Oefening Bison Drawsko 2017

Een essentiële nulmeting voor de landmacht

De ontwikkelingen in Oost-Europa tonen aan dat de dreiging tegen het NAVO-grondgebied weer actueel is. In een tijd waarin nagenoeg alle NAVO-landen een groot deel van hun Koude Oorlog-capaciteit hebben wegbezuinigd en zich voornamelijk hebben georganiseerd voor operaties buiten het NAVO-verdragsgebied, blijkt de Russische Federatie (RF) voor modernisering en een nieuwe militaire doctrine te hebben gekozen. In deze doctrine zette generaal Gerasimov als commandant van de Russische strijdkrachten in 2013 de Russische visie op hybride oorlogvoering en de rol van informatie daarin uiteen.

Brigade-generaal b.d. O.P. van Wiggen en majoor R.J. Aarten*

Alarmerend is de inhoud van een gelekt rapport afkomstig van de Britse Chief of the General Staff, dat ‘Our potential opponents are competent, experienced adversaries, especially in the middle and high end of the spectrum of operations’. Hetzelfde rapport stelt verder vast dat ‘We must find ways to fight smarter at the tactical level, acknowledging that some adversaries may be armed with weapons that are superior to our own’.[1]  Dat de NAVO met een antwoord is gekomen in de vorm van een Readiness Action Plan was dan ook pure noodzaak.

In dat kader vond van 9 januari tot en met 24 februari dit jaar de multinationale oefening Bison Drawsko 2017 (BIDO 17) plaats in het noordwesten van Polen. Tijdens BIDO 17 trainde een Nederlandse brigade voor het eerst sinds lange tijd weer gevechtsoperaties. Niet alleen werden 17 Gemotoriseerd Infanteriebataljon en 45 Pantserinfanteriebataljon gereedgesteld, maar ook het Hoofdkwartier van 43 Gemechaniseerde Brigade. Aan de oefening namen rond de 4000 militairen deel, onder wie 3000 Nederlandse. Daarvan werd de kern gevormd door eenheden van 43 Gemechaniseerde Brigade (43 Mechbrig), versterkt met meerdere eenheden van het Operationeel OndersteuningsCommando Land (OOCL) alsmede eenheden uit België, Canada, Duitsland, Estland, Polen en de Verenigde Staten.

Doelstelling

De doelstelling van de Oefening Bison Drawsko was als volgt verwoord: ‘43 Mechanised Brigade will prepare and execute defensive and offensive joint combat operations at brigade level including a strategic (re)deployment and (R) RSOM(I). These operations will be trained in a multinational environment under realistic time and space factors’.  

Naast de primaire doestelling, het plannen en uitvoeren van gevechtsoperaties op brigadeniveau, was ook de integratie en training van de functionele ketens een belangrijk doel. Een brigade is een keten van ketens of, anders gesteld, een systeem van systemen en kan alleen effectieve gevechtskracht leveren wanneer de verschillende ketens goed functioneren. Het was dan ook essentieel om de inlichtingen-, vuursteun-, herstel-, logistieke en geneeskundige ketens door de complete brigade heen te beoefenen. Omdat het trainen van een brigade een gebied van minimaal 20 bij 30 kilometer vergt, werd gebruik gemaakt van een oefenstrook op en rond de oefenterreinen Jägerbruck in Duitsland en Drawsko in Polen. In Nederland is een oefenterrein met die dimensies namelijk niet voorhanden.

Naast deze doelstellingen bood BIDO 17 een uitstekende mogelijkheid om op het grondgebied van Polen gezamenlijk de eenheid en standvastigheid van de alliantie aan te tonen.  

Het verloop van de oefening

Op basis van de gewenste volgorde van binnenkomst van de oefenende troepen werd de strategische verplaatsing uitgevoerd. Deze fase startte reeds op 9 januari met het vertrek van de kwartiermakers en eindigde twee weken later met de binnenkomst van de laatste eenheid. De strategische verplaatsing vond plaats met wiel- en treinverplaatsingen vanuit de verschillende locaties in Nederland, Duitsland (Bergen-Hohne) en Estland. De verplaatsing van Poolse, Canadese en Amerikaanse eenheden was een nationale aangelegenheid, maar moest ook door het Hoofdkwartier 43 Mechbrig worden afgestemd. In totaal zijn tientallen trein-, bus- en colonneritten uitgevoerd om de meer dan 3000 Nederlandse militairen, rond de 750 containers en honderden voertuigen beheerst het oefengebied in te krijgen.

Er waren tientallen trein-, bus- en colonneritten nodig om de meer dan 3000 Nederlandse militairen, rond de 750 containers en honderden voertuigen beheerst het oefengebied in te krijgen. Foto 43 Mechbrig

De logistieke en geneeskundige eenheden dienden voor de instandhouding en de daadwerkelijke geneeskundige ondersteuning (NONEX Role-2) voor aanvang van de oefening operationeel gereed te zijn. Omdat de aangekomen eenheden direct begonnen met niveau I t/m III (CET/FIT) oefeningen, moest het Bevoorradings- & Transport Commando (B&TCo) van het OOCL tegelijkertijd meerdere taken uitvoeren: de strategische verplaatsing en de instandhouding van de oefenende troepen. Zeker in combinatie met de winterse omstandigheden en de realistische omlooptijden tussen het voorraadcentrum en het oefenterrein Drawsko  (65 kilometer) was dit voor het B&TCo een forse belasting. In deze fase werd pijnlijk zichtbaar dat de beschikbaarheid van de gevechtsondersteuning (Combat Service Support) en de Command & Control onvoldoende is en daardoor kwetsbaar.

Het brigadegeleide deel van de oefening startte op woensdag 18 januari. Voorafgaande aan dat moment waren commandanten tijdens de Combat Enhancement Training/Forces Integration Training (CET/FIT) fase in staat gesteld te trainen op pelotons-, compagnies- en bataljonsniveau. Deze periode bood hen de mogelijkheid om met internationale eenheden te integreren, procedures af te stemmen en samen te trainen.

Eén van de onderdelen van het brigadegeleide deel van de oefening was het uitvoeren van een diepe operatie met inachtneming van realistische tijd- en ruimtefactoren. Om dit te realiseren zijn Nederlandse verkenners van het Joint Intelligence, Surveillance, Target Acquisition & Reconnaissance Commando (JISTARC) en Canadese verkenners 36 uur vóór de gevechtseenheden uit de startlijn gepasseerd. Deze eenheden waren aangevuld met onder meer een Fire Support Team (FST) en een Electronic Warfare (EW) team, waarmee ze meerdere capaciteiten bezaten om de locaties, intenties en sterktes van de vijand te identificeren en te neutraliseren. Hiervoor stonden de PanzerHaubitzes van het Fire Support Battalion in stelling. Ook was er luchtsteun beschikbaar. De verkenningseenheden hadden daarnaast opdracht gekregen om vast te stellen waar er mogelijkheden waren tot een rivieroversteek. De voortgang daarvan verliep minder snel dan gepland als gevolg van het zware terrein en omdat er bij duisternis moest worden opgetreden. Daarnaast veroorzaakten de winterse omstandigheden en andere factoren, zoals slaapgebrek, fouten bij het kaartlezen en verkeerd begrepen en uitgevoerde orders, frictie. Hierdoor moesten de vooraf gemaakte plannen worden bijgesteld. Misschien vormde dit wel de belangrijkste constatering van BIDO 17. De complexiteit en de frictie van het landoptreden komen alleen in Field Training Exercises (FTX) goed tot hun recht. In een computer-gesimuleerde omgeving (CPX) wordt dit namelijk niet echt zichtbaar.

In de eerste fase van de oefening voerde 43 Mechbrig het aanvallend gevecht uit met 17 Gemotoriseerd Infanteriebataljon (MotInfbat), geflankeerd door een Pools bataljon. Het Poolse bataljon nam deel in de CPX-rol. Samen met 11 PantserGenie Bataljon, het Fire Support Battalion en de Poolse luchtverdediging had 43 Mechbrig op enig moment zes eenheden van bataljonsgrootte onder bevel. In die fase van de operatie was ook een rivieroversteek voorzien, een complexe exercitie die een gemechaniseerde brigade meer dan tien jaar niet meer had uitgevoerd.

Tijdens dit deel van de oefening trad een conventionele eenheid, die met nagenoeg dezelfde wapensystemen was uitgerust, als oefenvijand op. Een groot deel van de partijen was voorzien van duelsimulatoren, wat bijdroeg aan een realistisch verloop van het gevecht. In dit deel van de oefening werd duidelijk hoe effectief de inzet van vijandelijke vuursteun is als eigen opstellingen vroegtijdig worden onderkend of Electronic Warfare-eenheden in staat zijn om het gebruik van onveilige radio’s of mobiele telefoons uit te peilen. De ingedeelde Observer/Trainers verzorgden tijdens en na afloop van gevechtsacties After Action Reviews (AAR) voor het sleutelpersoneel van de diverse ketens.

Na de uitbraak uit het bruggenhoofd werd de aanval voortgezet. Om meerdere oefendoelstellingen te kunnen behalen, werd opgespeeld dat een sterke vijandelijke aanvalsmacht de opstellingen naderde. Dit was voor de brigadecommandant aanleiding om de sterke lijn, die in de aanval was bereikt, verder uit te bouwen en ter verdediging in te richten. In het tweede deel van de oefening werd 45 Pantserinfanteriebataljon (Painfbat) bijgetrokken vanuit Duitsland naar het oefenterrein in Drawsko. De bataljonscommandant en zijn staf kregen in de Forward Command Post (FCP) van 43 Mechbrig tijdens een bevelsuitgifte opdracht om 17 MotInfBat af te lossen en de verdedigende opstellingen over te nemen. Tijdens het overnemen van de opstellingen werd eerst duidelijk hoe gecompliceerd een aflossing tussen verschillende eenheden uit verschillende landen is. Daarbij gaat het niet alleen over de verdedigende opstellingen, maar ook om de bijbehorende genie-, vuursteun-, logistieke en geneeskundige plannen. En, last but not least, wanneer draagt de zittende eenheid zijn Command & Control-bevoegdheid over aan de eenheid die hem aflost? Dat zijn aspecten die alleen tijdens een FTX echt realistisch kunnen worden beoefend. 

Op 15 februari werd BIDO 17 afgesloten met een Distinguished Visitors Day voor een selecte groep gasten van Commandant Landstrijdkrachten. In een geïntegreerde schietoefening  werden de capaciteiten van de Poolse, Duitse, Nederlandse en Amerikaanse gevechts-, gevechtssteun- en gevechtsverzorgingseenheden, Unmanned  Aerial Vehicles (UAV’s) en gevechtsvliegtuigen in een tactisch scenario onder Nederlandse leiding gedemonstreerd.

Observaties

Mindset: van stabilisatie- naar gevechtsoperaties

Voor hen die in het begin van de jaren tachtig militair werden, speelde het eerste deel van hun  loopbaan zich volledig af in het Koude Oorlog-tijdperk. De NAVO-oostgrens lag niet, zoals nu, bij de Baltische staten en de grens van Polen met Wit-Rusland, maar tussen West- en Oost-Duitsland, op nog geen honderd kilometer ten oosten van Hannover. De tegenstander, het Warschaupact onder leiding van de Sovjet-Unie, was een regulier optredende tegenstander die getalsmatig superieur was en over dezelfde, of zelfs geavanceerdere, wapensystemen dan de NAVO-eenheden beschikte. De Koninklijke Landmacht was als gevolg van die dreiging een kader-militieleger met de Algemene Verdedigingstaak als hoofdtaak. Opleiding en training stonden volledig in het teken van het voeren van het defensief tegen een grootschalige gemechaniseerde aanval van het Warschaupact. Oefeningen bleven niet beperkt tot maximaal bataljonsniveau op de militaire oefenterreinen, maar speelden zich juist daarbuiten af, soms zelfs ter grootte van volledige divisies. Gevechtsoperaties onder deze omstandigheden werden getypeerd door een hoog operationeel tempo, een hoge intensiteit van geweld en optreden in grotere verbanden (bataljons, brigades en divisies). In de jaren tachtig was het gebruikelijk dat bataljons 2 keer per jaar aan een FTX deelnamen en brigades 1 keer per jaar. Om de vijf jaar werd er een FTX op het niveau Legerkorps gehouden.

Militairen die nu rond de 40 jaar oud zijn of jonger, en rond het moment van 9/11 in 2001 in dienst kwamen, hebben een andere achtergrond. Zij zijn groot geworden met het missiegericht trainen voor Irak en Afghanistan. Hun tegenstanders waren gedwongen tot irregulier optreden omdat zij niet over dezelfde geavanceerde wapensystemen konden beschikken. Van hen heeft het merendeel geleerd om met maximaal een eenheid ter sterkte van een versterkt infanteriepeloton op te treden en een sociale patrouille te lopen, of om te gaan met een TIC (Troops in Contact)situatie of een IED-strike.  In tegenstelling tot gevechtsoperaties binnen het campagnethema Combat, houdt het optreden tegen een niet-gelijkwaardige tegenstander in dat het tempo lager ligt en dat de schaal vaak beperkt blijft van het niveau ‘versterkt peloton’ tot ‘compagnie’.  

Bison Drawsko 2017

Bison Drawsko toonde aan dat, om de vereiste kennis, ervaring en mindset voor het optreden in gevechtsoperaties terug te krijgen, het NAVO-campagnethema Combat de rode draad zal moeten worden in de diverse kaderopleidingen. Foto 43 Mechbrig

De eerste conclusie die naar aanleiding van BIDO 17 getrokken moet worden is dat bij de landmacht de vereiste kennis, ervaring en mindset voor het optreden in gevechtsoperaties met een hoge intensiteit tegen een gelijkwaardige tegenstander onvoldoende aanwezig is. Om dat te verbeteren moet zowel tijdens trainingen (CPX, LFX als FTX, al dan niet in combinatie met simulatiemiddelen of geheel uitgevoerd in simulatoren) als in opleidingen het accent worden verlegd van stabilisatieoperaties naar gevechtsoperaties, oftewel een verschuiving van het campagnethema Security naar Combat in een hybride omgeving. Het NAVO-campagnethema Combat zal de rode draad moeten worden in de diverse kaderopleidingen; de Vaktechnische Opleiding (VTO) voor sergeanten en luitenants in opleiding, de kapiteins- en de majoorscursus, maar ook de Midden Management Opleiding (MMO) en de Module Landoptreden (MLO). Daarnaast moet er in de verschillende opleidingen meer nadruk komen op gevechtsleiding waarbij besluitvorming onder tijdsdruk de norm is. Daarnaast zal het thema richtinggevend moeten zijn voor alle oefeningen en trainingen van de Operationele Gereedstelling. Zoals eerder geconstateerd toonde BIDO 17 het belang aan van het trainen op brigadeniveau met eenheden te velde. 

Hybrid Warfare: complexer dan Koude Oorlog 2.0

Als gevolg van de ontwikkelingen op de Krim en in de Oekraïne lijkt het alsof we teruggaan naar het Koude Oorlog-scenario van vóór 1990. Dit is echter een misvatting. De dreiging komt weliswaar weer uit het Oosten maar de tegenstander van nu bedient zich van een breder scala van strijdmethoden. De hybride oorlogvoering is een combinatie van symmetrische en asymmetrische oorlogvoering en speelt zich af op verschillende terreinen.  Op de eerste plaats is dat het conventionele gevechtsveld waarbij de ontplooiing van Russische brigades in een grensgebied kan leiden tot een regulier offensief gericht op annexatie van een omstreden gebied of het daadwerkelijk steunen van een ‘onderdrukte’ minderheid. Op de tweede plaats is dat het terrein van het thuisfront en de internationale gemeenschap. Met diplomatieke, informationele en economische activiteiten wordt getracht de rechtmatigheid maar ook het draagvlak voor de missie in het thuisland voor operaties aan de rand van de verdragsorganisatie te ondermijnen. Het derde terrein waarop de hybride oorlogvoering zich afspeelt is die van de lokale bevolking en overheidsinstituties in de conflictzone. Met militaire en niet-militaire activiteiten, uitgevoerd door speciale eenheden of agenten, wordt het dagelijks bestaan ontregeld door sabotage en steun aan separatisten. De intimidatie van het wettelijk bestuur, het plegen van criminele activiteiten, terreur of ontwrichting door propaganda zijn er op gericht om de houding van het lokale gezag en de bevolking te beïnvloeden. Een groot deel van deze indirecte dreiging speelt zich af in het informatiedomein. Via dit domein kan manipulatie maar ook het ontzeggen van informatie plaatsvinden.  De tactische eenheid wordt  nu met meerdere dreigingen tegelijkertijd geconfronteerd. Er moet niet alleen worden opgetreden tegen een directe dreiging in de vorm van een (beperkt) regulier offensief. Er is gelijktijdig sprake van een indirecte dreiging die veel verder gaat dan alleen maar het ‘beveiligen van het achtergebied’. 

Tijdens BIDO 17 zijn de oefenende eenheden geconfronteerd met de symmetrische oorlogvoering op het gevechtsveld. We hebben echter ook gezien dat er zich op de andere terreinen dagelijks hybride incidenten voordeden. Er waren activiteiten zichtbaar op FaceBook maar er werd rond de oefenterreinen ook gefotografeerd. Zo werden in burger geklede personen gerapporteerd die een meer dan gewone interesse en aandacht voor de oefenactiviteiten aan de dag legden. Daarnaast volgde de nieuwszender Russia Today de oefening en berichtte deze daarover.  Zowel bij oefeningen als bij ernstinzet is militaire veiligheid en individuele alertheid cruciaal.

Gevechtskracht en vuurkracht

De kern van de gevechtskracht van 43 Mechbrig bestaat uit de goed gepantserde CV90 gevechtsvoertuigen van de pantserinfanteriebataljons, de Leopard 2A6 tanks van het Duitse PanzerBataillon 414  en de moderne Boxer-pantservoertuigen. Deze zijn door hun bepantsering en vuurkracht goed uitgerust voor het uitvoeren van gevechtsoperaties tegen een symmetrisch optredende opponent. Als gevolg van de bezuinigingen is de totale pantserbestrijdingscapaciteit in een gemechaniseerde brigade echter sterk afgenomen. Daar waar de met YPR uitgeruste pantserinfanteriebataljons nog over vier antitankpelotons konden beschikken, ieder uitgerust met vier stukken YPR-Pantserrups Antitank, zijn daar nu slechts twee pelotons à vijf antitankvoertuigen met ATGW GILL antitankraket van overgebleven. Deze raketten, in tegenstelling tot de oude YPR-PRAT, kunnen uitsluitend uitgestegen buiten het Fennek-voertuig worden afgevuurd en zijn daardoor minder geschikt in een beweeglijk gevoerd gevecht. Natuurlijk is de GILL, en binnen afzienbare termijn de SPIKE, met zijn fire and forget-geleidingssysteem veel geavanceerder dan de draadgeleide TOW, maar de effectiviteit van ATGW-systemen kan door de inzet van actieve beschermingssystemen worden verminderd. Het is bekend dat de modernere Russische voertuigen als BMP/BMD-3, BTR-90 en T-90 tanks naast Explosive Reactive Armor zijn uitgerust met een actief verdedigingssysteem tegen antitankraketten. Het systeem detecteert met behulp van radar inkomende raketten en vuurt ter misleiding van het geleidingssysteem van de raket een schot hagel met kleine projectielen af. Hierdoor komt de explosieve lading van de raket tot ontploffing voordat het pantservoertuig of tank wordt geraakt. In dat opzicht is het belangrijk dat de landmacht over de meest geavanceerde geleide antitankraketten kan blijven beschikken, maar bovenal over ‘onze’ Duitse Leopard’s 2A6. Daar zijn zelfs de beschermingssystemen van de T-90, waaronder Explosive Reactive Armor, niet tegen opgewassen.  

Dezelfde reducties hebben er toe geleid dat het aantal geavanceerde vuurmonden in de vorm van de PanzerHaubitzes 2000 (PzH) aanzienlijk is verkleind. Op dit moment heeft de landmacht in totaal nog slechts achttien PanzerHaubitzes. Vanwege de beperkte inzetbaarheid waren er voor de oefening BIDO 17 slechts tien inzetbaar. Ter vergelijking: een Russische brigade heeft twee afdelingen artillerie, ieder uitgerust met 24 vuurmonden. Deze Russische vuurmonden hebben niet alleen een zeer lange dracht (tot 90 kilometer), maar verschieten ook Dual-Purpose Improved Conventional Munitions (DPICM), een munitiesoort waarmee concentraties van pantservoertuigen effectief kunnen worden bestreden. Nederland heeft deze DPICM-munitie alweer enige tijd geleden van de hand heeft gedaan.

Bison Drawsko 2017

Vanwege de beperkte inzetbaarheid konden bij Bison Drawsko 2017 maar tien PanzerHaubitzes worden gebruikt. Foto 43 Mechbrig

De Russisch-Oekraïense oorlog van 2014 maakte het effect zichtbaar van het grootschalig gebruik van drones en UAV’s in combinatie met de inzet van artillerie, vooral meervoudige raketwerpers.[2] Om onder deze ongunstige gevechtskrachtverhouding op het gebied van indirect vuur vandaan te kunnen komen, zijn niet alleen meer PzH’s nodig. Er moet ook worden geïnvesteerd in een uitbreiding van de doelopsporingscapaciteit zoals opsporingsradars en andere sensoren, zodat een effectievere grondwapensysteembestrijding mogelijk wordt.

Ten slotte heeft BIDO17 aangetoond dat het niet meer beschikbaar zijn van antitankmijnen een ernstige tekortkoming vormt voor het uitvoeren van een defensieve operaties. Ook ervaringen op het geïnstrumenteerde oefenterrein Güz Altmark in Duitsland tonen keer op keer aan dat zonder beschermende mijnenvelden een tegenstander met tanks niet of nauwelijks valt te stoppen of kanaliseren.

Fight smarter at the tactical level

De voorwaarde om succesvol te zijn tegenover een regulier optredende opponent in gevechtsoperaties is het vermogen om hem op de beslissende momenten door een gecombineerde inzet van manoeuvre, vlakbaanvuur, indirect vuur en hindernissen te verslaan. De kans op succes wordt groter als gevechtsacties in een operationeel raamwerk kunnen worden gesynchroniseerd waarbij gevechtseenheden, commandoposten, gevechtssteun- en logistieke eenheden van de opponent gelijktijdig worden aangevallen. Dit stelt hem voor meerdere dilemma’s en ontwricht de samenhang van zijn optreden.

Fighting smarter kent in eerste instantie een fysieke en mentale component. Daarbij gaat het om de mate waarin de eenheden met elkaar geoefend hebben en door die oefeningen zijn gegroeid tot een ingespeeld en geolied team van Combined Arms. Daarvoor is veelvuldig en realistisch oefenen een randvoorwaarde. Dat vereist niet alleen een verschuiving van de mindset naar gevechtsoperaties, maar ook het optimaal invullen van de randvoorwaarden, waardoor het oefen- en trainingsprogramma kan worden uitgevoerd. Door de bezuinigingen van de laatste jaren heeft het daar voortdurend aan ontbroken. Veel eenheden zijn slechts gedeeltelijk met opgeleid personeel gevuld, hebben te maken met een lage inzetbaarheid van de voertuigen en kunnen niet altijd over de noodzakelijke munitie beschikken om de geplande schietoefeningen uit te voeren. Diverse jaargangen luitenants en sergeanten hebben daardoor te weinig ervaring op kunnen doen met het uitvoeren van gevechtsoperaties binnen het campagnethema Combat. Die situatie moet met prioriteit worden opgelost. BIDO 17 heeft vooral aangetoond dat het organiseren van een Brigade FTX bij voorkeur eens per twee jaar en minimaal eens per drie jaar moet plaatsvinden.

Op het mentale vlak zullen onze mensen, meer nog dan in stabilisatieoperaties, moeten leren om te gaan met de chaos en frictie die gevechtsoperaties met hoge intensiteit met zich meebrengen. Dit vergt een verdoorgevoerde vorm van opdrachtgerichte commandovoering tot op de laagste niveaus, wat overigens intensieve beoefening vergt. Ook het kunnen omgaan met tegenslagen en verliezen moet daar deel van uitmaken.

Daarnaast heeft fighting smarter een conceptuele component.  BIDO 17 heeft laten zien hoe effectief en snel besluitvorming – en met name gevechtsleiding – kan verlopen als alle voertuigen zijn uitgerust met het Battlefield Management Systeem ELIAS. De gedeelde Situational Awareness voor alle elementen van de brigade biedt een ideale basis om een snellere besluitvorming te doorlopen dan de tegenstander. ELIAS biedt daarnaast de mogelijkheid om oleaten en bevelen elektronisch snel te delen, waardoor niet alleen een versnelling optreedt, maar ook de kans op fouten en frictie kan worden verkleind. Het is goed nieuws dat de Bundeswehr heeft besloten om ook de Leopards-2A6 van PanzerBataillon 414 met ELIAS uit te rusten. Deze verbetering van de Situational Awareness vergroot natuurlijk ook de interoperabiliteit tussen de Nederlandse en Duitse eenheden in de brigade.

De oefening BIDO17 heeft echter ook uitgewezen dat we niet volledig afhankelijk van ELIAS mogen worden. ELIAS functioneert via de Combat Net Radio en als die gestoord wordt of om andere redenen minder goed functioneert, kan er ook niets meer gedeeld worden. We zullen old school vaardigheden als kaartlezen, het werken met plastic oleaten en het toepassen van codewoorden en vercijfermethodes door het gebruik van ‘Bezugspunkte’ moeten blijven beoefenen.

Gebruik van het elektromagnetisch spectrum

Onze tegenstander heeft de laatste jaren nadrukkelijk geïnvesteerd in EW en Cyber en maakt op grote schaal gebruik van UAV’s. De combinatie van deze capaciteiten kan een serieuze bedreiging vormen van ons vermogen om onze gevechtsacties te coördineren en te synchroniseren. De bescherming van onze eigen ICT-systemen en de daarin opgeslagen informatie vormt het zwaartepunt van de defensieve cybercapaciteiten van Defensie. Daar kan de brigade niet zo veel aan veranderen, maar zij is er wel afhankelijk van. Tijdens operaties zullen we ons moeten realiseren dat er zich voortdurend vijandelijke UAV’s boven ons bevinden. Zulke UAV’s kunnen, gekoppeld aan vijandelijke artillerie en meervoudige raketwerpers, een dreiging vormen en enorme schade aanrichten. Inzichten uit de oorlog in de Oekraïne leren dat zodra men ergens in het spectrum zichtbaar wordt, een aanval of beschieting zeer snel daarop volgt. Tijdens BIDO17 werd ook  duidelijk wat de gevolgen zijn als eigen opstellingen, logistieke installaties of commandoposten worden onderkend. Dit vereist dat we gaan inventariseren hoe we deze dreiging met ‘counter-drone’-maatregelen actief kunnen bestrijden, maar ook dat we weer nadruk gaan leggen op passieve maatregelen zoals sporendiscipline, camouflage en spreiding en uitzoeken hoe we onze warmtesignatuur kunnen verminderen.

In de wat meer actieve rol moeten we weer nadruk gaan leggen op luchtverdediging, een aspect waar we in twee decennia stabilisatieoperaties geen aandacht aan hebben hoeven te besteden. Zo zijn bij onze eenheden de middelen en training voor luchtnabijbeveiliging grotendeels niet meer aanwezig. Met betrekking tot de afmetingen en elektronische footprint van onze commandoposten moeten we gaan spreiden en verkleinen. Vooruitgeschoven commandoposten (Forward Command Posts) van bataljons en brigades zijn tegenwoordig uitgerust met het Boxer-pantservoertuig. Als zij met de juiste verbindingsmiddelen en het BMS ELIAS zijn uitgerust en lean and mean worden samengesteld, vallen zij niet alleen minder op, maar zijn zij ook makkelijk en snel te verplaatsen. Voor de Main CP moet  worden overwogen deze buiten het bereik van vijandelijke artillerie te plaatsen, dus op tientallen kilometers afstand  van vijandelijke opstellingen.

Bison Drawsko 2017

Het vervoer van Poolse tanks: Bison Drawsko leidde tot het inzicht dat logistieke capaciteiten, belangrijker in gevechtsoperaties dan in stabilisatieoperaties, teruggebracht moeten worden in de brigade. Foto Kpl 1 Lee Adamse

Logistiek en geneeskundige zorg

Tijdens de oefening in Polen is een enorme logistieke inspanning geleverd. Alle beschikbare en inzetbare middelen binnen het OOCL werden ingezet om deze oefening te ondersteunen. Om inzicht te krijgen in de omvang volgen hier enkele cijfers. Tijdens de oefening zijn 175.000 maaltijden bereid op de mobiele satellietkeukens en werden meer dan 15.000 gevechtsrantsoenen uitgegeven. Er werd meer dan een miljoen liter water gezuiverd voor deze keukens, maar ook voor de Role 2 geneeskundige installatie. Daarnaast werd meer dan een miljoen liter diesel verbruikt.

Ook op het vlak van de logistiek heeft BIDO 17 diverse inzichten gebracht. De reorganisaties bij de landmacht hebben ertoe geleid dat veel logistieke capaciteiten niet langer binnen de brigades aanwezig zijn. Met de oprichting van het OOCL zijn deze schaarse middelen daar ondergebracht. Logistieke zelfstandigheid is voor een brigade in gevechtsoperaties echter van groter belang dan in stabilisatieoperaties. In het uitgedunde gevechtsveld, waar niet-lineair wordt opgetreden, zal in de toekomst in grote gebieden van verantwoordelijkheid/brigadevakken worden geopereerd. Als voor de belangrijkste logistieke klassen moet worden teruggegrepen op veraf gelegen, gecentraliseerde logistieke eenheden/installaties, ontstaan aanzienlijke operationele risico’s. De intensiteit van gevechtsoperaties vraagt om een flexibele en dynamische logistieke ondersteuning. Die kan momenteel niet worden geboden. De balans tussen gevechtsverzorging en manoeuvre en gevechtssteun zal daarom moeten worden hersteld, waarbij  logistieke middelen weer terug worden gebracht in de brigade.

Diezelfde intensiteit en het hoge alomtegenwoordige dreigingsniveau vereisen ook dat logistieke eenheden over voldoende zelfbescherming moeten beschikken. Daarnaast moet er rekening mee worden gehouden dat voor bescherming gevechtseenheden moeten worden toegewezen aan logistieke eenheden/middelen en transporten. Momenteel zijn hiervoor binnen de logistieke eenheden en binnen de brigade geen middelen gereserveerd.

De krijgsmacht is momenteel bezig met een ingrijpende overgang naar SAP. Dit systeem is randvoorwaardelijk voor een juist verloop van het logistieke proces. De bevoorrading met de diverse klassen is in de huidige situatie afhankelijk van een juiste werking van SAP. Dit veroorzaakt een grote afhankelijkheid van een systeem dat, evenals de andere informatiesystemen, kwetsbaar is voor verstoringen. Daarbij komt dat SAP niet is ingericht als een operationeel systeem. Het is eerder een bedrijfsvoeringssysteem, dat nu ook in een operationele setting wordt ingezet. De aanschaf van een operationele module van SAP leidt tot een grotere betrouwbaarheid van logistieke processen. Het blijft echter belangrijk om rekening te houden met de uitval van dit systeem, zodat ook in gevechtsoperaties de logistieke processen blijven werken. Hier geldt dan hetzelfde als de uitval van bijvoorbeeld ELIAS: old school logistieke vaardigheden als het gebruik van stapelkaarten, routebrieven, dagstaten, overzichts-/statusborden op papier en de kaart zijn van belang om te voorkomen dat op een cruciaal moment de logistieke ondersteuning wegvalt.

Gevechtsoperaties zullen onvermijdelijk leiden tot aanzienlijk hogere aantallen slachtoffers dan  stabilisatieoperaties. De huidige inrichting van de geneeskundige dienst van de landmacht is qua kwantiteit van middelen onvoldoende. Zowel de Role-1 als de Role-2 capaciteit moet worden vergroot. Daarnaast zal ook duidelijk zijn dat de geneeskundige kwaliteiteisen voor gevechtsoperaties aan herijking toe zijn. Zo zal het per definitie onmogelijk zijn om te allen tijde het handhaven van the golden hour te garanderen. Het uitgangspunt dat er altijd air-MEDEVAC mogelijk is, zal ook herzien moeten worden, wat gevolgen zal hebben voor datzelfde golden hour, maar ook de afvoermiddelen over de grond. Triage en mass casualty-normen zullen de overhand krijgen.

Optreden in internationaal verband

In de periode van de Koude Oorlog van vóór 1990 was het General Defence Plan (GDP) van de NAVO gebaseerd op een Forward Defence langs de landsgrens van West-Duitsland met die van Oost-Duitsland en Tsjecho-Slowakije. Dat GDP voorzag een defensief met twee Army Groups, die ieder waren uitgerust met 4-5 legerkorpsen. Deze legerkorpsen, binnen de Northern Army Group een Nederlands, een Belgisch, een Brits en een Duits Legerkorps, en binnen de Central Army Group twee Duitse en twee Amerikaanse legerkorpsen, waren alle afkomstig uit slechts één natie. Die situatie is sinds de val van de Berlijnse Muur veranderd. In alle vredes- en crisisbeheersingsoperaties, of die nu in Bosnië, Irak, Afghanistan of Mali plaatsvonden, was multinationaliteit de norm. Voor Defensie gaat dat zelfs zo ver dat Nederland het uitgangspunt hanteert dat operationele inzet per definitie in multinationaal verband plaatsvindt. Dat is niet alleen op basis van een beperkte capaciteit, maar vooral ook ingegeven door de kracht van het politieke signaal. Een multinationale inzet van militaire gevechtskracht is ook een multinationaal commitment aan het politieke signaal. En dit is veel krachtiger als meerdere landen zich daaraan verbinden. BIDO 17 was dan ook meer dan de gereedstelling van het Hoofdkwartier van 43 Gemechaniseerde Brigade en 17 Gemotoriseerd Infanteriebataljon en 45 Pantserinfanteriebataljon: het was door de deelname van Amerikaanse, Canadese, Duitse, Belgische, Estse en Poolse eenheden een demonstratie van internationale solidariteit met het Readiness Action Plan van de NAVO. Om die reden zijn de verschillende NAVO-Task Forces, die op dit moment naar de Baltische staten worden gestuurd in het kader van de Enhanced Forward Presence-missie, ook multinationaal samengesteld. En om die reden is het noodzakelijk dat oefeningen in multinationaal verband plaatsvinden.

Het karakter van gevechtsoperaties in het campagnethema Combat legt multinationaliteit echter wel beperkingen op. Het operationele tempo bij gevechtsoperaties en het belang van optimale afstemming van de verschillende elementen van Combined Arms heeft als consequentie dat het formeren van multinationale bataljons, met eenheden ter grootte van compagnieën van verschillende nationaliteiten, ten koste van de effectiviteit gaat. De verschillende nationaliteiten in de NAVO kennen nu eenmaal te grote verschillen tussen de tactische handleidingen en procedures. Dat gaat onder meer over de afstemming tussen vuursteun en manoeuvre, maar ook over de invulling van de logistieke en geneeskundige ketens of de visie op leiderschap, om er maar een aantal te noemen. De Nederlandse tankcompagnie bij 414 PanzerBataillon is daar een positieve uitzondering. Het Nederlandse personeel van deze tankcompagnie is structureel ingedeeld bij dit Duitse tankbataljon, spreekt de Duitse taal, is opgeleid op de Duitse PanzerTruppenSchule en treedt op volgens de Duitse tactische handleidingen en procedures. Hoewel intensieve afstemming en zo veel mogelijk gelijkschakeling van doctrines en procedures bijdraagt aan de effectiviteit, verdient het aanbeveling de multinationale integratie bij oefeningen te beperken tot het niveau brigade. Hierbij wordt een brigade samengesteld uit bataljons Task Forces, afkomstig uit een beperkt aantal landen.  

Bison Drawsko 2017

Multinationaliteit bij gevechtsoperaties legt bepaalde beperkingen op, omdat NAVO-landen te grote verschillen tussen de tactische handleidingen en procedures kennen. Foto 43 Mechbrig

BIDO 17: meer dan een niveau-6 oefening

BIDO 17 was meer dan zo maar een oefening op brigadeniveau. Ondanks de bezuinigingen en de tekorten op het gebied van personele vulling en materiële inzetbaarheid heeft de landmacht aangetoond dat zij nog steeds in staat is om een dergelijke oefening te organiseren. Om dat mogelijk te maken heeft de hele landmacht zich echter wel tot het uiterste moeten inspannen. BIDO 17 is een essentiële nulmeting voor de hele landmacht gebleken, die tot inzicht heeft geleid wat de landmacht nog wel en niet meer kan. BIDO 17 heeft duidelijkheid gegeven over de aanpassingen die nodig zijn op het gebied van doctrine, materieel en opleiding en training. De belangrijkste constateringen rond BIDO 17 zetten we hieronder uiteen.

De eerste constatering is dat de vereiste kennis, ervaring en mindset voor het optreden in gevechtsoperaties met een hoge intensiteit tegen een gelijkwaardige tegenstander onvoldoende aanwezig is binnen de landmacht. Het accent zal tijdens de opleiding en training moeten worden verlegd van stabilisatieoperaties naar gevechtsoperaties. Meer nog dan in stabilisatieoperaties zullen onze mensen moeten kunnen omgaan met de chaos en de frictie die gevechtsoperaties met zich meebrengen. Dit benadrukt de noodzaak van opdrachtgerichte commandovoering, die alleen kans van slagen heeft als een eenheid door intensieve en realistische training op elkaar is ingespeeld.

Om een realistisch en intensief opleidings- en trainingsprogramma mogelijk te maken zullen de vereiste randvoorwaarden moeten worden ingevuld. Dat houdt in een verbetering van de personele vulling van de eenheden, zodat ook daadwerkelijk in organiek verband kan worden opgetreden, alsmede een hogere materiële inzetbaarheid. Daarnaast moet er voldoende munitie beschikbaar komen om de voorgeschreven schietoefeningen daadwerkelijk te kunnen houden.

Een belangrijke constatering naar aanleiding van BIDO17 is dat de complexiteit en frictie van het landoptreden tastbaar worden in Field Training Exercises (FTX). Het organiseren van een brigade FTX, waarbij alle elementen daadwerkelijk te velde worden ontplooid, moet minimaal eens per drie jaar plaatsvinden. Dergelijke oefeningen zijn noodzakelijk om gevoel voor tijd en ruimte te krijgen, maar ook om de verschillende ketens binnen de brigade goed te kunnen laten functioneren. De deelname van eenheden uit andere NAVO-landen aan zo’n oefening is daarbij een uitgangspunt. Aan het multinationale karakter moeten echter wel beperkingen worden gesteld vanwege te grote verschillen tussen de tactische handleidingen en procedures. Om die reden zou een brigade moeten worden samengesteld uit bataljons Task Forces uit een beperkt aantal landen. Een diepere integratie tot binnen het niveau bataljon is alleen mogelijk als gebruik wordt gemaakt van dezelfde procedures en handleidingen, en er intensief met elkaar is geoefend.

Systemen om de Command & Control te ondersteunen, zoals ELIAS, bieden een uitstekende mogelijkheid om een snellere besluitvorming te doorlopen dan de tegenstander. Niet alleen kunnen oleaten en bevelen sneller worden gedeeld, maar ook de kans op fouten en frictie kan worden verkleind. Een te grote afhankelijkheid van deze systemen maakt ons kwetsbaar voor elektronische tegenmaatregelen. We zullen dan ook de oude en vertrouwde vaardigheden als kaartlezen, het werken met plastic oleaten en het toepassen van codewoorden en vercijfermethodes moeten blijven beoefenen.

De bescherming van onze eigen ICT-systemen en de daarin opgeslagen informatie is essentieel voor ons vermogen om gevechtsacties te coördineren en te synchroniseren. Omdat onze tegenstander heeft geïnvesteerd in EW en cyber en op grote schaal gebruikmaakt van UAV’s, moeten we actieve en passieve maatregelen nemen om die bescherming te kunnen blijven garanderen. Defensieve en offensieve cybercapaciteit moet worden ingedeeld tot op het niveau brigade. Daarnaast moet geïnvesteerd worden in ‘counter-drone’-capaciteit. En ten slotte is een versterking van de luchtverdediging absolute noodzaak.

Bison Drawsko 2017

Gevechtsoperaties zullen leiden tot hogere aantallen slachtoffers, zodat zowel de Role-1 als Role-2 geneeskundige capaciteit vergroot zal moeten worden. Foto 43 Mechbrig

De beschikbare vuurkracht binnen de gemechaniseerde brigade moet worden uitgebreid om de gevechtskrachtverhouding op het gebied van vuursteun te verbeteren. Dit vereist een uitbreiding van het aantal PanzerHaubitzes en van de doelopsporingscapaciteit met opsporingsradars en andere sensoren. Hierdoor kan een effectievere grondwapensysteembestrijding mogelijk worden. Ook verdient het aanbeveling om opnieuw Dual-Purpose Improved Conventional Munitions in te voeren.

Op het gebied van gevechtskracht en vuurkracht is het belangrijk dat we als landmacht over de meest geavanceerde ATGW-systemen kunnen blijven beschikken om ook de meest geavanceerde Russische pantservoertuigen en tanks te kunnen blijven uitschakelen. Voor het voeren van het verdedigend gevecht zijn antitankmijnen noodzakelijk.

De intensiteit van gevechtsoperaties vraagt om een flexibele en dynamische logistieke ondersteuning. Die kan momenteel niet worden geboden, omdat alle logistieke middelen zijn gecentraliseerd in het OOCL. De balans tussen manoeuvre, gevechtssteun en gevechtsondersteuning zal daarom moeten worden hersteld, waarbij logistieke middelen weer terug worden gebracht in de brigade.

Gevechtsoperaties zullen onvermijdelijk leiden tot aanzienlijk hogere aantallen slachtoffers dan stabilisatieoperaties. Zowel de Role-1 als de Role-2 geneeskundige capaciteit moet worden vergroot.

 

* Otto van Wiggen was Commandant Opleidings- en Trainingscommando en Chef-Staf van het 1e Duits-Nederlandse Legerkorps. Hij is tevens auteur van de boeken Tactiek om te begrijpen en Niemand is belangrijker dat het team. Een militaire visie op leiderschap. Robbert-Jan Aarten is Stafofficier Oefenen en was Projectofficier Bison Drawsko bij 43 Mechbrig. Dit artikel verscheen eerder in: Carré 40 (2017) (4) 5-13.

[1] Barney Henderson and Press Association, ‘Russia can outgun British troops, leaked report suggests’, in: The Telegraph, 9 August 2016.

[2] Phillip A. Karber, Lessons Learned from the Russo-Ukrainian War (2016).