‘De KMA raad ik mijn toekomstige dochter niet eens aan’

Over de impact van gender-gerelateerde normbeelden op cadetten van de Koninklijke Militaire Academie

Een vrouwelijke cadet die make-up draagt of zich buiten diensttijd ‘te vrouwelijk’ kleedt, wordt al snel gezien als onprofessioneel. Competente aspirant-officieren zijn in de informele beeldvorming meer masculien. Masculiene normen zoals fysieke en mentale gehardheid worden door cadetten op dagelijkse basis geïnternaliseerd. Echter, het is voor vrouwelijke cadetten nauwelijks haalbaar in dergelijke masculiene normen te excelleren. Tegelijkertijd kunnen vrouwen die zich ‘te mannelijk’ gedragen rekenen op de afkeuring dat ze ‘meelopen’. Dit zijn zomaar een paar reacties van cadetten, die zijn geïnterviewd over gender-gerelateerde normbeelden.[1]

De krijgsmacht heeft vele veranderingen doorgemaakt op het gebied van genderongelijkheid. Toch, zo illustreren ook de bovenstaande voorbeelden, heeft vrouwelijkheid nog altijd een ongelukkig huwelijk met de militaire organisatie. Zo zijn stereotyperingen van over-gespierde, emotieloze en masculiene militairen voor veel functies in de huidige krijgsmacht op niets gebaseerd. Ze vormen eerder een hindernis dan een meerwaarde.

Diploma-uitreiking op de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Foto MCD, Rob Gieling

Aspirant-officieren op de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda bevinden zich in een ‘internaatsysteem’ waarbij een gezamenlijke sociale ontwikkeling tot een competente militair en officier centraal staat. De sterke groepscohesie die hier al snel ontstaat zorgt voor een hoge esprit de corps, wat leidt tot loyaliteit naar de groep en de organisatie, en een grote mate van toewijding om te voldoen aan de hoge eisen die de krijgsmacht stelt aan een militair.[2] Deze processen van zelfopgelegde en onderlinge disciplinering zijn deels intentioneel en kunnen positieve effecten oproepen. Echter, sterke groepscohesie en bijbehorende sociale controle volgens ideaalbeelden binnen een masculiene organisatie hebben ook neveneffecten. Onvermijdelijk ontstaan zo ook complexe en ongewilde sociale structuren die een negatieve invloed kunnen hebben op de organisatie. Het laatste belicht ik in dit artikel.

Binnen een groep met een sterke groepscohesie ontstaan snel collectieve gedragingen en denkwijzen.[3] De zogeheten normbeelden die door deze denkwijzen worden opgeroepen, stellen eisen en voorwaarden aan individuen die selecterend werken: ze zorgen voor inclusie maar ook voor exclusie.[4] Tegelijkertijd zijn deze normbeelden voor het grootste deel informeel, impliciet en sluimeren ze in het onbewuste. Ze zijn ongeschreven, maar worden als vanzelfsprekend en onbetwistbaar ervaren; ook wanneer ze geen duidelijk nut (meer) dienen, zoals bovengenoemde stereotyperingen van extreme gehardheid. In alle gevallen zorgen normbeelden ervoor dat degenen die er niet aan voldoen worden uitgesloten, waardoor er een duidelijke dominante groep en een niet-dominante groep ontstaan.[5] Deze in- en uitsluitingsprocessen kunnen leiden tot een sociaal onveilige werkplek, ongelukkige werknemers en pestgedrag.[6] De meestal onbewuste, impliciete wijze waarop mensen deze collectieve normbeelden ontwikkelen, maken veranderingen ervan vaak ingewikkeld maar niet onmogelijk.

Dit artikel richt zich op gender-gerelateerde normbeelden die tijdens de alledaagse informele vorming bij cadetten ontstaan, en is gebaseerd op een onderzoek naar relevante ervaringen, belevingen, ideeën en meningen van zowel mannelijke als vrouwelijke cadetten van de KMA.

Onderzoeksaanpak

Het onderzoek is gestart met een uitgebreide literatuurstudie, waarbij vooral de volgende drie begrippen naar voren kwamen:

  • Gender: gender heeft betrekking op mannelijkheid en vrouwelijkheid. Het is echter niet iets waar mensen mee geboren worden, maar wat je na verloop van je leven ontwikkelt en ook verandert. Gender behelst je identiteit, de seksuele oriëntatie, je biologische geslacht en hormonen en je expressie.[7]
  • Informele vorming: informele vorming gaat over sociale processen die zich afspelen in groepen mensen die zich ontwikkelen volgens bepaalde ideaalbeelden, en waarbij impliciete onderlinge machtsverhoudingen een grote rol spelen. Belangrijke mechanismen hierbij zijn in- en uitsluitingsprocessen, sociale controle en sociale status.[8]
  • Normbeelden: normbeelden zijn een verzameling van vanzelfsprekendheden over denkpatronen, opvattingen en gedragingen binnen een groep mensen die voor waar worden aangenomen. Deze vanzelfsprekendheden worden vervolgens gebruikt als normatieve eisen en voorwaarden die aan een individu worden gesteld.[9]

Al snel werd tijdens het onderzoek duidelijk dat er een samenhang bestaat tussen de begrippen. Normbeelden spelen een belangrijke rol in informele vormingsprocessen, waarbij gender een impliciete maar invloedrijke dimensie kan vormen.

Naast een gedegen literatuurstudie is er ook empirisch onderzoek verricht. Hiertoe heb ik een bijeenkomst met vrouwelijke luchtmachtcadetten geobserveerd. Vervolgens zijn deelnemers aan deze bijeenkomst gezamenlijk door mij geïnterviewd, gevolgd door individuele interviews met mannelijke en vrouwelijke cadetten. Tijdens de interviews maakte ik rapport met de respondenten om onderwerpen meer uit te diepen waardoor impliciete mechanismen aan het licht kwamen. Tevens spraken respondenten openlijker over ervaren (informele) machtsverhoudingen. Tijdens de interviews heb ik prioriteit gelegd bij het creëren van een sfeer van vertrouwelijkheid. Hierdoor konden juist de meest beladen onderwerpen besproken worden. Ten slotte zijn gesprekken en chatberichten van cadetten via Whatsapp in beschouwing genomen. Gezamenlijk leidde dit tot de bevindingen en inzichten zoals in dit artikel staan aangegeven. Figuur 1 biedt een weergave van het onderzoeksmodel.

Figuur 1 Onderzoeksmodel

Nog één kanttekening over de onderzoeksaanpak. Tijdens mijn onderzoek heb ik – als vrouwelijke vierdejaars cadet – zelf de zogeheten ‘bewijslast’ ervaren. Ik ben zelf niet immuun voor machtsrelaties en ingebedde normbeelden op de KMA. Ik voerde daarom ook onbewuste zelfcontrole uit om mijn positie als vrouwelijke cadet binnen de populatie cadetten niet te schaden. Ik voelde me kwetsbaar om openlijk onderzoek te doen naar gender-gerelateerde normbeelden op de KMA. Ik ervoer een verantwoordelijkheid om als vertegenwoordiger van gevoelens van cadetten op de KMA op te treden, omdat ik zulke sensitieve onderwerpen heb onderzocht. Het bevestigt opnieuw hoe relevant dit onderzoek is.

Resultaten

Heersende normbeelden bij cadetten

De KMA kent een formele lijst met competenties die een toekomstig officier moet beheersen, bestaande uit onder meer communiceren, samenwerken en verantwoordelijkheid. Cadetten reflecteren jaarlijks met behulp van het cadettenbeoordelingsformulier op deze verschillende competenties. Het is dan ook opvallend dat geen van de respondenten deze competenties noemde toen hun gevraagd werd een ‘goede’ militair te beschrijven. Wel triomfeerden informele normbeelden zoals: fysieke fitheid, daadkracht, assertiviteit, zelfverzekerdheid en lef om openlijk de mening te uiten onder de cadetten. Deze normbeelden bleken bovendien sterke associaties te hebben met de dimensie gender. Dat wil zeggen dat zowel mannelijke als vrouwelijke cadetten deze genoemde eigenschappen aan mannen en ‘mannelijkheid’ wisten toe te schrijven.

De vermeende mate van richtingsgevoel kan bijdragen aan heersende normbeelden over wat een ‘goede’ militair is. Foto Forsvaret, Ole-Sverre Haugli

Zo vertelde een mannelijke respondent dat mannen bij voorbaat door hun uitstraling meer overwicht hebben. Een andere respondent koppelde ‘vrouw-zijn’ automatisch aan iemand die in het veld minder goed is. Ook kwam meermaals naar voren dat vrouwen ‘gewoon geen richtingsgevoel hebben’ en ‘dommer zijn’. Daarnaast werd gesuggereerd dat vrouwelijke cadetten minder assertief en minder zelfverzekerd overkomen omdat ze ‘gevoelig en kwetsbaar’ zijn. ‘Ze zijn eerder geraakt door bepaalde dingen. Of in ieder geval, als ze [vrouwelijke cadetten] geraakt zijn door iets, dan laten ze dat eerder blijken.’ Een vrouwelijke respondent vertelde bovendien dat wanneer een vrouw wel assertief en zelfverzekerd is, dit ook averechts kan werken. ‘Als je als vrouw je heel dominant over een groep opstelt dan word je als bitch gezien, maar als je het als man doet is het daadkrachtig optreden.’

Deze uitspraken - en ook niet gepubliceerde uitspraken die tijdens de interviews naar voren kwamen - laten zien dat onder cadetten bepaalde normbeelden op het gebied van gender heersen. Deze normbeelden bepalen wat zij zien als een ‘goede militair’. Door het onbewuste, impliciete en vanzelfsprekende karakter van deze normbeelden ervaren cadetten ze bovendien niet als subjectieve percepties maar als ‘feit’.

De impact op vrouwelijke cadetten

In wetenschappelijk onderzoek is een verschil in groepsdynamiek naar voren gekomen tussen groepen waar vrouwen een zogeheten uitzonderingspositie innemen en groepen die meer gebalanceerd zijn.[10] Vrouwen in uitzonderingsposities worden veelal niet als individuen gezien maar als de vertegenwoordigers van alle vrouwen, waarover vaak een generaliserend beeld bestaat. Dit maakt dat beslissingen die verkeerd uitpakken al snel aan hun vrouw-zijn worden toegeschreven en dat zorgt vervolgens voor een groot verantwoordelijkheidsbesef en hoge prestatiedruk onder deze vrouwen.[11] Zo liet eerder onderzoek zien dat, om de reputatie van de vrouw niet te schande te maken, vrouwen in de uitzonderingspositie eerder geneigd zijn zich te conformeren aan de heersende gender-gerelateerde normbeelden.[12] Sterker, zij dragen constant een bewijslast en dus bewijsdrang met zich mee. Anders dan hun mannelijke collega’s moeten zij namelijk eerst het tegendeel van het gender-vooroordeel over zwakte bewijzen voordat ze waardering krijgen.[13]

Tabel 1 Man-vrouw ratio van cadetten in Breda

Tabel 1 geeft de hoeveelheid vrouwelijke- en mannelijke cadetten per jaar en per krijgsmachtdeel weer. In het onderzoek is specifiek gekeken naar cadetten die in Breda hun studie volgen. Op de KMA zijn vrouwelijke cadetten met een percentage van 31 in de minderheid. Alle vrouwelijke respondenten zijn zich erg bewust van deze minderheidspositie, en van de concrete gevolgen ervan. Zo gaf een van de vrouwelijke respondenten aan dat zij uitgemaakt werd voor ‘kutwijf’ terwijl er op fouten van mannelijke cadetten anders werd gereageerd.

Een andere respondent vertelde dat slutshaming veelvuldig voorkomt. Een kwart van de dames is al eens direct of indirect, achter haar rug om, tot slet bestempeld. ‘Een man kan met vijf vrouwen zoenen in één week maar als een vrouw één keer met een man zoent in maanden dan is dat heel erg’. Ook mannelijke respondenten bevestigden dat ‘een gozer die veel meiden in bed heeft een vette jongen is, andersom is het een vrouw van lichte zeden’. Terwijl de Gedragsregels Defensie Sociale Veiligheid & Integriteit duidelijk stellen dat het niet juist is als een militair zich schuldig maakt aan seksuele intimidatie en ongevraagde seksuele aandacht.

De impact van de eerdergenoemde uitspraken blijft niet alleen beperkt tot de KMA-periode. Het beïnvloedt ook de latere loopbaan binnen Defensie, omdat cadetten na de KMA ook elkaars directe collega’s worden binnen de krijgsmacht. Zo vertelde een respondent dat de ontstane normbeelden ook doorwerken naar de toekomst. Studenten aan een hogeschool of universiteit hebben dat veel minder. Zij zijn anoniemer in hun studentenstad. ‘Hier kent iedereen elkaar, ongeacht waar je heen gaat. Je wordt elkaars collega. Sowieso. En als je een fout maakt, dan is het zo van “oh dat is die van dat en dat, die moet je niet hebben”. Daar moet je gewoon voor waken […]’

Bivak van KMA-cadetten. Foto MCD, Hille Hillinga

Vrouwelijke beleving

Veel vrouwelijke respondenten gaven aan dat ze zich ‘geremd’ voelen vanwege de verantwoordelijkheid die ze als vrouw voelen. Een respondent zei: ‘De onbezorgdheid is weg’. Een ander gaf aan: ‘Ik wil anderen niet teleurstellen of tot last zijn omdat ik weer de laatste ben of vervolgens bijvoorbeeld niet mijn eigen tas kan dragen’. Verschillende mannelijke respondenten bevestigden dat vrouwelijke cadetten veelal een stapje harder moeten zetten om hetzelfde te laten zien. Ook degenen onder de mannelijke respondenten die zich hiertegen proberen te verzetten, gaven aan dat vrouwen zich meer moeten bewijzen dan mannen: ‘Ik denk, en ik hoop natuurlijk van niet, maar misschien dat er onbewust zoiets zit van: nou, nog eerst maar eens zien of zij het wel kan’.

Dit soort dynamieken zorgt er ook voor dat vrouwen kritischer worden naar elkaar. Bovendien worden vrouwelijke cadetten sneller boos op elkaar wanneer ze het gevoel hebben dat vrouwen zelf met hun activiteiten hun eigen zorgvuldig opgebouwde reputatie schade toebrengen. Aan de andere kant roept het bij vrouwen ook weer het gevoel op dat ze daar haast niet boos over mógen worden.

Door de in- en uitsluitingsprocessen die plaatsvinden op basis van gender, lijken de gedragsvoorschriften voor de vrouwelijke cadetten op het eerste gezicht eenvoudig. Het is voor de vrouwelijke cadet beter om aan de ‘mannelijke’ norm te voldoen in plaats van zich ‘(te) vrouwelijk’ te gedragen. Echter, uit de interviews blijkt ook dat de gender-gerelateerde normbeelden tegelijkertijd zorgen voor een dilemma. Enerzijds willen de meeste vrouwen niet te vrouwelijk overkomen, anderzijds willen ze ook niet te veel meelopen en steeds hun best moeten doen om one-of-the-guys te zijn. Door dit dilemma kan een vrouwelijke cadet op twee manieren in een onmogelijke impasse belanden. Vele jaren geleden signaleerde de bekende Franse schrijfster Simone de Beauvoir de eerste impasse: ‘Het verbond van vrouwen komt voort uit het feit dat zij zich met elkaar identificeren. Maar om diezelfde reden bestrijden ze elkaar.’[14] Wanneer vrouwen in uitzonderingsposities zich tegen andere vrouwen keren, heeft er eerst een innerlijke strijd plaatsgevonden tussen hun eigen geweten en de gevraagde solidariteit vanuit de dominante ‘mannelijke’ groep. Tegelijkertijd, en hier ligt volgens De Beauvoir ook de tweede impasse, blijkt het volledig voldoen aan de dominante ‘mannelijke’ norm voor de vrouw een utopie. Vrouwen willen en moeten ook gewoon vrouw kunnen zijn en niet direct hun vrouwelijkheid verliezen.[15] Dit zorgt voor een paradox waaraan niet valt te ontsnappen.

De impact op mannelijke cadetten

De mannelijke cadetten zijn met 69 procent in de meerderheid op de KMA. Hoewel het behoren tot een meerderheid sociale zekerheid en veiligheid verschaft, ervaren mannelijke respondenten ook druk om aan de gestelde eisen te voldoen. Als mannelijke cadet op de KMA is het namelijk geen gegeven dat per definitie aan de dominante ‘mannelijke’ normbeelden wordt voldaan. Het is voor een mannelijke cadet ook evident dat hij fysiek veel moeten leveren alvorens de dominante groep hem accepteert. Deze groepsdruk zorgt niet enkel voor fysiek fitte cadetten op de KMA maar ook voor duidelijke uitsluitingsprocessen. De sportievere cadetten hebben meer aanzien en staan veelal hoger op de sociale ladder op de KMA. Een respondent gaf bijvoorbeeld aan dat cadetten die minder zijn gaan sporten sinds de uitbraak van de Covid-19-pandemie duidelijk tot een ‘ander groepje’ behoren. Deze uitsluitingsprocessen zorgen juist voor een averechtse werking. De desbetreffende cadetten zonderen zich meer af en gaan minder vaak mee sporten. Omdat de fysiek fitte cadetten hierover een negatieve mening hebben, belanden zij in een vicieuze cirkel.

Wat onlosmakelijk verbonden is met een grote mate van sportiviteit is het hebben van een sterk en gespierd lichaam. Mannelijke respondenten vinden dit belangrijk en schenken hier veel aandacht aan. Tijdens locker room talk is het mannelijk lichaam vaak het gespreksonderwerp.

De beoordeling op basis van het mannelijk lichaam kan voor een duidelijke scheidslijn zorgen tussen zij die wel tot de dominante ‘mannelijke’ groep behoren en zij die erbuiten vallen.

Mannelijkheid wordt niet enkel in lichaam en uitstraling nagestreefd maar ook in gedragingen. Zo is er voor mannelijke cadetten weinig ruimte voor emoties omdat dit gekoppeld wordt aan ‘vrouwelijkheid’. Bovendien is mannelijkheid verbonden aan een bepaalde lakse houding ten opzichte van de studie bij de faculteit van de Nederlandse Defensie Academie. Veel respondenten brachten naar voren dat het belangrijk vinden van de studie wordt gezien als niet passend bij de dominante groep: ‘Je wordt snel weggezet als een nerdje.’ En een nerd past niet binnen het ideale normbeeld van een ‘stoere mannelijke militair’.

Veel mannelijke cadetten geven zich over aan de bovengenoemde mechanismen, en deze mechanismen houden een masculiene sfeer binnen de KMA-opleiding in stand. Het idee dat in de militaire organisatie een sterke masculiene sfeer heerst en moet worden behouden wordt volgens meerdere respondenten gevoed door films en andere fictie. Veel mannelijke cadetten hebben daardoor de verwachting om in een ‘echte’ mannenwereld terecht te komen, met mannenpraat, en dan werkt de aanwezigheid van vrouwen alleen maar verstorend. En die kan zelfs tot frustraties leiden. Veel respondenten beschreven dergelijke frustraties, maar bij verdere navraag werden de frustraties vaak ontkend: ‘Nee? Hoezo? Vrouwen zijn gelijk aan ons.’ Deze ontkenning maakt de materie ook zo complex.

Uit het bovenstaande blijkt dat gender-gerelateerde normbeelden die mannelijke cadetten elkaar opleggen in sommige gevallen nog sterker normerend werken dan bij vrouwelijke cadetten, met hoge gevoelde druk om hieraan te voldoen als gevolg. Bovendien wordt er onbewust actief voor gezorgd dat de status quo op de KMA behouden blijft. Dit betekent dat een toename van het aantal vrouwelijke cadetten niet zondermeer zorgt voor meer gebalanceerde normbeelden. Integendeel, mannelijke cadetten willen de bedreigde masculiene sfeer behouden, die niet verdwijnt met een toename van vrouwen. Het leidt er eerder toe dat mannelijke cadetten in besloten kringen nog meer uiting geven aan hun masculiniteit. Gender-gerelateerde normbeelden kunnen dan gereproduceerd of zelfs geïntensiveerd worden waardoor deze normbeelden blijven bestaan of in hevigheid toenemen. Grotere diversiteit zorgt daarom niet automatisch voor een groter gevoel van inclusie.

De invloed van structuren en culturele normen binnen de KMA

Tot slot is het relevant om in te gaan op hoe structuren, processen en culturele normen binnen de KMA invloed kunnen hebben op de gender-gerelateerde normbeelden. Allereerst is er een aantal kenmerken van de KMA dat maakt dat op dit instituut, nog meer dan in de samenleving als geheel, gender-gerelateerde normbeelden invloed kunnen hebben op de leefomgeving van de cadet. Zo gaven verscheidene respondenten aan dat het internaatsysteem van de KMA bijdraagt aan ‘norm-overschrijdend’ gedrag en dat het een ‘giftige sfeer’ kan veroorzaken.

Respondenten ervaren dat er weinig begeleiding wordt gegeven aan de groepsprocessen buiten diensttijd, terwijl deze door het internaatsysteem onophoudelijk doorgaan. Bovendien hebben de sociale processen op de KMA een directe invloed op de toekomstige loopbaan van cadetten. Medecadetten, kaderleden op de KMA en alle andere militairen die verhalen over een cadet op de KMA opvangen zijn later weer collega’s, leidinggevenden en onderschikten van die bewuste cadet. Er speelt dus een veel grotere, onontkoombare afhankelijkheid in de militaire organisatie dan in de samenleving in het algemeen.

Zodoende heeft het kader op de KMA, gewild of ongewild, een belangrijke invloed op cadetten en hun toekomstige werkveld. Een vrouwelijke respondent herinnerde zich: ‘Onze kapitein zei van “ik verwacht dat iedereen de manneneis haalt”. Ik denk dat het een beeld heeft geschetst waarmee cadetten daar zo naar zijn gaan kijken.’ Diverse vrouwelijke respondenten bevestigen dit beeld. Kaderleden hadden hun direct het gevoel gegeven zwakker te zijn. Zo vertelde een andere vrouwelijke respondent: ‘Het kader roept vanaf de eerste week: “Help die dames met de tassen als ze het niet redden”’. Hieruit blijkt dat ook kaderleden soms in een impasse belanden. Of ze nu vrouwelijke cadetten pas militairwaardig vinden als ze aan alle mannelijke eisen voldoen, of van mannelijke cadetten eisen hun vrouwelijke collega’s waar nodig te helpen, het resultaat is gelijk. Namelijk: met scheve ogen naar vrouwen kijken, waarbij vrouwelijke cadetten niet worden beoordeeld op de competenties, die formeel voor een cadet gelden, maar telkens alleen maar worden getoetst op hun masculiene kwaliteiten.

Camoufleren tijdens de KMA-niveaumeting. Foto MCD, Martijn Beekman

Tijdens de individuele interviews is aan alle respondenten gevraagd of zij op basis van hun ervaringen van dit moment hun toekomstige dochter zouden aanraden om naar de KMA te gaan. Opvallend is dat geen enkele respondent deze vraag direct met een ‘ja!’ beantwoordde. Een vrouwelijke respondent vertelde zelfs: ‘Ik zou het met de kennis van nu zelfs mezelf al niet aanraden om naar de KMA te gaan. Laat staan mijn eventuele dochter’. Ook mannelijke respondenten gaven aan dat zij niet graag hun toekomstige dochter naar de KMA zouden zien gaan, voornamelijk door het gedrag van mannelijke cadetten ten opzichte van vrouwelijke cadetten. Zo grapte een mannelijke respondent: ‘De gasten die op de KMA zitten zijn geile honden en je moet ervoor oppassen’. Hij had geen hoge pet op van het ethische normbesef van mannelijke cadetten.

Interessant is dat de meeste mannelijke respondenten in het interview zeiden dat cadetten over het algemeen veel geëmancipeerder zijn vergeleken met een aantal jaar geleden, maar tegelijkertijd de KMA onbewust niet geëmancipeerd genoeg vinden om hun dochter deze opleiding aan te raden. De meeste respondenten kwamen met randvoorwaarden: mijn dochters persoonlijkheid moet straks sterk zijn, ze moet van zich af kunnen bijten en ze moet niet gemakkelijk vallen voor zogenoemde gladde praatjes van mannelijke cadetten. De overtuiging bij de respondenten dat ook toekomstige vrouwelijke cadetten aan de masculiene norm zullen moeten voldoen, impliceert dat de huidige situatie op de KMA niet gaat veranderen. Bovendien onderstreept ze de wankele sociale veiligheid van vrouwelijke cadetten in de huidige situatie.

Conclusie

Uit het onderzoek volgt een ongemakkelijke slotsom. Het is nu eenmaal een privilege om niet constant na te hoeven denken in wat voor lichaam je je bevindt. En dit privilege is helaas niet voor iedere cadet op de KMA weggelegd.

Uit de onderzoeksresultaten komt naar voren dat de gender-gerelateerde normbeelden van cadetten vooral bestaan uit masculiene opvattingen op grond waarvan zij hun medecadetten, mannen en vrouwen, beoordelen. Een vrouwelijke cadet zal hier per definitie nooit in excelleren. Het ‘mannenwereldje’ en de masculiene normbeelden, die men in stand wil houden, zijn niet direct het gevolg van de aard van werkzaamheden van een aspirant-officier, maar onlosmakelijk verbonden met de zelfopgelegde verwachtingen, ervaringen en belevingen van cadetten. De gender-gerelateerde normbeelden van de cadetten zorgen voor informele machtsverhoudingen die moeilijk doorbroken kunnen worden. Verzet tegen heersende normbeelden brengt namelijk de eigen positie binnen een groep in gevaar, zowel bij mannelijke als vrouwelijke cadetten. Vaak wordt er onbewust een passieve houding verkozen boven een actieve vorm van verzet waardoor gender-gerelateerde normbeelden blijven bestaan. Zowel cadetten als kaderleden op de KMA vervullen hierin een rol. De bewijs- en solidariteitslast die voortkomen uit gender-gerelateerde normbeelden worden gevoeld door cadetten in minderheidsposities.

Uit het onderzoek komt tevens naar voren dat dit alles zorgt voor ambivalentie, beperkte sociale veiligheid en beperkte inclusie. Niet alleen de cadetten lijden hieronder, de organisatie doet zichzelf hiermee ook tekort. Het beperkt namelijk de saamhorigheid en het ‘wij-gevoel’ waar de militaire organisatie zo naar streeft.

Aanbevelingen

Zolang niet alle cadetten hun toekomstige dochter aanraden om naar de KMA te gaan, moet de KMA grote verbeterstappen maken. Sommige hiervan zijn al in gang gezet, andere nog niet. Toch wil ik graag een paar aanbevelingen weergeven.

Bewustwording

Om verbeteringen aan te brengen, moet er op de eerste plaats bewustwording gecreëerd worden onder de cadetten en kaderleden van de KMA. Machtsverhoudingen die standhouden binnen de gelederen van de KMA kunnen niet doorbroken worden zonder dat hier eerst bewustwording over bestaat. Hoewel over genderongelijkheid en de waarde van diversiteit al relatief veel bewustwording bestaat, is er maar weinig herkenning en erkenning als het gaat om de dagelijkse, informele processen en de ontstane gender-gerelateerde normen. Daarom is het van belang dat men zich bewust wordt:

Hoe gender-gerelateerde normbeelden ontstaan en standhouden; dit gebeurt namelijk veelal via dagelijkse, informele, onbewuste vormingsprocessen.
Hoe en waarom zowel vrouwelijke als mannelijke cadetten deze normbeelden in stand houden; zoals fundamentele behoeftes van ‘erbij horen’ en meer algemeen de onzichtbare maar grote macht van deze normbeelden.
De daarmee samenhangende valkuilen bij pogingen tot verzet en verandering; voortkomend uit onder meer onbedoelde reproductie van gender-gerelateerde stereotyperingen, solidariteitslast en bewijsdrang.

Kritiek op normbeelden, niet op mensen

Bij het realiseren van meer bewustwording moet ook rekening worden gehouden met het feit dat vooral mannelijke cadetten zich bedreigd kunnen voelen door mogelijke veranderingen en dat zij zich tegelijkertijd aangevallen kunnen voelen door de kritiek. Dit zou tot meer weerstand kunnen leiden wat juist een averechtse werking heeft. Hoewel ongemakkelijke, pijnlijke dialogen en wrijving tussen partijen te verwachten zijn bij thema’s als deze, kunnen de constateringen in dit artikel ook voor begrip zorgen. Het gaat hier namelijk niet om kritiek op mensen, laat staan op individuele cadetten of kaderleden, maar op normbeelden, en dus op institutionele structuren en culturen.

Bullenparade op de KMA in Breda. Foto MCD, Valerie Kuypers

Interventies op het dagelijkse, informele niveau

De vorming bij cadetten kan veranderd worden door informele oplossingen in de dagelijkse leefsfeer. Het werken aan een gevoel van inclusie kan hierbij een voorname plaats innemen zonder dat het voor grote weerstand zorgt bij mannelijke cadetten. Zo is er tijdens dit onderzoek een WhatsApp-groep gecreëerd voor alle lang-model vrouwelijke luchtmachtcadetten om op een laagdrempelige manier de saamhorigheid onder vrouwen te vergroten. Zulke relatief kleinschalige interventies kunnen ook bij andere krijgsmachtdelen en op andere manieren worden gerealiseerd.

Microrevoluties

Een krachtige manier om verbeterstappen te maken zijn zogeheten microrevoluties. Dit zijn kleine verzetshandelingen tegen de gevestigde orde. Cadetten maken hier ook veelvuldig gebruik van, al was het maar om de heersende gender-gerelateerde normbeelden in stand te houden. Een voorbeeld van zo’n microrevolutie werd gegeven door een vrouwelijke cadet. Zij had er bewust voor gekozen om een sportspeldje niet te halen, ‘omdat ik echt dacht: dit is gewoon zo’n stereotiep speldje waarmee ik mezelf geen plezier doe’. Ook al zeiden anderen verbaasd ‘hoe kan het dat je geen speldje wil om jezelf te bewijzen?’ Microrevoluties worden door cadetten gebruikt, maar vormen ook een krachtig middel voor de organisatie. Daarmee kan op alledaagse informele wijze de geldende status quo in twijfel worden getrokken en verandering teweegbrengen. Mijn scriptie, en dit artikel, is in die zin ook een vorm van een microrevolutie tegen de huidige status quo. Het spoort aan na te denken over zaken die langzamerhand vanzelfsprekend zijn geworden binnen de organisatie.

Ten slotte

Op maandag 27 juni verscheen een tweetal artikelen in NRC Handelsblad naar aanleiding van mijn onderzoek en mijn scriptie op de KMA.[16] Veel Nederlandse media doken hier gretig op. De media benadrukte vooral het vrouw-zijn in de verslaglegging over mijn onderzoek. Maar dit is een incompleet beeld. In mijn onderzoek liep ik er tegenaan dat niet alleen vrouwen, maar ook mannelijke cadetten exclusie ervaarden of dat er op hen wordt neergekeken als ze niet voldoen aan de masculiene normbeelden. Tevens is opvallend dat ook hogere (oud)officieren soortgelijke ervaringen hadden tijdens hun tijd op de KMA of tijdens hun dientijd binnen Defensie. Eerder, op zaterdag 25 juni, was er in de weekendbijlage van dezelfde krant namelijk al een uitgebreid interview verschenen met twee vrouwelijke oud-officieren, Gwenda Nielen en Claudia Redout, over de positie van de vrouw binnen de Nederlandse krijgsmacht.[17] De drie artikelen en de verdere media-aandacht maakten veel reacties los. Ik heb ondertussen al veel reacties mogen ontvangen, voornamelijk van veel vrouwelijke officieren. Hierbij valt het mij op dat de situatie op de KMA niet nieuw is. Ik heb me in het onderzoek alleen gericht op de huidige situatie op de KMA, en hoewel ik het verder niet heb onderzocht, maak ik uit de reacties op dat de situatie op de KMA met zelfgecreëerde gender-gerelateerde normbeelden over masculiniteit zo’n twintig tot dertig jaar geleden niet anders was. En dat vrouwen, niet alleen op de KMA, maar in de hele krijgsmacht vaak op hun tenen moeten lopen, zoals Nielen en Redout ook in hun interview zeiden. Wat mij hierbij verbaast is dat de cultuurverandering ontzettend langzaam gaat terwijl het onderwerp zo urgent is.

 

[1] Dit artikel is een bewerking van de afstudeerscriptie ‘“De KMA raad ik mijn toekomstige dochter niet eens aan”: Over de invloed van gender-gerelateerde normbeelden op de alledaagse informele vorming bij cadetten op de Koninklijke Militaire Academie’.

[2] D. Umstott, Understanding Organizational Behavior (St. Paul, West Publishing Company, 1988).

[3] P. Bourdieu, Outline of a Theory of Practice (Cambridge, Cambridge University Press, 1977).

[4] S. Çankaya, ‘Normbeelden als alternatief voor politiecultuur: de integere, neutrale en loyale supercop’, in: Tijdschrift voor Veiligheid 15 (2016) (02-03) 15–32.

[5] Çankaya, ‘Normbeelden als alternatief voor politiecultuur’, 15–32; M. A. Messner, ‘Barbie Girls versus Sea Monsters: Children Constructing Gender’, in: Gender and Society 14 (2002) (06) 765-784.

[6] J. Bosch, ‘Gender en Defensie: Mens kunnen zijn en blijven in de organisatie’, in: Carré 25 (2002) (11) 10-13.

[7] S. de Beauvoir, De tweede sekse: Feiten, mythen en geleefde werkelijkheid (Utrecht, Erven J. Bijleveld, 2020); C. West en D. Zimmerman, ‘Doing Gender’, in: Gender and Society 1 (1987) (02) 125-151; S. Killermann, A Guide to Gender: The Social Justice Advocate’s Handbook (Austin Texas, Impetus Books, 2017).

[8] Çankaya, ‘Normbeelden als alternatief voor politiecultuur’, 15–32; S. Çankaya, Buiten veiliger dan binnen: In- en uitsluiting van etnische minderheden binnen de politieorganisatie (Delft, Academische Uitgeverij Eburon, 2011); Umstott, Understanding Organizational Behavior.

[9] R.S. Gowricharn, ‘Normbeelden als structuurprincipe’, in: OSO Tijdschrift voor Surinamistiek 24 (2005) (1) 66-81; Çankaya, ‘Normbeelden als alternatief voor politiecultuur’, 15–32.

[10] R.M. Kanter, Men and Women of the Corporation (New York, Basic Books, 1977).

[11] Kanter, Men and Women of the Corporation.

[12] Ibidem.

[13] J. Bosch, ‘Het belang van gendersensitiviteit voor de integratie van vrouwelijke officieren’, in: Carré 26 (2003) (9) 10-14.

[14] Beauvoir, De tweede sekse.

[15] Ibidem.

[16] Esther Rosenberg en Karel Berkhout, ‘Vrouwen doen het eigenlijk nooit goed, op de KMA’, in: NRC Handelsblad, 27 juni 2021; Esther Rosenberg en Karel Berkhout, ‘Voor vrouwen is de sfeer op KMA giftig’, in: NRC Handelsblad, 27 juni 2021.

[17] Esther Rosenberg en Karel Berkhout, ‘Twee oud-luitenant-kolonels: Als vrouw bij defensie loop je op je tenen’, in: NRC Handelsblad, 25 juni 2021.

Home achtergrond: 
Foto MCD, Rob Gieling