The Dragons and the Snakes

How the Rest Learned to Fight the West

De jaren 90 waren in het Westen een periode van optimisme. Achteraf gezien vinden we dat naïef, maar in de tijd was het begrijpelijk: na decennia van spanningen met de Sovjet-Unie was de grote vijand geïmplodeerd en had het Westen gewonnen. En hoewel veel regeringen die periode gebruikten om hun ‘vredesdividend’ te innen, signaleerde toenmalig CIA-directeur James Woolsey in 1993 de opkomst van nieuwe dreigingen. De ‘draak’ (de Sovjet-Unie) was weliswaar verslagen, maar daar waren vele ‘slangen’ voor in de plaats gekomen: terroristische groeperingen, georganiseerde misdaad, ethnische conflicten en drugshandel.

In The Dragons and the Snakes gebruikt David Kilcullen deze ‘lens’ van Woolsey om het huidige dreigingsbeeld te duiden. Nu, ruim 25 jaar na Woolseys analyse, wordt het Westen geconfronteerd met bedreigingen van zowel draken als slangen. Volgens Kilcullen, die naam maakte als counterinsurgency-expert, zijn beide typen dreigingen nu extra gevaarlijk omdat ze zich snel aanpassen en van elkaar leren.

De slangen: keerpunt Irak 2003

Direct na de Koude Oorlog werd Amerika militair als almachtig gezien: geen rationele speler zou de VS uitdagen tot een conventionele oorlog, een les die Saddam Hussein in 1991 op pijnlijke wijze geleerd had. En ook tijdens de invasie van Irak in 2003 wist de VS door zijn militaire overmacht de Iraakse troepen zonder problemen op te ruimen. Toch was die invasie volgens Kilcullen een keerpunt: niet vanwege de initiële militaire overwinning, maar omdat de VS die militaire winst niet om wist te zetten in stabilisatie en een politieke oplossing. In plaats daarvan verzandden de Amerikanen in een insurgency die alle vijanden, zowel slangen als draken, duidelijk maakte hoe je Amerika moest bestrijden: door in kleine groepjes van irreguliere troepen, onder de radar opererend en openlijke gevechten vermijdend, op zoek te gaan naar de zwakste schakels in de westerse operaties. Die groepjes richtten hun pijlen met name op de bevolkingen die beschermd moesten worden, maar ook op kritieke infrastructuur. Zo konden irreguliere groepen relatief goedkoop flinke klappen uitdelen aan de westerse troepenmachten, die enorme kosten moesten maken om zich tegen die dreiging te wapenen. 

Kilcullen heeft een achtergrond als antropoloog, die goed van pas komt bij de bespreking van de adaptatie van de slangen. Op basis van de evolutionaire antropologie onderscheidt hij vier belangrijke drijfveren van dergelijke adaptatie: social learning, natural selection, artificial selection en institutional adaptation. Met social learning doelt Kilcullen op horizontale adaptatie, en natural selection en institutional adaptation (verticale adaptatie) spreken redelijk voor zich. De boeiendste drijfveer, zeker voor het Westen, is artificial selection. Van oudsher wordt deze term gebruikt voor het bewust doorontwikkelen van bepaalde diersoorten, om zo een zo sterk mogelijk ras  te kweken. Volgens Kilcullen hebben westerse interventies vaak eenzelfde, maar onbedoeld effect: iedere targeted killing heeft een effect op het ecosysteem van een irreguliere groep en op de manier waarop deze zich zal doorontwikkelen. Als wordt overwogen om het leiderschap van een terreurgroep uit te schakelen, moeten we ons eerst goed afvragen wat we ervoor terugkrijgen. Soms is het beter om een relatief gematigd leiderschap intact te houden, als de nieuwe generatie waarschijnlijk veel radicaler is én als het niet mogelijk of lastig is om die nieuwe generatie ook uit te schakelen. Kilcullen laat aan de hand van enkele voorbeelden zien dat twee strategieën kunnen werken, namelijk een groep totaal vernietigen of proberen de hand te houden in de ontwikkeling ervan. De middenweg, waarbij soms een aantal belangrijke spelers wordt gedood en de groep vervolgens de kans krijgt te hergroeperen, draagt onbedoeld bij aan de doorontwikkeling van de groep, waardoor die als sterkere tegenstander uit de strijd komt.

De draken: perfectionering asymmetrische benadering

De slangen zijn niet de enige die zich de afgelopen twee decennia hebben aangepast aan hun westerse vijand: ook de draken – naast Rusland tegenwoordig ook China – hebben goed gekeken naar de methoden van de slangen en daar hun lessen uitgetrokken. Rusland en China zijn ervan doordrongen dat ze het in conventionele oorlogvoering voorlopig af zullen leggen tegen de overmacht van de VS. Juist daarom hebben Beijing en Moskou de afgelopen jaren, ieder op hun eigen wijze, een asymmetrische benadering geperfectioneerd waarmee ze hun tegenstanders tegen relatief lage kosten op zeer effectieve wijze kunnen dwarszitten.

Rusland doet dat volgens Kilcullen met liminal warfare, waarbij de term liminal in de antropologie staat voor iets wat zich ‘in limbo’ bevindt, een soort grijze zone. Die zone bevindt zich in dit geval tussen wat wij zien als oorlog en vrede: Moskou voert geen openlijk conventionele oorlogen, maar probeert zich zoveel mogelijk onder de radar te mengen in conflicten en die naar zijn hand te zetten. Het Kremlin vindt allerlei nieuwe methoden die effectief westerse belangen schaden, maar onvoldoende ingrijpend zijn om een grootschalig conventioneel antwoord uit te lokken, van de inzet van ‘groene mannetjes’ op de Krim en van ‘vrijwilligers’ in Oost-Oekraïne tot de extensieve inzet van hackers en trollen voor geopolitieke doeleinden.

China onderscheidt zich vooral door de manier waarop het naar het begrip oorlog kijkt. Volgens Kilcullen lopen we hier het risico van conceptual envelopment: Beijing ziet oorlogvoering als een veel breder begrip dan het Westen en plaatst vrijwel alle activiteiten van de staat, van economisch tot juridisch, binnen een breed kader van oorlogvoering. Dat Chinese bedrijven bijvoorbeeld Europese havens opkopen of hotels in de buurt van westerse militaire bases, past volgens Kilcullen binnen een alomvattende Chinese (oorlogs)strategie. Dat brengt twee problemen met zich mee. Enerzijds loopt het Westen het risico om het gevaar van China te onderschatten en het pas op waarde te schatten als het te laat is, maar anderzijds is de kans ook levensgroot dat eventuele westerse reacties verkeerd worden geïnterpreteerd. Wat wij zien als technische maatregelen (bijvoorbeeld op financieel gebied) kan China zien als acts of war.

Met name in de bespreking van de Chinese strategie gaat Kilcullen af en toe wel erg kort door de bocht. Door de Chinese conceptie van oorlogvoering zo breed op te rekken dat bijna alle staatsactiviteiten eronder vallen, zet hij de deur open voor  volledige securitisation van onze benadering van China. Daarbij komt dat hij zich grotendeels baseert op het twintig jaar geleden verschenen Unrestricted Warfare, een door twee Chinese kolonels geschreven boekje over militaire strategie dat zich buigt over de vraag hoe China een technologisch superieure tegenstander zou kunnen verslaan. Hoewel het boek ongetwijfeld een rol speelt binnen de Chinese doctrinevorming – de twee kolonels in kwestie maakten na publicatie flinke stappen in het militaire apparaat – zou Kilcullens argument aan waarde gewonnen hebben als hij een bredere selectie aan bronnen had gebruikt.

Daarnaast richt Kilcullen zich voor de draken geheel op Rusland en China, maar komen Iran en Noord-Korea niet aan bod. De auteur verontschuldigt zich daarvoor en wijst op ‘gebrek aan ruimte’, maar doordat hij de twee draken ieder zo specifiek bespreekt, blijft de lezer achter met de vraag in hoeverre zijn theorieën toepasbaar zijn op andere mogelijke draken.

Los van die kritiekpunten biedt The Dragons and the Snakes een fascinerend kijkje in de manier waarop tegenstanders zich de afgelopen twee decennia hebben weten aan te passen aan de westerse manier van oorlogvoering. Kilcullen schrijft kraakhelder en overtuigend, waarbij hij zijn eigen bevindingen ook geregeld nuanceert. De belangrijkste dreiging, zoals hij in het slotwoord zegt, is misschien wel onze onwetendheid: ‘It’s entirely possible that none of us actually know what we’re doing, that far from having cunningly executed master plans we are all reacing instictinvely, often incompetently, in the moment – stumbling around in a fog, bumping into things withou reallly understanding each other. This mutual incomprehension is a recipe for miscalculation, and nuclear miscalculation at that’ (blz. 224).

Maarten Broekhof, Rijksoverheid en Research Fellow Nederlandse Defensie Academie

The Dragons and the Snakes

How the Rest Learned to Fight the West

Door David Kilcullen

Londen (Hurst) 2020

328 blz. – ISBN9781787380981