‘Oorlog tegen waanbeelden’

Interview met Nikko Norte

In zijn boek Onvoorspelbaar Verleden beschrijft oud-militair Nikko Norte zijn ervaringen als inlichtingenspecialist in de Afghaanse provincie Uruzgan in 2006-2007.[1] Hij plaatst kanttekeningen bij de internationale interventie van de International Security Assistance Force (ISAF) en bij het Nederlandse optreden.

 

Nikko NorteOver Nikko Norte

Kapitein b.d. Nikko Norte (Rotterdam, 1964) is een Nederlandse schrijver en blogger. Hij verbleef het grootste deel van zijn volwassen leven in conflictgebieden, is vliegtuig- en helikopterpiloot en bracht in dienst van de Nederlandse krijgsmacht in diverse intellfuncties twee jaar door in de Afghaanse provincie Uruzgan. 

 

Arthur ten Cate en Frans van Nijnatten

Onvoorspelbaar verleden gaat over uw tours als inlichtingenonderofficier bij de eerste twee Battlegroups van de Task Force Uruzgan (TFU). De strekking van uw verhaal is dat ISAF-troepen daar hun eigen vijand creëerden?

Afghanen zijn geen bange en zeker geen laffe mensen. Macht der gewoonte maakt dat zij het gebied waarin zij wonen tegen kwaadwillende indringers beschermen en kwaadwillend is iedere indringer tot het tegendeel is bewezen. Daarnaast werkte de Nederlandse manier van optreden, door bijvoorbeeld te opereren in SUA’s [smallest unit of action] die de omvang hadden van ten minste een peloton, als de bekende rode lap op een stier. Dat optreden straalde angst uit, die er ten onrechte was, en spoorde jonge Afghaanse mannen aan af en toe wat schoten op SUA’s te lossen of er een RPG op af te vuren. De barrage van Nederlands vuur die doorgaans op een paar schoten of een afgevuurde RPG volgde, leidde tot onvrede onder de bevolking en daarmee was een negatieve spiraal ingezet.

Los van het voorgaande had het ingraven van IED’s en het afschieten van 107-millimeterraketten in het relatief kleine Nederlandse inzetgebied voorkomen kunnen worden. Kleine eenheden, één groep, die zich doorlopend door nederzettingen verplaatsten en  niet erlangs, hadden het respect van de bevolking kunnen winnen – ook dat van naar roem dorstende jonge mannen – en hadden die bevolking er als vanzelfsprekend van overtuigd dat zij geen kwaadwillende indringers waren.    

U reisde zomer 2006 van Kandahar Airfield naar Tarin Kowt, Uruzgan, in een zwaarbewapend konvooi met gevechtsvoertuigen en Apache-gevechtshelikopters erboven. U noemt dat ‘onzinnig en een verkeerd signaal’. Wat was dat signaal en aan wie?

Iedere Afghaan die de konvooien zag passeren, begreep dat slechts een handvol transportvoertuigen door een enorme troepenmacht werd beschermd op een weg waar nauwelijks gevaar dreigde. Zoals ik schrijf, reed ik het traject tweemaal met slechts twee Amerikaanse humvees. Overbeveiligde konvooien gaven een signaal van angst af en dat is in Afghanistan niet verstandig, omdat het iets dappers wakker roept bij mensen die zich onder andere omstandigheden niet tot vijandelijkheden hadden laten verleiden. Hetzelfde signaal werd afgegeven met de bouw van een gepantserde stad, waarvan de bouw door overbeveiligd vervoer vertraging opliep. De transporten werden uiteindelijk overgelaten aan Afghaanse vrachtwagenchauffeurs en hun onbeveiligde konvooien werden logischerwijze staande gehouden en geplunderd. Niet per se door taliban of door een vijand van Nederlandse troepen, maar door iedereen die daar zin in had.

Een typische situatie: u beschrijft uw eerste ontmoeting met een militie, bij Spinkechah bij Tarin Kowt, als u op pad bent met Afghaanse militairen. Die militie was een soort drugsbende?

Tijdens deze ontmoeting liet ik me door mijn Afghaanse vriend Wahdat uitleggen dat we op een militie stuitten. Wat voor militie dat was, was iedereen, ook mij, onduidelijk. Milities hadden linksom of rechtsom altijd iets met drugs te maken, om de eenvoudige reden dat de hele Afghaanse economie daarom draait. Welke partij die milities in de drugshandel kozen was onduidelijk, want er was niemand die ook maar een vaag idee had van de structuur van die handel.

Het leggen van bermbommen, dat is toch bepaald geen speelgoed in handen van hooligans?

Het bouwen en ingraven van IED’s in Uruzgan was initieel het werk van amateurs. Een duidelijke reactie van Nederlandse troepen op de dreiging bleef uit – mijn voorstel was de wegen die gevoelig waren voor het ingraven van IED’s onder permanente waarneming te houden, wat eenvoudig mogelijk was geweest – en dus boekten de bouwers en de ingravers van IED’s successen die betere bommenbouwers en ingravers aantrokken. IED’s, zeker in de eerste twee jaar van de Nederlandse inzet in Uruzgan, waren dus speelgoed in handen van hooligans en om dat in perspectief te plaatsen: u en ik knutselen veel van de in Uruzgan ingegraven IED’s met weinig moeite in elkaar. Voor zulke IED’s was geen organisatie nodig. Alle materialen waren vrij voorhanden en de kennis om een IED te bouwen kon overal worden opgedaan. Meer en meer mengsels van diesel en kunstmest werden gebruikt, wat aangeeft – maar niet per se bewijst – dat er geen aanvoer van gedegen hoofdladingen voor IED’s was, zoals in andere provincies.

U was ook in Ali Sherzai, de hoofdbazaar van Chora in het noorden van de Baluchivallei, vlak na de eerste aanval daar, in juni 2006. Was het geen aanval van de Taliban, maar drugsgerelateerd?

Wat ik in juni 2006 leerde over de ‘aanval’ op Chora was dat er twee pick-uptrucks met gewapende mannen het dorp in waren gereden, dat een aantal politieagenten – voor zover de mensen onder het bevel van politiecommandant Gul die naam waardig waren – klappen had gekregen en dat er was geprobeerd brand te stichten in een door de Amerikanen neergezet gebouw dat zij (de Amerikanen) ‘school’ noemden. Uiteraard was een en ander drugsgerelateerd, maar hoe precies, was onduidelijk. De mensen die van een pak slaag een aanval maakten, werden door de lokale bevolking gekscherend ‘dolari’ genoemd: mensen die hun moeder voor een paar dollar zouden verkwanselen. De gevolgen van het opwaarderen van ‘dolari’, die doorgaans een paar woorden Engels spraken, tot informant had verstrekkende gevolgen.

Het narratief was altijd, onder meer door dergelijke gevechtsacties in districtscentra, dat het in Zuid-Afghanistan wemelde van de Talibanstrijders (georganiseerd Talibanverzet). Ook de Amerikanen, Australiërs en Emiraten vochten er behoorlijke veldslagen uit voordat Nederlandse troepen in 2006 arriveerden.

Ik zie het als een groot waanbeeld. Uruzgan was voor westerse troepen de provincie bij uitstek om roem te vergaren, juist omdat het er structureel aan een werkelijke vijand ontbrak en het er wemelde van de ‘dolari’. Ik nam deel aan twee elkaar opvolgende acties in de Baluchivallei, Operation Perth en een operatie die door het Nederlandse KCT werd uitgevoerd. Iedereen die die acties als juist of noodzakelijk beoordeelt, nodig ik uit om samen met mij een uurtje op Google Earth naar de Baluchivallei te staren. Een kinetische actie in de Baluchivallei tegen een niet als zodanig identificeerbare vijand is onmogelijk te rechtvaardigen en had dus ook niet mogen worden uitgevoerd, waarmee ik terugkom op mijn stelling dat bijvoorbeeld de Baluchivallei de plek bij uitstek was om roem te vergaren en niet om tot oplossingen van problemen te komen. De Australiërs noemden Operatie Perth hun eerste veldslag sinds Vietnam. Dat er op troepen die de Baluchivallei introkken werd geschoten, is logisch, maar dat wil niet zeggen dat er een vijand was.

Baluchipas AVDD

Groene zone bij de Baluchipas, ingang naar de Chora vallei. Foto Beeldbank NIMH (AVDD, Juul Platenburg)

Bij uw eerste vuurgevecht in Surk Murgab (Derafshan) met het Afghan National Army en de Amerikanen vroegen jullie je af: tegen wie vechten we eigenlijk?

Het was mij tijdens mijn eerste vuurgevecht onduidelijk tegen wie we vochten. Daar kwam bij dat we elkaar al na een paar minuten kwijt waren en iedereen feitelijk individueel aan het knokken was tegen een vijand die, zoals dat altijd is in landen als Afghanistan, onzichtbaar was. Pas een dag later kwam ik er achter wat de oorzaak van dat bewuste gevecht was. Veel mannen in de strijdbare leeftijd waren vanwege Operatie Perth de Baluchivallei ontvlucht en hielden zich schuil in nederzettingen ten noorden en zuiden van de vallei. Ten zuiden van de vallei had een Nederlands peloton in YPR’s een heuveltop bezet zonder dat wij daarvan op de hoogte waren. Zoals ik in mijn boek schrijf, waren dat waarschijnlijk de eerste rupsvoertuigen sinds lange tijd in de regio en dat hun aanwezigheid tot onvrede leidde, laat zich raden. De YPR’s – tanks in de ogen van de lokale bevolking – vormden een te geduchte tegenstander om aan te vallen; wij vormden dat niet.

In oktober 2006 trekken Nederlandse SF door de Baluchivallei en raken diverse malen in gevecht, met de inzet van zwaar kaliber-wapensystemen. U observeert weer: hooligans, die ‘geen idee hadden wat ze over zich afriepen’, losten wat schoten en de Nederlandse commandotroepen vochten overweldigend terug.

Als ik in de Baluchivallei had gewoond, had ik niet anders gereageerd dan de bevolking daar deed tijdens de inval van Nederlandse SF. Als Nederlandse psychologen bij de planning van die actie waren betrokken, hadden zij waarschijnlijk dezelfde conclusies getrokken als ik, en zij hadden die mogelijk in een waarschuwing verpakt. Operatie Perth werd uitgevoerd door een bataljon, de Nederlandse SF-operatie door een kleine eenheid. Voor die kleine eenheid ging niemand in de Baluchivallei op de vlucht en geen bewoner van de Baluchivallei kon weten dat het een SF-eenheid was, met alle moderne middelen om met overweldigend geweld te reageren op ieder (logisch) schot dat de bevolking loste.

U spreekt consequent van oppositie en hooligans, niet van vijand. Hebben politiek en media een verkeerd beeld geschetst van de situatie in Afghanistan, en vanuit welk belang?

De politiek, in het geval van Uruzgan, was er slechts in geïnteresseerd een vlaggetje op de kaart van de wereld te plaatsen. Een vlaggetje dat aangaf dat Nederland militair present was in Afghanistan. De troepen die daadwerkelijk in Uruzgan waren gelegerd, kregen de vrijheid naar eigen goeddunken te handelen. Journalisten, die een en ander hadden moeten bewaken, werden om de tuin geleid. Het boek van journalist Joeri Boom is in dat opzicht verontrustend verhelderend.[2] Maar de pers fopte ook zichzelf door te focussen op de controverse wederopbouwmissie/gevechtsmissie.

U benoemt in uw boek niet echt de hoofdbazen van de drugsbendes, maar Amerikanen, Australiërs en Nederlandse commando’s vochten reeds ver voor de zomer van 2006 en de aankomst van de TFU ten gunste van bijvoorbeeld oud-gouverneur Jan Mohammed, naar verluidt een grote speler in het lokale drugsnetwerk. Waren het onder meer zijn milities waar u op doelt?

Ik benoem geen hoofdbazen van drugsbendes omdat ik die niet ken en een gedegen structuur van de drugshandel, zoals wij die graag zien, in Afghanistan ook niet bestaat. Het is een drugshandel van opportunisten, met uitzondering van de boeren die verantwoordelijk zijn voor de verbouw van het basisproduct. Ook in Nederland is de drugshandel er een van en voor opportunisten: wie vandaag de baas is, kan morgen buitenspel gezet zijn. Het verschil is dat Nederlandse drugshandelaars niet door onze overheid of door een buitenlandse macht worden ondersteund. Daarbij moet worden opgemerkt dat in Uruzgan zelfs mensen werden ondersteund die initieel niets met de drugshandel te maken hadden, maar die de Nederlanders onbewust in het zadel hielpen omdat de verhalen die deze mensen (‘dolari’) opdisten  – half begrepen vanwege de taalbarrière – te makkelijk voor waar werden aangenomen. Militieleiders – als de mensen die zich als zodanig presenteerden dat al waren – wilden geld en wapens. Wat zij daar vervolgens mee deden, werd bepaald door opportunisme, niet door de idealen die zij predikten.

Een ander voorbeeld: buitenpost Martello in Noord-Kandahar. U schrijft dat uw compagnie de geschiedenis inging als de eenheid die in september 2006 een Talibanaanval op Martello afsloeg. Maar het was eigenlijk geen aanval van de Taliban?

Ik kreeg tot ongenoegen van de commandant ter plekke de vrijheid er iedere dag op uit te trekken met een groep soldaten. Al de eerste dag kon ik ontkrachten dat een aanval was uitgevoerd vanaf de mij aangewezen locaties. De dagen die volgden vond ik de locaties die gebruikt waren om vuur uit te brengen op Kamp Martello, dat niet was aangevallen, maar  beschoten, een groot verschil. De Taliban zou Kamp Martello onder geen beding hebben aangevallen; er was geen motief. Zestig militairen die zich opsluiten in een kamp! Geen Taliban is zo dom die militairen daar niet rustig te laten zitten. Zelfs eer was er met een aanval op Kamp Martello niet te behalen en vertaald naar Afghaanse normen was er dus geen belang. Kamp Martello vormde geen bedreiging voor de drugshandel of voor Talibanstrijders – als die al in het gebied aanwezig waren geweest – en was dan ook beschoten door hooligans, met precies de reactie waarop zij hoopten: paniek. Er waren overigens weinig Nederlandse militairen in Kamp Martello die mijn mening in dezen niet deelden.

FOB Martello AVDD

FOB Martello. Foto Beeldbank NIMH (AVDD, Paul Verheul)

Waren het eigenlijk geen stammengeschillen, zoals ook wel werd gezegd, bijvoorbeeld Popolzai versus Ghilzai, die in Uruzgan speelden?

Uiteraard waren er in Uruzgan stammengeschillen, maar zoals ik in mijn boek uiteenzet speelden die in het dagelijks leven nauwelijks een rol. ‘Dolari’ deden desgevraagd graag hun voordeel met die stammengeschillen, maar zolang niemand antwoord kan geven op de vraag wat er in Nederland in het dorp Schubbekutteveen zal gebeuren als het CDA ten opzichte van de VVD twee zetels wint in het college van burgemeesters en wethouders heeft het geen zin ons te verdiepen in de stammenverhoudingen in Uruzgan. In een situatie zoals in Uruzgan is er maar één ding om voor op te passen: is er een gebied, onder invloed van een bepaalde stam of niet, waar het opleidingsniveau van mensen hoger ligt dan in andere gebieden? De mensen in zo’n gebied spreken doorgaans beter Engels en kunnen beter met buitenlandse troepen communiceren, maar mogen om die reden niet omarmd worden, moeten juist enigszins gewantrouwd worden.

U zegt dat we ons hebben gemengd in een insurgency, met een niet goed onderbouwd plan om als ‘zendelingen’ via wederopbouw en een hearts and minds-campagne democratie te brengen, waar in Afghanistan geen behoefte aan is. Als de ‘inktvlekstrategie’ niet werkte, hoe hadden we het dan moeten aanpakken?

Iemand – een natie – die Afghanistan wil democratiseren, moet er mijns inziens wegblijven. Daarnaast was het management van de Nederlandse krijgsmacht in 2006 niet in staat een missie zoals in Uruzgan tot een goed einde te brengen en het bewijs daarvan is geleverd. Er was in het geheel geen plan van aanpak en om eerlijk te zijn was dat ook niet per se noodzakelijk. De Nederlandse krijgsmacht had wel moeten weten hoe op te treden in een gebied zoals Uruzgan om het ingraven van IED’s en het afschieten van 107-millimeterraketten te voorkomen en om het vertrouwen van de bevolking te winnen: met kleine, zich snel verplaatsende eenheden waarvan de leden links, rechts, overal en vooral onvoorspelbaar hun lachende gezichten laten zien. De krijgsmacht had de flexibiliteit moeten hebben om snel van strategie te wijzigen. Dat was onmogelijk omdat er boven de battlegroups een waterhoofd aan management hing dat te kort diende in Uruzgan om een idee te hebben of te ontwikkelen van wat daar gebeurde. Een man zoals bijvoorbeeld [commandant van de eerste Battlegroup] Piet van der Sar, samen met zijn staf, vormde genoeg management om zekere doelen te bereiken in Uruzgan. De staf van het 12e bataljon had ten minste een jaar in Uruzgan moeten blijven en had deel voor deel moeten worden afgelost.

Het verkeerde vijandbeeld heeft uiteindelijk veel Afghanen het leven gekost, zegt u. Neem bijvoorbeeld wat u het ‘spotterdrama’ noemt. Wat was dat?

Het spotterdrama beschrijf ik pas in het vervolg op Onvoorspelbaar verleden, maar het was gebaseerd op een interessante, voor Afghanen levensgevaarlijke, blinde vlek in de Nederlandse communicatie. Voor het bestempelen van een Afghaan als spotter golden strakke regels. Eenheden te velde noemden iedere Afghaan met een walkietalkie of een radiootje die ze waarnamen een spotter. Via de radio werd de ops om toestemming gevraagd voor het bevuren van de waargenomen spotter. De legad, die daarover zijn veto uitsprak, ging er in vrijwel alle gevallen waarvan ik getuige was vanuit dat de commandanten van eenheden te velde de regels aanhielden voor het aanmerken van een Afghaan als spotter en gaf daarom het advies ‘vuren-vrij’, zonder te controleren of de te bevuren Afghaan werkelijk aan alle ‘spotter-eisen’ voldeed. En die eisen gaan zover dat vrijwel niemand in Uruzgan werkelijk als spotter kon worden aangemerkt.

U zegt dat u kon ‘leven in de hoofden van de oppositie’ en hebt scherpe kritiek op inlichtingenanalisten van de MIVD, die zouden hebben meegeholpen aan het creëren van een irreëel vijandbeeld. U vindt dat er van tevoren te weinig studie gemaakt is van de politieke, culturele en economische situatie in Uruzgan, waardoor de werkelijke situatie niet in rapporten belandde. Of was die informatie er wel, maar is die genegeerd?

Het was niet nodig van te voren studie te maken van de politieke en algehele situatie in Uruzgan. Nederlanders hadden met vragen de provincie in moeten trekken, niet met antwoorden. Die antwoorden werden ook nog ingegeven door inlichtingenanalisten die van toeten nog blazen wisten, te jong en onervaren waren en zich lieten leiden door wat zij als logisch veronderstelden. Een inlichtingenofficier – ik ben daarin duidelijk in mijn boek – die zich wil indekken voor iedere calamiteit die zich in een inzetgebied kan voltrekken, is geen knip voor zijn neus waard en maakt dat de troepen bang voor hun eigen schaduw het voorterrein in trekken. Dat was precies wat er in Uruzgan gebeurde, met alle gevolgen van dien. ‘Ik weet het niet’, was op veel vragen een goed antwoord geweest. Het was echter een antwoord dat geen medewerker van de MIVD die ik ken ooit durfde geven. Individuele soldaten waren beter in staat een beeld van de situatie in Uruzgan aan hun meerderen door te geven. Als slechts hun ervaringen hadden geteld in Uruzgan en als zij, zoals ik, de vrijheid hadden gehad om die ervaringen onbevlekt op te doen, dan had de missie een ander verloop gekregen.

In het late voorjaar van 2007 is er de Slag om Chora. Ook dat was geen Talibanoffensief?

Zoals ik in mijn boek duidelijk stel had de Taliban – als die al bestond in Uruzgan – geen enkele aanleiding voor een offensief tegen Nederlandse troepen in Chora. Voor geen enkele gewapende macht bestond een dergelijk motief. Motieven voor beschietingen van politieposten waren er te over (drugsgerelateerd), maar geen Afghaan, wat zijn affiliatie ook was, zou een offensief hebben overwogen. De Slag om Chora had voorkomen kunnen worden en had voorkomen moeten worden, maar dat was lastig omdat de hoogste bevelvoerders een vijand, van wie het bestaan niet bewezen kon worden, insignificant wilden maken.

In een verklaring van 14 juli 2020 noemt de NAVO het huidige geweld in Afghanistan – ‘driven especially by Taliban attacks against Afghan National Defense and Security Forces’– onacceptabel en zegt de missie Resolute Support te zullen voortzetten. Gaat de NAVO ten onrechte nog steeds uit van de Taliban als vijand, of is de situatie in Afghanistan intussen toch veranderd?

Het is tot op de dag van vandaag onduidelijk wie of wat de Taliban is en het is onverstandig voor een aanpak in Afghanistan te kiezen gebaseerd op de aanwezigheid van een organisatie die zich Taliban noemt. Afghanistan is een land dat draait op opportunisme en dat de grootste exporteur van opium van de wereld is. Met die laatste twee zaken als uitgangspunt kan worden gezocht naar een manier het land te stabiliseren, waarbij de hoofdvraag luidt: moet een buitenlandse mogendheid zorgdragen voor stabilisatie in Afghanistan of zorgt de aanwezigheid van buitenlandse troepen in Afghanistan al bijna twintig jaar voor destabilisatie? Wat ‘acceptabele vrede’ in de ogen van de bevolking van Afghanistan is lijkt mij een vraag waarop een antwoord moet komen voordat buitenlandse militairen nog een stap zetten in Afghanistan. Het probleem is dat de belangen van landen die zich mengen in het realiseren van vrede in Afghanistan uiteenlopen en weinig te maken hebben met de belangen van de bevolking daar. De Nederlandse wederopbouwmissie in Uruzgan is daarvan een goed voorbeeld. Nederland deed mee! Waaraan wist niemand.

U ging in 2007 terug voor een tweede periode bij de TFU?

Ja, daarover vertel ik in het vervolg op Onvoorspelbaar verleden, waarvan het manuscript zo goed als voltooid is.

 

[1] Nikko Norte, Onvoorspelbaar Verleden. De Nederlandse oorlog tegen de niet-bestaande vijand in Afghanistan (Amsterdam, Prometheus, 2020, 304 blz.).

[2] Joeri Boom, Als een nacht met duizend sterren. Oorlogsjournalistiek in Uruzgan (Amsterdam, Uitgeverij Podium, 2010).