Het ‘dikke buiken-bataljon’

De verbeelding van de (contra)revolutie in Nederland

Hoe ging men in het begin van de twintigste eeuw om met angst voor andersdenkenden? En hoe werd die angst in woord en beeld vormgegeven? Als reactie op de revolutiedreiging werden in november 1918 contrarevolutionaire burgerwachten en de Bijzondere Vrijwillige Landstorm (BVL) opgericht. Deze hadden echter in de jaren die volgden een weinig actief bestaan. Dit artikel zoekt een antwoord op de vraag hoe zowel deze contrarevolutionaire groeperingen als de revolutionaire socialisten tegen wie zij in het geweer kwamen zich de revolutiedreiging van november 1918 herinnerden. Beide kampen deden hun best om de revolutiedreiging en de eigen betrokkenheid - gebruikmakend van dezelfde symbolisch beladen beelden en iconen - grootser voor te stellen dan ze werkelijk waren.  

W.F.J. Linmans MA*

De Eerste Wereldoorlog eindigde in Duitsland in november 1918 in een revolutie. Muitende matrozen, soldaten en zich solidair verklarende (socialistische) arbeiders trokken in grote drommen en gewapend met rode vlaggen door de straten van steden als Düsseldorf, Halle, Leipzig, Oldenburg en Braunschweig, en later Berlijn.[1] Heel even zag het ernaar uit dat dit revolutionaire vuur in de tweede week van november naar Nederland zou overslaan.

‘Rode week’

Nederland beleefde zijn eigen ‘rode week’. Bevangen door de gebeurtenissen in Duitsland verkondigde SDAP-politicus Pieter Jelles Troelstra op 12 november in de Tweede Kamer dat de revolutie ook in Nederland aanstaande was. Een dag later trokken zo’n drieduizend Amsterdamse revolutionairen, vergezeld van nog eens zeshonderd revolutionairgezinde soldaten, in een demonstratie door de Sarphatistraat. Daar brak voor de ingang van de Cavaleriekazerne een schietpartij uit tussen een aantal anarchisten en in de kazerne gelegerde troepen, die zich in tegenstelling tot enkele geruchten van eerder die dag niet solidair verklaarden met de revolutionairen. Vier revolutionairen lieten het leven en enkele anderen raakten (licht) gewond; bij de Oranje Nassau-kazerne even verderop kon een tweede schietpartij worden voorkomen. De gebeurtenissen in de Sarphatistraat vormden zowel het hoogtepunt als het vroegtijdige einde van de revolutionaire stemming in Nederland. Troelstra krabbelde haastig terug. Tot een daadwerkelijke gewelddadige revolutie en burgeroorlogachtige taferelen, zoals die in de navolgende jaren in Duitsland plaatsvonden, zou het in Nederland niet komen. De contrarevolutionaire en antisocialistische burgerwachten en Bijzondere Vrijwillige Landstorm (BVL) die in november 1918 werden opgericht, hadden in de jaren daarna een weinig actief bestaan.[2]

Opzet artikel

Dit artikel onderzoekt hoe deze contrarevolutionaire groepen zich de revolutiedreiging van november 1918 herinnerden. Zoals gezegd is die vraag met name interessant omdat zij inzicht verschaft in de manier waarop men in het begin van de twintigste eeuw omging met angst voor andersdenkenden en hoe die angst in woord en beeld werd vormgegeven. Die uitingen zijn tegelijkertijd uitdrukkingen van een waargenomen dreiging en pogingen om het bestaan van de eigen organisatie, groep of beweging te legitimeren. We zullen zien dat de contrarevolutionaire groeperingen poogden de socialistische dreiging en hun eigen (bescheiden) betrokkenheid in het bezweren daarvan te vergroten. Ook de tegenpartij wordt aan het woord gelaten aan de hand van de vraag hoe Nederlandse socialisten en communisten op hun beurt de rol van deze contrarevolutionaire troepen beschreven. Voor de antwoorden op deze vragen is geput uit periodieken van burgerwacht en Landstorm, landelijke dagbladen zoals het communistische De Tribune en (satirische) weekbladen zoals het sociaaldemocratische De Notenkraker. Daarnaast is gebruik gemaakt van verschillende brochures die gedurende het interbellum zijn verschenen.

Een heuse ‘burgerwacht-epidemie’

Op dinsdag 12 en woensdag 13 november 1918 nam de Nederlandse regering zichtbare maatregelen tegen de revolutiedreiging. Betrouwbare troepen kregen opdracht om in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam regeringsgebouwen en andere belangrijke punten te beschermen. Daarnaast riep de overheid gemeenten op om burgerwachten te formeren: op zichzelf staande plaatselijke verenigingen van gewapende burgers die ter beschikking stonden van de burgemeester. In de maanden en jaren die volgden schoten de burgerwachten overal in Nederland als paddenstoelen uit de grond. Volgens een schatting van het Ministerie van Oorlog beschikten in mei 1919 niet minder dan 661 Nederlandse gemeentes over een eigen burgerwacht. Volgens Troelstra zou er sprake zijn van een heuse ‘burgerwacht-epidemie’. Voorts werd de Vrijwillige Landstorm, die gedurende de Eerste Wereldoorlog gold als reserve voor het Nederlandse leger, uitgebreid met een Bijzondere Vrijwillige Landstorm. Deze nieuwe tak van de Vrijwillige Landstorm kreeg na november 1918 de expliciete opdracht om in tijden van oorlog, oproer, revolutiedreiging of andere bijzondere omstandigheden een betrouwbare gewapende macht te leveren. Na de mislukte revolutiepoging van november 1918 werd de Landstorm in rap tempo uitgebreid, verdeeld in provinciale, gewestelijke en korpsverbanden, en in mei 1919 onder de centrale leiding gesteld van een Nationale Landstormcommissie. Het aantal vrijwilligers was in nog geen jaar tijd van 16.181 in maart 1919 gestegen tot maar liefst 41.983 in januari 1920.[3]

De periodieken die de BVL en de verschillende burgerwachten onder hun leden verspreidden, bieden een interessant beeld van hoe zij zichzelf en hun organisatie graag zagen. De burgerwacht beschreef zichzelf als ‘een lichaam van beteekenis waaraan het gezag in geval van nood een krachtige steun zou hebben’ en haar leden als ‘jonge kerels van karakter, die als mannen uit één stuk kleur durven bekennen’.[4] Op vergelijkbare wijze gaf de Bijzondere Vrijwillige Landstorm zich het liefst weer als ‘een instituut van kloeke, trouwe, onversaagde mannen die weten wat zij willen’.[5] Op die manier benadrukten beide groepen welke waarden zij vertegenwoordigden: plichtsbesef, opofferingsgezindheid, waakzaamheid, trouw en betrouwbaarheid. Het eerste nummer van De Nederlandse Burgerwachter, het orgaan van de Amsterdamse burgerwacht, zette helder uiteengezet waar het bij de Burgerwachten om ging: ‘Geen geweld van links of van rechts zal in ons vaderland ongestraft de handen kunnen steken naar de macht, om die wederrechtelijk te grijpen. Dan zullen wij, leden van de Amsterdamsche Burgerwacht, die een traditie hebben hoog te houden, dan zullen wij, zonder brallende woorden, misschien met een diep leed in ons hart, onvervaard onzen plicht doen, de tanden op elkaar klemmen, trouw tot het einde toe’.[6]

Met de traditie die moest worden ‘hoog gehouden’ verwees de auteur van het stuk naar de zeventiende-eeuwse schutterijen. Door zich te beroepen op de schutterijen poogden de twintigste-eeuwse burgerwachten hun aanzien te vergroten. Veel van de burgerwachtperiodieken maakten dan ook ruimte vrij om de eeuwenoude geschiedenis van die schutterijen uit de doeken te doen, om vervolgens de eigentijdse burgerwachten in het verlengde daarvan te plaatsen. Zo werd de voorpagina van de Haagsche Burgerwacht, dat sinds januari 1922 verscheen, gesierd door afbeeldingen van zeventiende-eeuwse schutters.

In de rode week van november 1918 verrichtten de Nederlandse burgerwachten geen grote wapenfeiten. Tot veel meer dan het bewaken van belangrijke gebouwen, zoals in Rotterdam,  waar in de novemberdagen van 1918 op de stations Beurs, Maas, Delftse Poort en Hofplein gewapende burgerwachtleden werden geposteerd, zou het niet komen. Ook de Bijzondere Vrijwillige Landstorm zond met dat doel gewapende leden naar Den Haag, Amsterdam en Rotterdam.[7] Dat de vuurmonden van de karabijnen onberoerd bleven en de bajonetten vrij van arbeidersbloed, weerhield de Amsterdamse burgerwacht er niet van om bij haar tienjarig bestaan in november 1928 de heldenmoed van ‘de mannen van 1918’ te bezingen. Je zou als lezer bijna de indruk krijgen dat de burgerwacht de revolutiedreiging eigenhandig had bezworen: ‘Hulde aan u allen, genoemde en ongenoemde prachtmakkers uit die beruchte dagen; hulde en dank voor uw offerbereidheid, voor uw moed, voor uw vastberadenheid, welke ons land toen voor een groote ramp hebben behoed’.[8]

Aandikken van de revolutiedreiging

Om hun bestaan te legitimeren en hun aanzien te vergroten deden de burgerwachten en de BVL hun best om de revolutiedreiging in Nederland groter voor te stellen dan zij in werkelijkheid was. In een lijvig gedenkboek dat werd uitgegeven ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Amsterdamse burgerwacht schreef Jhr. D.C. Granswinckel, lid van het dagelijks bestuur van de Nederlandse Bond van Vrijwillige Burgerwachten, dat het gevaar van een socialistische revolutie in 1928 veel groter was dan in 1918. Het was dus van het grootste belang dat revolutionairen van dergelijke gedachten werden weerhouden, en wel door van de burgerwachten en de BVL geduchte instituten te maken.[9]

Duitse vertellingen over gruweldaden

Zo ver als de schrijver van het Duitstalige boekwerk Kommune! uit 1934 ging, gingen de Nederlandse contrarevolutionairen niet. Dit boekwerk biedt een verzameling van vertellingen over communistische gruweldaden, onder meer over de misstanden die leden van het Rode Roerleger in maart 1920 zouden hebben begaan. Deze propagandabrochure uit rechts-radicale hoek vormt in veel opzichten een spiegelbeeld van de sadistische gruweldaden die in het revolutionaire kamp de witgardisten werden toegerekend.[10] In Essen bijvoorbeeld hadden zo’n veertig regeringsgetrouwe mannen zich met de handen in de lucht aan het Rode Leger overgegeven. Allen werden met geweerkolven tot pulp geslagen of met bajonetten neergestoken. De slachtoffers waren ‘unter so furchtbaren Mishandlungen geschlachtet worden, daß viele Augenzeugen sich geweigert haben, Einzelheiten anzugeben’. Desondanks was het de samensteller van het boekwerk, de ‘Oberregierungsrat und Leiter der Pressestelle des Preußischen Staatsministeriums’, gelukt om voor heel veel andere gruweldaden van de rode soldaten een indrukwekkend aantal ooggetuigen bereid te vinden hun ervaringen met de schrijvers te delen.[11]       

Sommige van de ooggetuigen beschreven bijzonder creatieve manieren waarop de roodgardisten hun weerloze slachtoffers op sadistische wijze mishandelden. Bijzonder schokkend was de wijze waarop op 23 maart 1920 de bedrijfsdirecteur Sebold von Lohberg was vermoord. Hij werd door de ‘roden’ uit zijn woning gehaald en naar een van hun gevechtsposities gebracht. Daar moest hij eerst met een mitrailleur twee patroonlinten afvuren om vervolgens met de woorden ‘du bist im Leben ein Schwein gewesen, so sollst du auch als Schwein sterben’ voor enkele uren te worden opgesloten in een zwijnenstal. Daarop kreeg hij een handgranaat om de nek gebonden en werd hij het kreupelhout achter de slachterij ingejaagd. Daar werd zijn lichaam later teruggevonden: ‘die eine Schädelhelfte durch Handgranaten weggerissen, die Gehirnmasse vor dem kopf liegend und der Rücken mit einem Bajonett, das im Leib herumgedreht worden war, durchstochen’.[12]

Het gevaar dat in 1918 dreigde was er in 1930 nog steeds, verkondigde een Landstorm-officier dat jaar op een bijeenkomst in Zwolle. Hij scheen ervan overtuigd dat de revolutie nog altijd dreigde, overal ter wereld, vooral in Duitsland, en daarmee ook in Nederland. ‘Laten wij bedenken dat Duitschland onze naaste buur is!’[13] Dat de ware revolutiedreiging uit Duitsland kwam, daarover leek onder de leden van zowel de burgerwacht als de BVL geen misverstand te bestaan. Dat werd nog eens helder verbeeld in een prent in Het Landstormblad, waarin twee handen van over de Nederlandse en Duitse grens elkaar proberen de hand te drukken. Zij werden daarvan weerhouden door de ruwe tussenkomst van een geweerkolf. De lezer van het blad zal direct hebben aangenomen dat die kolf er een was van een Landstormer.[14]

Kortstondige reële Duitse communistische dreiging

In maart 1920 was die Duitse communistische dreiging plots reëel toen net over de Duitse grens de gewapende strijd in het Roergebied in volle gang was. Gevreesd werd dat de communisten zouden proberen de Nederlandse grens over te steken om ook hier revolutie te maken. De leden van de BVL werden onder de wapenen geroepen om de garnizoenen van Doesburg en Arnhem te versterken en de Nederlandse grens te verdedigen. Er werd druk gepatrouilleerd bij de Nederlandse grens rond ’s-Heerenberg en Beek, maar van daadwerkelijk gevaar bleek uiteindelijk geen sprake. Na vier weinig spannende dagen werd de BVL weer gedemobiliseerd.[15]

Geen contact tusschen de communisten aan weerszijden van onze Oostgrens!', een internationale communistische samenwerking voorkomen. Uit: Het Landstormblad, Orgaan ten behoeve van den bijzonderen vrijwilligen Landstorm. Instituut tot steun aan het wettig gezag, 10, 1 (1933) 2

Hoogstwaarschijnlijk was het de onrust in het Roergebied die aanleiding vormde voor de oprichting van de zogeheten Nationalen Bond tegen Revolutie in de tweede week van april 1920. De bond poogde in woord en geschrift aan te tonen dat er ook voor Nederland nog altijd gevaar dreigde van ‘overrompeling en verderf door eene energieke minderheid’ die rusteloos werkte aan de ondermijning van het wettig gezag. Tot dat doel verscheen vanaf april 1921, in een oplage van 10.000 exemplaren, het maandblad Ik zal handhaven, onder redactie van onder meer voormalig opperbevelhebber van land- en zeemacht tijdens de Eerste Wereldoorlog C.J. Snijders. De redactie kondigde in haar eerste nummer onder meer aan te zullen spreken over ‘het onheilig zaad der revolutie’ zoals dat in ‘angstwekkende mate’ werd gestrooid in de harten van de kinderen op de communistische zondagsscholen en jeugdkranten.[16]

In de ogen van Antoon van Nijnatten, schrijver van de brochure De revolutionaire propaganda gaat door – ook in Nederland!, een uitgave van de Nederlandse Bond van Vrijwillige Burgerwachten, was het revolutiegevaar in Nederland in 1926 onverminderd groot. De auteur waarschuwde voor het gevaar van de communistische jeugdbond De Zaaier: de bond zou de Nederlandse jeugd voorbereiden op een loopbaan als dictator. Bijgevoegd was een op het eerste gezicht hoogst onschuldige foto van een klas van zo’n vijftien jongeren die werden onderwezen door Henriette Roland Holst. Onschuldig was het tafereel niet volgens Van Nijnatten: ‘Dat de twijfelaar aan het bestaan van revolutiegevaar eens goed zijn blik richtte op de strak-ernstige gelaatstrekken der studenten – de zich wanende aspirant-dictators, de volkscommissarissen in spe’.[17]

In 1923 kwam een zeker Rotterdams ‘Comité van Actie tegen Revolutie’ met een eigen brochure tegen de communistische opvoeding in het geweer. Het boekje kreeg de weinig goeds voorspellende titel De communistische propaganda onder de kinderen. Het comité gebruikte de brochure om de lezer te waarschuwen voor de wijze waarop Nederlandse communisten hun kinderen met ‘menschonteerende beginselen’ vergiftigden. Zij zouden ontevredenheid, afgunst, nijd en haat in de kinderharten zaaien en er alles aan doen om ze later als ‘communistisch strijder’ te kunnen gebruiken.[18] De Rotterdamse burgerwacht kwam daarom in het najaar van 1930 met het alternatief van een burgerwacht voor de jeugd. Zonen van leden van de Rotterdamse burgerwacht konden zich al op hun zestiende aanmelden als aspirant-lid, om op achttienjarige leeftijd als volwaardig lid te kunnen toetreden tot de gelederen van ‘dat hechte bolwerk tegen de aanranders van het gezag, van den godsdienst, van al wat mooi en goed is’.[19]

Schrikbeelden van seksuele perversie

De keuze voor de term ‘aanrander’ hier is opvallend. Schrikbeelden van seksuele perversie speelden namelijk, althans in de publicaties van de burgerwachten en BVL, op geen enkel ander moment in het interbellum een rol in het bekritiseren van de revolutionaire tegenstander. Een uitzondering op die regel stamt uit november 1918. Het betreft een affiche van de Nederlandse Bond van Vrijwillige Burgerwachten, dat opriep tot steun aan het wettig gezag en waarin de communistische revolutionairen een grote perversiteit werd toebedeeld. De plaat toont een revolutionair-socialist, duidelijk herkenbaar aan zijn rode sjaal, die over de loop van een Duits Parabellum-pistool, vinger aan de trekker, de toeschouwer dreigend aankijkt – de revolutionair heeft het ook op u gemunt, is de boodschap die tekenaar M. Thomassen op zijn publiek wilde overbrengen. Op de achtergrond ligt een dode of dodelijk gewonde jonge vrouw, met aan haar voeten een geknielde oudere vrouw die in rouw verzonken lijkt. Het slachtoffer is met een dolk in haar buik gestoken. De dader houdt op de voorgrond het moordwapen nog vast, en wel op zo’n manier dat de dolk haast niet anders kan worden waargenomen als een fallus in opgewonden toestand. De erotische symboliek van deze akte van dodelijke penetratie druipt maar al te letterlijk van het bloedrode moordwapen.[20] Het beeld van de socialist als wanstaltige, seksueel geperverteerde moordenaar werd hier dankbaar opgevoerd om de BVL en burgerwachten te kunnen weergeven als de nobele tegenstanders van de ‘aanranders van al wat mooi en goed is’.

Contrarevolutionaire propaganda

Het affiche van Thomassen past in de lange reeks van agressieve en afschrikwekkende posters die in Duitsland in velerlei varianten waarschuwden voor het dreigende communistische gevaar dat de Duitse bevolking overschaduwde. Met name de rechts-radicale Duitse Antibolschewistische Liga ontwikkelde na de uitbraak van de Duitse Revolutie een grote productiviteit in het drukken van contrarevolutionaire propaganda. De in 1918 opgerichte Liga was de leidende anticommunistische propagandaorganisatie in de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog en stelde zich het dubbele doel van het verrichten van (quasi)wetenschappelijk onderzoek naar de bolsjewistische publicistiek, en het drukken en verspreiden van anticommunistische vlugschriften en propagandaposters.[21] De communistische dreiging kreeg daarin gestalte in de vorm van bloeddorstige geraamten, prehistorische oermonsters of geperverteerde wildemannen die met hun blote handen weerloze Duitse gezinnen wurgden. De beeldtaal van deze Duitse affiches was hoogst agressief: ‘Bolschewismus heisst die Welt im Blut ersaufen’. De Nederlandse prenten en tekeningen werden nooit zo radicaal, agressief en duister als hun Duitse varianten. Het schrikbeeld dat Thomassen in zijn affiche van de revolutionaire communistische dreiging schetste, is in Nederland de enige in zijn soort. Dit alles wijst op een voor de hand liggend verschil in politieke cultuur. In Duitsland werd de politieke strijd tegen het communisme op een veel fellere wijze en in hardere bewoordingen gevoerd. Dat kon ook haast niet anders, aangezien de gewapende revolutie daar in november 1918 en januari 1919 werkelijkheid was geworden.

Nederlandse prenten gematigder

Hoewel deze extremen in Nederland niet voorkwamen, deden ook de burgerwacht en de BVL regelmatig pogingen om de revolutionaire dreiging in krachtige symbolen weer te geven. Een prent in Het Landstormblad van januari 1928 gaf de revolutie weer als een giftige slang die door de grote gepantserde vuist van de BVL werd verpletterd. De prent werd vervaardigd naar aanleiding van een uitspraak van Minister van Oorlog J.M.J.H. Lambooy in de Tweede Kamer. Een debat over de oorlogsbegroting en de financiële last van de burgerwacht en de Vrijwillige Landstorm was voor Lambooy aanleiding geweest om nog eens te verklaren dat de regering zich tegen toekomstig ‘verzet’ uit socialistische hoek ‘met al de kracht die in haar is’ zou verdedigen.[22] De BVL zag daarin een belangrijke rol voor zichzelf weggelegd. De prent maakt duidelijk hoe reactionaire tekenaars zich van dezelfde symbolen bedienden als de communisten tegen wie zij in het geweer kwamen. Communisten in Nederland en Duitsland presenteerden het communistische Rode Leger en de Roter Frontkämpferbund (RFB), de partijmilitie van de Duitse communisten, als de gewapende vuist van de communistische beweging. Slechts twee maanden na het verschijnen van de prent in Het Landstormblad liet De Tribune een paginagroot artikel over de viering van de eerste mei van 1928 vergezeld gaan van een prent van een imposante gebalde vuist die zich met een krachtige ruk bevrijdde van de ketenen van het kapitalisme.

De gebalde vuist als symbool van de macht van de revolutionaire arbeidersklasse. Uit: De Tribune, 1 mei 1928, 4

Niet voor niets deed het gebaar van de gebalde vuist bovendien dienst als krijgsgroet van de leden van de Roter Frontkämpferbund. Een politiek tekenaar werkt, door de vluchtige aard van het medium van de politieke cartoon, met een groot arsenaal aan heldere symbolen, beeldspraken, figuren en motieven die voor de toeschouwer een ondubbelzinnige betekenis hebben en zodoende de boodschap van de (spot)prent in een oogopslag duidelijk maakt.[24] De gebalde vuist symboliseerde universele eigenschappen als verzet en daadkracht en groeide uit tot een algemeen symbool van de arbeidersbeweging. Overigens is het RFB-symbool van de gebalde vuist het resultaat van een bewust creatief ontwikkelingsproces. De Duitse kunstenaar Helmut Herzfeld (beter bekend als John Heartfield) ontwierp het embleem van de Duitse Roter Frontkämpferbund op basis van een tekening van de Duitse schilder George Grosz, als reactie op de groet van Mussolini’s fascistische beweging. Het embleem ontleende een deel van zijn kracht aan het feit dat het als grafisch symbool en fysiek gebaar gemakkelijk kon worden verspreid.[25]

Ironie en spot als wapens

Op donderdag 27 september 1928 werd het tienjarig bestaan van de BVL groots gevierd met een nationale Landstormdag. Duizenden toeschouwers en Landstormers trokken naar Den Haag om de feestelijkheden bij te wonen. Muziekkorpsen brachten in twee muziektenten marsen ten gehore, een stuntpiloot schreef na afloop van een indrukwekkende vliegshow boven het festivalterrein van de Haagse Houtrust groot de letters BVL in de lucht, en het officiële defilé dat die middag plaatsvond werd bijgewoond door niemand minder dan koningin Wilhelmina, prins Hendrik en prinses Juliana. Het oktobernummer van Het Landstormblad stond dan ook geheel in het teken van het grote succes dat de Landstormdag zou zijn geweest. ARP-politicus en voorzitter van de Nationale Landstorm Commissie L.F. Duymaer van Twist schreef na afloop met trots van een ‘machtige manifestatie van vaderlandsliefde, trouw en paraatheid’.[26] Een communist die de Landstormdag zou hebben bijgewoond, schreef enkele dagen later ontstemd in De Tribune dat de Landstormdag een ‘bespottelijke vertooning’ was en dat de betogers ‘volstrekt geen strijdhaftigen indruk’ maakten.[27]

Hoewel de burgerwachten en Bijzondere Vrijwillige Landstorm in socialistische kring voortdurend werden bespot, waarschuwde communistisch dagblad De Tribune opvallend vaak dat de witte garden wel degelijk een serieus te nemen contrarevolutionaire dreiging betekende. Voor het gehele interbellum geldt dat de activiteiten die de burgerwacht en BVL ontplooiden in De Tribune met een voortdurende argwaan werden aanschouwd. Dat betekende ook dat weinig spectaculaire voorvallen werden gepresenteerd als zeer wezenlijke gevaren. Woensdagnacht 6 juli 1932 had een Amsterdamse ooggetuige waargenomen dat aan de achterkant van het gebouw van de Amsterdamse burgerwacht in de Reguliersdwarsstraat een vrachtwagen was gestopt – kentekenplaat G.9422 –, waarin een paar zware machinegeweren en kisten munitie werden geladen. Al die tijd had een lid van het ‘schuttersgilde’, met gevelde bajonet op het geweer, op wacht gestaan. Nog eens duizenden geweren, revolvers en machinegeweren zouden in het gebouw van de burgerwacht klaarliggen om tegen de arbeidersklasse te worden gebruikt.[28] De burgerwachten en Bijzondere Vrijwillige Landstorm werden door communisten beschouwd als de Nederlandse variant van de ultrarechtse Freikorpsen, die in de periode 1918-1924 in Duitsland huishielden en de communistische opstandigheid aldaar met zeer harde hand vergolden. Het gevoel dat de Nederlandse burgerwachten en BVL nauw verwant waren met de Duitse Freikorpsen werd nog eens versterkt door het feit dat de Amsterdamse burgerwacht grote partijen Duitse Stahlhelme invoerde.[29] De burgerwachten tooiden zich zodoende met het meest herkenbare icoon van de Duitse frontsoldaat en, na de Eerste Wereldoorlog, de Duitse reactie.

Freikorps

De Amsterdamse burgerwacht voorzag haar helmen aan de voorzijde van een rood vlak met drie witte kruizen, het teken van de stad Amsterdam. Het herinnerde maar al te zeer aan de Duitse Freikorpsen die met wit krijt grote hakenkruizen op hun helmen tekenden. Op 18 maart 1920 was de Vrijkorps Marinebrigade Ehrhardt luid zingend (‘Hakenkreuz am Stahlhelm, schwarz-weiß-rotes Band / Die Brigade Ehrhardt werden wir genannt’) Berlijn binnengetrokken om de mislukte putsch van nu eens een reactionaire nationalist, Wolfgang Kapp, met een bloedbad te vergelden.[30] Die Duitse Freikorpsen genoten in communistische kringen een zekere status, zij het als meedogenloze sadisten die door de ervaring van de Eerste Wereldoorlog waren behept met een voortdurende bloeddorst die slechts door een wrede terreur kon worden gelest. In die trant schreef Gerard van het Reve (vader van Karel en Gerard Cornelis) in zijn memoires over de Duitse vrijkorpssoldaten als ‘ontwortelde, veelal avontuurlijke desperado’s, die alle gruwelen van de oorlog hadden overleefd en nu overal waar ze kans hadden de bevolking terroriseerden’.[31] In werkelijkheid was het niet de oorlogsgeneratie, maar juist de generatie die was geboren na 1900 die zich in de Weimarrepubliek schuldig maakte aan politiek geweld. Die gewelddadigheid, betoogt historicus Frits Boterman, kwam voort uit schuldgevoelens over het feit dat deze generatie te jong was om zich actief in te zetten in de oorlog, bewondering voor de ‘heldendaden’ die de echte frontsoldaten hadden verricht, en de sociale en politieke crisissituatie van de Weimarrepubliek.[32] Ook voor de Duitse RFB gold dat het juist deze jongere generatie was die het meest vertegenwoordigd was in het straatgeweld.[33] De RFB verzorgde zelfs een actieve ledenwerving onder de Berlijnse criminele jeugdbendes.[34]

Tweespalt

Het voorbeeld van de in de strijd geharde en meedogenloze Duitse vrijkorpssoldaten leidde tot een interessante tweespalt in de wijze waarop Nederlandse communisten de contrarevolutionaire situatie in Nederland zagen. Schreven zij over terreur en contrarevolutie, dan dachten zij daarbij op de eerste plaats aan de gruwelijkheden die communisten in Duitsland en andere landen moesten verduren. De burgerwachten en Bijzondere Vrijwillige Landstorm werden in dat licht gezien als de vertegenwoordigers van de contrarevolutie in Nederland en de evenknie van de Duitse Freikorpsen.

Maar waar de meer abstracte dreiging van de contrarevolutie in communistische periodieken stelselmatig werd vergroot, werden de burgerwachten en BVL’ers voortdurend geridiculiseerd. In een niet-aflatende stroom van hekelberichten deden communistisch gezinde schrijvers wat zij konden om de burgerwacht en Bijzondere Vrijwillige Landstorm voor te stellen als een volstrekt incapabel en onaanzienlijk instituut. Waar de Duitse Freikorps bestonden uit gedegenereerde oud-soldaten met een voorliefde voor wreedheden, zouden de Nederlandse burgerwachten en BVL zijn opgebouwd uit ‘bedrogen en dol-gemaakte provincialen’, ‘aanstellerige zoontjes van vette spekslagers’ en ‘dikke huisbazen’ die allen hunkerden naar een ‘hartig moordpartijtje’.[35] De burgerwacht werd in De Tribune honend weggezet als het ‘kromme beenen- en dikke buiken-bataillon’.[36] Zo dienden, bij een gebrek aan mitrailleurs en groot geschut, ironie en spot als de scherpgeslepen wapenen waarmee de redacteuren van De Tribune en andere communistische schrijvers zich gedurende het interbellum tegen burgerwacht en BVL verzetten. De herinnering aan de zeventiende-eeuwse Hollandse schutters leverde een begrippenkader dat uiterst geschikt bleek om de twintigste-eeuwse burgerwacht te bespotten. De burgerwacht was een ‘herleefde klompenschutterij’, een anachronisme in de moderne twintigste eeuw. De leden van de burgerwacht werden ironisch bestempeld als de ‘dappere zonen van Nederland, waardige nazaten van Tromp en de Ruiter’.[37]

Archetypen en stereotyperingen

In de voorstellingen die Nederlandse socialisten en communisten van de witgardisten maakten, kwamen verschillende archetypen voor: die van de baldadige kwajongen, die er alleen op uit was om zijn macht als burgerwacht te misbruiken en het leven van onschuldige burgers zuur te maken – een soort geïnstitutionaliseerd kattenkwaad; de droeve manfiguur die eigenlijk al te oud en fysiek incapabel was om geduchte strijdmacht te vormen; de corpulente bourgeois die de burgerwacht opvatte als een jachtclub waar naar hartenlust op arbeiders kon worden gejaagd. Andere clichébeelden waren zeker denkbaar, zoals de overijverige burgerwachter die ging slapen met ‘in iedere hand een revolver, een half dozijn handgranaten op het nachtkastje en een machinegeweer achter de slaapkamerdeur’.[38] Zowel in de sociaaldemocratische als de communistische pers kwamen deze typeringen terug; beide groepen bedienden zich van dezelfde clichés en stereotyperingen.

Deze uiteenlopende voorstellingen hadden met elkaar gemeen dat zij zich kenmerkten door een zekere achterlijkheid en een algeheel gebrek aan moed en daadkracht. Dat het de witte garden aan moed ontbrak, bleek volgens de socialistische pers uit het feit dat zij zich ophielden in een heus fort middenin de stad. Het burgerwachtgebouw aan de Amsterdamse Singel, op de hoek van de Vijzelstraat, zou er in het voorjaar van 1919 van binnen zo uit hebben gezien dat ‘zelfs de lafste bourgeois’ er dapper van zou worden. Alle deuren zouden bepantserd zijn, er waren barricaden gemaakt van grote hoeveelheden zandzakken (‘strandschepjes en emmertjes doen daarbij dienst’), er waren Friese ruiters vervaardigd uit houten balken, rijkelijk omwoeld met prikkeldraad, en de nieuwe geweren en bijbehorende bajonetten stonden in duizenden netjes opgesteld. De lijfriemen moesten nog wel wat wijder gemaakt woorden, ‘te oordelen althans naar de dikke buiken der heeren’.[39]

Dat de meeste leden van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm afkomstig waren uit rooms-katholieke en protestants-christelijke gebieden uit de provincie,[40] leverde het algemeen gedeelde beeld dat de witte garden bestonden uit ‘Zeeuwsche boerinnetjes, vendelzwaaiers uit Brabant, burgerwachtboeren uit afgelegen dorpjes’.[41] Naar aanleiding van de nationale Landstormdag in augustus 1928 drukte De Tribune haar lezers nog eens op het hart dat de witgardisten werden gerekruteerd ‘uit de meest achterlijke deelen der bevolking en dat zij opgezweept zijn door dominee en pastoor, waarin zij als in God zelf gelooven’.[42] Het archetype van de ‘achterlijke boerenzoon’  komt ook terug in een van de zes korte verhalen die communistisch publicist Jef Last bundelde in zijn boekje Marianne (1930). De hoofdpersoon van het verhaal ‘Abattoir’ is een eerlijke, hardwerkende maar simpele boerenzoon die eerst met paard en wagen en later per trein naar Holland trekt om als lid van de Landstorm ‘de opstand te dempen’ – een opstand van ‘de socialen’, zo wordt al snel duidelijk. Zijn bekwaamheid in de varkensslacht zou hem daar goed van pas komen: ‘Hij heeft het altijd prettig gevonden varkens te kelen. Hij heeft zijn bajonet extra geslepen’.[43] Zover zou het echter niet komen: als hij na een avond stevig drinken in een diepe roes wegzinkt en droomt dat hij de verschijningen van Maria, Jozef en een Jezuskindje eigenhandig en op gruwelijke wijze ombrengt, besluit hij dienst te weigeren. Hij sterft voor het executiepeloton.

Een voorval in mei 1919 heeft hoogstwaarschijnlijk sterk bijgedragen aan het beeld van de burgerwachter als sukkelige provinciaal. In mei 1919 opende een lid van de burgerwacht van het Groningse Bellingwolde, de boerenzoon Addens, het vuur op een vredelievende demonstratie van stakende landarbeiders. Een jonge vrouw van 20 jaar raakte gewond, twee andere meisjes werden alleen in hun kleren geraakt. Het schietincident werd de aanleiding voor een prent in sociaaldemocratisch en satirisch weekblad De Notenkraker, waarin tekenaar Leo Jordaan de schutter weergaf als een achterlijke, gebochelde figuur met een grove kop en een enigszins onbeholpen, haast kinderlijke houding. Hij hield het nog rokende jachtgeweer in zijn grote knuisten.

De corpulente kapitalist

Twee maanden later verscheen in hetzelfde blad nog een prent die de gebeurtenissen in Bellingwolde verbeeldde, ditmaal van de hand van de Belgische cartoonist George van Raemdonck. Ook in zijn prent vormt een nog rokend geweer een voornaam beeldend element. Nu echter is het wapen niet in handen van een zwakzinnige boerenzoon, maar van een gegoede burger die net van zijn plezierveldtocht terugkeert en door enkele andere burgerwachters op de schouders wordt gedragen. Een corpulente, sigaren rokende kapitalist schudt hem enthousiast de hand en verzekert hem dat het welgerichte schot op de stakers hem zeker van eeuwige roem zou verzekeren. Op de achtergrond is nog net te zien hoe een jonge vrouw haastig wordt weggedragen op een brancard. De rook die uit het vuurwapen opkringelt, vormt het woord ‘moord’.[44]

Het kloeke ras der vrouwen

Opvallend genoeg speelden vrouwelijke leden van de burgerwacht geen wezenlijke rol in de socialistische of communistische hekelberichten. Dat ook relatief kleine aantallen vrouwen zich gedurende het interbellum bijvoorbeeld als geneeskundigen bij de burgerwachten aansloten, leidde tot wisselende reacties in de Nederlandse couranten. Zo liet dagblad Het Vaderland zich in het najaar van 1922 zeer positief uit over de pogingen die de Haagse burgerwacht ondernam om meer vrouwen in hun organisatie op te nemen: ‘zij moeten komen, vóór het te laat is, in dichte drommen, gesloten gelederen, om naast den man paraat te zijn in de uren van gevaar’.[45] In socialistische kring werden dergelijke ontwikkelingen kritischer bezien. Dichter en schrijver Jan W. Jacobs richtte zich in een gedicht uit zijn bundel Van onder ons vaandel tot de vrouwelijke leden van de burgerwacht. De directe aanleiding voor het gedicht werd hoogstwaarschijnlijk gevormd door de huldiging van Ailke Westerhof als Ridder in de Orde van Oranje Nassau, in het najaar van 1924. Westerhof had als verpleegkundige gediend in de Balkanoorlog en nam na haar terugkomst in Nederland als onderhopman dienst bij de burgerwacht van Amsterdam.[46]

‘Het kloeke ras der vrouwen die het rapier aangespten is dus nog niet uitgestorven’, schreef dagblad Voorwaarts met een fijn gevoel voor sarcasme. ‘Dat de geridderde vechtjapon tevens “zuster” is, pleit voor haar practischen blik: zoo snijdt het mes aan twee kanten’.[47] Vrij van sarcasme en ironie was het gedicht uit Van onder ons vaandel waarin Jacobs ernstig verwoordde hoe moederfiguren in vechters veranderden:

‘O, zijt gij vrouwen ook soldaat geworden –

ons hart gelooft het niet, al ziet ons oog

uw borst bedekt met rijen ridderorden –

de moederborst waar eens… uw kind bewoog…

Ween menschheid over deze schande –

tot wie moet gij om hulpe gaan

als straks, geleid door moeders handen,

uw kinderen den dood ingaan?’.[48]

Ten slotte

De schietpartij in de Amsterdamse Sarphatistraat op 13 november 1918 zorgde ervoor dat een gewelddadige revolutie zoals die in de navolgende jaren in Duitsland werd uitgevochten in Nederland niet zou doorzetten. Zo lijkt het met de revolutiedreiging in Nederland achteraf bezien wel mee te vallen. Maar zoals de revolutionaire socialisten en communisten de hoop op het uitbreken van een revolutie bleven koesteren, zo bleven de leden van de BVL en burgerwachten vrezen voor een aanstaande socialistische machtsovername. Beide kampen deden hun best om de revolutiedreiging en de eigen betrokkenheid – gebruikmakend van dezelfde symbolisch beladen beelden en iconen – grootser voor te stellen dan de werkelijkheid toeliet.

De rol die de BVL en burgerwachten in november 1918 speelden in het neerslaan van de revolutie was minimaal, en de dreiging van een socialistische revolutie was in de navolgende jaren veel minder acuut dan zij beweerden. Het revolutionaire kamp ondernam op zijn beurt pogingen om de situatie voor te stellen alsof een (contra)revolutie reeds in volle gang was, net als in Duitsland. Zowel het revolutionaire als het contrarevolutionaire kamp verbonden de Nederlandse situatie met de situatie in het revolutionaire Duitsland. Daarin school voor de Nederlandse revolutionairen een grote tragiek: de revolutie was tastbaar dichtbij, maar bleef altijd net buiten bereik. In maart 1920 was het gedonder van de kanonnen in het Roergebied ten teken dat de revolutie in volle gang was, in Nederland hoorbaar. Dat bood zowel de hoop op het ontstaan van een socialistisch Duitsland als de bevestiging van het feit dat de Nederlandse communisten hun eigen revolutionaire aspiraties niet konden waarmaken. Voor de leden van de burgerwachten en BVL betekende die onrust in Duitsland dat de revolutiedreiging in Nederland in het geheel niet was geweken – een spookbeeld dat haar voortbestaan en de identiteit van haar collectief nadrukkelijk zou bepalen.

* De auteur is promovendus aan het Instituut voor Geschiedenis van de Universiteit Leiden, waar hij werkt aan een proefschrift over beelden van oorlog in de Nederlandse publicistiek in het interbellum.

[1] H.A. Winkler, Weimar 1918-1933. Die Geschichte der ersten deutschen Demokratie (München, Beck, 1993) 25-33.

[2] De BVL was actief in maart 1920, bij een landelijke spoorwegstaking in 1922, ‘sociale onrust’ in de zuidoosthoek van Friesland en Drenthe, en de watersnood in 1926. Krijnen, Zonodig met behulp van wapens, 30.

[3] R. Blom en T. Stelling, Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-’18 (Soesterberg, Aspekt, 2004) 28-30, 867, 872.

[4] A.A. van Nijnatten, Nederland waak! (z.p., Nederlandschen Bond van Vrijwillige Burgerwachten, z.j.) 20; Haagsche Burgerwacht. Officieel orgaan van de Vereeniging. De Haagsche Burgerwacht, jaargang 1, nummer 1 (januari 1922) 1.

[5] L.F. Duymaer van Twist, Het Landstormblad. Orgaan ten behoeve van den bijzonderen vrijwilligen Landstorm. Instituut tot steun aan het wettig gezag, jaargang 1, nummer 1 (januari 1924) 1.

[6] ‘Waar het om gaat’, De Nederlandsche burgerwachter, jaargang 1, nummer 1 (1937) 1-2.

[7] J.C. van der Does, Als ’t moet: november 1918 en de Bijzondere Vrijwillige Landstorm (Den Haag, Nijgh en Van Ditmar, 1959) 186-187.

[8] De burgerwachter. Waarin opgenomen de officiële mededelingen der vrijwillige burgerwacht Amsterdam, jaargang 6, nummer 9 (december 1938) 3-5.

[9] N. Schenkman, Gedenkboek uitgegeven op last van het hoofdbestuur der vrijwillige burgerwacht-Amsterdam ter gelegenheid der herdenking van haar tienjarig bestaan: november 1928 (Amsterdam, onbekend, 1928) 13.

[10] D. Bos, Bloed en barricaden. De Parijse Commune herdacht (Amsterdam, Wereldbibliotheek, 2014) 502-503.

[11] M.H. Sommerfeldt, Kommune! Dargestellt auf Grund des neuen ambtlichen Materials (Berlijn, Mittler, 1934) 26, 28-31.

[12] Sommerfeldt, Kommune!, 31-32.

[13] ‘Vroome sabelhouwers en lieftallige dames’, De Tribune, 13 november 1930, 1.

[14] Het Landstormblad, jaargang 10, nummer 1 (1933) 2.

[15] Van der Does, Als ’t moet, 190-194.

[16] Ik zal handhaven. Orgaan van den Nationalen Bond tegen Revolutie, jaargang 1, nummer 1 (april 1921), 2.

[17]A.A. van Nijnatten, De revolutionaire propaganda gaat door – ook in Nederland! Een uitgave van de Ned. Bond v. Vrijwillige Burgerwachten (Amsterdam, onbekend, z.j. [ca 1926]).

[18] Plaatselijk Comité van Actie tegen Revolutie, De communistische propaganda onder de kinderen (Rotterdam, onbekend, 1923) 3.

[19] Onze burgerwacht. Officieel orgaan van de burgerwacht te Rotterdam, jaargang 10, nummer 6 (oktober 1930) 1.

[20] M. Thomassen, Steun het wettig gezag. Voor het te laat is! (1918), ondergebracht in: IISG, http://hdl.handle.net/10622/30051001035754, geraadpleegd op 9 mei 2015.

[21] H. Blechschmidt, ‘Antibolschewistische Liga’, in: D. Fricke, M. Weissbecker en H. Schwab (red.), Die bürgerlichen Parteien in Deutschland. Handbuch der Geschichte der bürgerlichen Parteien und anderer bürgerlicher Interessenorganisationen vom Vormärz bis zum Jahre 1945 (Leipzig, Bibliographisches Institut, 1968-1970) 30-35, aldaar 30-31.

[22] Het Landstormblad. Orgaan ten behoeve van den bijzonderen vrijwilligen Landstorm. Instituut tot steun aan het wettig gezag, jaargang 5, nummer 1 (januari 1928) 2.

[23] De Tribune, 1 mei 1928, 4.

[24] M. van der Heijden, Albert Hahn (Amsterdam, Rap, 1993) 92.

[25] G. Korfft, ‘History of Symbols as Social History? Ten preliminary notes on the image and sign systems of social movements in Germany’, International Review of Social History 38 (1993) 105-125, aldaar 113.

[26] Het Landstormblad, jaargang 5, nummer 10 (oktober 1928).

[27] De Tribune, 13 oktober 1918, 5.

[28] ‘Burgeroorlogvoorbereidingen van de bourgeoisie’, De Tribune, 11 juli 1932, 4.

[29] ‘Een bolwerk der orde’, Het Volk, 28 april 1920, 6.

[30] Winkler, Weimar 1918-1923, 127.

[31] G.J.M. van het Reve, Mijn rode jaren: herinneringen van een ex-bolsjewiek (Utrecht, Ambo, 1967) 146.

[32] F. Boterman, ‘De schaduw van de Eerste Wereldoorlog als katalysator van naoorlogs geweld’, in: J. Pekelder en F. Boterman (red.), Politiek geweld in Duitsland. Denkbeelden en debatten (Amsterdam, Mets en Schilt, 2005) 93-199, aldaar 100.

[33] P.H. Merkl, The Making of a Stormtrooper (Princeton, Princeton University Press, 1980) 56-67.

[34] E. Rosenhaft, Beating the fascists? The German communists and political violence, 1929-1933 (New York, Cambridge University Press, 1983) 126-128, 193-198.

[35] De Tribune, 22 januari 1919, 2; De Tribune, 2 juni 1922, 4.

[36] ‘Daar komen de schutters. Het kromme beenen- en dikke buiken-bataillon’, De Tribune, 21 januari 1919, 2.

[37] De Tribune, 21 januari 1919, 2; J. Br. Jr., Leve de burgerwacht! (zp., onbekend, z.j.) [1].

[38] ‘Een bolwerk der orde’, Het Volk, 28 april 1920, 6.

[39] De Tribune, 21 januari 1919, 2; De Nieuwe Amsterdammer, 21 februari 1920, 4.

[40] Blom en Stelling, Niet voor God en niet voor het Vaderland, 30.

[41] De Tribune, 12 september 1933, 8.

[42] De Tribune, 13 oktober 1918, 5.

[43] J. Last, Marianne (Den Haag, De Baanbreker, 1930) 64.

[44] G. van Raemdonck, ‘De held der burgerwacht’, in: De Notenkraker, 2 augustus 1919, 4.

[45] Het Vaderland. Staat- en letterkundig nieuwsblad, 18 november 1922, 2.

[46] Het Vaderland, 30 augustus 1924, 9; Algemeen Handelsblad, 29 maart 1924, 3.

[47] Voorwaarts. Sociaal-democratische dagblad, 2 september 1924, 1.

[48] J.W. Jacobs, Van onder ons vaandel. Verzen (z.p., onbekend, z.j. [ca. 1924]) 18.