten, vond de commissie.[37]

Het sociaaldemocratisch dagblad Het Volk stak in november 1925 op een prachtige manier de draak met nieuwe militaire voorschriften voor de lucht- en gasoorlog. Volgens de voorschriften moesten burgers bij een gasbombardement zo snel mogelijk gasmaskers opzetten. Ook paarden moest een gasmasker worden opgezet. Daarop verwachtte Het Volk ‘een vlammend protest onzer honderd duizenden koebeesten over een dergelijke klassebevoorrechting!’ Bovendien diende de Nederlandse bevolking op te komen voor de belangen van veulentjes door gasmaskers op maat te verstrekken.[38] Maar Het Volk zette de strijd voor ontwapening overwegend op een veel minder humoristische toon voort. In 1929 citeerde de krant de Britse minister van Financiën Philip Snowden, die onverbloemd voor een ware apocalyps waarschuwde. Slechts ontwapening en arbitrage zouden volgens Snowden een algehele vernietiging van de burgerbevolking kunnen voorkomen.[39] Regelmatig doken in Nederlandse dagbladen uitlatingen van buitenlandse politici en militaire denkers op, niet in de laatste plaats van de Italiaanse militair-theoreticus Giulio Douhet. De Nederlandse beeldvorming van de luchtoorlog kwam dan ook sterk overeen met de opvattingen die in andere West-Europese landen de ronde deden.

Bedroevend en beschamend’

Onrust en paniek die schadelijk waren voor ‘nationale geestelijke en moreele krachten’ moesten vermeden worden, berichtte De Tijd in de zomer van 1933.[40] Dat betekende echter niet dat er sprake kon zijn van onverantwoorde gelatenheid. Het grootste gevaar was dat de Nederlandse bevolking onvoorbereid in een oorlog verwikkeld zou raken. De burgerbevolking moest tegen het gevaar vanuit de lucht worden beschermd, stelde ook de Amsterdamse politieinspecteur M.J.M. Gemmeke. In het ‘roode paradijs’ Rusland was al met ingang van 1 december 1932 een verplicht leervak ingevoerd op alle Russische scholen: leerlingen kregen een gasmasker en leerden daarmee omgaan. Ook in andere landen werd de burgerbevolking vertrouwd gemaakt met de verschrikkingen van de luchtoorlog. Een voorpaginafoto van een gasoefening op een meisjesschool in Japan toonde ‘een verbluffende gelijkenis met het fotomateriaal uit Hitler-Duitsland’, schreef Het Volk afkeurend.[41] In Duitsland werd op dat moment een grote demonstratie gehouden op het Horst Wesselplein, waar een vijf meter hoge vliegtuigbom werd achtergelaten ‘om de voorbijgangers dagelijks aan den luchtoorlog te herinneren’.[42] Om die reden was twee jaar eerder ook in Warschau een vliegtuigbom op een trottoir geplaatst.[43]

Volgens het Algemeen Handelsblad was het ‘zonderling en typisch Nederlandsch’ dat de overheid zich niets leek aan te trekken van de gevaren van grootschalige luchtbombardementen. Die achteloosheid was op zichzelf geen nieuw verschijnsel, betoogde het dagblad aan de hand van een gemeenplaats over de vermeende Nederlandse volksaard, want ‘reeds Johan de Witt klaagde over den ‘aerdt’ der Nederlanders, ‘dat als haar de noodt en de periculen niet zeer claer voor oogen comen zy geenszins gedisponeerd connen worden om naar behooren te vigeleeren voor haar eigen securiteit.’[44] De Nederlandse verdediging tegen het luchtgevaar werd afgedaan als bedroevend en beschamend. Nederland zou volgens het Algemeen Handelsblad in het brandpunt liggen van een toekomstige Europese strijd, maar het stak ‘gelijk een struisvogel het hoofd in den grond.’

‘De inktzwarte wolken der Europeesche toekomst’

Begin jaren dertig organiseerden tal van West-Europese steden oefenbombardementen als voorbereiding op een daadwerkelijke luchtoorlog. De Tribune verzette zich fel tegen dergelijke voorbereidingen en plaatste het luchtbombardement in de context van de communistische strijd tegen kapitalisme en fascisme. De grootschalige oefenbombardementen in steden als Lyon, Londen en Parijs werden afgedaan als pogingen van de kapitalistische bourgeoisie ‘om de bevolking in een oorlogsroes te brengen.’[45] Een nationale luchtdemonstratie in Soesterberg in juli 1934 werd beschreven als een poging van de ‘Hollandsche imperialisten’ om bij de massa’s een ‘oorlogszuchtige en nationalistische geest’ op te wekken.[46] Zo werd de angst voor luchtbombardementen ingezet in de communistische strijd tegen kapitalisme en fascisme: ‘Eenheid van actie tegen oorlog en fascisme en tegen de eigen bourgeoisie! Slechts de nederlaag van de Hollandsche bourgeoisie kan de bevrijding der arbeidersklasse brengen!’[47]

Hoewel pacifisten en communisten met veel aplomb voorspelden dat de toekomstige oorlog zich zou laten kenmerken door grootschalige gasbombardementen, ontbraken tot de Tweede Italiaans-Abessijnse Oorlog (1935-1936) voorbeelden van dergelijke bombardementen in de Nederlandse berichtgeving. In januari 1936 werden berichten verspreid hoe Italiaanse bommenwerpers gifgas- en brandbommen afwierpen op de weerloze burgerbevolking van Abessinië.[48] De prent van Leo Jordaan, die op 19 oktober 1935 groot werd afgedrukt op de omslag van De Groene Amsterdammer, maakt in één oogopslag duidelijk hoezeer de bommenwerper en het gifgas met elkaar verbonden werden.[49] ‘De beschaving komt’ toont op de voorgrond een vrouw met een stervend kind in haar armen. Op de achtergrond staat Abessinië in brand. De overvliegende bommenwerper belichaamt de dood: hij heeft een schedel en draagt een gasmasker en een Italiaanse helm. De Tweede Italiaans-Abessijnse Oorlog leek het definitieve bewijs dat de moderne oorlog een gecombineerde lucht- en gasoorlog was.

Leo Jordaan wist in 1935 de angst voor gifgasbombardementen te vangen in zijn prent op de cover van De Groene Amsterdammer. Bron: De Groene Amsterdammer

Met name de morele impact van de luchtbombardementen kreeg in de Nederlandse berichtgeving veel aandacht. In maart 1937 gaf dokter C.W.F. Winckel, leider van de expeditie van het Nederlandse Rode Kruis naar Abessinië, een lezing in hotel Bellevue in Amsterdam over de betekenis van de Italiaanse campagne. Het moreel van de Ethiopische burgerbevolking en het Ethiopische leger was niet bestand tegen de Italiaanse luchtbombardementen: ‘de tegenstand stortte ineen, vóór men den tijd had zich aan te passen aan het geheel onbekende wapen en zich te bezinnen op doeltreffende middelen om zich te verweren’. Daarin school volgens Winckel de belangrijke les dat alleen een goede voorbereiding kon voorkomen dat bij luchtbombardementen paniek en angst zouden uitbreken.[50]

Totale oorlog

Mussolini had in Abessinië een ‘totale oorlog’ gevoerd, stelde De Tribune in april 1936. Il Duce was te werk gegaan volgens de ‘nazi-theorie van de totale oorlog’ die sinds het verschijnen van Erich Ludendorffs Der totale Krieg in 1935 onderdeel was van het Duitse publieke discours.[51] Terwijl vrijwel alle landelijke dagbladen de ‘totale oorlog’ uitlegden als een economisch principe waarbij de hele burgerbevolking zich inspande in de oorlogseconomie, gaf De Tribune aan het concept de betekenis van een ‘teugelloze moord op een volslagen weerloos volk’, zoals in Abessinië. De Italiaanse fascisten vernietigden vee en velden om het leger uit te hongeren, bedekten gehele landstreken in een gasnevel die elk levend wezen doodde en bombardeerden koelbloedig neutrale ambulances om te verhinderen dat een enkele gewonde Abessijn zou genezen.[52]

Na het bombardement van de Spaanse stad Guernica tijdens de Spaanse Burgeroorlog legden ook andere landelijke dagbladen de totale oorlog uit als het terroriseren van de burgerbevolking. Op maandag 26 april 1937 werd Guernica urenlang gebombardeerd door toestellen van het Duitse Legioen Condor. Het enige doel van de wraakzuchtige vernieling in de ‘wieg van het Baskische ras’ was de burgerbevolking te demoraliseren, schreef het Algemeen Handelsblad.[53] Ziekenhuizen, kloosters en boerderijen in de omgeving van Guernica werden door jachtvliegtuigen onder vuur genomen: ‘vliegtuigen daalden zeer laag, hun machinegeweren ratelden over de bosschen en wegen welker greppels vol lagen met vluchtelingen die zich tegen de grond drukten. (…) In de eerste uren van den nacht kon men het smartelijke schouwspel zien: mannen en vrouwen zochten de nabije bosschen af naar hun vrienden en verwanten. Het meerendeel der lyken is doorzeefd door verscheidene kogels der mitrailleurs’.[54] De onschuldige Basken konden het bombardement slechts beantwoorden met ‘het gebed van hun priesters die de neergeknielde menigte zegenden.’[55]

‘Wel zeer belachelijke overdrijvingen’

Toch maakte de realiteit de angstfantasieën niet waar. Kortstondige verontwaardiging en gruwel maakten in de Nederlandse dagbladen al snel plaats voor een merkwaardige gelatenheid en opluchting. Luchtbombardementen hadden ‘niet die uitwerkingen die men ervan verwachtte’, schreef Het Vaderland in augustus 1937 naar aanleiding van de aanhoudende luchtbombardementen in Spanje.[56] Een Zwitser die in 1937 en 1938 in Spanje verbleef bevestigde in Luchtgevaar, het maandschrift van de Nederlandse Vereniging voor Luchtbescherming (NVL), dat voor paniek geen reden was aangezien de bombardementen van Barcelona, Valencia en Madrid leerden dat het aantal slachtoffers steeds ‘betrekkelijk gering’ was.[57] Pacifisten en ontwapenaars hadden beweerd dat Amsterdam in een kwartier tijd van de aardbodem weggeveegd zou kunnen worden, schreef Het Vaderland kort na het bombardement van Guernica, maar na de luchtbombardementen in Spanje hechtte ‘niemand nog eenige beteekenis (…) aan zulke beweringen.’ Waarschuwingen van de antimilitaristische propagandisten in de jaren twintig en dertig bleken ‘wel zeer belachelijke overdrijvingen’.[58]

Een Spaanse medewerker van het Algemeen Handelsblad schreef dat het verwachte psychologische effect van de luchtbombardementen was uitgebleven.[59] Ook De Groene Amsterdammer bevestigde die opvatting. In februari 1937 deed een Nederlandse jongliberaal verslag van de bombardementen die de burgerbevolking van Madrid eind november 1936 onderging. Naast openbare gebouwen waren dichtbevolkte, uitgestrekte wooncomplexen gebombardeerd door nationalistische bommenwerpers: ‘Het gaat hier om wat men met een technische term noemt demoralisatie van de burgerbevolking. Eén ding is ons echter wel overtuigend gebleken: deze bombardementen bereiken eerder het tegendeel van demoralisatie. De geest van verzet wordt door de barbaarsche luchtaanvallen niet gebroken doch integendeel versterkt. Dit is de duidelijke reactie van de bevolking van Madrid, en ook bij volken buiten Spanje zou de reactie niet anders zijn’.[60]

‘Groote luchtslagen van duizenden vliegtuigen’

In september 1939 vertoonde het Amsterdamse Alhambra Theater de film ‘Als bommen vallen’. De film toonde beelden uit Abessinië, Spanje en van de grootschalige Duitse luchtbombardementen op Warschau in de eerste week van september 1939. De beelden uit Warschau maakten volgens De Telegraaf opnieuw duidelijk wat de burgerbevolkingen van grote steden boven het hoofd hing in tijden van oorlog en termen als demoralisering en terroriseren doken opnieuw veelvuldig op.[61] Toch bleef de Nederlandse berichtgeving over de toekomst van de luchtoorlog verward. Ondanks een voorzichtige opluchting over de praktijk van de moderne luchtoorlog die niet zo erg was als werd gevreesd, bleef de angst voor een luchtbombardement groot. De bombardementen in Polen waren volgens De Telegraaf voor de beoordeling van de betekenis van een moderne luchtoorlog zelfs ‘niet meer dan een gebrekkige maatstaf’. De Telegraaf voorspelde massale luchtgevechten tussen vijandelijke vloten: ‘Pas als er groote luchtslagen van duizenden vliegtuigen aan beide zijden geleverd zijn, zal men zich eindelijk een juist beeld kunnen maken van de werkelijke aanvals- en verdedigingsmogelijkheden van de luchtmacht’.[62] Voorlopig konden Nederlandse dagbladen slechts gissen naar de Duitse plannen voor het Westelijk front – er werd nog altijd rekening gehouden met een plotselinge en grootschalige luchtaanval.[63] Het lot van de tienduizenden slachtoffers van de luchtbombardementen in Polen in september 1939 was in elk geval ‘niet bemoedigend’, schreef het Algemeen Handelsblad cynisch.[64]

In het voorjaar van 1940 groeiden de onzekerheid en onrust in de Nederlandse berichtgeving. De luchtoorlog had ‘zijn hoogste intensiteit’ nog niet bereikt en het zou waarschijnlijk nog wel even duren voor het zover was, berichtte De Tijd in januari.[65] Maar volgens Het Volk kon het niet lang meer duren. De voorgaande maanden werden ervaren als de stilte voor de storm: ‘Het uitblijven van de schokkende gebeurtenissen aan de fronten kan niet blijven doorgaan. Iets zal er moeten gebeuren’.[66] Binnen twee of drie maanden zou de luchtoorlog in alle hevigheid losbarsten, voorspelde Het Volk in maart 1940. Kort daarop brak de voorspelde storm boven Nederlands grondgebied daadwerkelijk los. Vroeg in de middag van 14 mei 1940 onderging de burgerbevolking van Rotterdam een kortstondig, maar hevig Duits luchtbombardement. De schokken zetten zich in de veenbodem voort, schreef Loe de Jong, ‘tot aan de overkant van de rivier, golfden de muren.’[67] Die avond richtte de opperbevelhebber van het Nederlandse leger, generaal Winkelman, zich in een radiotoespraak tot de Nederlandse bevolking. Hij sprak over de vele onschuldige vrouwen en kinderen die slachtoffer waren geworden van het bombardement en toonde het besef dat Rotterdam ‘het droevig lot van den totalen oorlog [had] ondergaan.’[68]

De toonzetting van de berichtgeving na de capitulatie was opvallend ingetogen, berustend en afwachtend, met de hoop dat orde en rust bewaard zouden blijven. De Nederlandse pers, bevestigt René Vos in Niet voor publicatie. De legale Nederlandse pers tijdens de Duitse bezetting, liet geen geluiden van verontwaardiging of woede horen, laat staan van verzet of opruiing.[69] Van de weerzin waarmee in de voorafgaande decennia over luchtbombardementen werd geschreven was niets merkbaar – de Nederlandse dagbladpers voelde al direct na de capitulatie de hete Duitse adem in de nek.[70] Evengoed maakten de verwoesting in de Maasstad en de dreiging van luchtbombardementen elders in Nederland diepe indruk. ‘Hetgeen dreigde voor de burgerbevolking was iets zoo vreeselijks’, schreef het regionale Haagse dagblad de Haagsche Courant een dag na het bombardement, ‘dat ook de dapperste militair moet inzien dat langer weerstand bieden tegenover die bevolking niet verantwoord was. Het is nu eenmaal niet anders: de sterkste heeft den strijd gewonnen.’[71]

Conclusie

De vraag hoe maatschappelijke denk- en angstbeelden over de dreiging van een toekomstige oorlog zich in de tussenoorlogse periode ontwikkelden en hoe die beelden het denken over de Nederlandse landsverdediging beïnvloedden, is te omvattend om hier sluitend te kunnen beantwoorden. Evengoed legt het hier onderzochte krantenmateriaal enkele interessante aspecten van die beeldvorming bloot. Zo is het opmerkelijk dat een zeer groot aantal journalisten in de jaren twintig op haast profetische wijze waarschuwde voor de gevolgen van een toekomstige luchtoorlog. In die berichten speelde de luchtoorlog een hoofdrol en de beeldvorming van dit moderne oorlogstype was nadrukkelijk symbolisch geladen. Pacifisten als Van Embden gebruikten de luchtoorlog om de noodzaak van eenzijdige nationale ontwapening kracht bij te zetten; communisten gebruikten het om zich in gezwollen en pathetisch taalgebruik te keren tegen fascisme, imperialisme en kapitalisme.

Dat die angstbeelden bewust werden herhaald en versterkt, leidde ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog tot een merkwaardig gevoel van opluchting, want de praktijk voldeed niet aan het angstbeeld dat pacifisten en ontwapenaars schilderden. Die opluchting was echter nooit algemeen en slechts van korte duur. In mei 1940 werd de Nederlandse burgerbevolking deelgenoot van een ‘totale oorlog’, een oorlog waarin de grens tussen front en thuisfront vervaagde. De angstbeelden die ontwapenaars als Van Embden predikten waren wellicht weinig realistisch, maar de fysieke en morele impact van het bombardement van Rotterdam waren onverminderd groot.

* Wouter Linmans volgt de Research Master-opleiding History aan de Universiteit van Leiden. Voor zijn afstudeerscriptie doet hij momenteel onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlandse communisme.

[1] H. Heijermans, ‘Amsterdamsch schetsboek’, in: Algemeen Handelsblad, 14 januari 1905, 5.

[2] ‘Het vliegtuig als strijdmiddel’, Nieuwe Rotterdamsche Courant, 5 augustus 1914, 6.

[3] Het Centrum, 23 januari 1915, 2.

[4] Algemeen Handelsblad, 23 januari 1915, 1.

[5] De Telegraaf, 17 februari 1915, 5.

[6] A. Hahn, ‘Oorlogsjammer’, De Notenkraker, 18 september 1915, 3.

[7] ‘Gevechten van vliegers’, De Tijd, 18 september 1915, 1.

[8] J. Bourke, An intimate history of killing. Face to face killing in 20th century warfare (Londen, Basic Books, 1999) 46.

[9] ‘Fokker, de man die slaagde’, Voorwaarts: sociaal-democratisch dagblad, 18 augustus 1931, 1.

[10] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 5 augustus 1914, 6.

[11] Algemeen Handelsblad, 23 januari 1915, 1.

[12] De Tijd, 1 april 1919, 5.

[13] Algemeen Handelsblad, 1 februari 1916, 1.

[14] D. van Embden, Nationale ontwapening of volksverdelging. Rede gehouden bij de Algemeene beschouwingen over de staatsbegrooting op 23 april 1924 in de Eerste Kamer der Staten-Generaal door prof. dr. D. van Embden (Rotterdam 1924) 15.

[15] N.P.M. Nuij, ‘Schrikbeeld gehuld in nevelen. Nederlandse defensie en chemische oorlogvoering, 1918-1939’, in: Militaire Spectator 170 (2001) 532-542, aldaar 534.

[16] H. van Lith, Plotseling een vreselijke knal: bommen en mijnen treffen neutraal Nederland, 1914-1918 (Zaltbommel, Europese Bibliotheek, 2001) 91.

[17] A. Hahn, ‘Zierikzee’ in: De Notenkraker, 5 mei 1917, 1.

[18] Algemeen Handelsblad, 23 maart 1924, 1.

[19] Algemeen Handelsblad, 1 juli 1923, 1.

[20] ‘Het gevaar uit de derde dimensie’, Algemeen Handelsblad, 18 november 1930, 15.

[21] ‘Van de mechanische vogels’, De Tijd, 9 december 1932, 13.

[22] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 26 april 1924, 9.

[23] ‘De komende oorlog’, De Tribune, 9 oktober 1923, 6.

[24] Van Embden, Nationale ontwapening, 28.

[25] Ibidem, 14.

[26] De Telegraaf, 1 oktober 1924, 3.

[27] Het Centrum, 1 oktober 1924, 1.

[28] Nuij, ‘Schrikbeeld gehuld in nevelen’, 535.

[29] A.J. Maas, Nationale ontwapening? De lucht- en gasoorlog en prof. dr. D. Van Embden. Eene weerlegging van de propaganda voor nationale weerloosheid (Den Haag, N.V. Boekh. v/h W.P. van Stockum & Zn. 1924) 10.

[30] Het Vaderland : staat- en letterkundig nieuwsblad, 8 november 1924, 5.

[31] Algemeen Handelsblad, 4 februari 1925, 2.

[32] Het Vaderland, 28 oktober 1924, 9.

[33] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 23 oktober 1924, 1.

[34] ‘Een alarmkreet’, Het Vaderland, 28 januari 1931, 13.

[35] Voorwaarts, 4 februari 1925, 10.

[36] Het Vaderland, 4 april 1925, 9.

[37] Voorwaarts, 14 maart 1925, 11.

[38] Het Volk. Dagblad voor de arbeiderspartij, 14 november 1925, 1.

[39] ‘Dwingt de regeeringen te ontwapenen’, Het Volk, 16 juli 1929, 2.

[40] ‘Bommen op Nederland’, De Tijd, 19 mei 1933, 4.

[41] Het Volk, 28 augustus 1933, 1.

[42] Het Volk, 29 augustus 1933, 1.

[43] Voorwaarts, 8 juli 1931, 4.

[44] Algemeen Handelsblad, 13 september 1933, 1.

[45] De Tribune, 21 maart 1935, 1.

[46] De Tribune, 30 juni 1934, 3.

[47] De Tribune, 19 november 1934, 3.

[48] Het Vaderland, 6 januari 1936, 6.

[49] L. Jordaan, ‘De beschaving komt’ in: De Groene Amsterdammer, 19 oktober 1935, 1.

[50] ‘De lessen van de luchtoorlog in Ethiopië’, Algemeen Handelsblad, 3 maart 1937, 17.

[51] R. Chickering, ‘Sore Loser. Ludendorff’s Total War’ in: R. Chickering en S. Förster (red.), Europe, East Asia, and the United States, 1919-1939 (Cambridge, Cambridge University Press, 2003) 151-178, aldaar 177-178.

[52] De Tribune, 25 april 1936, 6.

[53] ‘Gruwelijke tooneelen te Guernica’, Algemeen Handelsblad, 28 april 1937, 1.

[54] De Tijd, 30 april 1937, 1.

[55] De Tijd, 28 april 1937, 9.

[56] Het Vaderland, 8 augustus 1937, 5.

[57] Luchtgevaar, 10 oktober 1938, 166.

[58] Het Vaderland, 17 juli 1937, 1.

[59] Algemeen Handelsblad, 2 november 1938, 9.

[60] De Groene Amsterdammer, 20 februari 1937, 10-11.

[61] De Telegraaf, 27 september 1939, 10.

[62] De Telegraaf, 23 maart 1940, 3.

[63] Algemeen Handelsblad, 26 oktober 1939, 5.

[64] ‘Wat in 1914 uit de lucht kwam vallen…’, Algemeen Handelsblad, 21 oktober 1939, 2.

[65] De Tijd, 11 januari 1940, 2.

[66] ‘Luchtoorlog verwacht binnen twee of drie maanden’, Het Volk, 28 maart 1940, 2.

[67] L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dl. 3, Mei ‘40 (Den Haag 1970) 383.

[68] ‘Na vijf dagen oorlog de wapens neergelegd’ in: De Militaire spectator 109 (1940) (6) 258-260, aldaar 259.

[69] R. Vos, Niet voor publicatie. De legale Nederlandse pers tijdens de Duitse bezetting (Amsterdam, Sijthoff, 1988) 55.

[70] Idem, 50.

[71] ‘De wapens neergelegd’, Haagsche Courant, 15 mei 1940, 1.