De teloorgang van de krijgskunde en de noodzaak van militaire geschiedenis

‘De vakgebieden krijgskunde en krijgsgeschiedenis [zijn] thans in feite van KMA en HKS verdwenen; en tijdens de zg. tertiaire vorming komen ze evenmin aan de orde. Het betekent ook dat – wellicht op een uitzondering na – er nog nauwelijks deskundig­heid op dit gebied bestaat.’ Tot die vaststelling kwam de redactie van de Militaire Spectator in 1988 in een editoriaal.[1]

Achtentwintig jaar later constateert Herman Amersfoort de gevolgen van dat gebrek aan deskundigheid.[2] Er zijn geen strategen meer en er is daarom ook geen strategie. Zelfs over wat strategie is en waar die thuishoort is verwarring. Daarmee hangen de operationele inzet van de krijgsmacht en de krijgskundige legitimiteit ervan in het luchtledig. Dat komt ervan wanneer je je vakkennis en core business vervangt door modieus ‘gemanage’. Dan kun je geen strategie meer bedrijven en – minstens zo erg – ook geen strategie meer herkennen. Dat blijkt dan weer treffend uit de gastcolumn ‘Eenlingen’ van Linda Polman.[3] Want heeft nu werkelijk niemand in de gaten dat IS gewoon het guerrilla-strategische boekje van Mao volgt? Dat begint met guerrilla, in de tweede fase een basisgebied veiligstellen, in de derde fase roept een staat uitroepen en de gevechten tot de buitengrenzen beperken met conventionele militaire middelen. In fase vier wordt de guerrilla uitgebreid naar de voorheen veilige basisgebieden van de tegenstander (Polmans eenlingen) en in fase vijf volgt de overwinning aan de onderhandelingstafel. Of IS het kalifaat niet te vroeg heeft uitgeroepen zal de geschiedenis uitwijzen; feit is dat het volgens een tevoren uitgewerkt plan verliep. En onderhandelingen: de geheime gaan vaak vooraf aan de openlijke, al in de voorlaatste fase.

Wat is er nu eigenlijk aan de hand met die strategie? Daarvoor is niet alleen krijgsgeschiedenis nodig, maar ook een conceptuele en analytische krijgskunde om die te interpreteren. De verwarring ontstaat doordat het begrip in krijgskundig opzicht een inhoudelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. In grove lijnen geschetst: er treedt differentiatie op in de militaire bedrijfskolom en de militaire bedrijfskolom wordt langer.

Ooit, lang geleden, bestond er maar één organisatieniveau van geweld. Dat is de eenling die geweld als strategie voor overleving gebruikt. Strategie en wapengebruik vallen samen. Dat is de ouderwetse ‘wapenhandel’ die in moderner taalgebruik gaat over wapen- en stukexercitie, over drills met als doel het buiten gevecht stellen van de tegenstander. De wapenhandel is de organisatie van wapengebruik tot drills om zo effectief mogelijk op te treden in een handgemeen.

Op enig moment komt daar een niveau bij. Al die verschillende wapens en drills en exercities kun je slim combineren in tijd en ruimte tot een gevecht. Dat heet dan tactiek en dat wordt de leer van de gevechtsaanraking, het gevechtscontact. In de krijgsgeschiedenis is tactiek dan een breed begrip, dat in wezen ook de strategie omvat: buiten gevecht stellen en uitplunderen van de tegenstander. Tactiek is de organisatie van drills tot gevechten, nog steeds met het doel de tegenstander buiten gevecht te stellen en uit te plunderen.

En dan gebeurt er wat in die krijgsgeschiedenis. Iemand bedenkt dat je met wat schaalvergroting een reeks gevechten kunt combineren tot een groter geheel: een veldtocht. Dat organisatieniveau krijgt de naam strategie: de organisatie van gevechten tot een samenhangend geheel, de campagne, de oorlog. Zo’n oorlog krijgt, behalve het buiten gevecht stellen van de vijand ook andere, meer economische en politieke doelen.

Die schaalvergroting zet door en die andere doelen nemen een steeds belangrijker plaats in. In plaats van een oorlog in een veldtocht te vatten, worden hele campagnes gecombineerd tot oorlogen en oorlogen gecombineerd met andere middelen.  Dat valt nog steeds onder de noemer strategie. Maar vanuit organisatieoogpunt zou je nu kunnen zeggen dat  campagnevoering de organisatie van gevechten tot gevechtsoperaties is met strategische doelen. Daarvoor treffen we dan ook de aanduiding ‘grote tactiek’ of ‘leer der operatieën’ aan. En de organisatie van campagnes tot oorlogen is het domein van de strategie.

Als dan de civiele staatsorganisatie zich verder ontwikkelt naast het militaire apparaat en politiek dominant wordt, komen er weer organisatieniveaus bij. Militaire strategie wordt de organisatie van campagnes tot oorlogen, en de militaire politiek organiseert oorlogen samen met andere politieke middelen. Het voorbeeld bij uitstek is de Duitse generale staf in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog die militaire politiek bedrijft.

Pas wanneer het primaat van de politiek definitief is, krijgt Von Clausewitz betekenis: de algemene politiek bepaalt de militaire politiek. De militaire politiek gaat de militaire strategie bepalen. Militaire strategie  is dan de organisatie van militaire operaties tot oorlogen[4] met een politiek-militair doel. Dat is dan wat moderne militaire strategie moet doen en de politiek-militaire strategie organiseert militaire, economische en andere strategieën in onderlinge samenhang tot het bereiken van een politiek doel. De politiek-militaire strategie bepalen is dan wat Amersfoort beoogt voor zijn Nationale Strategische Raad. Aan de krijgsmachtstrategen dan de taak dat te vertalen in militaire strategie en op alle lagere niveaus te implementeren.

De basis blijven de wapenhandel en de tactiek, maar tussen die basis aan het ene eind en  ‘strategie’ aan het andere einde van de bedrijfskolom komen steeds meer organisatieniveaus. Deze juist benoemen en verdere differentiatie onderkennen en de onderlinge samenhang tussen al die niveaus bewaren kan niet zonder gedegen krijgshistorische kennis en krijgskundige analyse. Wordt het niet eens tijd dat de Koninklijke Vereniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap weer eens krijgswetenschappen gaat beoefenen in plaats van modieus militair ‘gemanage’?

[1] ‘Renaissance van het operationele denken’, editoriaal in: Militaire Spectator 157 (1988) (1) 4.

[2] H. Amersfoort, ‘Nederland, de weg kwijt. Over de teloorgang van de militaire strategie en de noodzaak van geschiedenis’, in: Militaire Spectator 185 (2016) (5) 217-231.

[3] Linda Polman, ‘Eenlingen’, in: Militaire Spectator 185 (2016) (5) 236.

[4] In krijgskundige zin, niet in juridische zin!