De islamitische inlichtingenstaat

De Stasi als leermeester?

Het kortstondige bestaan van de Islamitische Staat (IS) als territoriale eenheid was gruwelijk en doeltreffend. En raadselachtig; veel details worden nog verhuld door de stofwolken van de rasante opkomst en ondergang van het kalifaat. Wellicht komen we later meer te weten over de organisatie, de leiders en de praktijken van bestuur en administratie die IS zo succesvol lieten lijken. In afwachting daarvan moeten we het doen met brokstukken, enkele rapportages van dappere journalisten, interviews met IS-leiders en berichten uit Irak en Syrië. Toch is er al iets te zeggen over het traject van IS’ ontwikkeling tot een inlichtingenstaat. Het kalifaat kwam niet uit de lucht vallen, net zo min als de technieken en modus operandi waarvan het gebruik maakte. Ze herinneren aan de grondigheid waarmee de Oost-Duitse Stasi een fijnmazig inlichtingennetwerk had opgezet. De Oost-Duitsers exporteerden kennis naar het Midden-Oosten en heeft daarmee mogelijk indirect IS geïnspireerd. Wij verkennen hier de Stasi-invloed op het kalifaat.

Beatrice de Graaf en  Saskia Pothoven*

Het leven in het kalifaat van Islamitische Staat leek verbijsterend nieuw en schokkend: de onthoofdingen, de overtreffende trap van mensonterende martelpraktijken en de uiterst professionele wijze waarop die praktijken op internet als rekruterings- en propagandamiddel werden ingezet. De schokkende aspecten verhulden dat een aantal kenmerken van IS minder nieuw was dan op het eerste gezicht leek. In dit artikel stellen wij dat een deel van het kortstondige succes, met name de opbouw en de uitvoering van IS als inlichtingenstaat, is terug te voeren op de lessen die de eerste IS-leiders kregen van Oost-Duitse instructeurs als kolonels van de Iraakse leider Saddam Hoessein. De Duitse Democratische Republiek leverde een soort communistische ontwikkelingshulp aan het Midden-Oosten.[1]

Tegen de achtergrond van de gaten in onze kennis over IS is het relevant te onderzoeken in hoeverre het karakter van de IS als inlichtingenstaat en de al dan niet vermeende effectiviteit van IS in het uitoefenen van controle en het uitvoeren van operaties, is terug te voeren op de Stasi-technieken die het kalifaat had geërfd van Iraakse Ba’ath-kolonels. Wat hun rol precies is, is nog steeds omstreden. Craig Whiteside beweerde recent dat de salafistische ideologie en de invloed van al-Qaeda van groter belang zijn geweest op de ontwikkeling van IS dan die van de Ba’ath-officieren. Hij kan de relevantie van de officieren evenwel niet goed empirisch weerleggen. Bovendien mist hij in zijn betoog de unieke positie van het inlichtingen- en veiligheidsapparaat in de opbouw van IS, doordat hij teveel het salafistische en jihadistische gedachtengoed benadrukt.[2] Wij leveren met dit artikel een nieuwe bijdrage aan het debat over het ontstaan van het kalifaat door de IS ten eerste als een inlichtingenstaat te definiëren, dat wil zeggen als een administratieve en bestuurlijke eenheid waar de inlichtingen- en veiligheidsdienst door alle bestuurlijke instanties trekt, inclusief de sociale en militaire.[3] Daarnaast traceren we de invloed van voormalig communistische inlichtingenofficieren en inzichten daarop. We durven de uitdaging van deze vraagstelling aan, omdat we nieuw materiaal uit de Stasi-archieven hebben gevonden waarmee goed in kaart is te brengen hoe omvattend het Ministerium für Staatssicherheit (MfS, Stasi) de partijen in het Midden-Oosten, in het bijzonder Syrië en Irak, heeft beïnvloed. Ook zijn er afdoende aanknopingspunten op personeel (de continuïteit van Ba’ath-officieren bij de opbouw van de IS) en organisatorisch vlak (de opbouw en structuur van het inlichtingenapparaat van IS) die wijzen op zo’n vorm van (indirecte) beïnvloeding. Bij gebrek aan bronnenmateriaal uit en van de IS anno 2017, nemen we dus de vrijheid om die indirecte invloed van de Stasi op basis van het materiaal dat er wél is, in kaart te brengen. Met het oog op de toekomst van IS en de capaciteit van de door IS getrainde inlichtingeninstructeurs is de relevantie van deze vraag groot genoeg. Een terroristische organisatie die zo snel een zo omvattend inlichtingenapparaat wist op te bouwen, is immers historisch net zo zeldzaam als potentieel gevaarlijk.

Uitgangspunt

Hoewel het vooralsnog onmogelijk is om (directe) invloed van de Stasi op het inlichtingenapparaat van ISIS, de Emni[4], met harde bewijzen te duiden, zijn er veel indicaties dat er in de afgelopen decennia ten minste tot op zekere hoogte sprake is geweest van invloed. Om de waarschijnlijkheid van een directe of indirecte overdracht van inlichtingenkennis en -vaardigheden tussen de Stasi en de Emni te verkennen moet worden gekeken naar het vertalingsproces van deze kennis door de jaren heen. Dit is een proces waarbij kennis verloren gaat en waarbij kennis vanuit andere bronnen wordt vergaard. Dit artikel erkent dat er in de loop van de jaren diverse bronnen van invloed zijn geweest op de uiteindelijke totstandkoming van het kalifaat. Die andere bronnen zullen we hier verder niet kunnen onderzoeken. Wij richten ons op de continuïteit van inlichtingen- en kennisoverdracht tussen de Stasi en Emni met de Iraakse Ba’ath-partij als verbindende schakel.  

Stasi Berlin

Hoofdkwartier ministerie für Staatssicherheit (MfS of Stasi). Foto Bundesbeauftragter für die Stasi-Unterlagen (BStU)

Voor het duiden van de continuïteit is een schaal van invloedsmeting ontwikkeld op basis van de theorie van policy transfer en de hieraan gerelateerde theorie van institutional transplantation. Volgens de theorie van policy transfer kunnen kennis over beleid, administratieve regelingen en instituties in zowel tijd en ruimte worden overgedragen en zo naar andere landen of andere bestuurlijke situaties.[5] Institutional transplantation houdt in dat het ene land de ‘politieke instituties, manieren van zakendoen, managementpraktijken en beleid’ van een ander land geheel of gedeeltelijk overneemt.[6] De motieven van landen die institutionele transplantatie toepassen, zijn divers. Maar het algemene doel is om de eigen bestuurstechnieken te verbeteren. Het lenen, overnemen en kopiëren van (delen van) succesvolle praktijken in andere landen wordt gezien als een manier om de eigen ontwikkeling van beleid en organisatie te versnellen en zo de eigen doelen gunstiger, tegen lagere kosten, te bereiken.[7]

De schaal van invloedsmeting die voor dit onderzoek is ontwikkeld, bestaat uit vier niveaus. Het eerste niveau is dat van de ‘lage en indirecte invloed’. Bij een vergelijking tussen de Stasi en de Emni zullen we dit niveau aanvinken wanneer er niet genoeg bewijs voor policy transfer is, maar wanneer wel duidelijk zichtbaar is dat er vergelijkbare praktijken en technieken zijn gebruikt. Het tweede niveau betreft ‘matige en indirecte invloed’. Dit niveau vinken we aan wanneer sprake is van opvallende overeenkomsten én van concrete indicaties van policy transfer. De derde categorie is die van ‘medium en directe invloed’. Ze wordt gebruikt om invloeden aan te duiden die ofwel het resultaat zijn van directe samenwerking tussen de Stasi en de Ba’ath, ofwel van kennisoverdracht door Ba’ath-officieren die zich bij IS hadden aangesloten (en waarvoor we archiefbewijs hebben gevonden). Dit geldt ook voor de vierde categorie, ‘sterke en directe invloed’ . Dit niveau hebben we aangevinkt wanneer die samenwerking en policy transfer ook expliciet in de documenten worden bevestigd.

We zullen de vormen van invloed traceren via het chronologisch verloop in de raakvlakken tussen het Oost-Duitse MfS en zijn contactpersonen en partijen in het Midden-Oosten. Dat doen we aan de hand van secundaire literatuur, mediaberichtgeving en eigen gevonden bronnen in het Stasi-archief in Berlijn, de Bundesbeauftragte für die Unterlagen des Staatssicherheitsdienstes der ehemaligen Deutschen Demokratischen Republik (BStU). Maar we beginnen met een kort overzicht van de interventie van de DDR en de Stasi in het Midden-Oosten.

De Stasi en het Midden-Oosten

De Stasi of MfS was in de Duitse Democratische Republiek (DDR) verantwoordelijk voor de binnenlandse en buitenlandse civiele inlichtingenvergaring. Hoewel de MfS pas officieel in 1950 werd opgericht, was de veiligheidstak van de Oost-Duitse communistische partij van meet af aan betrokken bij de omvorming van de Oost-Duitse deelstaten in een socialistische eenheidsstaat. De Duitse communistische partijleiders die voor en tijdens de oorlog naar Moskou waren gevlucht, kwamen al voor het einde van de oorlog, in april 1945, onder bescherming van de Sovjets terug naar de Sowjetische Besatzungszone. Daar begonnen ze meteen met de opbouw van een veiligheidspolitie. Simpel gezegd was het na 1945 voor de Oost-Europese communisten, onder toezicht van Moskou, zaak om de socialistische heerschappij van de volkspartij veilig te stellen. Dat deden ze door vijanden van de volkspartij, de saboteurs en vijandelijk-negatieve krachten, achter de eigen linies te identificeren en uit te schakelen. De veiligheidsdienst had ruime bevoegdheden: hij was politie, inlichtingendienst, veiligheidsorgaan ineen, had eigen gevangenissen, ondervragers, en zelfs rechters. Voor iedereen die in handen kwam van de latere MfS, was de cirkel van opsporing, inlichtingenvergaring, veroordeling en repressie gesloten.[8] Weliswaar nam de fysieke onderdrukking na 1953 af, maar de Stasi-gevangenissen bleven tot de opheffing van de DDR bestaan. Ze waren een zwart gat voor iedereen die er als politieke gevangene in verdween. Karakteristiek voor de opbouw van de DDR (naar voorbeeld van de Sovjet-Unie) was dat het een dubbele staat was. Naar buiten toe wekte de DDR de schijn een democratische republiek te zijn, met een grondwet en trias politica. Achter de schermen trok de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED) aan alle touwtjes. De Stasi was Schild und Schwert der Partei - de ijzeren ruggengraat van een inlichtingenstaat. Naarmate vanaf 1970 (via de Ostpolitik van de West-Duitse regering-Brandt) de toenadering tot het Westen toenam en de Muur enigszins doorlaatbaar werd, namen ook de psychologische controle en infiltratie in eigen land en daarbuiten toe. Vóór alles verzamelde de Stasi dossiers om de DDR-burgers via chantage, druk, verleiding en manipulatie onder controle te houden.[9]

Ook de buitenlandse inlichtingenactiviteiten stonden in dienst van de controle van de partij. Voor de DDR waren feindlich-negative Kräfte en politische Untergrundaktivitäten (PID en PUT) de belangrijkste gevaren voor die controle.[10] De Stasi leverde de partij informatie om de burgers en de samenleving via technieken van verdeel en heers onder de duim te houden. Vanaf de jaren zeventig beseften Moskou en Oost-Berlijn dat buitenlandse contacten niet alleen belangrijk waren voor export en informatie, maar dat de Oost-Europese landen ook dringend bondgenoten nodig hadden in de ideologische strijd tegen het kapitalistische, ‘imperialistische’ Westen dat zijn invloedssfeer immers ook probeerde uit te breiden in de niet-westerse wereld.[11] De DDR wilde bovendien graag diplomatiek erkend worden als autonome staat in de internationale arena.[12] Vanuit die dubbele optiek - verlangen naar erkenning en ideologische strijd tegen het imperialistische Westen - bood Oost-Berlijn (als juniorpartner van Moskou) communistische ontwikkelingshulp aan landen in het Midden-Oosten, Zuid-Amerika en Afrika. En Cuba, Irak en Syrië konden vanaf 1970 hun elitestudenten naar Oost-Berlijn sturen. Uit ons onderzoek in de Stasi-archieven blijkt nadrukkelijk dat de studenten op verzoek van hun regeringen jaarlijks een twee maanden durende opleiding genoten in de DDR, onder meer aan de Stasi-universiteit in Potsdam. We konden berekenen dat vanaf 1969 honderden officieren uit Egypte, Syrië, Jemen, en Irak in Berlijn zijn opgeleid en getraind.[13]

Erich Mielke

De Oost-Duitse minister van Staatsveiligheid Erich Mielke legde de basis voor de jarenlange samenwerking op  inlichtingengebied tussen de DDR en Irak. Foto Das Bundesarchiv

De Stasi en Irak

Tussen 1969 en het einde van de Koude Oorlog onderhielden de DDR en Irak een inlichtingenrelatie. Dat begon in 1969 met een memo van de Iraakse consul in Oost-Berlijn aan het Oost-Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. Namens de Iraakse regering informeerde hij naar de mogelijkheden om inlichtingenofficieren door de Stasi te laten opleiden.[14] Korte tijd later reisde de Iraakse algemene directeur voor Veiligheid, al-Ani[15] in het geheim naar Oost-Berlijn. Aan de plaatsvervangende minister van Defensie, kolonel Kurt Wagner, legde al-Ani uit waarom Irak de steun van Oost-Duitsland nodig had. De Ba’athpartij was een jaar eerder via een coup aan de macht gekomen, maar slaagde er niet in haar veiligheidsapparaat op orde te krijgen. Daardoor lukte het niet inlichtingen in en uit landen als Iran, Saudi-Arabië, Koeweit en Israël te vergaren. Ook op het vlak van contraspionage miste Irak expertise. Volgens al-Ani hadden de Iraakse inlichtingendiensten dringend training nodig in geheime observatietechnieken, het gebruik van geheime inkt en het decoderen van vijandige berichten, het gebruik van transmitters en afluisterapparatuur, en het beschermen van belangrijke politieke figuren. Al-Ani vroeg Wagner ook om hulp voor het ontwikkelen en het aanschaffen van operationele inlichtingentechnologie, zoals opnameapparaten, transmitters, testinstrumenten, detectoren voor het opsporen van vijandige appratuur of explosieven en leugendetectors. De DDR reageerde positief.[16] In een gesprek tussen de minister van Staatsveiligheid, Erich Mielke, en de Iraakse minister van Binnenlandse Zaken, generaal Salih Mahdi Ammash, werd afgesproken dat Irak per keer vijf tot acht officieren naar Oost-Duitsland mocht sturen en dat de Stasi jaarlijks trainingssessies van zes tot acht weken zou organiseren. De officieren zouden van de Stasi leren hoe ze beschermings- en beveiligingsoperaties moesten uitvoeren en hoe ze operatieve technieken konden toepassen zoals coderen, cryptografie en het plaatsen en gebruiken van microfoons en opnameapparatuur.[17]

Vanaf november 1969 volgden Iraakse inlichtingenofficieren jaarlijks de cursussen. In dezelfde periode nam de Ba’athpartij haar Directoraat voor Algemene Veiligheid, al-Amn al-‘Amm, onder handen met een grootschalige reorganisatie. In Stasiverslagen wordt over al-Ani gesproken als het hoofd van het ‘algemeen directoraat voor algemene veiligheid’, dus als degene die verantwoordelijk was voor de herstructurering.[18] Al-Ani was tegelijkertijd de Stasi-liaison en repte in de uitwisseling met de Stasi en met Wagner ook over zijn pogingen om de militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst, de Istikhbarat, te moderniseren.[19] Het is daarom waarschijnlijk dat hij ook officieren van deze dienst naar Oost-Duitsland stuurde. We kunnen voor de jaren zeventig spreken van een eerste-, tweede- en derdegraads niveau van uitwisseling tussen Irak en de DDR, aangezien er sprake was van expliciete afspraken vanuit de DDR om Iraakse officieren van zowel de binnenlandse als buitenlandse en militaire veiligheidsdienst door de Stasi te laten trainen. Bij die trainingen ging het om operationele en technologische kennis, maar ook om inhoudelijke kennis over functie en organisatie van inlichtingenwerk.

Qua niveau van beïnvloeding kan – op basis van ons archiefonderzoek - in de jaren direct daarna zowel het derde niveau van directe en medium beïnvloeding alsmede het vierde niveau van expliciete beïnvloeding worden aangevinkt. Dat blijkt uit de structuur en opzet van de Mukhabarat, de Iraakse inlichtingendienst, die in 1973 tot stand kwam.[20] In deze organisatie herkennen we allerlei karakteristieke kenmerken van de structuur van de Stasi. Het Iraakse veiligheidscomplex was net zo uitgebreid als de Stasi; het verenigde binnenlandse en buitenlandse taken, contraspionage en politie- en opsporingstaken. Net als de Stasi had de Mukhabarat eigen gevangenissen en rechtbanken. Net als de Stasi rapporteerde het hoofd van de veiligheidsdiensten direct aan de president/regeringsleider, en niet aan een minister.[21] Beide organisaties waren zo opgezet dat ook in de eigen gelederen onvrede en dissent nauwgezet in de gaten werd gehouden en diensten elkaar bespioneerden.[22] De opbouw en uitbreiding van de Mukhabarat viel precies in de jaren dat de uitwisseling met de DDR het meest intensief was. De Stasi adviseerde, trainde en hielp mee bij de opbouw van het ideologische onderdrukkingsapparaat van de Ba’athpartij. Net als in de DDR waren de inlichtingen- en veiligheidsdiensten er niet voor volk of staat, maar waren ze schild en zwaard van de partij, vooral gericht om interne en externe partijvijanden uit te schakelen.

Stasi

De verhoudingen tussen de DDR en Irak bekoelden vanaf de jaren zeventig.  Toch werd in 1985 een nieuwe overeenkomst getekend voor de training van Iraakse veiligheidsofficieren door de Stasi. Foto Bundesbeauftragter für die Stasi-Unterlagen (BStU)

De socialistische solidariteit onder druk

Aan het eind van de jaren zeventig begon de relatie tussen Irak en de DDR te verslechteren. Vanuit Bagdad bleven de verzoeken om hulp, advies en assistentie binnenkomen.[23] In deze jaren vroegen de Iraakse liaisons Oost-Berlijn om meer kennis en middelen bij het bestrijden van misdaden tegen de staat, het uitvoeren en onderkennen van contraspionage, en het gebruik van technologie zoals radioverkenning (reconnaissance).[24] De DDR gaf echter veel vaker een negatief antwoord.[25] De belangrijkste reden hiervoor was de machtsovername door Saddam Hoessein in 1979. Zijn aantreden als president van Irak had de Stasi niet verwacht; Oost-Berlijn dacht dat generaal Ammash de nieuwe president zou worden.[26] Met Saddam als leider sloeg het Iraakse regime een nieuwe richting in; communisten werden steeds vaker vervolgd en de Ba’athpartij begon afstand te nemen van het socialisme. Saddam Hoessein zag het communisme als een groot gevaar, omdat steeds meer jongeren en intellectuelen zich ertoe aangetrokken voelden.[27] Dat was voor de toekomst van het Ba’athisme – een Arabische vorm van socialisme die steeds meer een vorm van nationalisme werd - niet gunstig. De nieuwe generatie zou immers niet naar Bagdad, maar naar Moskou blijven kijken voor inspiratie. Tegen de achtergrond van die groeiende aantrekkingskracht van het internationale communisme op jongeren, besloot Hoessein meer samen te werken met buurlanden Saudi-Arabië en Jordanië – landen die in de ogen van Moskou en Oost-Berlijn ronduit imperialistisch, kapitalistisch en vooral pro-westers waren. De drie landen begonnen gezamenlijk jonge communisten op te sporen en te vervolgen.[28] Deze toenemende anticommunistische houding deed het enthousiasme in de DDR en bij de Stasi voor een uitwisseling met Ba’athofficieren zienderogen afnemen.

Irak haalde in de jaren tachtig ook de banden aan met Turkije, Marokko en de Verenigde Arabische Emiraten.[29] Voor de DDR was toen wel duidelijk dat het land niét de progressief socialistische staat was die het had voorgegeven te zijn rond 1970. Toen Irak op het gebied van technologische ontwikkelingen relaties probeerde op te bouwen met de Verenigde Staten, Frankrijk, de BRD en Japan, ontstond er ook een veiligheidsrisico voor de DDR.[30] Wie weet waar de Oost-Duitse kennis, expertise en apparaten via Bagdad terecht zouden komen. De Iraakse pogingen van twee walletjes te eten in het professionaliseren van het veiligheidsapparaat namen vanaf september 1980 verder toe door de oorlog met Iran. Bagdad had alle bondgenoten, partners en knowhow hard nodig. In de eerste twee oorlogsjaren weigerde het Oostblok om aan wie dan ook wapens te leveren, om conflictescalatie te voorkomen en een einde van de oorlog af te dwingen. Met de oorlog in Afghanistan had Moskou immers al genoeg te stellen aan de zuidgrenzen. Daardoor zocht Bagdad nog meer toenadering tot de Verenigde Staten en verwaterden de contacten met de DDR verder.[31]

Toch stokte de uitwisseling tussen Irak en de DDR niet helemaal. Er was één domein waarop beide landen elkaar blijvend vonden, de ontwikkeling van chemische wapens. In 1985 tekenden Bagdad en Oost-Berlijn een nieuwe overeenkomst voor jaarlijkse trainingssessies, bedoeld voor Iraakse veiligheidsofficieren die door experts van de Nationale Volksarmee zouden worden opgeleid en getraind in het ontwikkelen en gebruiken van chemische wapenfaciliteiten. Helaas zijn hierover weinig details bekend.[32]

Kortom, de liefde bekoelde danig, maar er bleven nog steeds enkele gedeelde belangen en uitwisselingsgronden. Ondanks de afbouw van de inlichtingenrelatie in de jaren tachtig, bleef de Stasi trainingen, opleidingen en expertise aan officieren van de Ba’ath aanbieden. Talloze Iraakse officieren profiteerden daar vanaf 1970 van. Zij werden geschoold in het opbouwen, consolideren en bedienen van een ideologisch onderdrukkingsapparaat, een inlichtingenstaat met de daarbij behorende (chemische) wapens en technieken. Dezelfde officieren maakten na de val van het Iraakse regime in 2003 opnieuw een regimechange mee en werden weer ingezet bij het opbouwen en reorganiseren van het veiligheidsapparaat - dit keer niet voor een statelijke maar voor een niet-statelijke, terroristische organisatie.

Saddam’s kolonels en de oprichting van de Islamitische Staat

De Ba’athpartij had net als de Stasi een net van invloed en controle over de samenleving geworpen. In een wereld van angst en bedrog konden burgers vrij gemakkelijk als informant worden geworven en tegen elkaar worden opgezet. Net als in de DDR konden buren elkaar in Irak niet vertrouwen, verraadden kinderen hun ouders en keerden broers zich tegen zussen.[33] De Ba’athpartij indoctrineerde de jeugd, controleerde onderwijs en werkvloer en infiltreerde niet-statelijke organisaties (zoals religieuze instanties en maatschappelijke organisaties). Het zijn  essentiële kenmerken van een inlichtingenstaat.[34] Het is zeer waarschijnlijk dat Iraakse inlichtingenofficieren van de Stasi leerden hoe zij de technieken van PID & PUT konden gebruiken om burgers te monitoren en te onderdrukken. Die binnenlandse opzet van het Iraakse veiligheidsapparaat lijkt zo veel op dat van de Stasi, dat hier tenminste van een tweede niveau van beïnvloeding gesproken kan worden.  

Paul Bremer

De speciale VS-gezant voor Irak Paul Bremer (m.) begon in 2003 met de deba’athificatie van de Iraakse politiek en het ontslag van alle voormalige onder Saddam Hoessein dienende militairen. Foto US Army, D. Myles Cullen

In 2003 maakte de Amerikaanse inval een einde aan het Irak van Saddam Hoessein. President George W. Bush’s speciale gezant Lewis Paul Bremer werd benoemd tot hoofd van de Voorlopige Regering. Zijn Order No. 1 was het uitvaardigen van de Wet op de deba´athificatie. Die wet was geënt op de denazificatiepraktijken van na 1945 en voorzag in het ontslag en de zuivering van alle Irakezen die gediend hadden in een van de top vier-lagen van de Ba’athpartij of die gewerkt hadden in een van de top drie-lagen van de overheid. Zij werden uitgesloten van alle functies binnen de nieuwe regering, nationaal en lokaal. De wet regelde verder dat álle Iraakse militairen werden ontslagen. Dat leverde 400.000 ontslagen en verongelijkte militairen op – zonder functie, zonder uitzicht op een nieuwe baan, en vooral; zonder pensioen.[35]

De deba´athificatie is door veel politicologen en historici aangewezen als een van de grootste veroorzakers van de soennitische opstand die in 2003 begon.  Duizenden ontslagen Ba’athofficieren sloten zich aan bij rebellengroepen, onder meer bij het agressief optredende al-Qaeda in Irak (AQI). Deze organisatie, die wel als één van de voorlopers van IS wordt gezien, werd geleid door de Jordaanse terrorist Abu Musab al-Zarqawi. Hij koesterde aanvankelijk veel achterdocht jegens de seculiere Ba’ath-officieren. De Ba’athpartij was voor hem teveel op een persoonlijkheidscultus rondom Saddam Hoessein gebouwd, ook al had Hoessein vanaf de jaren negentig de deuren van de partij ook voor salafisten opengezet.[36] Pas toen Abū Bakr al-Baghdadi het leiderschap van AQI overnam in 2010, begon de organisatie op grote schaal voormalige Ba’ath-officieren te rekruteren.[37] Een van deze Iraakse officieren was Haji Bakr, de man die bekend staat als ‘de architect van de Islamitische Staat.’

Haji Bakr

Het succes van IS kan met name toegeschreven worden aan haar mysterieuze inlichtingenapparaat, de Emni. De weinige informatie die we hierover hebben is afkomstig van de blueprints van Haji Bakr. Hij was als officier gestationeerd op de vliegbasis van Habbaniya, waar hij werkte voor de geheime dienst van de luchtafweerdivisie. Nadat hij in het kader van de deba’athificatie in 2003 werd ontslagen, sloot hij zich aan bij de terroristische groepering van al-Zarqawi in de provincie Anbar in het westen van Irak. Bakr klom op tot één van de leiders van de soennitische opstand en moest dat bekopen met gevangenisstraffen in Camp Bucca en in de beruchte Abu Ghraib-gevangenis (2006-2008).[38]

Ook in de gevangenis zat Bakr niet stil. In Camp Bucca bracht hij jihadisten en voormalige Ba’athofficieren bijeen. Voor de jihadisten was de militaire- en inlichtingenkennis van de voormalige officieren noodzakelijk voor het professionaliseren van hun rebellenbende. Voor de officieren was het religieuze fanatisme van de jihadisten een façade voor het verwezenlijken van hun eigenlijke doel: de macht in Irak terugkrijgen. De terroristische groepering van al-Zarqawi, waarbij Bakr zich had aangesloten, was na een aantal transformaties en naamsveranderingen uitgegroeid tot ISI, de Islamitische Staat in Iraq. In 2012 begon de groep uit te breiden en een aantal leden, waaronder Bakr, reisden naar Syrië. In Tall Rifat, ten noorden van Aleppo, ontwierp Bakr, ook wel Lord of the Shadows genoemd, de structuur van de Islamitische Staat. En hij bereidde er de oprichting van de Emni voor, de geheime dienst van IS.[39]

IS als Inlichtingenstaat

Toen de nieuwe leider van de Islamitische Staat Irak en islamitische geleerde Abū Bakr al-Baghdadi (in 1971 geboren als Ibrahim Awad Ibrahim al-Badri) in juni 2014 het kalifaat uitriep, transformeerde hij de ISI van een rebellenbende in een proto-staat, uitgerust met sterk gemotiveerde en meedogenloze strijders. Het kalifaat had een doordachte en sterke organisatorische structuur, onder meer dankzij Bakr. Uit documenten blijkt dat er onder de kalifaat-leiders veel voormalige Ba’athofficieren waren. Helaas zijn er nog geen bewijzen dat Bakr ook in Oost-Berlijn was getraind. Van andere kolonels van al-Baghdadi weten we dat evenmin. Maar uit hun aantekeningen en organisatorische overwegingen voor het kalifaat blijkt dat ze grondig hadden nagedacht over de opzet van een repressie- en inlichtingenapparaat. Hier kunnen we dus al van een eerste niveau van beïnvloeding spreken, en wellicht ook van een klein percentage tweede niveau.

Naast normale taken en departementen die voor elke staatsvorm noodzakelijk zijn (onderwijs, scholing, openbare werken, etc.), kende het kalifaat van meet af aan een parallelle structuur: het veiligheidsapparaat, dat door alle geledingen van het kalifaat liep.[40] Naast de normale strijdkrachten en uitvoerders van het kalifaat waren elite-eenheden opgericht en extra commandanten aangesteld. Zij opereerden parallel aan de formele militaire leiders. Belangrijke beslissingen werden binnen het kalifaat genomen door de Shuraraad, het formeel hoogste uitvoerende orgaan, maar ook door zogeheten mensen die losmaken en binden (ahl al-hall wa’l-‘aqd).[41] Zij waren in dienst van de Emni. Deze aspecten, in het bijzonder de volledige en geplande doordringing van alle centrale sociale en administratieve instituties door de inlichtingen- en veiligheidsdienst, weerspiegelen de inrichting van de inlichtingenstaat in Irak en de DDR.

Abū Bakr al-Baghdadi riep in juni 2014 het kalifaat uit. Foto US Army

Afgeleid van het Arabische woord voor vergaarde inlichtingen (emniyyah), is de Emni verantwoordelijk voor het verzamelen van binnenlandse en buitenlandse inlichtingen. De Emni is in het Westen vooral bekend als de organisatie die verantwoordelijk was voor het plannen van aanslagen wereldwijd. Het laatst bekende hoofdkwartier stond in de Syrische stad al-Bab, en het laatst bekende hoofd was IS-woordvoerder Abu Mohammad al-Adnani, die in augustus 2016 gedood werd bij een Amerikaanse droneaanval.[42] Maar de Emni was net zo cruciaal voor het handhaven van het inlichtingen- en veiligheidsapparaat binnen het kalifaat. Alle bureaucratische instanties in de Islamitische Staat, zoals Shari’ā en de rechtbanken, en de vele gedragsregels, stonden in dienst van één doel: het mogelijk maken van een totalitaire surveillance en controle over de eigen onderdanen.[43] De Emni had per dorp en plaats, en in de grote steden per wijk, eigen informanten en officieren. Zij rapporteerden aan het hoofdkwartier of gewone onderdanen én kalifaatbestuurders zich aan de regels hielden. Net als in de DDR en Irak, binnen de Stasi en de Ba’athpartij, waren er speciale eenheden die de eigen dienst weer controleerden en verraders en vijanden er zo snel mogelijk uit filterden.[44] Het is dus zaak om voor de opbouw van al-Baghdadi’s veiligheidsapparaat niet alleen naar de invloed van al-Qaeda te kijken. Onder Bin Laden en al-Zarqawi was er immers geen extreem georganiseerde intelligence en contra-intelligencepoot opgezet. Haji Bakr had de nieuwe intelligenceorganisatie opgezet en ingericht en die deed veel eerder denken aan de communistische veiligheidsdiensten.[45]

Binnen het kalifaat speelde de Emni een even grote rol als de inlichtingsdiensten van Oost-Duitsland en Irak. De Emni was niet alleen een geheime dienst, maar ook een bestuurlijke autoriteit. In de situatie van oorlog, chaos en volslagen meedogenloosheid en willekeur ontaardde het werk van de dienst daarnaast al snel in primitief beulswerk. Dat maakt een vergelijking met de lang bestaande organisaties in vredestijd zo precair; de Stasi bestond tenslotte zo’n veertig jaar, net als de Ba’athpartij en de Mukhabarat. Tegelijkertijd zien we hier terug welke rol een goed georganiseerde professionele inlichtingen- en veiligheidsdienst die door geen enkele beperking wordt geremd, kan spelen als hij er alléén op gericht is de macht te dienen. Om te begrijpen waarom het kalifaat zoveel trekken van een inlichtingenstaat vertoonde, en daarmee bijzonder veel waarde hechtte aan binnenlandse en buitenlandse controle en inlichtingenverzameling, moeten we niet alleen naar de ideologie van het kalifaat kijken, maar ook begrijpen hoe cruciaal de Emni als kernstructuur is geweest. Emni-officieren legden uitgebreide databases aan met gevoelige en compromitterende feiten over personen en gegevens over schulden, eigendom en relaties die vervolgens genadeloos tegen de inwoners van het kalifaat werden ingezet. Ze hielden eigen agenten doorlopend in de gaten, onderwierpen hen aan continue drills en controles, en onderhielden een wijdvertakt netwerk met buitenlandse contacten en agenten.

Was de Emni een soort Stasi?

Voordat we conclusies over de vormen en mate van beïnvloeding kunnen trekken, nog kort een uitwerking van de vergelijking tussen de Stasi, de Iraakse Inlichtingen Service (IIS), en de Emni. Wat als eerste opvalt is dat, anders dan in veel andere landen en proto-statelijke organisaties, de Emni verschillende veiligheidstaken in één dienst combineerde: binnenlandse veiligheid en inlichtingenverzameling, buitenlandse spionage, opsporingsdienst en religieuze politie. Dit is een typisch kenmerk van communistische inlichtingen- en veiligheidsdiensten; dikwijls werden die in één ministerie of in één apparaat ondergebracht. De medewerkers hadden militaire rangen en rapporteerden niet aan een minister maar direct aan de hoogste leider, de president. Dat was zo in Irak onder Saddam Hoessein en in het kalifaat van al-Baghdadi. Omdat we niet met bronnen kunnen aantonen dat Emni-officieren hun ideeën in de DDR hadden opgedaan, zien we dit als een beïnvloeding van het type niveau twee.  

Haji Bakr, oud-officier in het leger van Saddam Hoessein en de architect van de Emni, de geheime dienst van IS

Ook valt op dat de Emni er als een geheime politie binnen enkele maanden in slaagde om met strategisch verzamelde informatie en dossiers een samenleving te creëren gebaseerd op verraad, angst en paranoia. De Emni was de ijzeren ruggengraat die door de hele samenleving heen de macht van het kalifaat intact hield – de kern van de inlichtingenstaat. Regionale veiligheidsemirs werden aangesteld en in hun district verantwoordelijk gemaakt voor de surveillance via bepaalde afgevaardigden. Zij fungeerden als eyes and ears on the ground en sprokkelden directe en concrete informatie bijeen over alles wat in het gebied relevant kon zijn. Op lokaal niveau stonden zogeheten inlichtingen- en informatiemanagers aan het hoofd van een spionagecel. Per dorp konden meerdere spionagecellen actief zijn, die allemaal aan de afgevaardigde van de veiligheidsemir rapporteerden. De Emni had het kortom zo georganiseerd dat everyone was keeping an eye on everyone else – hét kenmerk van spionagestaten, zoals de DDR en Saddams Irak.[46]

Uit interviews met overlopers is gebleken dat, net als in Irak en de DDR, veel inwoners van het kalifaat bang waren dat zij door hun familieleden werden bespioneerd. Ouders vreesden zelfs dat hun kinderen van zes of zeven jaar oud door de Emni als informant tegen hen waren ingezet.[47] Die methode is een echo van het Irak van Saddam Hoessein, maar lijkt ook op die van de Stasi die duizenden Inoffizielle Mitarbeiter had gerecruteerd. Deze staat van paranoia, waarin het er niet meer op aankwam of familie wel of niet voor de Emni werkte, maar waarin men zich bij voorbaat uit angst voor verraad schikte naar het regime, was precies wat de machthebbers wilden. We kunnen opnieuw dus spreken van een invloed op tenminste het tweede niveau. We kunnen ook hier geen concrete bewijsstukken aanvoeren die de implementatie van Stasimethoden onderbouwen. Maar het is waarschijnlijk dat de Ba’athofficieren de lessen van de Stasi in het kalifaat hebben geïmplementeerd. Net als de Oost-Duitse afluister-, volg- en andere operationele technieken.

Volgens overlopers maakte IS, net als de Stasi, gebruik van familieleden en mogelijk zelfs jonge kinderen om een fijnmazig spionagenetwerk op te bouwen in het kalifaat. Foto VN Photo, S. Rababah

Conclusie

Tussen 1950 en 1990 stond de Stasi in de DDR aan het hoofd van een politiestaat waar de indruk van alomtegenwoordige surveillance de norm was en mensen elkaar wantrouwden. Jaren later, en duizenden kilometers verderop, riep een terroristische groepering die zichzelf Islamitische Staat noemde, een islamitisch kalifaat uit. Daar werd een totalitair regime gecreëerd dat in vorm en inrichting van bestuur en administratie sterk deed denken aan de Oost-Duitse inlichtingenstaat of het Irak van Saddam Hoessein.

We hebben getracht te onderzoeken in hoeverre er gelijkenissen bestonden tussen de activiteiten van de Stasi en die van IS en of er sprake is geweest van directe of indirecte beïnvloeding via de Iraakse Ba’athpartij. Zoals gezegd is het trekken van conclusies bij gebrek aan flankerende informatie een zeer hachelijke onderneming. Onze bevindingen zijn dan ook vooral verkennend in de hoop dat de komende tijd meer bronnen beschikbaar komen en meer onderzoek mogelijk is. Onze observaties zijn vooral exploratief en zijn zeker niet een definitieve en uitputtende analyse. 

Drie belangrijke overeenkomsten kunnen genoemd worden met betrekking tot de Stasi, de Ba’ath en de Emni. Ten eerste is het opmerkelijk dat zowel de Stasi, een deel van de geheime diensten van de Ba’ath en de Emni binnenlandse veiligheid met buitenlandse spionage verenigden in één dienst. Ten tweede hebben in alle drie de samenlevingen de inlichtingendiensten een staat van paranoïde surveillance gecreëerd, gebaseerd op een zeer zorgvuldig en centraal opgezet netwerk van controle en rapportages, waarbij de eigen medewerkers ook elkaar dienden te spioneren. Anders dan andere terroristische organisaties, lijkt het kalifaat veel aandacht en energie te hebben besteed aan het verzamelen van informatie, het opzetten van databases en dossiers over de eigen medewerkers en eigen bewoners, met als doel die surveillance welhaast naadloos te kunnen uitvoeren – of in ieder geval die indruk te wekken. Ten derde onderhield het kalifaat met de Emni ook een zeer proactieve, goed geoutilleerde en technologisch hoogstaande buitenlandse inlichtingen- en operatiedienst. Ook de DDR en de Sovjet-Unie investeerden flink in operaties in het buitenland, met behulp van eigen wapentechnologie, pr-materiaal en beïnvloedingstactieken. De Sovjet-Unie probeerde dit in de jaren zeventig en tachtig via vredesbewegingen en sympathisanten in het Westen. De Emni via sociale media en runners die actief nieuwe terroristen moesten werven. Wij spreken dan ook van een type beïnvloeding van het tweede niveau, dus een aantoonbare matige en indirecte invloed. Om medium en directe invloed te kunnen aantonen, zijn meer gegevens, namen en expliciete verwijzingen naar policy transfer nodig. Die zijn (nog) niet aangetroffen.

Het grote verschil tussen de opbouw van het veiligheidsapparaat van het kalifaat en dat in de DDR en Irak is uiteraard de relatieve stabiliteit in laatstgenoemde landen. De regimes bestonden veertig jaar waarin de DDR nooit en Irak in de jaren tachtig een aantal jaren oorlog kende. Het kalifaat kende slechts een korte periode waarin het uitrollen en opbouwen van een enigszins efficiënt staatsapparaat mogelijk was. Daarna leidden oorlog en doorlopende bombardementen tot een grote chaos en kon de Emni minder centralistisch en effectief opereren. Toekomstig onderzoek zou er op gericht moeten zijn de rol van de Emni, de namen van medewerkers en de wijze van organisatie en inlichtingenvergaring verder in kaart te brengen. Ook zou de continuïteit tussen Ba’athpartij en kalifaat verder moeten worden uitgewerkt. Hoe groot was het percentage Ba’athofficieren dat op hoge plaatsen in het kalifaat terecht kwam? Hoe was hun verhouding tot al-Baghdadi – was hij hun leider of was hij niet meer dan een marionet en was het jihadisme vooral een façade voor de woede van de ontslagen Iraakse officieren die hun macht en privileges kwijt waren? Om echt te kunnen bepalen in hoeverre het kalifaat een veiligheidsstaat was en hoe die zich verhield tot de jihadistische ideologie, is eerst en vooral meer empirisch materiaal nodig.

 

* Prof. dr. B.A. de Graaf is hoogleraar Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht. S.H. Pothoven MA is afgestudeerd aan de Universiteit Utrecht en momenteel beleidsmedewerker op de bestuursstaf van het ministerie van Defensie.

[1] Zie bijvoorbeeld Lutz Maeke, DDR und PLO. Die Palästinapolitik des SED-Staates (Oldenbourg, De Gruyter, 2017); Hermann Wentker, Aussenpolitik in engen Grenzen. Die DDR im internationalen System, 1949-1989 (München, Oldenbourg Verlag, 2007).

[2] Zie ook Craig Whiteside, ‘A Pedigree of Terror. The Myth of the Ba’athist Influence in the Islamic State Movement’, Perspectives on Terrorism, 11 (2017) 3.

[3] De DDR gold als inlichtingenstaat net als Saddams Irak. Zie voor het begrip inlichtingenstaat bijvoorbeeld:  William W. Keller, The Liberals and J. Edgar Hoover. Rise and Fall of a Domestic Intelligence State (Princeton, Princeton University Press, 2014) hoofdstuk 5.

[4] De Emni was/is verantwoordelijk voor het verzamelen van inlichtingen binnen en buiten de IS, alsmede voor het plannen en uitvoeren van buitenlandse operaties. Zie ook Anne Speckhard en Ahmet S. Yayla, The ISIS Emni: The Inner Workings and Origins of ISIS’s Intelligence Apparatus. Research report, (International Center for the Study of Violent Extremism, December 2016).

[5] Mark Evans en Jonathan Davies, ‘Understanding Policy Transfer. A Multi-level, Multi-disciplinary Perspective’, Public administration, 77 (2002) 2: 361.

[6] Virginie Mamadouh, Martin de Jong en Konstantinos Lalenis, ‘An introduction to institutional transplantation’, in: idem (red.), The Theory and Practice of Institutional Transplantation (Dordrecht, Springer, 2002) 3.

[7] Idem.

[8] Jens Gieseke, Die DDR Staatssicherheit: Schild und Schwert der Partei. (Bonn, Bundeszentrale für Politische Bildung, 2000) 12.

[9] Zie over de slachtoffers van de Stasi: Beatrice de Graaf, ‘Slachtoffers van de Stasi of van de Stasi-archieven? Het debat over de nalatenschap van de Oost-Duitse geheime dienst, 1990-2005’, in: Patrick Dassen en Ton Nijhuis (red.), Duitsers als slachtoffers. Het einde van een taboe (Amsterdam, Mets & Schilt, 2007) 431-463. Zie over de toename van buitenlandse contacten van de DDR én van de Stasi: idem, Over de Muur. De DDR, de Nederlandse kerken en de vredesbeweging (Amsterdam: Boom, 2004).

[10] Jens Gieseke, ‘Deutsche Demokratische Republik. Organisation und Struktur,’ in: Łukasz Kamińsi e.a. (red.), Handbuch der Kommunistischen Geheimdienste in Osteuropa 1944-1991 (Göttingen, Vandenhoeck & Ruprecht, 2009), 225; Thomas Auerbach e.a., Hauptabteilung XX: Staatsapparat, Blockparteien, Kirchen, Kultur, »politischer Untergrund« (Berlijn, BStU, 2008), 20; Helmut Müller-Enbergs, Hauptverwaltung A (HV A): Aufgaben -Strukturen –Quellen (Berlijn, BStU, 2011); Hubertus Knabe, West-Arbeit des MfS. Das Zusammenspiel von „Aufklärung“ und „Abwehr“ (Berlijn, Ch. Links Verlag, 1999).

[11] Christopher Andrew en Vasili Mitrokhin, The World Was Going Our Way: The KGB and the Battle for the Third World. (New York, Basic Books, 2005) 141.

[12] Joseph Sassoon, ‘The East German Ministry for State Security and Iraq, 1967-1989’, Journal of Cold War Studies, 16 (Harvard, 2014) 1:5.

[13] Hauptverwaltung A (HV A), Departement III/C, ‘Voorstel voor Maatregelen voor Steun aan de Staatsveiligheid van de Iraakse Republiek door de DDR’, 19 juni 1969. BStU, ZA, SdM 1060; Zie ook Madlen Schäfer, Die Zusammenarbeit der Geheimdienste der DDR und Syriens in den 1970er und 1980er Jahren (Maagdenburg, BA-scriptie, 2011).

[14] MfS, ‘Brief van Otto Winzer aan kameraad kolonel-generaal Erich Mielke’, 16 juni 1969. BStU, Zentralarchiv (ZA), Sekretariat des Ministers (SdM) 1060.  

[15] Het is mogelijk dat al-Ani eigenlijk Nadhim Kazzar is, het hoofd van het Directoraat voor Algemene Veiligheid (al-Amn al-‘Amm). Aangezien alleen de Iraakse overheid wist van zijn bezoek en niet de Iraakse ambassade in Berlijn, kan er een schuilnaam zijn gebruikt. Ook kan het gaan om Ahmad Khalil Ibrahim Samir al-Ani, een Iraakse diplomaat en mogelijk geheim agent, die een spion was in Praag en in 2003 werd gearresteerd door de Amerikanen.

[16] Verslag van een bijeenkomst tussen generaal al-Ani en kolonel Wagner op 15 september 1969, Berlijn, MfS, Dept. III/C/3408, 18 september 1969. BStU, ZA, SdM 1465.

[17] ‘Voorstel voor de ontvangst van de minister van Binnenlandse Zaken van de Iraakse Republiek door kameraad kolonel-generaal Mielke’, Berlijn, 8 oktober 1969. BStU, ZA, SdM 1465.

[18] Verslag van een bijeenkomst tussen Generaal al-Ani en Kolonel Wagner op 15 september 1969, Berlijn, MfS, Dept. III/C/3408, 18 september 1969. BStU, ZA, SdM 1465.

[19] Hoewel de Istikhbarat niet bij naam genoemd wordt in de Stasi-documenten, komt al-Ani’s beschrijving van de structuur en taken van de organisatie die hij wenst te veranderen, zodanig overeen met die van de Istikhbarat, dat het zeer waarschijnlijk is dat het hier om dezelfde organisatie gaat. Zie ook de dossiers hierboven vermeld, BstU, ZA, SdM 1465.

[20] Kanan Makiya, Republic of Fear: The Politics of Modern Iraq (Berkeley, University of California Press, 1998) 15.

[21] Joseph Sassoon, Saddam Hussein’s Ba’ath Party: Inside an Authoritarian Regime (Cambridge, Cambridge University Press, 2011) 96.

[22] Zie o.a. Makiya, Republic of Fear, xi; Sassoon, ‘The East German Ministry for State Security and Iraq’, 7.

[23] Idem, 17.

[24] MfS, HV A Dept. III, ‘Relaties tussen de MfS van de DDR met inlichtingenorganen van de Iraakse Republiek’, Berlijn, 27 februari 1986. BStU, ZA, Abteilung X 104.

[25] MfS, HV A Dept. III, ‘Standpunt met betrekking tot het Iraakse Verzoek’, Berlijn, 28 Februari 1985. BStU, ZA, Abt. X 104.

[26] MfS, HV A Dept. III/C, ‘Informatie over generaal Salih Mahdi Ammash, vice-president en minister van Binnenlandse Zaken van de Iraakse Republiek’, Berlijn, 8 oktober 1969. BStU, ZA, SdM 1465.

[27] Sassoon, ‘The East German Ministry for State Security and Iraq’, 9.

[28] MfS, HV A III/711, Memorandum, 16 oktober 1980. BStU, ZA, HA II 17923.

[29] Sassoon, ‘The East German Ministry for State Security and Iraq’, 12.

[30] MfS, ‘Rapport over het veiligheids- en defensieregime in de Iraakse Republiek’, OU., 22 augustus 1987. BStU, ZA, HA I 13758; Sassoon, ‘The East German Ministry for State Security and Iraq’, 15.

[31] Sassoon, ‘The East German Ministry for State Security and Iraq’, 14. Zie ook: Bryan R. Gibson, Covert Relationship: American Foreign Policy, Intelligence, and the Iran-Iraq War, 1980-1988 (Santa Barbara, ABC-CLIO, 2010); Adam Tarock, The Superpowers’ Involvement in the Iran-Iraq War (Commack/New York, Nova Publishers, 1998).

[32] MfS, ‘Informatie over het geplande Bezoek van een delegatie van het departement van Chemische Dienstverlening van de MfNV in de Iraakse Republiek’, Berlijn, 27 september 1985. BStU, ZA, HA I 13558.

[33] Makiya, Republic of Fear, xi.

[34] Sassoon, ‘The East German Ministry for State Security and Iraq’, 23.

[35] James P. Pfiffner, ‘US Blunders in Iraq: De-Baathification and Disbanding the Army’, Intelligence and National Security, 25 (2010) 1: 76; Liz Sly, ‘The Hidden Hand behind the Islamic State Militants? Saddam Hussein’s’, Washington Post, 4 april 2015.

[36] Sly, ‘The Hidden Hand’, Washington Post, 4 april 2015.

[37] Idem.

[38] Christoph Reuter, ‘Secret Files Reveal the Structure of the Islamic State’, Der Spiegel Online, 18 april 2015.

[39] Idem.

[40] Anne Speckhard en Ahmet S. Yayla, ‘The ISIS Emni: The Inner Workings and Origins of ISIS’s Intelligence Apparatus’, Perspectives on Terrorism 11 (2017) 1: 1-16, hier: 5.

[41] Reuter, ‘Secret Files’.

[42] Speckhard en Yayla, ‘The ISIS Emni: The Inner Workings and Origins of ISIS’s Intelligence Apparatus’, 5.

[43] Reuter, ‘Secret Files’.

[44] Rukmini Callimachi, ‘How a Secretive Branch of ISIS Built a Global Network of Killers’, New York Times, 3 augustus 2016.

[45] Vgl. Hier Whiteside, ‘A Pedigree of Terror’ die sterk op al-Quada focust en de Ba’ath-invloed onvoldoende meeneemt.

[46] Reuter, ‘Secret Files’.

[47] Speckhard en Yayla, ‘The ISIS Emni’, 3.