Peacekeeping in Albania and Kosovo

De Nederlandse diplomaat Daan Everts leidde in de periode 1998-2002 als head of mission de OVSE-bijdragen aan twee internationale missies, eerst in Albanië en aansluitend in Kosovo.[1] De OVSE assisteerde in beide gevallen bij het proces van nation-building. De resultaten voldeden niet altijd aan de verwachtingen. Het is Everts er met dit boekje om te doen de oorzaken aan de kaak te stellen. Puttend uit zijn eigen ervaringen in Albanië en Kosovo betoogt hij dat het anders kan en moet.

Everts bouwt zijn betoog op langs twee lijnen. De ene lijn is zijn weergave van de activiteiten die de OVSE-missies in Albanië en Kosovo ontplooien. In Albanië wacht de taak orde en rust te brengen in de nasleep van een binnenlandse humanitaire crisis. In Kosovo ligt de situatie vele malen moeilijker. Wanneer de strijd om Kosovo in juni 1999 tot een eind komt, moet een maatschappij waarin niets meer functioneert (een ‘devastated society’, schrijft Everts) opgebouwd worden. Als onderdeel van het tijdelijke internationale bestuur is de OVSE-missie belast met het helpen opbouwen van een nationale politiemacht, betrouwbare media, maar vooral het creëren van de condities voor democratisch en autonoom zelfbestuur. Dit impliceert het organiseren van verkiezingen in een functionerend politiek bestel. In Kosovo gaat bovendien veel aandacht uit naar het documenteren van mensenrechtenschendingen; allesoverheersend is namelijk het etnische conflict tussen Albanezen, Serviërs en Roma.

Voorafgegaan door een heldere toelichting op de achtergronden van beide conflicten beschrijft Everts hoe de inspanningen in Albanië wel tot een min of meer stabiele eindsituatie leiden, maar dat dat in Kosovo niet slaagt. Hij toont hoeveel complexer het is om het in wezen etnische conflict in Kosovo te overwinnen dan de overwegend politieke rivaliteit in Albanië. ‘There was a total underestimation of the dept and width of the ethnic resentment that had built up over the decades if not the centuries’, schrijft Everts in zijn conclusie. De etnische tegenstellingen overschaduwen, zoals bekend, Kosovo tot op de dag van vandaag. Het relatieve succes van de missie in Albanië schrijft Everts verder toe aan het heldere mandaat, de eenduidige aansturing, de overzichtelijke personele omvang van de missie en de korte missieduur, wat in schril contrast staat tot de missie in Kosovo. Kennelijk werkten de instituties in Kosovo (VN en UNHCR, de EU, KFOR, maar ook de vele ngo’s) elkaar tegen. Hoe dit zich precies manifesteerde, daarop gaat Everts nauwelijks in. Evenmin op de kritiek die er ook op de OVSE-missie is geweest.

Van dichtbij

De tweede lijn wordt gaandeweg het betoog duidelijk. Everts laat de lezer van dichtbij ervaren hoe hij, zijn staf en de field agents van de OVSE voortdurend in de weer zijn vertrouwen te winnen, voor en achter de schermen lokale politici en machthebbers te beïnvloeden, te overtuigen en desnoods onder druk te zetten om zich van hun bijdrage aan het proces van opbouw te verzekeren. Opmerkelijk om te lezen is hoe Everts zijn wijdvertakte internationale netwerk gebruikt in wisselwerking met de lokale ontwikkelingen. Het gaat erom voortdurend alert te zijn en snel en inventief te reageren. Everts maakt duidelijk dat het niet het bureaucratische proces is dat de onderscheidende resultaten boekt maar veeleer de individuele, intrinsiek gemotiveerde en capabele medewerker. Hij is zeer kritisch naar, wat hij noemt, ‘de grote ego’s’ en de alsmaar uitdijende instituties, inclusief de OVSE-missie zelf. Hun ambities zijn te groot of juist te beperkt en wekken te veel verwachtingen. Dit persoonlijke of institutionele falen en tekortschieten veroorzaakt maatschappelijke ontwrichting die vooral de bevolking het hardste treft. Helaas, zo constateert hij in zijn conclusie, waar de instituties zwak zijn of massaal worden tegengewerkt, kunnen de mensen die daarin werken, hoe getalenteerd ook, daar niet volledig voor compenseren. Dat niet altijd aan de verwachtingen wordt voldaan, treft volgens Everts alle vredesmissies.

‘Emphatic realism’

Op grond van zijn ervaringen stelt Everts een andere benadering voor. Hij pleit voor meer realisme en meer oog voor de werkelijke behoeften van de bevolking die door crisis of conflict wordt getroffen. Hij noemt dit ‘emphatic realism’. Zijn advies: werk vanuit realistische doelstellingen en beschikbare middelen én heb oog voor de benarde toestand van de gewone man in plaats van het belang van de politieke elites. In de context van de missie in Albanië was dit concept goed toe te passen en werkte het behoorlijk goed, maakt Everts duidelijk. Maar de missie in Kosovo miste het gewenste realisme volgens hem van meet af aan, te beginnen bij een lastig uitvoerbaar mandaat. In het bijzonder richt hij zijn pijlen op het tekortschieten van de internationale gemeenschap en de Kosovaarse politici in de bestrijding van het etnische geweld in Kosovo, de sleutel voor het oplossing van het conflict.

In meer detail werkt Everts zijn concept van ‘emphatic realism’ niet uit. Dit hoeft geen gemis te betekenen. Het boek bevat namelijk een duidelijke boodschap. Het wijst op verantwoordelijkheid nemen, persoonlijk of institutioneel, en onderzoeken welke attitude en competenties bij Everts’ aanpak passen. Dit praktijkboek laat zien dat hiermee veel te winnen valt.

LtKol b.d. drs. Jan-Leendert Voetelink

Peacekeeping in Albania and Kosovo

Conflict Response and International Intervention in the Western Balkans, 1997-2002

Door Daan W. Everts

Londen (I.B. Tauris) 2020

248 blz. – ISBN 9781838604486

 

[1] Everts maakte in de periode 1997-1998 deel uit van de European Comunity Monitoring Mission (ECMM) in het voormalig Joegoslavië. Deze missie laat hij in dit boek buiten beschouwing.