Het Korps Mariniers en Rotterdam

Door de eeuwen heen zijn de mariniers met Rotterdam verbonden geweest en begin vorig jaar kwam het nieuws dat de Van Ghentkazerne in de Maasstad open blijft. De mariniers blijven daardoor verweven met de Rotterdamse cultuur, waarin veel burgers de symboliek van wilskracht en uithoudingsvermogen voelen die het korps uitstraalt. Die symboliek werd versterkt door het optreden van de mariniers in de meidagen van 1940. Nu nog heerst er een gevoel van gemeenschappelijkheid, waarbij mariniers en Rotterdammers zich verwant voelen en gezamenlijke deugden als nuchterheid en arbeidsethos centraal staan.

Drs. K. Kornaat en luitenant-kolonel der Mariniers R.L. Poetiray*

‘Een klap in het gezicht’, aldus een verontwaardigde oud-marinier als hij in september 2013 het nieuws hoort dat in het kader van een Haagse bezuinigingsoperatie de Van Ghentkazerne zal verdwijnen. Hij is niet de enige betrokkene die tegen het plan in opstand komt: hoewel de mariniers zelf een spreekverbod krijgen opgelegd, gonst het in Rotterdam van de stevige oneliners, waar men in de Maasstad patent op heeft. De oud-marinier verzamelt in een paar weken 12.000 handtekeningen; het kost hem geen moeite.[1] Roep in Rotterdam een serie steekwoorden (Maasbruggen, Mariniersweg, monument, museum, defilé, Coolsingel, Wereldhavendagen) en er is brede maatschappelijke steun voor het korps. Ook burgemeester Aboutaleb is het korps zeer positief gezind, want achter de schermen maakt hij zich sterk om de kazerne open te laten blijven. Hij blijkt een effectief netwerker en een vaardig onderhandelaar. In februari 2014 klinkt het bevrijdende nieuws: de mariniers blijven. Gemeente, Veiligheidsregio en Politie worden medegebruiker van de kazerne en intensiveren hun samenwerking met het Korps Mariniers. De mariniers blijven een bijdrage leveren aan stad en haven op sociaal en veiligheidsgebied. Op de website van de gemeente luidt het opgetogen commentaar van de burgemeester: ‘Dit is een fantastisch resultaat en vele Rotterdammers met mij zijn ongelofelijk blij dat de historische band tussen de Mariniers en Rotterdam behouden blijft’.[2] Maar waar komt dit sentiment vandaan en waarom passen stad en korps in hoofd en hart van zoveel mensen zo goed bij elkaar? Om antwoord op deze vragen te kunnen geven zal kort worden ingegaan op de geschiedenis die Rotterdam en de mariniers samenbrengt. Tevens wordt de marinierscultuur geschetst, die in vele opzichten vergelijkbaar is met die van de rasechte Rotterdammer. Tot slot wordt kort stilgestaan bij wat Rotterdam en de mariniers gemeen hebben.

Zeesoldaten en hun bestaansrecht

In menige publicatie vindt de verbondenheid tussen Rotterdam en de mariniers  haar oorsprong meteen bij de oprichtingsdatum van het korps, 10 december 1665. Immers, op de schepen van admiraal Michiel de Ruyter en de overige vlootvoogden voeren Rotterdammers mee die betrokken waren bij de overwinningen op de Engelsen. Tal van schepen werden gebouwd, uitgerust of bemand in Rotterdam. Toch is hier enige voorzichtigheid geboden. Ten eerste was de status van de vroege zeesoldaten nog lang niet onomstreden en was er zeker geen sprake van een officieel korps; ze werden bovendien nogal eens op land ingezet en vormden dan een onderdeel van het Staatse Leger. Voor de mariniers gold, net als voor de rest van de krijgsmacht, dat in tijden van vrede de regenten de militaire uitgaven ‘te duur’ vonden, om in het uur van oorlogsdreiging en crisis weer direct een beroep op ze te doen. De mariniers hebben altijd hun status binnen de krijgsmacht moeten bevechten. Ten tweede is het verleidelijk de aantrekkingskracht van Rotterdam voor het korps te spiegelen aan vroegere tijden, want waar zouden de mariniers zich anders thuis hebben gevoeld? Dit is echter een kwestie van invalshoek en perspectief. Amsterdam, Hellevoetsluis, Den Helder, Vlissingen en nog een lijst andere havenplaatsen in Nederland kunnen claimen dat zij de vroege, natuurlijke thuisbasis van de mariniers zijn en waarschijnlijk kunnen zij dit allemaal met enig recht beweren. Toch worden Rotterdam en mariniers in één adem genoemd.

Onderbemand politiekorps, Atjeh en Indische baten

 

In de loop van 1817 arriveerde het voltallige Korps Mariniers in Rotterdam. De mariniers waren in de stad en zouden er blijven. Althans, van tijd tot tijd. Als de opleiding eenmaal was voltooid, moesten de mariniers zich melden voor garnizoensdiensten in Hellevoetsluis en Vlissingen en voor de bewaking van walinrichtingen van de marine. Van 1830-1839 was de kazerne zelfs vrijwel uitgestorven, omdat het gros van het korps in het zuiden van het land vertoefde vanwege de gewelddadige boedelscheiding met de Belgen. Na 1850 vertrok het mariniersgarnizoen in het kielzog van de Rijksmarinewerf zelfs geheel uit de stad, tot ongenoegen van de Rotterdammers. Die waren inmiddels gewend geraakt aan marcherende en flanerende mariniers in het straatbeeld. De zeesoldaten brachten wat ‘sjeu’ in de bedrijvige werkstad, als erewacht bij hoog bezoek, defilerend door de straten met tamboers en pijpers voorop, exercerend op de Veemarkt of roeiend op de Maas.

Vooral het onderbemande Rotterdamse politiekorps zag dit met lede ogen aan. In de alsmaar uitdijende havenstad wist de politie zich op gezette tijden geen raad zonder de steun van het altijd parate Korps Mariniers. Een groot volksoproer in 1868, het zogeheten Vletteroproer, legde de vinger genadeloos op de zere plek. De stad ontbeerde een permanent garnizoen om zich op eerste verzoek van het stadsbestuur aan de zijde van het politiekorps te scharen. Die boodschap was niet aan dovemansoren gericht. Opgeluisterd door een schare burgers en bestuurders arriveerden in mei 1869 twee compagnieën mariniers. Rotterdam snorde tevreden bij de gedachte dat het korps terug was en de politie zuchtte opgelucht bij de aankomst van de vertrouwenwekkende versterkingen. In dat jaar betrokken de mariniers een kazerne aan het Oostplein en hoewel ze eerder in de Maasstad gevestigd waren, kunnen de gebeurtenissen in dit jaar met recht gelden als het echte begin van een mooie relatie.

Spoedig vertrok echter een deel van het garnizoen naar Nederlands-Indië om te vechten in de Atjeh-oorlog. Voortdurend werden op last van het koloniaal gezag op Java militaire expedities uitgerust om op eilanden als Bali en Lombok plaatselijk verzet te breken. De tochten van het Koninklijk Nederlands Indische Leger (KNIL) leger naar Atjeh, een sultanaat op de noordelijke punt van Sumatra, groeiden uit tot een slepende oorlog die meer dan dertig jaar zou duren.[3] Hoewel het Indisch bestuur in de loop van de negentiende eeuw steeds meer een beroep deed op inlandse militairen, werd het kader van het KNIL in Nederland geworven. De ‘kolonialen’ vertrokken vooral vanuit Rotterdam naar de verre Indische kusten. Velen – onder wie talrijke mariniers –  keerden daarvan niet terug, maar bezweken onder vijandelijk vuur of aan het helse klimaat.

De grote aandacht voor de acties in Nederlands-Indië was direct verbonden met de economische groei door de industriële revolutie in Nederland. De wording van de moderne stad Rotterdam was mede te danken aan de snelle toename van handel en nijverheid en een spectaculaire verbetering van de infrastructuur. Veel grootschalige projecten, zoals de aanleg van spoorwegen of de totstandkoming van de Nieuwe Waterweg, waren mogelijk door de ‘Indische baten’ en de winsten uit de handel in de Oost. Bij velen werd zo het idee gevoed dat het bezit van de kolonie de onmisbare hoeksteen vormde van de welvaart in het Koninkrijk.[4]

Mariniers komen aan bij hun kazerne aan het Oostplein in Rotterdam. Foto collectie Mariniersmuseum

In de Rotterdamse haven leverde de toename van economische activiteit sociale spanningen op. De emancipatie van de arbeidersklasse ging met de nodige roering gepaard. Niet iedereen zat te wachten op veranderingen in de maatschappelijke orde. Er brak een periode met sociale onlusten aan. Stakingen waren lange tijd het enige middel waarover de ontevreden arbeiders beschikten. Meer dan eens trommelde de burgemeester de mariniers op om de politiegelederen te versterken en escalaties van stakingen te voorkomen. Een enkele keer moesten de mariniers met enige duw- en trekwerk stakende havenarbeiders terug in het gareel brengen, maar gelukkig verliepen de werkonderbrekingen veelal zonder ernstige confrontaties. Maar toch verstoorde deze periode de verhoudingen tussen Rotterdammers en mariniers geenszins. Het zijn deze verschillende parallelle ontwikkelingen in de tweede helft van de negentiende eeuw die de band tussen Rotterdam en de mariniers hebben gesmeed.

De marinierscultuur in Rotterdam

De mariniers waren al snel thuis in de Oostpleinkazerne. Er groeide een gevoel van gemeenschappelijkheid met de stad Rotterdam. Het korps herkende zich in de werkmentaliteit die in de stad heerste, terwijl de meerderheid van de Rotterdammers oprecht blij was met de stoere mannen die niet bang waren zich te tonen in het straatbeeld. Hier was sprake van een mengvorm van verwante mentaliteit en wederzijdse ‘besmetting’ met het virus van nuchterheid en arbeidsethos. Veel Rotterdamse jongens, zo leek het, droomden ervan ooit marinier te worden. Bij hun vrijwel dagelijkse marsen door de stad, in het kader van oefening of na een dienstbevel, dromden de Rotterdammers samen om hun mariniers te ondersteunen. Natuurlijk bieden veel teksten een vertekend beeld en zullen de verhoudingen in de stad iets subtieler en genuanceerder zijn geweest, maar zeker is dat de meeste Rotterdammers in beginsel positief stonden tegenover de mannen van stavast. Zoals de commentator in een luchtige radiodocumentaire van de AVRO het in 1960 verwoordde: ‘Wat was er toen gezelliger dan een mars van de mariniers die de sikkeneurigste buurt ineens feestelijk maakte met tromgeroffel en de jubeling van dwarsfluiten… en daarachter de troep: gelederen van blauwe jassen, onvermurwbare gezichten, rode sterretjes, gele chevrons en mirakels opgedoft koper. Alle slagers- en kruideniersjongens gaan mee, niet los te maken uit de hypnose die er uitgaat van de tambour-maître met zijn toverstaf, van het ritme van die honderden stappen gebundeld tot één tred, en daarachter nog weer bestelfietsen en de burgers die meemarcheren als de betoverde kinderen van Hamelen.’[5]

Tijd van oorlog

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 volgde het mariniersgarnizoen zijn mobilisatiebestemming. Vijf jaar lang was Rotterdam verstoken van mariniers. In 1919 keerden de mariniers weer terug op het Oostplein en niet lang daarna nam ook de korpscommandant weer zijn intrek in het pand. Op 16 september 1929 mocht hij op het Malieveld in Den Haag uit handen van koningin Wilhelmina het korpsvaandel in ontvangst nemen. Terug in Rotterdam bleek dat het stadsbestuur een huldiging had voorbereid om deze heugelijke gebeurtenis luister bij te zetten. De burgemeester stak niet onder stoelen of banken dat hij de mariniers een warm hart toedroeg. En dat was gemeend, want door de uitbreiding en professionalisering van het politiekorps was het garnizoen eigenlijk overbodig geworden.

De schok van de meidagen 1940

Toen in de vroege ochtend van 10 mei 1940 Duitse bommenwerpers het vliegveld Waalhaven aanvielen en twaalf watervliegtuigen op de Maas landden, reageerden de meeste Rotterdammers in eerste instantie als verlamd; enkele honderden Duitse militairen maakten zich meester van het Noordereiland en verschansten zich in korte tijd in moeilijk te naderen posities op en rond de Maasbruggen. De Duitse troepen hadden een bruggenhoofd op de noordoever gevestigd en waren in gevecht met genietroepen. De gealarmeerde mariniers voerden zonder dralen hun opdracht uit. Zij grendelden het Oostplein af, zonden patrouilles uit en versterkten de bezetting van de treinstations in de stad. Hoewel er 7.000 Nederlandse militairen in de stad waren, waren zij niet in staat tot gecoördineerde tegenaanvallen als gevolg van slechte communicatiemiddelen en niet tegen hun taken opgewassen commandanten. Bovendien waren de meeste militairen beperkt opgeleid en slecht getraind.

Drie mariniers geven zich op 14 mei 1940 over aan de Duitsers; door hun moedige optreden groeiden de mariniers in Rotterdam uit tot symbolen van wilskracht en uithoudingsvermogen. Foto Beeldbank NIMH

Wat volgde waren vier chaotische oorlogsdagen waarin de mariniers, zij en zij met collega’s van de landmacht, de luchtstrijdkrachten en de vloot, Rotterdam verdedigden tegen de Duitse verrassingsaanval. Zij nestelden zich in de Oude Plantage met het front oost en er trok een detachement op naar Schiedam, dat een ijle linie met het front west bezette en gevecht leverde met Duitse troepen in Overschie. Maar het meest tot de verbeelding spreekt nog steeds het optreden van de mariniers op de Boompjes en rondom het landhoofd van de Willemsbrug. Zo’n 260 mariniers vormden de best opgeleide militairen en zij werden dan ook aangewezen om de Duitsers aan te vallen. Het Witte Huis, op dat moment het hoogste gebouw in Rotterdam, werd door de mariniers bezet en zij probeerden, ondersteund door infanteristen van de landmacht, het gebied rond de bruggen te zuiveren. De eerste drie oorlogsdagen werd er geen vooruitgang geboekt; sterker nog, op 12 mei werd de marinierskazerne door de Duitsers gericht aangevallen en volledig door bommen verwoest. Het was pas op maandag 13 mei dat een detachement mariniers de Duitse posities op de Noordzijde van de Willemsbrug gericht kon aanvallen. Een deel van hen wist te vorderen tot op het wegdek van de brug, maar daar kwamen zij hevig onder vuur te liggen. Door het loswrikken van een ijzeren plaat vonden uiteindelijk zes mariniers, van wie één gewond was geraakt, een schuilplaats onder de brug, van waaruit zij de Duitsers probeerden te beschieten. Zij zouden ruim een dag in die benarde positie blijven zitten.

De zwarte duivels van de Maasbruggen

Op dinsdag 14 mei, toen de militaire situatie in heel het land verslechterde en de Duitsers op veel plaatsen snelle vorderingen maakten, lieten de aanvallers in Rotterdam een ultimatum uitgaan dat het verzet in de stad moest worden gestaakt en dreigden de Duitsers met ‘scherpe maatregelen van vernieling’. Terwijl de onderhandelingen hierover nog in volle gang waren werd de binnenstad getroffen door een kort, maar hevig bombardement. Het centrum werd voor een groot deel vernietigd of viel ten prooi aan uitslaande branden. Tussen de 700 en 900 mensen kwamen om en meer dan 80.000 Rotterdammers verloren huis en haard.

De Nederlandse krijgsmacht was in vijf dagen verslagen en de gebeurtenissen van mei 1940 zouden nog lang naklinken. Men hield zich vast aan het idee dat moedige mannen op sommige plaatsen optimaal tegenstand hadden geboden. Een effectieve luchtafweer had de Duitsers een groot aantal vliegtuigen gekost en de luchtlandingen in het westen hadden niet het gewenste resultaat opgeleverd. En bovenal had in het zwaar getroffen Rotterdam een handvol mariniers standgehouden op de Maasbruggen. Zij konden weliswaar weinig uitrichten, maar dat gold voor vrijwel het gehele Nederlandse leger. Belangrijk was dat zij pal stonden en niet weken voor een overmacht. Zonder dat zij het zelf wilden groeiden zij uit tot symbolen van wilskracht en uithoudingsvermogen, eigenschappen die de gemiddelde Rotterdammer zich graag toedicht. De mariniers hoorden na mei 1940 niet alleen tot de plaatselijke cultuur, zij waren uitgegroeid tot de trots van de Maasstad. De Rotterdammers verhieven het optreden van de ‘zwarte duivels’, zoals de mariniers al snel werden genoemd, tot mythische proporties. De mythe drukte vooral hun gevoelens voor het korps uit en voorzag in hun behoefte aan helden in die bange meidagen, om tegenwicht te bieden aan het trieste verlies van hun stad en vrijheid. De mariniers beantwoordden in alle opzichten aan die verwachtingen.

Een onbreekbare band

Na de capitulatie op 15 mei 1940 hief de bezetter de Nederlandse krijgsmacht op. De overblijfselen van het korps handhaafden zich, ver weg, in de vrije wereld. In 1943 besloot de  Nederlandse regering in ballingschap tot de formatie van de Mariniersbrigade. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog trok de brigade ten strijde in Nederlands-Indië. In Nederland legden de mariniers intussen de kiem voor een nieuw korps. De kazerne aan het Toepad, waarvoor in 1938 de eerste spade de grond in ging, werd ijlings voltooid en in december 1946 maakten de mariniers hun entree in de Van Ghentkazerne. Sinds die maand prijkt tevens het opschrift ‘Rotterdam’ op het korpsvaandel, waarmee de onbreekbare band werd onderstreept.

Na 1945 ontstond er, als gevolg van de meidagen van 1940, een mengvorm van de vooroorlogse romantiek en de mythische verbondenheid die werd gesmeed op de Maasbruggen. De relatie kreeg op die manier een onwrikbare basis. Het is niet toevallig dat vrijwel elke activiteit die te maken heeft met de korpstraditie in Rotterdam wordt georganiseerd, een gewoonte die direct na de bevrijding in 1945 werd ingezet en die tot op heden voortduurt. Een kenmerkend voorbeeld was de onthulling, op 5 juli 1963, van het Mariniersmonument. Een speciale stichting bracht het geld bijeen voor het beeld, dat vanzelfsprekend een plaats kreeg op het Oostplein in Rotterdam. Het werk van kunstenaar Titus Leeser symboliseert perfect de gemeenschappelijke historie. Burgemeester Van Walsum verwerkte persoonlijke herinneringen in zijn toespraak: ‘Voor mij zijn het de oorlogsdagen van mei 1940 geweest die de band, die de Rotterdammers altijd sterk hebben gevoeld, ineens een nieuw perspectief hebben gegeven. In de verwarde en benauwde dagen, waarin wij, gewone burgers, de situatie in geen enkel opzicht konden overzien, gaf de wetenschap dat de mariniers verweer boden tegen de poging van de Duitsers om door te dringen naar de rechter Maasoever ons het gevoel dat wij niet aan ons lot waren overgelaten. De indruk van een patrouille mariniers die in het halfdonker in een verlaten straat langs mijn huis sloop, terwijl wij wisten dat de kazerne in vlammen was opgegaan, is voor mij onvergetelijk gebleven. De mariniers verpersoonlijkten toen voor ons het verzet tegen de brute schennis van het recht en tegen de aantasting van ons nationaal bestaan’.[6]

Beeldhouwer Titus Leeser bij het eerste ontwerp voor het mariniersmonument (1963). Foto collectie Mariniersmuseum

Geen woorden maar daden

De bijzondere relatie tussen Rotterdam en de mariniers is vooral gebaseerd op verwantschap in mentaliteit en historische verbondenheid. Maar er zijn ook gemeenschappelijke elementen te noemen die minder op romantiek en mythevorming gebaseerd zijn. Zo leeft bij beiden een innerlijke drang om zich te doen gelden, niet alleen binnen de eigen gelederen of zelfs binnen Nederland, maar overal waar mogelijkheden zijn, letterlijk wereldwijd. Zowel Rotterdam als de mariniers streven, hoewel op verschillende gebieden, naar een houding in balans met de tijd; een mengsel van een stevige traditie met modernistisch denken. Geen nostalgie of een hang naar het verleden, maar een blik in de toekomst met geloof in vooruitgang en vooral ook in de eigen mogelijkheden. En dat niet met breedvoerige beleidsstukken of grote verhalen, maar met duidelijke voornemens en vooral doelmatig handelen. In de volksmond wordt een en ander bondig samengevat in het Rotterdamse motto ‘niet lullen, maar poetsen’. Het is niet toevallig dat hier vele varianten op gemaakt zijn en dat in het legendarische clublied van Feyenoord dit thema ook centraal staat. Zowel de stad Rotterdam als het Korps Mariniers zoeken met hun dadendrang nadrukkelijk het buitenland. ‘Zo wijd de wereld strekt’, de wapenspreuk van de mariniers, zou zonder probleem ook in het wapen van de gemeente Rotterdam kunnen staan; op geen enkel gebied werd de trots in de Maasstad meer opgewekt dan in de topnotering op de ranglijst van grootste havens ter wereld.

Zowel in het korps als in Rotterdam kwamen genoemde eigenschappen nog meer aan de oppervlakte na de tragedie van de Tweede Wereldoorlog. Was Rotterdam, wat betreft architectuur en stadsontwikkeling, voor 1940 al een nieuwe weg ingeslagen, door het bombardement werden de stadsbestuurders gedwongen tot rigoureuze maatregelen. Op de kale vlakte zou een dynamische stad verrijzen waar een nieuwe welvaart voor iedereen verbeteringen zou brengen. Het Korps Mariniers, gesterkt door het optreden rond de Maasbruggen en de rol die de Mariniersbrigade bij de dekolonisatie-oorlog om Nederlands-Indië (1946-1949) had gespeeld, zocht zelfbewust naar een rol in de nieuwe krijgsmacht. Hoewel ook andere onderdelen van het Nederlandse leger konden bogen op een sterk en enigszins ‘elitair’ imago, waren het toch vooral de mariniers die deze uitstraling koesterden. De toekenning van de Militaire Willemsorde, de hoogste Nederlandse dapperheidsonderscheiding, aan het korps in december 1946, vormde voor hen een bron van kracht. In het besluit stond dat de mariniers zich ‘schitterend onderscheiden door plichtsbetrachting en strenge discipline’ en ‘in den strijd (hebben) uitgemunt door uitstekende daden van moed, beleid en trouw’, en dat vooral In Rotterdam, op Oost-Java en in de Javazee.[7]

Verbondenheid, verbetering en vernieuwing

Zowel de stad Rotterdam als het Korps Mariniers hebben zich ontwikkeld tot de voorhoede op hun speciale werkterreinen. Ook dit versterkt hun sterke verbondenheid. Maar het streven naar uitstekende prestaties maakt ook kwetsbaar. Het behoeft weinig uitleg dat niet alle initiatieven leiden tot succes en dat niet alle inzichten automatisch goede resultaten opleveren. Zowel de stad als het korps maken ups en downs mee en zijn steeds weer verplicht het sterke imago te bewijzen. Want er zijn altijd krachten, vanuit de eigen gelederen of van buitenaf, die probleemloos handelen in de weg staan.

De verbondenheid gesymboliseerd: presentatie van nieuwe uniformen tegen een Rotterdams decor, 1975. Foto collectie Mariniersmuseum

Rotterdam wil graag een metropool zijn waar alle economische krachtenvelden samenkomen, maar de botsing van handelsstromen en vooral ook van verschillende culturen bemoeilijkt soms de harmonie in de samenleving. Het Korps Mariniers acteert in een vergelijkbare omgeving. Marinierseenheden belanden tijdens missies in allerlei conflicten, waarbinnen chaotische situaties meer regel zijn dan uitzondering. Maar de marinier zoekt altijd naar alternatieven om er onder alle omstandigheden het beste van te maken. De kernwoorden in stad en korps blijven verbetering en vernieuwing; vooruit blijven denken, aanpassen aan veranderde omstandigheden en bereid zijn jezelf steeds opnieuw uit te vinden. Het zijn motto’s die zowel in een mission statement van de mariniers gevonden kunnen worden als in een analyse van een Rotterdamse ondernemer of politicus. Rotterdam: zo wijd de wereld strekt. Het Korps Mariniers: sterker door strijd.

Een viering op een goed moment

Het Korps Mariniers en de stad Rotterdam hebben onafhankelijk van elkaar een sterke verwantschap ontwikkeld. Toen de twee in 1869 ‘vaste’ partners werden herkenden ze de gemeenschappelijke eigenschappen meteen en was er een wederzijdse invloed die de band versterkte. Die verbondenheid werd, vooral in het gevoel van de Rotterdammers, onverbrekelijk door de gebeurtenissen van mei 1940. Sindsdien onderhouden beide partners deze bijzondere band zonder terughoudendheid. Wat daarbij de grens is tussen concrete feiten en sentiment kan moeilijk worden vastgesteld, aangezien de emoties die erbij horen door de tijd veranderen. Veelzeggend is in elk geval dat zowel korps als stad zich prettig voelen in de situatie zoals die nu is. Het 350-jarig bestaan van de mariniers valt op een moment dat de toekomst in Rotterdam voor het korps is veiliggesteld. Een fraaie gelegenheid dus om verantwoord terug te blikken, plechtig te herdenken en gepast feest te vieren. De rijke traditie van het korps mag gekoesterd worden en de vrienden in Rotterdam schuiven graag aan om het glas te heffen, ook daarin vinden korps en stadbewoners elkaar. De grens van land en water heeft beiden veel gebracht, maar net als in beider roemrijke verleden zal het noodzakelijk blijven in de frontlinie te opereren; altijd bereid tot handelen en steeds gericht op de volgende stap. Een synergie tussen ervaring en vernieuwend denken, of zoals de korpsleiding het recent formuleerde: de eeuwenoude traditie binnen een eigentijds perspectief.

* Klaas Kornaat is historicus. Ronald Poetiray is projectmanager doctrine en tactieken bij het Maritime Warfare Centre. Dit artikel is gebaseerd op het boek van Klaas Kornaat, Wereldwijd aan de Maas. Het Korps Mariniers en Rotterdam (Rotterdam, 2010 Uitgevers, 2015). Tevens is gebruik gemaakt van het artikel van Sven Maaskant, ‘Hoedjesmannen, bokkenslingers en zwarte duivels’, in: Korps Mariniers. Leiderschap sinds 1665 (2015) 50-53; alsmede van interne beleidsnotities en interviews met enkele stafleden.

[1]  'Marinier hoort gewoon in Rotterdam', in: Reformatorisch Dagblad, 13 november 2013.

[2] Zie: http://www.persberichtenrotterdam.nl/bericht/81/van-ghentkazerne-blijft-....

[3] Over de Atjeh-oorlog bestaat inmiddels een grote hoeveelheid literatuur, die eenduidig heeft aangetoond dat het hier niet zozeer om een serie expedities ging, maar om een koloniale oorlog die, begonnen in 1873, pas aan het begin van de twintigste eeuw kon worden beëindigd.

[4] Opeenvolgende generaties politici presenteerden de inkomsten uit Indië als een onmisbare basis voor de Nederlandse economie. Hoewel dit in de twintigste eeuw niet meer het geval was, bleef dit sentiment bestaan, het meest pakkend verwoord in de slogan van het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid: ‘Indië verloren, rampspoed geboren’.

[5] De tekst van deze AVRO- radiodocumentaire, uitgezonden op 11 april 1960, is te vinden in het dossier ‘Rotterdam en de mariniers’, archief Carel Nicolas, oud-marinier en initiator van het Mariniersmuseum.

[6] Verslag onthulling Mariniersmonument op 5 juli 1963, dossier ‘Rotterdam en de mariniers’, archief Carel Nicolas.

[7] Koninklijk Besluit (4 december 1946, no. 51).