Clausewitz in Breda, Koblenz en Berlijn

Een onderzoek naar de onstaansgeschiedenis van 'Vom Kriege'

Wetenschappers strijden al jaren over de vraag in hoeverre Vom Kriege eigenlijk gereed was toen Clausewitz in het voorjaar van 1830 ophield met schrijven om inspecteur bij de Artillerie te worden. Deze kwestie is van groot belang, aangezien daarmee samenhangt hoe we dat werk vandaag de dag zouden moeten interpreteren. Drie recente ontdekkingen, waarvan één in de bibliotheek van de Koninklijke Militaire Academie, zouden wel eens een doorbraak in deze wetenschappelijke controverse kunnen betekenen.

Drs. P. Donker*

In Breda vond ik een vrijwel vergeten tekst van Clausewitz, die mogelijk de eerste versie van Vom Kriege is. In Koblenz bleken twee geheel onbekende manuscripten al 25 jaar in een kluis te liggen. En in Berlijn zag ik dat een ander geschrift verkeerd was gedateerd. In dit artikel vertel ik over deze drie ontdekkingen en leg ik uit wat ze volgens mij betekenen voor de hedendaagse interpretatie van Clausewitz. Uiteraard begin ik met een korte beschrijving van de verschillende visies. In aparte kaders wordt het leven van Clausewitz en de bijzondere samenstelling van Vom Kriege besproken voor diegenen die daar niet helemaal in thuis zijn.

Twee tegengestelde visies op de ontwikkeling van Vom Kriege

In het hedendaagse debat over Clausewitz domineren drie namen, afgezien van een aantal auteurs dat weinig of niets van Vom Kriege moet hebben. Dit zijn Raymond Aron, Peter Paret en Azar Gat. Aron en Paret geven in 1976 de discussie over het ontstaan van dat werk een enorme impuls als zij allebei een boek publiceren. Onafhankelijk van elkaar komen ze tot een vrijwel gelijkluidende visie op die geschiedenis. Helemaal vreemd is dat overigens niet, aangezien ze allebei erg veel waarde hechten aan hetgeen Clausewitz zelf in zijn zogeheten Eerste Notitie heeft geschreven en wat zijn echtgenote schreef in haar voorwoord (zie ook: Vom Kriege, een bijzonder ‘boek’). Volgens Aron en Paret zijn er tussen 1816 en 1830 drie opeenvolgende versies geweest van wat wij nu Vom Kriege noemen. Paret noemt deze kortweg On War 1 (Essays on strategy), On War 2 (The first six books of On War; drafts of books VII and VIII) en On War 3 (Revisions of On War).[1] Het is de verdienste van Paret dat hij deze ontwikkeling plaatst in het kader van het uitgebreide historische onderzoek dat Clausewitz tegelijkertijd uitvoerde. Hij denkt dat de allereerste versie, On War 1, niet meer bestaat, hoewel er volgens hem wel een voorstudie is overgebleven, genaamd Über das Fortschreiten und den Stillstand der kriegerischen Begebenheiten.[2]

Ook Aron meent dat er drie versies zijn geweest. En ook hij besteedt de nodige aandacht aan de eerste. Deze zou volgens Clausewitz’s Eerste Notitie uit korte, krachtige zinnen in de stijl van de beroemde Franse filosoof Montesquieu hebben bestaan. De Fransman Aron is hiervan duidelijk gecharmeerd en hij wijst vervolgens op vele stilistische overeenkomsten tussen diens werk Esprit des Lois en bepaalde delen van Vom Kriege.[3] Beide commentatoren bespreken vervolgens nauwelijks de tweede versie; alle aandacht gaat uit naar de laatste. Aan de hand van de Tweede en Derde Notitie proberen zij aan te tonen dat Clausewitz eigenlijk niet zover gevorderd was met zijn in 1827 gestarte revisie van Vom Kriege als hij in 1830 stopt met schrijven. Van cruciaal belang is dan de opmerking in de ongedateerde Derde Notitie dat alleen het allereerste hoofdstuk uit het Boek I als voltooid mag worden beschouwd.[4] Met name het betoog van Aron wordt vandaag de dag op dit punt nog regelmatig aangehaald door onderzoekers die ook menen dat het meesterwerk eigenlijk onvoltooid is. In lijn met Aron pleiten zij ervoor om voorzichtig om te springen met dit werk en alles te relateren aan het ene hoofdstuk ervan, waarover Clausewitz wel tevreden is.

In 1989 komt Azar Gat tot een volledig tegengestelde visie.[5] Kort gezegd meent hij dat Marie von Clausewitz per abuis de ongedateerde Derde Notitie achter de op 27 juni 1827 gedateerde Tweede Notitie heeft geplaatst. Als die volgorde wordt omgedraaid, wordt volgens Gat helder dat Clausewitz tussen 1827 en 1830 wel voldoende tijd heeft gehad om zijn hoofdwerk te reviseren en dus bijna te voltooien. Ook in de tekst ziet hij daar verschillende aanknopingspunten voor. En als Vom Kriege nagenoeg gereed is, is er volgens Gat geen enkele reden om alles te relateren aan het beroemde eerste hoofdstuk. De verschillende paragrafen, hoofdstukken en boeken kunnen zonder problemen aan elkaar gekoppeld worden.[6] Een tweede twistpunt is dat Gat meent dat Clausewitz zijn belangrijkste concepten tamelijk laat, dus pas rond die revisie van 1827, heeft bedacht. Aron en Paret denken echter dat hij de meeste daarvan al veel vroeger heeft bedacht, maar dat hij ze pas rond 1827 tot een samenhangend geheel weet te maken.

Deze twee geschilpunten betreffen dus de vraag hoe Vom Kriege vandaag de dag zou moeten worden gelezen. Daarin speelt tevens de kwestie welke rol Clausewitz’s visie op oorlog heeft gehad in de verdere Europese geschiedenis. Simpel gezegd gaat het dan om de vraag of zijn ideeën over oorlogvoering meer uit de tijd van de Verlichting stammen of uit die van de Romantiek. De Romantiek is immers verbonden met de opkomst van het nationalisme, dat in Duitsland gepaard ging met militarisme, en gezamenlijk voor zo veel onheil heeft gezorgd. Met name Gat meent dat Clausewitz zijn belangrijkste concepten vrij laat heeft ontwikkeld, dus ten tijde van de Romantiek, en dat hij daarmee aan de wieg heeft gestaan van het Duitse militarisme. Aron en Paret zien dit verband uiteraard niet. Tot voor kort werd aangenomen dat het moeilijk zou zijn om deze controverse te beslechten, temeer omdat het archief van Clausewitz tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren is gegaan. Toch zouden de verschillende manuscripten en teksten die sindsdien zijn teruggevonden, gezamenlijk een antwoord kunnen bieden. Een bijzondere rol bij de herontdekking van al deze oorspronkelijke teksten is weggelegd voor de in 1989 gestorven Duitse onderzoeker Werner Hahlweg.

Het werk van Hahlweg

Na de Tweede Wereldoorlog schreef Hahlweg talloze boeken en artikelen over Clausewitz. Nog belangrijker is echter zijn verdienste als diens tekstbezorger. Behalve dat de beste Duitstalige versie van Vom Kriege nog steeds op zijn naam staat,[7] werkte Hahlweg ook aan drie uitgebreide wetenschappelijke bundels. Hierin zijn tal van oorspronkelijke teksten en brieven van Clausewitz voor het eerst of opnieuw gepubliceerd. Gezamenlijk tellen deze drie boekwerken ruim 1600 bladzijden. Ze zijn van onschatbare waarde voor onze kennis over Clausewitz. Een groot probleem met het werk van Hahlweg is dat hij nooit een samenhangende visie op het ontstaan van Vom Kriege heeft ontwikkeld. Dit wordt nog verergerd doordat hij zelden duidelijk uitlegt wanneer een bepaalde tekst volgens hem door Clausewitz is geschreven. Hij neemt die vervaardigingmomenten meestal erg ruim. Soms is dit zelfs in tegenspraak met hetgeen Clausewitz zelf of zijn echtgenote daarover heeft geschreven. En het past zeker niet naadloos in de opvattingen van Paret, Aron en Gat. Dus hoewel Hahlweg de feitelijke ontdekker is van de verschillende eerdere versies van Vom Kriege maakt hij het ons onmogelijk om de ontwikkeling van dat werk goed te begrijpen.

Zolang het over het vroegere werk van Clausewitz gaat, de teksten die hij schreef voordat hij aan zijn meesterwerk begon, zijn er eigenlijk geen problemen. Maar het gaat meteen mis bij wat Clausewitz zelf in zijn Eerste Notitie zijn ‘eerste versie’ noemt. Zijn vrouw heeft die notitie integraal in haar voorwoord bij Vom Kriege opgenomen. Daarom weten we dat er drie verschillende versies moeten zijn geweest. Volgens Marie begint haar man in 1816 in Koblenz met schrijven. Napoleon is dan definitief verslagen en Clausewitz is op dat moment als chef-staf van een Pruisisch legerkorps in die stad gelegerd. Hijzelf schrijft in zijn notitie dat deze eerste tekst over strategie gaat en in korte, krachtige zinnen is opgesteld, waarbij Montesquieu als voorbeeld heeft gediend. Zoals eerder gememoreerd kunnen Paret, Aron en Gat zich hierin alle drie goed vinden, met als enige toevoeging dat Paret denkt dat die eerste versie uit korte essays heeft bestaan.

Hahlweg daarentegen laat Clausewitz al tussen 1809 en 1812 aan zijn Vom Kriege beginnen. Dat is dus vóór de oorlogsjaren waarin Napoleon wordt verslagen. Het manuscript dat toen al zou zijn geschreven, noemt Hahlweg Entwürfe und Vorarbeiten zum Werk 'Vom Kriege‘.[8] In zijn toelichting bij deze tekst legt hij helaas niet uit waarom hij denkt dat dit het eerste ‘ontwerp’ moet zijn geweest. Behalve dat het jaartal niet past, gaat dit handschrift niet over strategie maar over de theorie van de oorlog; een aspect dat pas in Boek II van Vom Kriege wordt behandeld. Verder bestaat dit geschrift uit enkele uitgebreide hoofdstukken en niet uit korte, krachtige stukjes tekst die aan Montesquieu doen denken. Kortom, Hahlweg poneert een volledig afwijkende visie en onderbouwt deze onvoldoende.

Een ontdekking in Breda

Behalve dat de belangrijkste onderzoekers elkaar dus tegenspraken over wanneer Clausewitz aan zijn hoofdwerk was begonnen, was er nog een reden om een onderzoek te starten naar de eerdere versies. Er bestaat helaas geen officiële bibliografie van Clausewitz; er zijn alleen publicatielijsten. Dat zijn lijsten van boeken en tijdschriften waarin ooit een van zijn teksten is opgenomen. Die lijsten hanteren de publicatiedatum. Dat is spijtig aangezien er juist bij Clausewitz een groot verschil is tussen het moment waarop hij een bepaalde tekst vervaardigt en het tijdstip waarop deze, vaak vele jaren na zijn dood, door derden wordt gepubliceerd. Dit neemt niet weg dat in alle publicatielijsten een tekst staat, genaamd Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung.[9] Dit geschrift zou reeds tussen 1833 en 1835 in delen in achtereenvolgende afleveringen van het toenmalige Duitse militaire tijdschrift Zeitschrift für Kunst, Wissenschaft und Geschichte des Krieges zijn gepubliceerd. Dat begrip ‘aforisme’ roept natuurlijk associaties op met het boek Esprit des Lois van Montesquieu, waaraan Clausewitz in zijn Eerste Notitie refereert. Gelukkig bleken alle jaargangen van dit oude tijdschrift compleet in de uitgebreide historische collectie van de KMA-bibliotheek te zijn opgenomen. Deze collectie bevindt zich in de speciale klimatologische kelder van het Huis van Brecht. In de tijd dat Clausewitz zijn Vom Kriege schreef werd deze bibliotheek opgericht en gelukkig heeft deze bijzondere collectie de Tweede Wereldoorlog en talloze bezuinigingsrondes overleefd. Zodoende was het vrij eenvoudig om aan een kopie van Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung te komen. Het gehele geschrift is ongeveer 8.750 woorden lang en opgebouwd uit 177 genummerde aforismen. Een aantal van deze korte, krachtige tekstjes werd telkens aan het eind van elk nummer van het tijdschrift opgenomen in een column die speciaal was bedoeld om de lezer nog wat extra stof tot nadenken te bieden. Destijds waren aforismen overigens een gebruikelijke literaire vorm, ook in wetenschappelijk werk. Tegenwoordig zien we dat eigenlijk alleen nog maar terug bij de losse stellingen in een proefschrift.

De overeenkomst tussen de aforismen en de geprinte versie van Vom Kriege is ronduit verbluffend. Maar liefst 57 aforismen zijn (nagenoeg) letterlijk hetzelfde. En in ongeveer 67 gevallen (afhankelijk van de criteria die worden gehanteerd) wordt dezelfde stelling in (iets) andere bewoording weergegeven. Deze sterke gelijkenis zou er op kunnen wijzen dat Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung niet zozeer een eerdere versie is van Vom Kriege, maar eerder een latere bloemlezing uit het werk. Het was destijds tamelijk gebruikelijk om het werk van een auteur op die manier nog een keer uit te geven. Hoogstwaarschijnlijk heeft Hahlweg deze conclusie al vrij vroeg in zijn onderzoek getrokken. In zijn hele oeuvre en ook in zijn uitgebreide archief, waarover dadelijk meer, ben ik slechts één uitspraak van hem over dit geschrift tegengekomen. Al in 1966 noemt hij het een ‘Auszüge’, vrij vertaald: bloemlezing, waarbij hij overigens in het midden laat wie deze heeft vervaardigd.[10] Ik deel deze mening niet. Ten eerste zou het een heel beroerde bloemlezing zijn, aangezien de 177 aforismen dan uitsluitend uit de eerste vier boeken van Vom Kriege afkomstig zouden zijn. De Boeken V t/m VIII, maar ook hele hoofdstukken en paragrafen uit die eerste vier, worden in dat geval zonder meer overgeslagen. Deze discrepantie valt niet goed te verklaren. Omgekeerd is het goed denkbaar dat Clausewitz eerst zijn 177 aforismen schrijft en die dan langzamerhand uitbouwt tot hoofdstukken en boeken, en daar tevens nieuw materiaal aan toevoegt.

Ten tweede zijn er ten minste zeven aforismen die geheel niet in Vom Kriege zijn terug te vinden en in acht andere staan heel specifieke zinnen of opmerkingen waarvoor hetzelfde geldt.[11] Ook dit is merkwaardig voor een bloemlezing, want waar komen die stellingen dan vandaan? Clausewitz heeft immers geen tijd gehad om zijn meesterwerk verder te ‘ontwikkelen’. Het staat vast dat hij midden in het schrijfproces stopt om inspecteur bij de Artillerie te worden en dat Vom Kriege onvoltooid is. De controverse gaat over de vraag in hoeverre dat het geval was. We moeten ook oppassen voor de opvatting dat Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung is ontwikkeld uit Vom Kriege, want dat zou dit geschrift tot zijn ultieme werk maken. Maar daarvoor zijn de verschillen te groot en conceptueel gezien zijn de aforismen meestal ook van een mindere kwaliteit. In ten minste twintig gevallen is de tekst in Vom Kriege duidelijk een verdere ontwikkeling van het betreffende aforisme.[12] Terugkerend naar de vijftien aforismen die geheel of gedeeltelijk niet zijn terug te vinden in het meesterwerk kunnen we dus aannemen dat Clausewitz deze in de loop der tijd onherkenbaar heeft veranderd, of dat hij ze zelfs geheel heeft laten vervallen.

Ten slotte, maar zeker niet als laatste punt, geven Clausewitz en zijn vrouw geen enkele aanleiding om aan een (latere) bloemlezing te denken. Integendeel, haar voorwoord en zijn notities en brieven maken duidelijk dat de eerste versie van Vom Kriege een opvallende en specifieke literaire stijl had. Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung is, zoals de titel al doet vermoeden, de enige tekst van Clausewitz die hieraan voldoet. Het ligt ook veel meer voor de hand om aan een scenario te denken waarin dit werk als eerste wordt geschreven. Terugkerend uit de oorlog legt Clausewitz zijn belangrijkste bevindingen vast in 177 korte, krachtige aforismen. In de volgende tien jaar bouwt hij deze stapsgewijs uit tot Vom Kriege. De aforismen zijn dus zijn militaire ervaringen die omgezet worden in theorie. Bij het schrijven aan zijn hoofdwerk grijpt hij daar telkens naar terug; Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung is zowel zijn leidraad als zijn toetssteen. Op het congres War in the History of Ideas, dat op 14 oktober 2014 op de Koninklijke Militaire Academie werd georganiseerd, heb ik een lezing gehouden over deze vergeten tekst van Clausewitz. In de discussie bleek dat een enkeling het geschrift kende, maar niemand had het verband gelegd met de eerste versie. Sommige onderzoekers konden zich hierin wel vinden. Anderen meenden dat Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung onmogelijk de voorloper van Vom Kriege kan zijn, omdat er een aantal ideeën en concepten in staan die Clausewitz volgens hen pas veel later heeft ontwikkeld. Kortom, de controverse tussen Aron en Gat werd weer nieuw leven in geblazen.

Een ontdekking in Koblenz

Tijdens het genoemde congres was de Duitse Clausewitz-expert en voormalig Hahlweg-student Andreas Herberg-Rothe zo vriendelijk te vertellen dat het archief van Hahlweg bewaard is gebleven. Na zijn dood in 1989 is zijn enorme verzameling uitgezocht, digitaal beschreven en vervolgens opgeslagen in de Wehrtechnische Studiensammlung van de Bundeswehr in Koblenz. Op zich is dat een heel bijzondere plaats, aangezien dit een militair-technisch museum is, vol met vliegtuigen, tanks en andere wapens. Zoals hiervoor al even vermeld, heb ik in deze nalatenschap geen nieuwe aanwijzingen over de Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung kunnen vinden. In het laatste jaar van zijn leven heeft Hahlweg nog een uitgebreide lezing gehouden over de periode die Clausewitz in Koblenz heeft doorgebracht. Hahlweg noemt hierin verschillende essays die Clausewitz in deze jaren geschreven heeft, maar niet de aforismen.[13] We mogen hieruit afleiden dat hij er na 1966 nooit verder onderzoek naar heeft gedaan. Het bezoek aan het archief zou een voetnoot in mijn onderzoek zijn geweest, ware het niet dat ik daar twee volledig onbekende, eerdere manuscripten van Vom Kriege heb gevonden. Deze twee handgeschreven manuscripten heeft Hahlweg in de jaren zestig op een veiling op de kop getikt.[14] Om onduidelijke redenen hij heeft daar zelf nooit ruchtbaarheid aan gegeven en na zijn dood zijn ze netjes in een kluis in Koblenz beland. Omdat niemand in een tankmuseum naar het archief van Hahlweg gaat zoeken, laat staan naar originele teksten van Clausewitz, hebben ze daar 25 jaar onopgemerkt gelegen.

Het eerste manuscript telt 66 bladzijden en bestaat uit twee fragmenten van de conceptversie van de hoofdstukken 1 – 3 van Boek I. Het gaat hierbij dus om de originele door Clausewitz geschreven conceptversie van het beroemde eerste hoofdstuk. Dat is natuurlijk van grote wetenschappelijke waarde. Helaas zijn de drie hoofdstukken niet helemaal compleet. Hahlweg was overigens al begonnen met het maken van een transcript van beide fragmenten. Het tweede manuscript bestaat uit twee ‘gebonden boekwerken’ van in totaal 281 pagina’s. Het zijn de complete Boeken I en II van Vom Kriege. Deze teksten zijn in een net handschrift geschreven op een duidelijk betere kwaliteit papier. Daaruit mag worden opgemaakt dat dit de uiteindelijke versie is geweest die gebruikt is voor de eerste druk in 1832. Destijds moesten teksten goed leesbaar bij de drukker worden aangeleverd, die deze dan letter voor letter moest zetten. Het handschrift is overigens niet van Clausewitz zelf, wat een belangrijke aanwijzing vormt dat deze twee ‘boeken’ na zijn dood in opdracht van zijn vrouw door een onbekende klerk zijn geschreven.

Een ontdekking in Berlijn

De ontdekking van de twee onbekende manuscripten in Koblenz betekende dat er vraagtekens gezet moesten worden bij de datering door Hahlweg van een ander geschrift. Hij heeft deze tekst Niederschriften des Werkes ‘Vom Kriege’ genoemd en hij meent dat deze ergens tussen 1816 en 1830 moet zijn geschreven.[15] Deze tijdsspanne is wel erg ruim en roept tevens de vraag op wat de samenhang is met de hiervoor beschreven manuscripten uit Koblenz. In het schema probeer ik het nu volgende betoog voor de lezer te verduidelijken. In het schema staan zes ‘boeken’ of ‘groepen’ met daarin de verschillende hoofdstukken. Het gaat over eerdere versies van alleen de Boeken I en II. 

Het originele handschrift van de Niederschriften des Werkes ‘Vom Kriege’ wordt bewaard in de staatsbibliotheek te Berlijn. Volgens Hahlweg bestaat het uit vier aparte ‘groepen’ van verschillende hoofdstukken uit Vom Kriege. Sommige hoofdstukken zijn nagenoeg letterlijk hetzelfde als de gepubliceerde tekst. Dat is een aanwijzing dat ze waarschijnlijk vrij laat geschreven zijn. Tijdens een bezoek aan de bibliotheek bleek dat het zelfs mogelijk is om drie van de vier ‘groepen’ wel nauwkeurig te dateren. In het schema zijn dat de twee linker blokken en het blok midden onder. Hahlweg beschrijft de groepen 1 en 2 als conceptversies van de Boeken I en II van Vom Kriege, met tal van doorhalingen en verbeteringen in de tekst. Echter, ook dit zijn twee ‘gebonden’ en oorspronkelijk in het net geschreven versies, bestemd voor de drukker. In de kantlijn heeft Clausewitz vervolgens tekstuele aanpassingen aangebracht en tevens aangegeven welke tekstdelen mogelijk nog te gebruiken zijn in de rest van Vom Kriege. Hierdoor lijken de twee ‘groepen’ conceptversies, maar het waren oorspronkelijk kant en klare drukversies. Dit is een belangrijke constatering die het mogelijk maakt om deze twee ‘boeken’ goed te dateren. In zijn Tweede Notitie heeft Clausewitz immers uitdrukkelijk aangegeven dat de eerste zes Boeken al in het net geschreven zijn (‘welche sich schon ins reine geschrieben finden’). Kortom, de twee ‘gebonden boeken’ in Berlijn moeten op 10 juli 1827, de dag dat hij die notitie schreef, op zijn bureau hebben gelegen. Het is volkomen onduidelijk waarom Hahlweg het verband tussen deze twee en deze notitie niet heeft gezien. Ook wat Hahlweg de vierde groep noemt, past goed bij deze conclusie (zie schema: midden onder). Dat zijn de conceptversies van drie van de vijf nieuwe hoofdstukken uit Boek II. Samen met één hoofdstuk uit de oude versie en twee hoofdstukken die helaas wel verloren zijn gegaan, vormen deze de uiteindelijke nieuwe versie van dat Boek II. Eenzelfde redenering kan worden opgezet voor Boek I. Clausewitz neemt vijf hoofdstukken uit de oude versie integraal over en schrijft drie nieuwe, waarvan de twee fragmenten in Koblenz worden bewaard (zie schema: midden boven). Het is daarbij interessant dat hij het hoofdstuk over frictie integraal verplaatst van positie 3 naar 7.

We mogen dus concluderen dat de manuscripten in Berlijn en Koblenz allemaal behoren tot de revisie die Clausewitz in juli 1827 start. We kunnen nu ook dat proces in detail volgen als het gaat om de Boeken I en II. Clausewitz herschrijft in totaal acht hoofdstukken en neemt zes oude over. In het schema is dit met doorgetrokken lijnen weergegeven. Als hij in 1830 zijn wetenschappelijke studie stopt om weer in actieve dienst te gaan, zijn deze twee Boeken slechts in concept gereed. Na zijn dood zorgt zijn vrouw ervoor dat ze in het net worden overgeschreven (zie schema: twee rechtse blokken). En die twee Boeken worden vervolgens in 1832 daadwerkelijk gepubliceerd. Voor een goed begrip, we weten dus niet hoe de revisie in de overige zes Boeken van Vom Kriege is geweest. Maar voor deze twee Boeken is de revisie wel volledig inzichtelijk geworden.

De betekenis van de manuscripten in de controverse

Het feit dat Clausewitz de voor de drukker bestemde versie van 1832 niet zelf heeft geschreven, maakt duidelijk dat de revisie nog niet volledig was voltooid toen hij in 1830 inspecteur bij de Artillerie werd. Dat heeft volgens mij consequenties voor de controverse tussen Aron en Gat. De theorie van Gat dat de Derde Notitie vóór de Tweede geplaatst moet worden, komt ermee onder sterke druk te staan. We kennen nu de exacte inhoud van zowel de oude als de uiteindelijke versie van het allereerste hoofdstuk; het enige hoofdstuk waarover Clausewitz in zijn Derde Notitie schrijft dat hij daar tevreden over is. Als Gat gelijk zou hebben over de volgorde van de notities, zou Clausewitz dus tevreden moeten zijn geweest over die oude versie van hoofdstuk 1. Maar juist dat hoofdstuk past hij vervolgens fundamenteel aan en vijf andere uit Boek I laat hij volledig ongemoeid. Het ligt mijns inziens meer voor de hand te veronderstellen dat Clausewitz na 1827 de drie nieuwe hoofdstukken in concept schrijft en dan voor zichzelf besluit dat slechts één daarvan echt in orde is. En dat is dan de laatste versie, zoals die in 1832 wordt gepubliceerd. Het inhoudelijke verschil tussen de oude en de laatste versie van hoofdstuk 1 is erg groot. Dat blijkt al uit de verschillende titels. De oude versie heet Zweck des Krieges en de nieuwste Was ist der Krieg? Het hoofdstuk maakt conceptueel gezien dus een grote ontwikkeling door tussen 1827 en 1830. Uit het feit dat de belangrijkste concepten niet of nauwelijks in de oude versie staan, zou zelfs kunnen worden afgeleid dat Clausewitz deze pas tijdens de revisie heeft ontwikkeld. En daarmee zou Gat dus op dit geschilpunt in de controverse gelijk krijgen. Een dergelijke conclusie kan echter pas getrokken worden als de gehele ontwikkeling van Vom Kriege in kaart is gebracht. Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung gaat volgens mij in deze kwestie de doorslag geven, aangezien daarin al wordt gesproken over de rol van de politiek in de oorlog, de twee typen van oorlog en de wonderbaarlijke drie-eenheid.

Naar een nieuwe reconstructie

De ontdekkingen in Breda, Koblenz en Berlijn geven ons veel meer inzicht in de totstandkoming van Vom Kriege. We zijn hierdoor niet langer afhankelijk van ‘externe’ notities en het voorwoord van Marie, maar kunnen belangrijke delen van dat ontwikkelingsproces nu ‘intern’ volgen, aangezien we de opeenvolgende versies van verschillende hoofdstukken en mogelijk ook de eerste versie van Vom Kriege bezitten. Onze kennis wordt daarmee minder speculatief en beter onderbouwd door concrete, originele teksten. Er is geen enkele reden om het idee van Hahlweg te omarmen dat Clausewitz al in 1809 aan een eerste versie van Vom Kriege begint. Het secundaire materiaal (brieven, notities en het voorwoord van zijn weduwe) maakt duidelijk dat die eerste tekst tussen 1816 en 1818 in Koblenz is geschreven en een zeer opmerkelijke literaire vorm had. Dat maakt Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung een uitstekende kandidaat. Op zich is het ook een geloofwaardig scenario dat Clausewitz zijn oorlogservaringen in eerste instantie op deze manier op papier zet. Het enige probleem is dat dit lijnrecht ingaat tegen de visie van Azar Gat en enkele andere onderzoekers die menen dat Clausewitz zijn belangrijkste concepten pas veel later heeft ontwikkeld.

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat Clausewitz aan zijn tweede versie begint als hij directeur van de Allgemeine Kriegschule in Berlijn is en na enige tijd bemerkt dat die functie erg weinig tijd vergt. Onderzocht moet nog worden of het manuscript dat Hahlweg Entwürfe und Vorarbeiten zum Werk 'Vom Kriege’ noemt, het restant van deze versie is of hier iets mee te maken heeft. Er is weinig reden om Paret te volgen en te denken dat de tweede versie al uitgroeit tot wat hij noemt The first six books of On War and the drafts of books VII and VIII. We weten ook nog steeds niet precies wanneer Clausewitz overgaat naar zijn derde versie. Uit zijn Eerste Notitie valt wel op te maken dat dit de versie is geweest die steeds meer uitdijt, van een enkel werk naar de uiteindelijke acht boeken. Vermoedelijk heeft Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung hierin een belangrijke inhoudelijke rol gespeeld. Hoogstwaarschijnlijk gebruikt Clausewitz zijn oorspronkelijke 177 aforismen als basis voor het schrijven van nieuwe hoofdstukken. Sommige neemt hij letterlijk over, andere past hij aan of ontwikkelt hij door, en ongeveer vijftien aforismen laat hij vallen.

De ontdekkingen in Koblenz en Berlijn zijn natuurlijk van grote betekenis voor onze kennis over de revisie die in 1827 start. We weten nu exact wat de situatie op 10 juli 1827 in de Boeken I en II is en we kunnen zeer nauwkeurig zien hoe de revisie van die twee boeken dan verder gaat. In tegenstelling dan tot nu toe werd gedacht, reviseert Clausewitz met name Boek II drastisch. Hij comprimeert zijn gedachten van twaalf tot  zes hoofdstukken en hij handhaaft er slechts één. Conceptueel gezien is natuurlijk de ontwikkeling die het beroemde allereerste hoofdstuk van Boek I doormaakt, van groter belang. Uit het feit dat de drukversie van 1832 niet door Clausewitz zelf is geschreven mag worden afgeleid dat de revisie in 1830 nog niet volledig voltooid was. Daarmee wordt aannemelijk dat de Derde Notitie dus toch de allerlaatste is, en dat Ramon Aron gelijk heeft dat we uiterst voorzichtig moeten zijn in onze interpretaties van Vom Kriege. Daarmee is echter het tweede geschilpunt in de controverse nog niet volledig opgelost. De manuscripten in Berlijn en Koblenz geven géén uitsluitsel over de vraag of Clausewitz zijn beroemde concepten al vrij vroeg of pas heel laat heeft bedacht. Daarvoor moet eerst worden vastgesteld welke positie Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung precies in schrijfproces van Vom Kriege heeft gehad. Als dat geschrift werkelijk de eerste versie van het hoofdwerk is, wordt de controverse geheel in het voordeel van Aron beslecht. Dat zou immers betekenen dat Clausewitz zijn ideeën over ‘oorlog is de voortzetting van politiek met andere middelen’, de twee typen van oorlog en de ‘wonderlijke drie-eenheid’ in essentie al in Koblenz heeft bedacht, maar pas later volledig heeft uitgewerkt. En daarmee zou een onderzoek dat in de kelder van de KMA begon een bijzondere wending krijgen.

* Paul Donker is universitair docent militaire strategie aan de Nederlandse Defensie Academie.

[1] Peter Paret, Clausewitz and the State: The Man, His Theories, and His Times. Princeton, New Jersey: Princeton University Press 1985, 330.

[2] Ibid., 361. Het betreffende essay stuurt Clausewitz op 4 maart 1817 naar Gneisenau.

[3] Raymond Aron, Clausewitz: Den Krieg Denken. Irmela Arnsperger, trans. Frankfurt am Main: Propyläen 1980.

[4] Das erste Kapitel des ersten Buches ist das einzige, was ich als vollendet betrachte; es wird wenigstens dem Ganzen den Dienst erweisen, die Richtung anzugeben, die ich überall halten wollte. Carl von Clausewitz, Vom Kriege, 19de ed, Werner Hahlweg, ed. Bonn: Fred. Dümmlers Verlag 1980 [1832], 181.

[5] Azar Gat, The Origins of Military Thought: From the Enlightenment to Clausewitz. Oxford University Press 1989. Later opgenomen in de trilogie: A History of Military Thought; From the Enlightment to the Cold War.

[6] Ibid., 255 – 263. Appendix: Clausewitz’s Final Notes Revisited.

[7] Clausewitz, Vom Kriege.

[8] Carl von Clausewitz, Schriften - Aufsätze - Studien - Briefe, vol. 2, Werner Hahlweg, ed. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht 1990, 17 – 99.

[9] Clausewitz, Vom Kriege, 1343. Carl von Clausewitz, ‘Aphorismen über den Krieg und die Kriegführung’, Zeitschrift für Kunst, Wissenschaft und Geschichte des Krieges, Acht und zwanzigster Band, Viertes Heft 1833 -  Fünf und dreißigster Band, Siebentes Heft 1835.

[10] Carl von Clausewitz, Schriften - Aufsätze - Studien - Briefe, vol. 1. Werner Hohlweg, ed. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht 1966, 29.

[11] Aphorismen nr: 2, 83, 89, 90, 130, 153, 154 resp. nr: 1, 7, 14, 29, 66, 125, 142 en 168.

[12] Aphorismen nr: 6, 26, 36 – 40, 58, 61, 65, 92 – 93, 145, 157, 158, 162, en 165.

[13] Werner Hahlweg, Die Entwürfe und Studien von Clausewitz in Koblenz und die Bedeutung für das Werk ‘Vom Kriege‘. Ongepubliceerde lezing, 26 februari 1989, in WTS NWH A 0023.

[14] De officiële aankoopnota bevindt zich in zijn archief. Hahlweg heeft er destijds bijna 10.000 D-mark voor betaalt. WTS HWH A 0029.

[15] Carl von Clausewitz, Schriften - Aufsätze - Studien - Briefe, vol. 2, Werner Hahlweg, ed. (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht 1990) 623 - 717.