Sprinkhanen

Europeanen doen graag alsof ze in onschuld in een kwetsbaar fort wonen en zich onafgebroken moeten verdedigen tegen horden inhalige nepvluchtelingen die een gat in de muren proberen te hakken. Maar dat is al te gemakkelijk. Europese landen spelen een rol in de oorlogen en de armoede waaraan mensen ontvluchten, om over de vervuiling van het milieu door ‘onze’ bedrijven en klimaatverandering niet eens te spreken.

Toen de Koude Oorlog afliep in 1989 waren er zesendertig gewapende conflicten gaande op de planeet. In zo goed als allemaal waren Europa en de VS belangrijke spelers. Ze vochten zelf mee, steunden de oorlogen politiek of financierden ze, hielpen dictators in het zadel te blijven en waren medeplichtig aan beleid dat mensen arm hield en hun rechten schond. En verkochten wapens aan strijdende partijen: was in het Westen de oorlog ‘koud’ en op een afstand gebleven, in andere delen van de wereld spatten de vonken er van af.

In hun ijver om zoveel mogelijk strijdende partijen aan hún kant te krijgen hadden Europa, de VS en de Sovjet-Unie de oorlogen verzadigd met brandstof. Landen als Somalië en Ethiopië, gebieden in zuidelijk Afrika en ook Afghanistan werden volgepropt met geavanceerd wapentuig waarmee groepen elkaar en elkaars achterban te lijf gingen. Somalië en Ethiopië staan tot de dag van vandaag bovenin de lijst van grootste vluchtelingenproducenten ter wereld. Net als Syrië en Afghanistan: ook geen vreemden in het Europese militaire, hulp- en handelsbeleid. Maar steevast presenteren Europese politieke leiders de vluchtelingen die uit de puinhopen tevoorschijn komen als een opzichzelfstaand probleem, nooit als een consequentie van het eigen beleid.

De Europese wapenhandel bestaat als een ecosysteem in de wereld van het Europese migratiebeleid. Vanaf de eeuwwisseling exporteerden Franse, Britse, Duitse en ook Nederlandse wapenfabrikanten naar schatting voor meer dan 100 miljard euro aan wapensystemen naar het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Die wapens worden gebruikt en hergebruikt in conflicten die miljoenen vluchtelingen veroorzaken. Veel van de moderne wapensystemen die aan Libië verkocht werden bijvoorbeeld, ter waarde van ten minste een miljard euro, kwamen na de val van Gaddafi in 2011 in conflicten in de regio terecht, zoals in Mali. Diezelfde wapenindustrie verdient nu aan het tegenhouden van de mensen die vluchten voor de kogels door de techniek voor bewaking van grenzen en detentiecentra te leveren.

Onlangs las ik de brief eens na waarin de Nederlandse ministers van Defensie, Buitenlandse Zaken en Handel en Ontwikkelingssamenwerking het besluit toelichtten om met een schip bij te dragen aan de EU-operatie EUNAVFOR MED Sophia. Dat was in september 2016. Reden voor Nederland om naar de Middellandse Zee op te stomen was onder meer dat ‘de instabiliteit die in Libië heerst, directe gevolgen heeft voor Europa. De vluchtelingen- en migrantenstromen die dagelijks via Libië naar Europa komen, getuigen daar van’.

De motivatie van de ministers voor het zenden van dat schip kan de vraag oproepen waarom de gevolgen voor Europa van de ‘instabiliteit in Libië’ de voornaamste overweging waren, en de gevolgen van die instabiliteit voor de vluchtelingen en migranten niet. Ons Europese handelsbeleid was immers debet aan de ellende van die mensen. Maar inmiddels begrijp ik het wel: als je het vluchtelingenprobleem ontdoet van die context, klinkt het alsof Nederland en andere Europese landen in de Middellandse Zee een natuurramp proberen tegen te houden. Een zwerm sprinkhanen of een tsunami. Dat we over vluchtelingen en migranten vaak spreken in termen van ‘krioelen’ en ons ‘overspoeld’ voelen, komt daar natuurlijk ook vandaan.