Oorlog en het schild van Athena

De waarde van krijgswetenschappen

Wat is de toegevoegde waarde van krijgswetenschappen? Juist in deze tijd, waarin oorlog niet ver weg is, is het van belang oorlog en oorlogvoering grondig te bestuderen. Bovendien is het Westen, inclusief Nederland, feitelijk al dertig jaar in oorlog, hoewel de gebruikte terminologie anders doet vermoeden. In dezelfde periode van dertig jaar zijn de krijgswetenschappen opgebloeid in reactie op de vele veiligheidspolitieke en militaire uitdagingen. Een opbloei waardoor krijgswetenschappen ook in de toekomst van waarde zullen zijn, zeker in het licht van de zorgwekkende ontwikkelingen rondom en binnen Europa. Dit artikel is een bewerking van de oratie die commodore prof. dr. Frans Osinga hield ter aanvaarding van de leerstoel War Studies aan de Universiteit Leiden.

Cdre prof. dr. Frans Osinga*

Om te beginnen een korte toelichting op de titel: Pallas Athena was de godin van de kunsten en van wetenschap, maar ook van de krijgskunst. Voor de Grieken vertegenwoordigde zij het gedisciplineerde en strategische perspectief op oorlog. Zij prijkt als Minerva ook op het logo van de Universiteit Leiden. Maar in Leiden roept Minerva wellicht wat andere associaties op dan oorlog of serieuze wetenschappelijke inspanning. Vandaar Pallas Athena. Bestudering van oorlog en oorlogvoering kent een eeuwenoude traditie. Oorlog was een van de meest cruciale problemen waar een vorst of regering zich mee bezig diende te houden. Dit vergde gedegen studie. Kennis is het schild van Athena: kennis biedt bescherming tegen ondoordachte militaire ondernemingen en geeft raad wanneer oorlog dreigt of wordt gevoerd. En dat brengt me direct bij de waarde van krijgswetenschappen.

In de Angelsaksische wereld wordt het brede domein van War Studies als volgt omschreven: ‘War Studies explores the military, diplomatic, philosophical, social, political, psychological or economic dimensions of human conflict. In the context of modern warfare, it considers issues of defence policy, strategic planning, logistics and operations. It is concerned with understanding and explaining the military dimension of international relations’.

George Washington crossing the Delaware

Schilderij ‘Washington crossing the Delaware’, afbeelding van een scene tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Samengevat ligt de waarde van krijgswetenschappen in de kennis die ze verschaffen over de functie van het militaire instrument in veiligheidspolitieke ontwikkelingen, en met name over de complexiteit van oorlog en de limieten van wat met militaire inzet bereikt kan worden. Foto Metropolitan Museum of Art

Daar wordt oorlog bestudeerd in veel denktanks en universiteiten. War Studies heeft daar ook onder meer tot doel gehad militaire strategie en defensiebeleid te informeren. In de Nederlandse academische wereld stond vanaf de jaren zestig het voorkomen van oorlog centraal bij de bestudering van oorlog, die toen polemologie heette. Ik denk aan polemologen zoals professor Röling in Groningen, Leon Wecke in Nijmegen en Philip Everts in Leiden. Hun doel was een bijdrage te leveren aan de totstandkoming van duurzame vrede.

Hoewel polemologie etymologisch vrijwel synoniem is aan krijgswetenschappen, kent mijn leeropdracht veel minder een normatieve insteek. Deze vloeit voort uit de doelstellingen van de KVBK. Het gaat om het uitvoeren en bevorderen van wetenschappelijk onderzoek naar de rol van het militaire instrument in hedendaagse conflicten en het verhogen van de kennis daarover in de Nederlandse maatschappij. De leeropdracht kent een multidisciplinaire benadering en put uit zowel sociale als geesteswetenschappen. In Leiden sluit de leerstoel aan bij die van professor Isabelle Duyvesteyn en de leerstoel Strategische Studies van de Atlantische Commissie, die momenteel vacant is.

Doel en opzet

Wat ik duidelijk wil maken is het belang van een grondige bestudering van oorlog en oorlogvoering, juist in deze tijd. Oorlog is namelijk niet ver weg. Momenteel woedt er een complexe oorlog aan de grens van Turkije en een burgeroorlog in Libië. Op dit moment zijn er wereldwijd ruim zestig vredesoperaties aan de gang waaraan 110.000 militairen deelnemen. En Huib Modderkolk schreef ‘het is oorlog, maar niemand die het ziet’. Iets wat ook oud-commandant van de Nederlandse Landstrijdkrachten, generaal Leo Beulen, stelde.

Dat is correct. Ik ga nog verder dan hun stellingen. Nederland is, samen met vele andere Europese landen, sinds het vallen van de Berlijnse Muur al dertig jaar in oorlog. Dat is schuilgegaan onder labels zoals vredesmissie of humanitaire interventie, maar het was terdege oorlog. Het Westen is in die drie decennia meermalen verrast geweest over de complexe operationele dynamiek die het tegenkwam tijdens interventies. Het heeft grote moeite gekost om politieke doelstellingen van interventies ook daadwerkelijk te bereiken. Dat zal ik later toelichten. Ik laat ook zien dat krijgswetenschappen in diezelfde drie decennia een opbloei hebben getoond juist in reactie op de vele veiligheidspolitieke en militaire uitdagingen. Een opbloei waardoor krijgswetenschappen ook in de toekomst van waarde zullen zijn, zeker in het licht van de zorgwekkende ontwikkelingen rondom en binnen Europa.

Dertig jaar oorlog; een krijgswetenschappelijk retrospectief

Via de drie dominante typen van militaire inzet van de afgelopen dertig jaar volgt een korte schets van de vrij traumatische strategische geschiedenis van die periode. De drie typen zijn:

peace keeping en peace enforcement, die in de periode 1990-2001 centraal staan;
van 2001-2014 domineerde vooral de wederopbouw van Afghanistan de militaire activiteiten;
in 2014 wordt Europa verrast door de nieuwe assertiviteit van Rusland. Plotseling staat het risico op een grootschalig conflict weer op de agenda.

De periode 1990-2001: vredesoperaties op de Balkan

Vrijwel direct na het vallen van de Berlijnse Muur brak de burgeroorlog uit in Joegoslavië. Het Westen besloot schoorvoetend tot een vredesoperatie om de strijdende partijen uit elkaar te houden en tot een wapenstilstand te dwingen. De vredesoperaties werden initieel opgezet volgens het dan gangbare klassieke blauwhelmenmodel. Dat ging ten eerste uit van een conflict tussen twee staten, beide met een functionerende regering en overheid. Het tweede uitgangspunt was dat de strijdende landen toestemming hadden verleend voor de aanwezigheid van de vredesmacht. Het derde uitgangspunt was neutraliteit van de vredesmacht. Tot slot: de vredesmacht mocht alleen geweld toepassen ter zelfverdediging. De blauwhelmen beschikten dan ook niet over zware wapens. Als er geëscaleerd moest worden, dan kon eventueel een beroep worden gedaan op luchtsteun van Operation Deny Flight. Die toestemming tot iets forsere militaire dwangacties moest, tot 1995, afkomen van de VN, de zogenaamde ‘dual key’-afspraak.

De aannames bleken onterecht te zijn. De strijd in het uiteengevallen Joegoslavië was een burgeroorlog. De strijdende partijen, Serviërs, Kroaten, Bosniërs en Bosnische Serviërs, schonden tijdelijke wapenstilstanden wanneer het hun uitkwam. Er was geen vrede. Zogeheten safe areas, een nieuw en ad hoc geïntroduceerd concept, bleken uiterst kwetsbaar. Wanneer luchtsteun werd aangevraagd door blauwhelmen en de VN ten langen leste overging tot dreigen met symbolische luchtaanvallen, werden zelfs VN-waarnemers gegijzeld als represaille. Dit neutraliseerde de VN-dreiging direct. Pas na de verschrikkingen van Srebrenica ontstond er bereidheid om over te gaan van peace keeping naar peace enforcement.

Een soortgelijke venijnige dynamiek speelde ook de NAVO parten in 1999, toen duidelijk werd dat de Servische president Milosevic niet van zin was de etnische zuivering in Kosovo stop te zetten. Na veel diplomatiek gemarchandeer bereikten de NAVO-landen in maart 1999 consensus om over te gaan tot een robuuste humanitaire interventie in de vorm van een luchtoffensief: Operation Allied Force. Op tactisch niveau stond de professionaliteit en militaire superioriteit van de NAVO buiten kijf. Maar de geloofwaardigheid van de NAVO en de ernst van de aanvallen was weinig indrukwekkend. De operatie begon aarzelend, met geringe intensiteit. Er was onenigheid tussen de NAVO-lidstaten over de soorten doelen en over de vraag of er geëscaleerd moest worden. Er bestond grote zorg over risico’s voor vliegtuigbemanning en burgerslachtoffers. En de doelen die werden aangevallen hadden maar weinig daadwerkelijk politiek gewicht bij Milosevic. Het deed hem geen pijn. Pas toen de geloofwaardigheid van de NAVO zelf in het geding kwam, ontstond er politieke bereidheid om te escaleren, strategisch relevantere doelen aan te vallen en de operatie net zolang vol te houden totdat Milosevic zich bereid toonde zijn troepen uit Kosovo terug te trekken.

De periode 2001-2014: Afghanistan

Achteraf bezien waren de jaren negentig slechts een strategische ‘pauze’. De gruwelijke aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon op 11 september 2001 verbrijzelden de illusie van veiligheid in het Westen. Waar de VS de ‘global war on terror’ afkondigde, zag Europa meer heil in statebuilding. De fundamentalistische groeperingen hadden namelijk een veilige thuisbasis in de zwakke en falende staten rondom Europa. Het ‘logische’ antwoord was dan statebuilding.

Foto MCD Jan-Kees de Meester

Nederlandse ISAF-militairen in Afghanistan. Westerse landen richtten zich in de periode 2001-2014 met name op statebuilding, maar hun krijgsmachten bleken niet voorbereid op de realiteit van de conflicten in bijvoorbeeld Irak en Afghanistan. Foto MCD, Jan-Kees de Meester

Het streven was een ring van stabiele landen rondom Europa te creëren. Dit liberal statebuilding-model ging uit van het westerse model van samenleving. Dit betrof de implementatie van de ‘rule of law’, een effectief en representatief democratisch politiek bestel, en het herstellen van de veiligheid en economie in het land. Statebuilding vroeg om een gezamenlijke aanpak, ofwel een comprehensive approach. Niet alleen militairen moesten de klus klaren maar ook andere ministeries en hulporganisaties moesten een bijdrage leveren. De statebuilding-activiteiten kwamen zowel in Irak als Afghanistan echter maar moeizaam op gang. In Afghanistan wist de Taliban snel de ontstane security-gap te vullen, toen bleek dat de internationale troepenmacht veel te klein was om in heel Afghanistan invloed uit te oefenen. Succesvolle statebuilding vereist een voldoende mate van veiligheid, en die moest steeds zwaarder bevochten worden.

Door de toenemende dreiging van Improvised Explosive Devices en hinderlagen kreeg bescherming van eigen eenheden steeds meer prioriteit. Deze gevechtsacties waren op tactisch niveau succesvol, maar zij vertraagden ook het tempo van de wederopbouwactiviteiten. Succes op dat terrein was maar met moeite aan te geven. Vanaf 2007 moest worden onderkend dat het hier om insurgencies ging. Het antwoord daarop lag in een herontdekking van counterinsurgency (COIN), een vechtmissie dus. Dat was voor politici in bijvoorbeeld Duitsland en Nederland niet een welkom bericht. Westerse krijgsmachten bleken hierop bovendien niet voorbereid: de kennis en expertise ontbraken. Het bevechten van asymmetrisch optredende tegenstanders was ook uiterst complex vanwege de vele restricties die westerse eenheden werden opgelegd voor wat betreft geweldgebruik. In 2014 is de missie beëindigd. Afghanistan is nog immer niet stabiel, getuige de frequente bomaanslagen aldaar.

2014: Rusland en de herontdekking van collectieve verdediging

In datzelfde jaar volgde een geopolitieke schok: de annexatie van de Krim door Rusland. Een waterscheidingsmoment, stelde de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV). In 2010 achtte het NAVO Strategisch Concept interstatelijke dreigingen nabij het NAVO-verdragsgebied zeer onwaarschijnlijk. Vanaf 2014 staat de nieuwe rivaliteit met een assertief Rusland weer centraal. Rusland confronteerde Europa met drie strategische problemen: hybrid warfare, de herontdekking van conventionele afschrikking, en de herontdekking van nucleaire strategie.

Hybrid warfare is het westerse label voor het Russische optreden tijdens de annexatie van de Krim. Dit duidt op een georkestreerde inzet van subversieve activiteiten, opruiing, psychologische oorlogvoering, media-manipulatie, misleidingactiviteiten, cyberaanvallen en intimidatie van politici. Het beoogt invloed uit te oefenen zonder direct gewapend geweld toe te passen en door doelbewust onder de geweldsdrempel te blijven van het westerse oorlogsbegrip. Het is de zone tussen vrede en oorlog. Dat is niet nieuw maar van alle tijden, iets wat het Westen uit het oog was verloren.

Het Westen werd ook verrast door de indrukwekkende militaire modernisering van gevechtsvliegtuigen, tanks, luchtafweersystemen, en grond-grondraketten, cybercapaciteiten en middelen voor elektronische oorlogvoering. Dit wordt gecombineerd met grootschalige oefeningen — ‘snap exercises’ — waarbij soms meer dan 100.000 man zich snel over strategische afstanden weten te verplaatsen. Ook naar een Europese grens om een militaire intimiderende dreiging te produceren.

Volgens diverse analisten is de geloofwaardigheid van de conventionele afschrikking van het Westen in het geding, en daarmee het collectieve veiligheidsconcept van de NAVO. Europa was capaciteiten en expertise voor het grootschalige gevecht namelijk al lang kwijtgeraakt. Dat geldt ook voor de nucleaire dimensie. Rusland is voorbereid op een (beperkte) kernoorlog en kent volgens diverse analisten dit soort wapens ook niet alleen een strategische rol toe, maar ook een militair-operationele. In Europa daarentegen is er na 1990 nauwelijks een discours geweest over nucleaire afschrikking. De AIV concludeerde dan ook dat de NAVO nog geen adequaat antwoord heeft op een Russische escalatie; voor de Baltische staten geen fijne constatering.

Op zoek naar verklaringen voor het strategische deficit

In de krijgswetenschappelijke literatuur zijn vele verklaringen aangedragen voor deze militair-strategische problemen, die leidden tot de debellicozation van West-Europa. Ten eerste de uitzonderlijke strategische cultuur die binnen West-Europese maatschappijen heerste. Het militaire instrument had zijn waarde en legitimiteit verloren, zo betoogde de politicoloog John Mueller al in 1989: ‘major war is now sub-rationally unthinkable in the West’. Soft power – de positieve werking van globalisering, het liberalisme, internationale verdragen en organisaties – werd voor de toekomst belangrijker geacht dan hard power. Europa was veilig. Alleen humanitaire operaties rechtvaardigen nog investeringen in defensie. Dit soort operaties werd ook niet als oorlog gezien in het politieke en maatschappelijke debat, maar gelabeld met termen zoals vredesoperaties, trainingsmissies, wederopbouwmissies, of humanitaire interventies, ook al spoorde de daadwerkelijke dynamiek tijdens interventies niet meer met deze eufemistische labels. Oorlog was ‘verdwenen’ uit het maatschappelijke referentiekader.

Hierin schuilde een optimistische ontkenning van de geschiedenis. ‘Europa leeft op Venus, Amerika op Mars’, betoogde Robert Kagan in zijn befaamde boek Of Paradise and Power. Daarin hief hij al in 2003 een waarschuwende vinger richting Europa. Hiermee verdween ook begrip over de strategische logica van de venijnige dynamiek waarin militaire eenheden terechtkwamen, en van datgene waar westerse militaire eenheden zich daadwerkelijk mee bezighielden. En dat was oorlog voeren in de beroemde Clausewitziaanse zin: met militaire middelen proberen de wil op te leggen aan een tegenstander. De beperkte blik van Europa werd onder andere duidelijk op de Balkan en in Rwanda. Het Westen zag de etnische zuiveringen, politieke moordpartijen en verkrachtingen als barbaars bijverschijnsel, terwijl ze voor de strijdende partijen een integraal onderdeel waren van een doelgerichte strategie. Het beperkte legalistische westerse perspectief op wat oorlog is, wanneer en hoe die gevoerd mag worden, door wie en tegen wie, verblindde velen ook in 2014 tijdens de annexatie van de Krim; er was namelijk geen botsing zichtbaar tussen twee legers. Het leek niet op het paradigmatische beeld van oorlog.

Een volgend aspect betreft risk aversion: een centraal kenmerk van de westerse strategische cultuur is de bijna obsessieve zorg over risico’s voor eigen troepen, maar vooral voor collateral damage en burgerslachtoffers. Dat komt onder meer doordat inzet van precisiewapens in diverse missies deze risico’s tot een historisch ongekend laag niveau wisten te beperken. De hoogtechnologische wijze van optreden werd dan ook politiek en ethisch de norm.

Dit is op zich een waardevolle ontwikkeling. ‘humane warfare’, betitelde Christopher Coker de westerse manier van militaire optreden. ‘Humane’ omdat oorlogvoering gepaard ging met een nog niet eerder gezien respect voor het oorlogsrecht. Ook ‘humane’ omdat het Westen alleen nog oorlog voerde indien het om humanitaire belangen ging, of in ieder geval een interventie op die manier kon uitleggen. Maar als er dan wel burgerslachtoffers vielen te betreuren, kon dit direct leiden tot kritische vragen in de media en de politiek over de legitimiteit van de operatie. Deze grote gevoeligheid voor risico’s vertaalde zich in stringente beperkingen in het gebruik van geweld tijdens missies en niet zelden een onrealistische nadruk op het beschermen van de eigen troepen en het voorkomen van burgerslachtoffers. ‘Vechten met één hand op je rug’, noemde Rob de Wijk dit. Tegenstanders van allerlei pluimage zoals Karadzic, Saddam Hoessein, en Gaddafi hebben deze gevoeligheid voor slachtoffers volop uitgebuit.

Ten derde, strategische vaagheid: de ontkenning van oorlog is ook gepaard gegaan met een verwaarlozing van het bijbehorende strategische referentiekader. Strategisch analfabetisme betitelde Isabelle Duyvesteyn dit. De teloorgang van strategie, volgens Herman Amersfoort. Martijn Kitzen en Floor Thönissen zagen strategische vaagheid. De basisbeginselen van militair strategisch denken en handelen zijn genegeerd of hebben in ieder geval minder geprevaleerd boven andere overwegingen. Bijvoorbeeld tijdens de operaties Deliberate Force (Bosnië, 1995) en Allied Force (Joegoslavië, 1999) was het niet zozeer een doorwrochte strategie die het aanvalsplan dicteerde, maar een lijst met doelen waarover NAVO-lidstaten het eens konden zijn na een consensus-zoekend politiek proces. In hoeverre die doelen ook daadwerkelijk politiek relevante waarde vertegenwoordigden was niet een vraag die voorin het planningsproces doorslaggevend was. Kijkend naar Afghanistan zien we een soortgelijk probleem. Daar was geen strategie. En het bestrijden van de Taliban, op zich een noodzakelijke tactische activiteit, vulde de lacune in, concludeerde Hew Strachan. Dat gold ook voor het concept van de comprehensive approach, de 3D-benadering. Deze geïntegreerde benadering nam de plaats in van strategie, maar was slechts een naar binnen gekeerd organisatieconcept, dat zich eigenlijk nog nooit echt had bewezen. En dat haperde in de uitvoering omdat de andere benodigde organisaties niet noodzakelijkerwijs dezelfde doelstellingen of mate van toewijding hadden, noch de middelen daartoe, noch de bereidheid om hun activiteiten met militaire eenheden af te stemmen.

Er ontbraken, ten vierde, ook vaak heldere doelstellingen. In langdurige missies was sprake van mission creep; de missie nam toe in omvang van het takenpakket en de complexiteit. Op de Balkan moesten blauwhelmen initieel wapenstilstanden observeren, konvooien escorteren, daarna geweld indammen, en safe areas bewaken (maar niet beschermen). Uiteindelijk moesten zij zelfs de leiders van de strijdende partijen naar de onderhandelingstafel dwingen. Wat succes precies inhield was niet altijd evident, noch uit te drukken in gangbare militaire criteria. The utility of force, zo stelde Rupert Smith, is niet meer het behalen van een overwinning maar het scheppen van een conditie waarin een politieke oplossing gezocht kan worden. Dat geeft weinig houvast.

In Afghanistan en Irak werden juist weer ‘maximalistische’ doelstellingen nagestreefd: de volledige herinrichting en opbouw van een maatschappij, een maatschappij die niet op westerse leest was geschoeid en geen traditie kende van effectief staatsbestuur volgens westers democratisch model. Ook hier werd naarstig gezocht naar criteria die inzicht konden geven over de stabiliteit van een land, het verbeteren van het rechtssysteem, et cetera. De vraag was: hoe meet je succes als de doelstelling wederopbouw is van een gehele maatschappij of een provincie? En per land konden de doelstellingen ook nog eens verschillen. Überhaupt deelnemen aan de missie was voor veel landen het primaire politieke doel.

Ten vijfde waren de beschikbaar gestelde middelen vaak niet in overeenstemming met de doelstelling, omvang en complexiteit van een missie. Op de Balkan kreeg de VN de eerste jaren nooit de 36.000 blauwhelmen die nodig waren. In Afghanistan bleek het moeilijk om voldoende internationale bijdragen op de been te brengen. Counterinsurgency en wederopbouwmissies vereisen een grote troepenmacht en een lange adem. Zelfs toen ISAF eindelijk 130.000 man sterk was, bleek dit te weinig voor een dergelijk groot gebied en een vasthoudende en taaie Taliban. Unwinnable, betitelde Theo Farrell zijn studie naar de Britse inzet in Afghanistan.

Tot slot zijn mispercepties, kennislacunes en institutioneel geheugenverlies ook belangrijke oorzaken geweest voor de strategische problemen. Ten eerste ging de planning van de initiële vredesoperaties op de Balkan er foutief van uit dat de burgeroorlogen aldaar sterke gelijkenissen vertoonden met eerdere conflicten waarin klassieke vredesoperaties werden uitgevoerd. Ten tweede bestond binnen krijgsmachten en academische instituten weinig kennis over de aard van deze burgeroorlogen, de motieven, de oorsprong, en de logica van geweld die strijdende partijen toepasten. Ten derde bestond er nauwelijks kennis over de dynamiek van ‘coercive diplomacy’: de vraag hoe men met beperkte middelen toch geloofwaardig een tegenstander de wil kan opleggen en tot concessies kan dwingen of zijn acties kan doen stoppen. Ten vierde was er sprake van een ongefundeerd optimisme over het succes van soms nog onbeproefde strategische concepten. De missie in Afghanistan werd ondernomen zonder empirisch bewijs dat suggereerde dat het liberal statebuilding-model in een gefragmenteerd niet-westers land überhaupt succesvol kon worden uitgevoerd. Zoals Mats Berdal concludeerde, was het een missie te ver. Tot slot institutioneel geheugenverlies. Kennis en expertise over counterinsurgency waren verloren gegaan en, zo is duidelijk sinds 2014, ook over interstatelijke oorlogvoering, inclusief nucleaire afschrikking. Kennislacunes dus.

De opbloei van krijgswetenschappen

Er ligt een paradox in de voorgaande beschouwing. Er was de afgelopen dertig jaar namelijk geen gebrek aan groeiende inzichten in strategische problematiek. Integendeel. De krijgswetenschappen hebben juist in de afgelopen dertig jaar een opbloei gekend. En juist vanwege de strategische en operationele problemen waar westerse krijgsmachten mee te maken kregen. Ik noem hier enkele belangrijke thema’s en debatten om de breedte van het landschap te schetsen.

De periode 1990-2001

In de VS en het Verenigd Koninkrijk ontstond direct een debat over de betekenis van Desert Storm voor de westerse wijze van oorlogvoering. Eliot Cohen en anderen suggereerden dat er een revolutie in oorlogvoering aan de gang was. Nieuwe precisiewapens, stealth-vliegtuigen, kruisraketten, elektronische storingsmiddelen, nieuwe sensorplatforms, alle gekoppeld aan datalinks, leverden een ongekend effectieve strijdmacht op, die in staat bleek om Irak (op dat moment het vierde leger ter wereld) te verslaan zonder grote verliezen te lijden. Deze nieuwe technologieën leidden tot wat de New American Way of War is gaan heten: de inzet van precisiewapens, optimale benutting van luchtoverwicht en, als het enigszins kan, vermijden dat grondtroepen in een direct gevecht met de tegenstander komen.

Desert Storm US Air Force

Amerikaanse gevechtsvliegtuigen vliegen langs brandende oliebronnen in Koeweit, die zijn aangestoken door het terugtrekkende Iraakse leger. Operatie Desert Storm leidde tot wat de New American Way of War is gaan heten. Foto U.S. Air Force

Deze nieuwe technologieën en de problemen op de Balkan leidden tot een herontdekking van theorie over coercive diplomacy en deterrence. Hoe kan een leider als Milosevic met slechts beperkte inzet van militair geweld gedwongen worden om de eisen van het Westen te accepteren? Welke politieke randvoorwaarden moeten in het oog worden gehouden? Welke doelcomplexen moeten worden bedreigd of aangevallen, en hoe intensief, om effectieve politieke druk uit te oefenen? Welke nieuwe strategische mogelijkheden boden precisiewapens? Dit was een debat dat vooral in de VS en het Verenigd Koninkrijk werd gevoerd.

In Europa werd het belang van Desert Storm betwijfeld, want een dergelijke oorlog leek niet meer waarschijnlijk. Hier lag het accent in analyses meer op de problemen rond vredesoperaties, de rol van geweld daarin, de limieten van het klassieke blauwhelmenmodel en de noodzaak om ook over robuuste escalatiemogelijkheden te beschikken. Al snel, rond 1992, leidde dit tot suggesties voor ‘wider peacekeeping’ en ‘robust peacekeeping’ en na de verschrikkingen van Srebrenica en Rwanda tot de ontwikkeling van peace enforcement. Ook werd kritisch gekeken naar de vraag in hoeverre humanitaire interventies burgeroorlogen daadwerkelijk kunnen beëindigen. Geweld indammen lijkt veelal haalbaar, mits VN-troepen langdurig in een conflictregio blijven. Maar de ‘root causes’ aanpakken lijkt nauwelijks mogelijk. Anderen bepleitten juist een intensivering van humanitaire interventies. Soevereiniteit moest daarbij niet langer een beletsel zijn om in te grijpen wanneer een regime de eigen bevolking onderdrukt.

Andere studies namen de nieuwe karakteristieken van de burgeroorlogen onder de loep. Dit waren ‘new wars’ volgens Martin van Creveld en Mary Kaldor: nieuwe oorlogen die niet vanuit de instrumentele strategische logica van het Westen begrepen konden worden. Nieuwe typen warlords zijn niet uit op vrede maar hebben elkaar in een parasitair-symbiotische relatie nodig voor het voortzetten van de lokale oorlog om daarmee hun machtspositie in stand te kunnen houden. Oorlog is een doel op zich en vrede is niet gewenst. Anderen bediscussieerden de vraag of ‘old hatreds’ de oorzaak waren, of juist economische malaise (‘economic deprivation’). Een derde categorie wees op de instrumentele rol die etniciteit, religie en nationalisme spelen in burgeroorlogen. Deze studies over de ‘sociale constructie’ van politiek geweld toonden aan hoe leiders religie, etniciteit, mythes, en symbolen kunnen mobiliseren om vijandbeelden te creëren en geleidelijk aan extreem geweld tegen ‘de ander’ te legitimeren. Voor degenen die deelnamen gaf de oorlog zin aan hun bestaan. Het is een existentiële belevenis en niet een instrumentele. Of zoals Chris Hedges stelde: ‘War is a force that gives us meaning’.

De periode 2001-2014

Na de aanslagen van 9/11 zien we een weelde aan studies over de ogenschijnlijke nieuwe vorm van catastrofaal terrorisme, over radicaliseringsprocessen, de logica van zelfmoordaanslagen, en de rol van religie in dit alles. Ook hier tonen studies over al-Qaida, de Taliban, Hezbollah en meer recent IS dat het westerse instrumentele perspectief op oorlog deels het gedrag van dergelijke groepen kan verklaren, maar dat het ook beperkt en cultureel bepaald is. 9/11, concludeerde Jurgensmeyer, was de manifestatie van een eeuwigdurende ‘kosmische’ metafysische en existentiële religieuze strijd, althans zo beleefden de daders van de aanslagen het.

Direct vanaf het begin van de missie in Afghanistan zien we een intensieve discussie over de validiteit van het liberal statebuilding-model. Roland Paris toonde aan dat het model diverse inherente contradicties kende. De conclusie medio 2010 was dat het wellicht nuttiger is om eerst te werken aan het bouwen van lokale instituten en organen die lokaal legitimiteit genieten, zelfs als die gebaseerd zijn op normen en waarden die haaks staan op de westerse.

Als reactie op de strategische en operationele problemen in Irak en Afghanistan werden klassieke werken over counterinsurgencies afgestoft en bezien op hun actuele relevantie. Traditionele concepten zoals ‘hearts and minds’-campagnes, en ‘clear-hold-build’ werden herontdekt, maar ook bekritiseerd. Deze insurgencies weken sterk af van de groeperingen waarop de klassieke COIN-theoretici hun werk baseerden. Insurgents zijn niet meer per se uit op het overnemen van de staat. En niet langer was er sprake van een dichotomie van een staat tegen één insurgent. In plaats daarvan zijn er in hedendaagse insurgencies meerdere, ook onderling rivaliserende groeperingen. Ook de Tweede Libanon Oorlog van 2006 toonde de beperkingen van de traditionele categorisering van typen oorlogen die westerse academici en militairen hanteren. Hezbollah, veelal gezien als een terreurbeweging, bleek tijdens dit conflict plotseling te beschikken over een arsenaal aan raketten met middellang tot lang bereik. De meeste terroristische organisaties hebben dat niet in huis. Daarnaast paste Hezbollah tactieken toe van verschillende typen oorlogvoering: standaard guerrillatactieken maar ook positionele verdediging van dorpen, waarbij Hezbollah Israëlische tanks wist uit te schakelen. Het had dus de karakteristieken van zowel een terreur- en guerrillabeweging als van een regulier leger, inclusief een geraffineerde mediaorganisatie. Frank Hoffman introduceerde het label ‘hybrid conflict’, waarmee hij juist op dit categorie-doorbrekende aspect de aandacht wilde vestigen.

Hezbollah wist een overwinning op Israël te claimen, niet vanwege een militair succes, maar door een doelgerichte mediacampagne. Internet en social media maakten dit mogelijk. Het leidde tot labels zoals ‘war 2.0’, ‘YouTube war’, en ‘virtuele oorlogvoering’. In Irak en Afghanistan wisten groeperingen zoals al-Qaida, de Taliban en IS via social media de indruk te wekken over een veel grotere machtspositie te beschikken dan daadwerkelijk het geval was. Aanslagen door zelfmoordterroristen, gruwelijke moordpartijen, en hinderlagen op patrouilles van westerse troepen werden uitgevoerd niet vanwege hun onmiddellijke tactische militaire effecten, maar juist om propagandamateriaal te produceren.

De problemen met counterinsurgency hebben geleid tot studies naar alternatieven die een ‘low footprint-low risk’-oplossing konden bieden. Counterinsurgency is namelijk personeelsintensief, vergt langdurige commitment en is sterk afhankelijk van de kwaliteit en legitimiteit van het bestuur van de host-nation. Bovendien leidt het onvermijdelijk tot een aanzienlijk aantal slachtoffers onder westerse militairen. Empirisch blijken dit soort operaties maar zelden succesvol te zijn. Door het succes van Operation Enduring Freedom in 2001 waarin de Taliban werd verdreven, staat de combinatie van special forces, air power en lokale rebellen weer in de schijnwerpers van analisten. Ook tegen IS is dit model, ofwel ‘proxy warfare’, met succes ingezet. Proxy warfare wordt echter ook kritisch bekeken. Het heeft als nadeel dat het volledig aan de proxy wordt overgelaten om het gevecht te voeren. Bovenal is succes afhankelijk van de vraag in hoeverre en hoe lang de belangen, doelstellingen, het uithoudingsvermogen, en de risicoafwegingen van de westerse coalitie overeenkomen met die van de proxy forces.

Een tweede alternatief: bewapende onbemande vliegtuigen – drones. Hiermee kunnen leden van terreurbewegingen en insurgents langdurig geobserveerd worden en in zogenaamde ‘targeted killing’-acties worden aangevallen. Diverse auteurs betoogden in innovatieve studies dat hier ook een afschrikkende werking van uitging. De inzet van bewapende drones leidde ook tot een heftig maatschappelijk en academisch debat. Dit was ‘extra-judicial killing’ en dus niet legitiem. Het is politiek ook te makkelijk om in te zetten, juist doordat het politiek zo weinig risico’s kent. Ook een Playstation-mentaliteit werd verwacht: een drone-aanval lijkt voor jonge dronepiloten wellicht op een videospel. Oorlog wordt dan surreëel. ‘Moral disengagement’ en dehumanisering vormen daardoor een reëel risico. Dit verklaart volgens critici het schijnbaar grote aantal burgerslachtoffers. Wat later verschijnen empirische studies. Die tonen aan dat veel van de initiële zorgen en kritieken niet terecht waren. De legitimiteit van droneaanvallen bleek minder een probleem dan in initiële rapporten werd gesuggereerd. Het Rode Kruis concludeerde zelfs dat zorgvuldig ingezette drones het in beginsel mogelijk maakten de regels van het humanitair oorlogsrecht beter te volgen dan met bemande vliegtuigen.

Tot slot cyberwarfare. Dit werd een hot item na de Russische cyberaanval op Estland in 2007, de toenemende Chinese cyberactiviteiten, en de Stuxnetaanval op Iran in 2012. Vroege studies trachtten de specifieke karakteristieken bloot te leggen in vergelijking met traditionele wapensystemen. Cyberwapens zijn, in tegenstelling tot conventionele hightech-wapens, ook beschikbaar voor allerlei niet-statelijke actoren. Ten tweede zijn cyberwapens — virussen — bovendien hoogstwaarschijnlijk ‘one-shot’-wapens; eenmaal gebruikt zal er snel een verdediging worden ontwikkeld. Ten derde zijn de effecten van cyberaanvallen meestal ook in korte tijd te neutraliseren. De discussie loopt dan ook nog steeds of cyberaanvallen strategische effecten kunnen sorteren, en of zij een rol kunnen spelen als afschrikkingsmiddel. Een andere vraag, die door juristen zoals Gill en Paul Ducheine is onderzocht, is in hoeverre het bestaande kader van internationaal en humanitair oorlogsrecht toereikend is voor cyberwarfare. Thomas Rid stelt daarentegen de principiële vraag of er überhaupt wel kan worden gesproken over cyberoorlog in de Clausewitziaanse zin. Tegelijkertijd leidt volgens een auteur zoals Joseph Nye cyberwarfare juist tot een wezenlijke verandering van macht en een potentiele dreiging voor de internationale rechtsorde.

Krijgswetenschappen en het schild van Athena

Ik begon mijn betoog met de stelling dat het Westen, inclusief Nederland, al sinds 9 november 1989 in oorlog is. Die datum luidde het einde van de Koude Oorlog in. Wat volgde was een periode waarin met name Europese maatschappijen ontkenden in oorlog te zijn, terwijl zij vrijwel continu het militaire instrument hebben ingezet tot ver buiten de Europese grenzen. Drie decennia waarin westerse krijgsmachten nieuwe typen missies moesten uitvoeren in verafgelegen gebieden met een variëteit aan doelstellingen, waartoe zij niet waren uitgerust of voorbereid, tegen nieuwe typen actoren. Een periode waarin zij tegelijkertijd drastisch moesten bezuinigen, terwijl de maatschappij immer hogere ethische eisen en juridische randvoorwaarden stelde aan het optreden. Die militaire inzet ging verhuld in allerlei bedekkende termen zoals wederopbouwmissie of vredesoperatie. Feit is echter dat het oorlogen zijn geweest waarin het Westen besloot te interveniëren, en dat een militaire interventie een de facto besluit is om ook oorlog te voeren.

Het was ook een periode waarin het voor westerse politici en militaire commandanten moeilijk bleek om de strategische logica van het optreden uit te leggen, wat succes precies betekende en waarom succes toch vooral uitbleef. Een periode waarin indrukwekkende militaire prestaties zijn geleverd en soms ook duidelijke successen zijn behaald, maar ook een periode waarin lacunes in de strategische kennis van invloed zijn geweest op de wisselende mate van succes van militaire interventies. In die dertig jaar heeft het politici en militairen grote moeite gekost om in de nieuwe veiligheidspolitieke context met militaire middelen politieke doelstellingen te bereiken. En dat ondanks het feit dat het Westen militair gezien onbetwist superieur is geweest in alle operaties. De opmerking van Michael Clark was zeker terecht toen hij in 2001 stelde dat ‘The Western world has a real problem with the concept of war these days’.

Het is ook een periode geweest waarin krijgswetenschappen een hernieuwde bloeiperiode hebben gekend, nadat deze tak van wetenschap eind jaren tachtig sterk werd bekritiseerd en de waarde ervan betwijfeld werd. Die kritiek is niet meer terecht. Krijgswetenschappelijke studies hebben inmiddels licht geworpen op de complexe dynamieken in deze nieuwe strategische contexten en op de merites van toegepaste operationele concepten. Oude strategische theorieën zijn herontdekt en de waarde van nieuwe technologieën geanalyseerd. Er zijn verklaringen gevonden voor de operationele obstakels die succes in de weg stonden en voor strategische trauma’s die ook Nederland ondervonden heeft. Dat begon bij de onderliggende strategische cultuur in veel West-Europese landen en een beperkte conceptualisering van het fenomeen oorlog. Oorlog was uit de collectieve psyche ‘verdwenen’ als legitiem instrument. In de confrontatie met andere typen actoren werd duidelijk dat zij oorlog en oorlogvoering wezenlijk anders interpreteerden. Andere belangrijke factoren die aan het licht kwamen zijn strategische vaagheid, ongefundeerd optimisme over onbeproefde oplossingsrichtingen, kennislacunes en institutioneel geheugenverlies.

En daarin ligt een paradox: aan de ene kant problemen die deels kunnen worden teruggevoerd op gebreken in het strategisch referentiekader, terwijl aan de andere kant tegelijkertijd een levendig debat gaande was juist over die veiligheidspolitieke en militaire ontwikkelingen en problemen. Dit proces leverde soms inzichten op die nog tijdens lopende operaties van waarde hadden kunnen zijn, en bij besluitvorming over nieuwe missies wellicht problemen hadden kunnen voorkomen.

De paradox verklaard

Deze paradox kent voor de hand liggende verklaringen. Gedegen academisch werk kost tijd en is daardoor onvermijdelijk in zekere mate reactief. Met de herontdekking en actualisering van kennis over coercive diplomacy waren meerdere jaren gemoeid. Herziening van peacekeeping-doctrines duurde eveneens jaren, inclusief de trauma’s van Srebrenica en Rwanda en de daaropvolgende crisis in VN-vredesoperaties, waarin het Westen weinig trek meer had in het opzetten of deelnemen in dergelijke operaties. Het duurt ook geruime tijd voordat dit soort nieuwe inzichten verwerkt wordt in militaire doctrines, VN-handleidingen, nieuwe curricula in universitaire onderwijsprogramma’s en militaire opleidingen. Vervolgens is het maar de vraag of dergelijke kennis ook tijdig een strategisch besluitvormingsproces kan beïnvloeden.

Studies over institutionaliseringsprocessen, leerprocessen en militaire innovatie suggereren bovendien dat de verspreiding en borging van nieuwe kennis, doctrines en praktijken niet altijd spoedig verlopen in krijgsmachten, met hun sterke identiteit en organisatiecultuur. Zij hebben een behoudende aard als het gaat om ideeën die wellicht nog niet in de praktijk hun merites hebben aangetoond. Recente studies in militaire innovatie hebben aangetoond dat ook andere afweermechanismes een rol spelen. Factoren als krijgsmachtdeelbelangen en rivaliteit tussen de krijgsmachtdelen, identiteit van krijgsmachtdelen, lopende investeringsprogramma’s, en nationale prioriteiten kunnen als een filter werken. Analyses met inzichten die vanuit het perspectief van een krijgsmachtdeel niet relevant zijn — want regarderen vooral een ander krijgsmachtdeel — of in het gevecht om slinkende budgetten in het voordeel zijn van een ander krijgsmachtdeel, kunnen worden gebagatelliseerd. Of er kan worden beargumenteerd dat de meest recente oorlog een unieke en eenmalige casus betreft. Er kan ook worden beargumenteerd dat een bepaalde casus voor een land als Nederland niet vaak zal voorkomen. Analyses worden daarmee gepolitiseerd.

Wat hierbij eveneens een grote rol heeft gespeeld, is het hoge tempo van veranderingen waar krijgsmachten sinds 1990 op moesten reageren. De geopolitieke reikwijdte van hun inzet en de variëteit aan missietypen werden alleen maar groter. Van volledig getraind, uitgerust en onderwezen in de doctrine van AirLand Battle, Follow-on-Forces-Attack, het beweeglijke gevecht van verbonden wapenen — joint warfare — waarin tanks, pantserwagens, artillerie en jachtvliegtuigen gecoördineerd de Rode Vijand zouden weerstaan, en waar eenheden klaarstonden om op basis van voorbereide gedetailleerde plannen naar hun startpositie te gaan of doelen aan te vallen, naar de blauwhelmenmissies om zonder wapens vrede te bewaren die er niet was. Van de Duitse laagvlakte naar Afrikaanse landen om humanitaire nood te lenigen, van de Atlantische Oceaan om Russische onderzeeboten te onderscheppen naar het bestrijden van piraterij in de Indische Oceaan, naar Afghanistan om het land op te bouwen en een venijnige insurgency te onderdrukken, en naar Jordanië om IS in Irak te bestrijden. En, net teruggekeerd uit Afghanistan of het luchtruim boven Libië en Irak, bleek dat eenheden zich moesten voorbereiden op het grootschalig gevecht, inclusief nucleaire afschrikking. Dit is slechts een greep uit de operationele veranderingen die Europese krijgsmachten te verwerken kregen, en dat te midden van voortdurende bezuinigingen, reducties, het sluiten van kazernes en vliegbases en het opheffen van eenheden en staven. Dit heeft zijn weerslag gehad op het leervermogen van krijgsmachten en de betrokken ministeries.

Foto MCD Gerben van Es

Patrouille in het kader van Atalanta, de antipiraterij-operatie van de EU. Europese krijgsmachten kregen diverse operationele veranderingen te verwerken, in tijden van bezuinigingen en reducties. Dit had zijn weerslag op het leervermogen van krijgsmachten en ministeries. Foto MCD, Gerben van Es

Tijdens operaties is er voorts wel degelijk voortdurend sprake geweest van snelle adaptatieprocessen door de uitgezonden eenheden, wanneer de tactische situatie ter plekke sterk afweek van de initiële militaire en politieke inschattingen. Dit kon resulteren in nieuwe tactieken, snelle introductie van nieuw materieel, of verzoeken om Rules of Engagement aan te passen. Eenheden speelden, veelal via informele leer- en communicatieprocessen, pijnlijk opgedane ervaringen aan elkaar door. In een krijgsmacht met institutionele lessons learned-processen en bijbehorende organisaties zoals in de VS (en in zekere mate ook in het Verenigd Koninkrijk) resulteerde dit na enige tijd door samenwerking tussen militaire experts met recente operationele ervaring en academici in uitstekende nieuwe doctrines op het gebied van COIN, stabilisatieoperaties, en strategische communicatie. Het is echter begrijpelijk dat tegen de achtergrond waarin defensieorganisaties onder voortdurende spanning stonden, het institutionaliseren – internaliseren – van lessons learned in eenheden veelal problematisch was, of zelfs achterwege bleef. Zeker als er geen geformaliseerde leerprocessen bestonden, wat het geval was in de meeste Europese krijgsmachten.

Krijgsmachten zijn ook van huis uit niet zo zeer wetenschappelijk georiënteerd, maar uitvoerend. Het merendeel van het personeel is geplaatst bij operationele eenheden op het tactische uitvoerende niveau. Bij de staven van de krijgsmachtdelen en de ministeries van Defensie ligt de nadruk vooral op intern gerichte management- en beleidsprocessen. Daar gaat het over investeringen, personeelsbeleid en instandhoudings- en vervangingsvraagstukken. Slechts een zeer klein deel van het officiersbestand is dagelijks bezig met het plannen en aansturen van operaties. Een nog kleiner deel heeft als taak zich te buigen over daadwerkelijk militair-strategische vraagstukken. Ook bij de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie is het referentiekader ten aanzien van militair-strategische vraagstukken veelal schraal. Vele Europese lidstaten kennen bovendien geen nationaal hoofdkwartier waar militaire strategie wordt ontwikkeld; dat thema is de facto gedelegeerd aan de NAVO. In diverse landen bestaat er ook geen intensief contact tussen de theoretische academische wereld, de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken en de ‘operators’ binnen de krijgsmachten. En soms, zo bemerkte Christpher Elliott in zijn reconstructie over de Britse besluitvorming rond ISAF, praten die andere talen. Het zijn aparte epistemologische communities. Terwijl deze verschillen volstrekt te verwachten zijn, ligt het gevaar van institutioneel isolationisme op de loer: iedere organisatie beziet de strategische problemen vanuit een eigen beperkt perspectief en vanuit de eigen organisatie-specifieke rationaliteit.

Een andere reden voor problemen in het borgen van kennis is geweest dat na één type missie of conflict een andersoortige missie de aandacht vroeg van diezelfde eenheden, waarbij dat andere type wezenlijk andere expertise vereiste. Dat speelt zich vanaf 2014 af; de vraag naar expertise, training en oefening voor COIN-missies met aandacht voor een population centric-benadering, een 3D-aanpak en niet-kinetische beïnvloedingsmethoden, is voor de meeste Europese krijgsmachten minder prangend dan het herwinnen van expertise in het voeren van het grootschalig gevecht, dat een expliciete enemy-centric-benadering vereist. Dit is van directe invloed op de vraag welke kennis en expertise wel en welke niet geborgd en geactualiseerd blijft. Het risico van institutioneel geheugenverlies is dan te verwachten.

De waarde van krijgswetenschappen

Dit is ook aantoonbaar het geval geweest in de afgelopen dertig jaar. Kritiek op westerse politici en militaire commandanten moet, vanwege deze achtergrond, genuanceerd worden. Maar er ligt ook een waarschuwing in. Gezien de verworven kennis lijkt het me niet alleen onnodig, maar ook onverantwoord dat westerse landen deze problemen nogmaals ervaren. En dat brengt me tot de vraag naar de waarde van krijgswetenschappen.

De eerste categorie functies houdt verband met de mogelijke gebruikers van krijgswetenschappelijke kennis: krijgsmachten en overheidsinstanties die betrokken zijn bij de besluitvorming over de toekomst van een krijgsmacht en de inzet van het militaire instrument. Krijgswetenschappen, zo blijkt uit het landschap van thema’s die in de afgelopen dertig jaar aandacht kregen, zijn een zeer responsieve tak van wetenschap die nadrukkelijk beoogt kennis te produceren die relevant kan zijn voor defensiebeleid en toekomstige strategievorming. Krijgswetenschappen kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van militaire doctrine, ofwel de identificatie van ‘best practices’, en variabelen aangeven die succes en falen beïnvloeden. Een andere belangrijke functie in dit kader is die van kennisborging: van krijgswetenschap mag worden verwacht dat kennis over oorlog en oorlogvoering levend wordt gehouden, geactualiseerd en gedoceerd. Tot slot: krijgswetenschappen bieden zicht op nieuwe contouren van en trends in moderne oorlogvoering.

In wetenschappelijk opzicht liggen er in de voorgaande beschouwing ten minste drie functies van War Studies besloten. Dit betreft het bestuderen en beschrijven van het karakter van specifieke conflicten en, door comparatief onderzoek, zicht bieden op de aard van hedendaagse oorlogen en oorlogvoering. Bovendien heeft krijgswetenschappelijk onderzoek een analytische en verklarende waarde, in die zin dat het tracht bloot te leggen wat de logica is geweest van de inzet van militair geweld door een actor en in welke mate daarmee succes is bereikt, of waarom niet. De derde wetenschappelijke functie is die van theorievorming en toetsing: de beschouwing van meerdere soortgelijke conflicten kan leiden tot plausibele generalisaties, die wellicht nuttig kunnen zijn voor het analyseren van nieuwe casuïstiek.

Samengevat ligt de waarde in de kennis die het kan verschaffen over de functie van het militaire instrument in hedendaagse veiligheidspolitieke ontwikkelingen, en met name over de complexiteit van oorlog en de limieten van wat met militaire inzet bereikt kan worden. Dat lijkt mij maatschappelijk relevant en urgent, zeker voor studenten die zich in de toekomst professioneel zullen bezighouden met vraagstukken van internationale veiligheid.

De toekomst: vijf visies vanuit het retrospectief

En dat brengt mij tot de toekomst. Ik spreek deze oratie uit in een verontrustend en tragisch tijdsgewricht. Ik noem naast humanitaire problemen in de gordel van instabiliteit, de opkomst van rechts-extremisme, spanningen in de trans-Atlantische relatie en de toenemende invloed van Rusland en China als peer-competitors. Een tijdsgewricht dat door de EU al als een existentiële crisis wordt geduid in haar strategische visie van 2016. Francis Fukuyama had namelijk ongelijk. Het liberale democratische model kent wel degelijk een concurrent: autoritaire regimes. We leven, volgens Tim Sweijs en Danny Pronk, in een interregnum: een fase waarin de oude orde vervaagt, maar het is nog niet duidelijk welke orde, of ordes, daarvoor in de plaats komt. Maar de mate van onzekerheid moet niet overdreven worden. In de strategische ervaring van de laatste drie decennia ligt voldoende informatie om een beeld te vormen van de toekomst van oorlog waarop het Westen voorbereid moet zijn. Zoals Nicholas Taleb provocerend stelde: ‘the future is here, the most important parts of it were made long ago’. Ik laat vijf krijgswetenschappelijke visies de revue passeren.

De eerste toekomstvisie — ‘sophisticated barbarism’ — voorspelt dat oorlogen in de toekomst zullen draaien om het optreden van gewelddadige niet-statelijke actoren zoals IS en criminele organisaties. Hun strijdveld is in toenemende mate de stad, een omgeving waarin het moeilijk opereren is voor westerse militairen. Er zal sprake zijn van een ‘durable disorder’. We herkennen hierin ook de al eerder besproken new wars-thesis uit de jaren negentig en Frank Hoffmans hybrid conflict-concept uit 2007.

Dit leidt ertoe, volgens Mary Kaldor in een tweede vrij normatieve toekomstvisie, dat het Westen voorbereid moet zijn op humanitaire crises en navenante humanitaire operaties in falende en fragiele staten. Net zoals de afgelopen dertig jaar. Hiertoe moeten westerse krijgsmachten de facto optreden als politie-eenheden om zo ruimte te creëren waarin een vreedzaam politiek proces op gang kan komen.

De derde visie is minder normatief. ‘The future is irregular’, voorspelt Seth Jones; westerse militairen zullen vooral worden ingezet in een counterinsurgencyrol, in een veelheid aan langdurige conflicten in instabiele regio’s. Niet door middel van grote formaties in een conflictgebied zoals in Afghanistan, maar vooral door gebruik te maken van special forces, training van proxy forces, jachtvliegtuigen en bewapende drones die zo nodig een precisieaanval op enkele individuen uitvoeren. De ambitie is beperkt: zorgen dat deze groeperingen niet tot regionale destabilisering leiden of een directe bedreiging vormen voor het Westen.

De vierde visie betreft de strategische competitie tussen de VS (met Europa aan de hand), Rusland en China. Het concept hybrid threats is recent aangevuld met termen zoals ‘new total warfare’, ‘political warfare’, ‘gray zone warfare’ en ‘cool war’. Dit is een toekomst vol niet-kinetische beïnvloedingsmethoden zoals cyberaanvallen, intimidatie van politici, maar ook beïnvloeding via hippe — coole — social media, inclusief de verspreiding van fake news. Oorlog en vrede, concepten die het Westen categorisch onderscheidt, lopen in elkaar over.

Tot slot een vijfde visie; de terugkeer van ‘major war’. Oorlog in de klassieke zin, als een gewapend treffen tussen twee grote landen, is niet meer onmogelijk en minder onwaarschijnlijk dan bijvoorbeeld in 1999, zo stelt onder meer Michael Mandelbaum. Naast gray zone-acties worden kleinschalige ‘probes’ voorzien. Die rechtvaardigen waarschijnlijk niet een grootschalige reactie vanuit het Westen, maar trachten wel langzaam de status quo te veranderen, de machtspositie van het Westen (lees vooral de VS) te ondermijnen en te testen wanneer serieuze represailles worden genomen. Het dwingt het Westen maatregelen te treffen om conventionele en nucleaire afschrikking weer geloofwaardig te maken. Er zullen daarbij nieuwe technologieën worden benut zoals hypersone wapensystemen, killer robots en artificial intelligence. Technologieën die volgens analisten wel het risico verhogen op onbedoelde escalatie.

Deze visies sluiten elkaar niet uit. Het is een toekomst waarin moet worden opgetreden in een context van sophisticated barbarism waarin het Westen vredesoperaties zal proberen uit te voeren om humanitaire noodtoestanden op te lossen. Dit is Kaldors visie. Maar het Westen zal vermoedelijk zoveel mogelijk trachten het politieke risico te minimaliseren en zal daartoe regelmatig gebruik willen maken van het proxy warfare-model. Tegelijkertijd zal het alert moeten zijn en noodgedwongen actief moeten worden in de context van de cool war die onderdeel is van strategische competitie die zich ook afspeelt op Europees grondgebied. Diezelfde strategische competitie impliceert ook de noodzaak om het risico op major war weer serieus te nemen en de maatregelen te treffen die nodig zijn om conventionele en nucleaire afschrikking geloofwaardig te maken. ‘The future of war is plural’, stelde Frank Hoffman recent terecht. Uitgaan van slechts één toekomstscenario is onverantwoord.

Tot slot: oorlog en het schild van Athena

Tot slot enkele woorden van twee grote namen in mijn vakgebied, Hew Strachan en Michael Howard, de grondlegger van War Studies. Oorlog, zo stelde Strachan recent, moet met het bijbehorende referentiekader weer terug worden geplaatst in ons discours zodat we dit tragische fenomeen begrijpen in al zijn facetten, en het militaire instrument, desnoods, weer strategisch effectief kunnen inzetten. Een herontdekking van de oorspronkelijke etymologische en brede betekenis van oorlog, War of Werra, dat duidt op chaos, wanorde, wedijver en strijd. Michael Howard had namelijk vermoedelijk gelijk: oorlog is historisch gezien de norm en vrede een recente fragiele uitvinding en historische uitzondering. Oorlog, zo vrees ik, heeft een rooskleurige toekomst. Kennis daarover is het schild van Athena.

 

* Commodore prof. dr. Frans Osinga is bijzonder hoogleraar War Studies aan het Institute of Security and Global Affairs van de Universiteit Leiden. Daarnaast is hij hoogleraar Militair Operationele Wetenschappen aan de Faculteit Militaire Wetenschappen van de Nederlandse Defensie Academie in Breda. Dit artikel is een bewerking van de spreektekst van de oratie, die op 11 november 2019 werd uitgesproken in het Academiegebouw van de Universiteit Leiden. De spreektekst is op zijn beurt een sterk ingekorte versie van de uitgebreide en van bronverwijzingen voorziene gedrukte versie. Deze volledige tekst is beschikbaar op de website van de KVBK: https://www.kvbk.nl/sites/default/files/teksten/bestanden/Oratie%20Osing....