Je wordt bedankt, Bin Laden

Jorrit Kamminga: Nederland heeft morele plicht tegenover Afghanistan

In zijn boek Je wordt bedankt, Bin Laden kijkt Jorrit Kamminga terug op de Nederlandse missies in Afghanistan, het politieke debat en zijn eigen werk dat hij er deed. Ook hij heeft de laatste weken, bij de snelle aftocht van de coalitie, veel ‘zogenaamde deskundigen’ zien opstaan. Dat iedereen wat van Afghanistan vindt is volgens hem prima en goed om de ‘Afghanistan-moeheid’ van de afgelopen jaren te doorbreken, maar wat hem stoort is dat veel mensen op afstand denken het land te snappen of uit te kunnen leggen. Kamminga trekt zijn eigen conclusie: er is te weinig gedaan om een politieke oplossing te vinden. ‘Afghanistan is niet maakbaar en zeker niet van buitenaf. Dat is de grootste les van de afgelopen twintig jaar’.

Jorrit Kamminga

 

Dr. Jorrit Kamminga (1976) studeerde internationale betrekkingen en is als senior fellow verbonden aan Clingendael. Hij werkte vanaf 2005 in Afghanistan, onder meer als onderzoeker in Helmand en Kandahar. Zijn focus ligt vooral op het snijvlak van veiligheid en ontwikkeling. Zijn boek Je wordt bedankt, Bin Laden. 20 jaar Nederland in Afghanistan (2001-2021) verschijnt op 11 september.[1]

 

Uw timing is uitermate interessant: een boek over een langdurige buitenlandse interventie op het moment dat die compleet is ingestort. Wat zijn uw gevoelens daarover?

Het zijn heel gemengde gevoelens. Toen de Amerikaanse president Biden in april aankondigde dat de deadline voor de terugtrekking 11 september was en dat precies samenviel met het verschijnen van mijn boek, leek het nog wel aardig. Toen had ik het idee dat het verhaal in mijn boek mooi rond zou zijn, van het begin tot het einde van de internationale missies. Mijn uitgever zei gekscherend: ‘Je wordt bedankt, Biden’. Maar met de opmars en uiteindelijk de machtsovername van de Taliban kreeg het steeds meer een bittere nasmaak. Terwijl je na 2,5 jaar schrijfwerk blij zou moeten zijn dat het boek af is, kreeg ik er een steeds slechter gevoel over. De laatste loodjes waren een hel: steeds het boek iets actualiseren met steeds slechtere ontwikkelingen voor Afghanistan. Ik voegde op een gegeven moment in het nawoord een tabel toe met de door de Taliban veroverde steden. Die tabel werd elke dag langer. Het was een onwerkelijke situatie en het gaf me een zeer vervelende kriebel in mijn buik. Dat werd na de val van Kabul nog erger, toen ik zelf ook Afghaanse vrienden en oud-collega’s probeerde te helpen om het land uit te komen. Mijn boek moest af, maar mijn gedachten waren elders.

Hoe kijkt u aan tegen de huidige ontwikkelingen in Afghanistan en de snelle opmars van de Taliban?

Ik denk dat niemand de snelheid van de opmars heeft voorspeld. We waren toch een beetje in slaap gesukkeld met het idee dat er een intra-Afghaans vredesproces was – hoe gebrekkig dan ook – en dat de terugtrekking van de troepen daar juist ook een positieve uitwerking op zou hebben. Het was immers altijd al de politieke eis van de Taliban. Ik had zelf verwacht dat de Taliban hun sterke positie in Doha zouden gebruiken om uiteindelijk tot een gedeelde regering te komen, waarin ze een grote stempel zouden drukken op de politieke richting van het land. Dat was voor het Westen geen ideale uitkomst geweest, maar het zou in ieder geval een Afghaanse oplossing geweest zijn. En in die zin waarschijnlijk duurzamer dan alles wat wij de afgelopen twintig jaar geprobeerd hebben.

Je wordt bedankt Bin Laden

Inlichtingendiensten van andere landen moeten toch meegekregen hebben dat Frankrijk begonnen was met de evacuatie van zijn staatsburgers uit Afghanistan. Waarom is er uiteindelijk zo’n chaotische aftocht ontstaan?

In de Verenigde Staten kwamen er afgelopen zomer ook inlichtingenrapporten uit met zeer pessimistische voorspellingen. Maar Biden reageerde daar laconiek op. Het zou allemaal niet zo’n vaart lopen. Door die houding hebben denk ik ook andere landen te laat beseft dat het menens was. Dat is echter geen excuus voor de slechte uitvoering van de evacuatie. Ook zonder de opmars van de Taliban lagen er al plannen klaar. In politiek Den Haag werd maandenlang gesproken over het evacueren van de tolken. Dan moet je wel in staat zijn om een evacuatie beter en sneller uit te voeren. De kritiek op het demissionaire kabinet is terecht. Het was een pijnlijke ervaring en die werd maar deels verzacht door de voortreffelijke inzet van de mensen van het evacuatieteam ter plekke en alle andere Nederlanders die op afstand steun boden. Dat vond ik wel schrijnend: dat er ‘nieuwe helden’ moesten opstaan zoals de veteraan Roy Grinwis en het Kamerlid Derk Boswijk om de evacuatie nog enigszins goed te laten verlopen. Dat was toch niet het einde van twintig jaar Nederland in Afghanistan waar we op gehoopt hadden.

U lijkt te impliceren dat de VS en de coalitie tien jaar geleden, na de dood van Bin Laden, al weg hadden moeten gaan.

Ik schets in mijn boek de afgelopen twintig jaar als een enorme overreactie op een terroristische aanslag. Maar de dood van Bin Laden speelt later eigenlijk geen rol. Hij zat bovendien in Pakistan, dus dan zou een onmiddelijke terugtrekking wel een heel raar signaal zijn geweest: ‘sorry, hij zat toch elders, dus dan gaan we maar weg’. We zaten er natuurlijk al lang niet meer alleen vanwege Bin Laden. We kwamen vanaf 2001 al meteen vast te zitten in een groef van een onrealistisch staatsopbouwproject. Dat heeft ervoor gezorgd dat we veel te lang in Afghanistan zaten. Ik denk dat we ons hadden moeten beperken tot de eerste doelstellingen van ISAF: zorgen voor basisveiligheid en stabiliteit ter ondersteuning van de Afghaanse regering en politieke rust. Dan hadden we eerder naar huis gekund, maar alleen als we wel bereid waren geweest om volop naar een politieke oplossing te zoeken. Dat verwijt ik Nederland en de internationale gemeenschap het meest: dat we twintig jaar lang niet genoeg gedaan hebben om een politieke uitweg te vinden voor het conflict.

U spreekt van een ‘terror-industrial complex: een zichzelf instandhoudende, geldverslindende industrie die draaiende gehouden wordt door de opgeklopte angst voor terrorisme, en over 9/11 als een ‘banenfabriek’. Hebben andere landen zich te gemakkelijk door de VS laten meenemen in de geldverslindende War on Terror, en te weinig gedaan om een eigen beleid te creëren?

Achteraf kun je dat inderdaad stellen, maar het was ook heel moeilijk om niet mee te gaan met de Amerikanen. Na 9/11 kon Nederland niet aan de zijlijn blijven staan. En daarna waren we op veel vlakken afhankelijk van wat de Amerikanen in Afghanistan deden. De Nederlandse politiek heeft echter wel geprobeerd afstand te nemen van de Amerikaanse strijd tegen terrorisme. De Enduring Freedom-missie was nooit populair en de oppositie wilde die missie ook altijd strikt gescheiden houden van ISAF. Ook was er, vooral vanaf 2005, in de Tweede Kamer openlijk kritiek op de Verenigde Staten. Er was bijvoorbeeld ophef over een rapport van Human Rights Watch dat meldde dat Amerikaanse en coalitietroepen onder Enduring Freedom willekeurig burgers arresteerden, buitensporig geweld gebruikten bij arrestaties en gedetineerden mishandelden. De schrik zat er toen goed in vanwege de onthullingen een jaar eerder van de martelingen in de Abu Ghraib-gevangenis in Irak.

Ook was Nederland het openlijk niet eens met de Verenigde Staten over Washingtons interpretatie dat strijders van al-Qaida en de Taliban unlawful combatants waren, waardoor ze geen recht zouden hebben op bescherming op grond van de Geneefse Conventies. Nederland kaartte dit in Washington ook aan, maar onze invloed is natuurlijk zeer beperkt. Je kunt zoiets niet op de spits drijven als je in Afghanistan militair afhankelijk bent van de Amerikanen, bijvoorbeeld op het gebied van transport en logistiek.

Is de Nederlandse Afghanistan-politiek altijd te veel met de strijd tegen terrorisme verbonden geweest, in plaats van met andere factoren?

Die strijd was na 9/11 niet alleen de ouverture, maar bleef vervolgens altijd als een tweede stem op de achtergrond te horen. In de Tweede Kamer waren er ruwweg twee tegenstrijdige opstellingen. Aan de ene kant de wens om afstand te nemen van de War on Terror. Vooral de PvdA, de SP en GroenLinks drongen hier op aan. Aan de andere kant de oproep om juist meer te doen in de jacht op terroristen. De VVD bleef bijvoorbeeld bij de link met 9/11 om onze aanwezigheid in Afghanistan te verantwoorden. En een partij als de PVV is tegen de meeste missiebijdrages, maar juist wel voor een robuuste aanpak van terrorisme in Afghanistan.

Uiteindelijk blijkt dat de ISAF-missie nooit volledig te scheiden is geweest van Enduring Freedom. Eind 2007 geeft de minister van Defensie, Eimert van Middelkoop ook al toe dat het onderscheid tussen beide missies betekenisloos is geworden. Het probleem is vooral dat, vanwege de aanhoudende strijd tegen het terrorisme, de ontwikkeling van Afghanistan twintig jaar lang nooit als doel op zichzelf is komen te staan.

Hoe zijn de besluitvormingsprocessen en de debatten in de Tweede Kamer geweest en hoe hebben opeenvolgende regeringen de missies (opbouwen of vechten) in verschillende delen van Afghanistan steeds omschreven?

In vijf hoofdstukken reconstrueer ik in mijn boek twintig jaar Kamerdebat. Dat bleek bijna een te grote klus te zijn, maar ik wilde niet leunen op eerdere boeken waarin delen van de besluitvorming al besproken werden. Ik wilde echt mijn eigen analyse maken, met de hoop dat dit ook nieuwe inzichten zou opleveren. Anders zou het een soort navertellen uit tweede of derde hand worden. Ik twijfelde nog wel even of ik toch niet wat sprongetjes moest maken in de tijd, maar uiteindelijk lukte het om toch alle Kamerstukken door te ploegen.

In de Haagse werkelijkheid, die ik in mijn boek tegenover de Afghaanse werkelijkheid plaats, zie je twintig jaar lang vooral een wondere wereld met veel moddergooien en een wildgroei aan oneliners, ludieke woordspelingen, simplificaties en kunstmatige tegenstellingen. Daar is de discussie over vecht- of opbouwmissie ook onderdeel van. Het onderscheid tussen ISAF en Enduring Freedom ook. Die discussies hebben vaak afgeleid van het werk dat we binnen de verschillende missiebijdrages in Afghanistan probeerden te doen. In die zin bleef er een grote kloof tussen de Afghaanse en Haagse werkelijkheid. Wat we in de Haagse werkelijkheid ook afspraken of bedachten, de Afghaanse werkelijkheid haalde het snel weer in.

Foto ISAF William White

Herdenking van de slachtoffers van de aanslagen van 9/11 op het vliegveld van Kabul, 11 september 2014. Foto ISAF, William White

Het is interessant dat alle discussie en onenigheid in politiek Den Haag eigenlijk twintig jaar lang niet veel invloed hebben op de missiemachine. We blijven gewoon bijdragen. Alleen bij de beoogde tweede verlenging van Uruzgan, in 2010, gaat het feest niet door. Dat komt denk ik vooral door wat ik ‘het politieke midden’ noem, een groot blok van linkse, rechtse en centrumpartijen. Ik schrijf in mijn boek: ‘Het fenomeen van het dominante politieke midden is opvallend. De eensgezindheid is opmerkelijk; het gevolg van deze blokvorming des te meer: het zorgt voor een constante in het Nederlands buitenlands beleid. Op basis van internationale solidariteit, moreel plichtsgevoel of buitenlandse ambities blijven al deze partijen meestal akkoord gaan met missiebijdrages. Het gedeelde idealistische buitenlands beleid zorgt ervoor dat geen enkele partij in dit blok consequent tegenstemt’. Omdat dit blok met rond de honderd Kamerzetels tweederde van de stemmen vertegenwoordigt, is een brede Kamersteun eerder regel dan uitzondering en bijft de missiemachine draaien.

In zijn boek The Afghanistan Papers. A Secret History of the War zegt auteur Craig Whitlock dat er in Washington gelogen is over zogenaamde vooruitgang en resultaten in de interventie in Afghanistan.[2] Hoe zijn Nederlandse politici en militairen hier mee omgegaan?

Het is in Nederland toch vooral pappen en nathouden. Na de verschijning van de Afghanistan Papers[3] vraagt Sadet Karabulut (SP) een Kamerdebat aan. Haar boodschap is dat ook het kabinet in Nederland informatie heeft achtergehouden en de Kamer en de bevolking heeft voorgelogen. Ze gebruikt hierbij handig de dan beschikbare post-missiebeoordeling van de Kunduz-missie, omdat daarin onder andere staat dat de situatie ‘rooskleuriger werd voorgedaan dan deze in werkelijkheid was’. De rest van de oppositie is hierover wel verontwaardigd, maar alleen de PVV gaat mee in de andere conclusie die Karabulut uit de Afghanistan Papers trekt: dat de ‘permanente oorlog’ mislukt en zinloos is. De rest van de Kamer dringt vooral aan op het ‘leren van fouten’ en ziet, ook na de post-missiebeoordeling van de Kunduz-missie, een ‘positief saldo.’ Het kabinet krijgt, zoals Sjoerd Sjoerdsma (D66) het zegt, ‘een gele kaart voor onjuist informeren’ over Kunduz, maar het wordt geen rode kaart. Dat is eigenlijk steeds zo. Er is bijvoorbeeld ook veel ophef over de vaststelling dat Nederlandse ambtenaren en onafhankelijke onderzoekers vaak druk voelen om positief te rapporteren over de voortgang en resultaten van missiebijdrages. Het kabinet reageert daarop door een artikel te plaatsen op het intranet voor alle rijksambtenaren met de oproep om vooral ‘waarheidsgetrouw’ te rapporteren, ook als de feiten minder positief zijn dan verwacht. Er is nooit een krachtige respons. We trekken lessen en evalueren graag, maar de missiemachine bleef twintig jaar lang gewoon bijna kritiekloos doordraaien.

De toenmalige Sovjet-Unie liep zich militair totaal stuk in Afghanistan. Waarom dachten de VS en andere westerse landen dat zij wel zouden slagen? En deed Nederland mee tegen heug en meug of uit overtuiging?

Ik maakte in 2009 samen met Chronoscoop een documentaire over de Russische inmenging, ‘Afghanistan: Land of Wonders’. Toen vroegen Russische veteranen ons al waarom Nederland in hemelsnaam in Uruzgan zat. Dat was voor de Sovjet-Unie geen strategische plek. Ik schreef eerder over die gesprekken in De Groene Amsterdammer. Wij slaagden er natuurlijk in om snel het Taliban-regime te verslaan. Daar waren in 2001 maar een paar weken voor nodig. Waar het mis ging, was het ambitieuze staatsopbouwproject dat we ook meteen lanceerden. Daar deed Nederland vooral aan mee vanwege ons idealistische buitenlands beleid. We willen internationaal bijdragen aan vrede, veiligheid en rechtsorde. Dat is ook vastgelegd in onze Grondwet. We overschatten daarmee echter volledig de maakbaarheid van dit soort landen. Afghanistan is niet maakbaar en zeker niet van buitenaf. Dat is de grootste les van de afgelopen twintig jaar.

Wat bedoelt u met de conclusie dat het trainen en coachen van Afghaanse veiligheidstroepen nuttig geweest is, maar dat de ‘militaire aanpak uiteindelijk twintig jaar te dominant is geweest?’

Wij zijn goed in trainen. Ik denk dat we daar een zeer belangrijke bijdrage geleverd hebben. Het is te makkelijk om te zeggen dat het veiligheidsapparaat als een kaartenhuis in elkaar stortte vanwege onze trainingsinspanningen. Daar heeft het zeker niet aan gelegen. Waar ik op doel is dat het overkoepelende raamwerk twintig jaar altijd vooral militair is geweest of in ieder geval in dienst van militaire doelstellingen heeft geopereerd. Zelfs onze civiele missies kregen uiteindelijk een militair karakter vanwege de noodzaak tot force protection. Onze andere twee ‘D’s’, development en diplomatie, hebben altijd in de schaduw gestaan van de militaire aanpak. Dat had juist andersom moeten zijn.

U noemt uzelf liever geen Afghanistan-expert of deskundige, maar Afghanistanvolger. Is de situatie in Afghanistan zo complex, ook gezien de belangen die andere landen er hebben, dat uitspraken over ontwikkelingen moeilijk zijn?

Er zijn de afgelopen weken weer heel veel opiniemakers en zogenaamde deskundigen opgestaan. Sommigen hadden al jarenlang niets meer over Afghanistan gezegd. Anderen hadden nog nooit iets over het land gezegd. Ik vind het geen probleem dat iedereen wat van Afghanistan vindt. Dat is juist goed om de Afghanistan-moeheid van de afgelopen jaren te doorbreken. Maar ik stoor me wel aan het feit dat veel mensen op afstand denken Afghanistan te snappen of uit te kunnen leggen. Hoe meer je Afghanistan volgt, hoe meer je ziet dat het steeds ingewikkelder in elkaar zit dan je eerst dacht. Ik denk dat we heel bescheiden moeten zijn met wat we denken te weten over Afghanistan. Vooral op afstand is het zo makkelijk om iets te roepen of om iets te duiden. Ik doe daar natuurlijk ook aan mee, maar ik geef wel openlijk toe hoe weinig mijn mening eigenlijk waard is. Vandaar ook dat ik het nodig vond om het zo op te schrijven in mijn boek.

Foto US Army Jessi Ann McCormick

Australische militairen patrouilleren in Uruzgan, 2013. Foto U.S. Army, Jessi Ann McCormick

Het land is zelf complex, maar de regio maakt het inderdaad nog vele malen ingewikkelder. Dat maakt het vredesproces ook zo lastig. Je bent voortdurend op twee schaakborden aan het schaken, een nationaal en een internationaal bord, waarbij verschillende, vaak tegenstrijdige belangen op een of andere manier allemaal hun weg moeten vinden in een voor iedereen acceptabel vredesakkoord. Ik zeg daarom ook niet in mijn boek dat een politieke oplossing makkelijk is. Ik zeg alleen dat we veel meer hadden kunnen doen de afgelopen jaren om die oplossing dichterbij te brengen.

U spreekt over drie transities in Afghanistan, die alle drie mislukt zouden zijn: veiligheid, economie en politiek. Nederland en andere landen hebben veel effort in ISAF gestopt en in economische en politieke programma’s. Wat hebben die Afghanistan dan uiteindelijk gebracht?

Het is belangrijk om bij de vraag of het iets opgeleverd heeft vooral te kijken naar het grotere plaatje. Er wordt nu veel te veel alleen maar naar de missiebijdrages gekeken. Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zaten al ver voor 2001 in Afghanistan en zullen er ook de komende jaren gewoon zijn. Daarom heeft het geen zin om alleen naar de Nederlandse bijdrage in, bijvoorbeeld, Baghlan te kijken. Ik snap best waarom de Nederlandse media dat vooral doen, maar het geeft een sterk vertekend beeld. Ik heb het in Trouw ooit zo omschreven: ‘Net als het uitvergrote dorp in de strip ‘Asterix’ wordt er nog steeds met een Nederlands vergrootglas gekeken naar wat er in Uruzgan en Kunduz gebeurt’.

Ik zie de grotere bijdrage van Nederland vooral als een investering in mensen, kennis en toegang tot informatie. Die bijdrages leveren op de korte termijn weinig op en zijn ook zeker niet een op een terug te voeren tot bepaalde projecten of missies die wij ondersteund hebben. Maar ik geloof er nog steeds in dat die bijdrages in de toekomst voor veel verandering gaan zorgen. De Afghanen zullen in staat zijn om daar zelf de vruchten van te plukken. Het is triest dat een aantal van de door Nederland opgeleide mensen nu naar het buitenland moet vluchten, maar dat zal zeker niet het einde zijn van onze bijdrage.

Hoe schat u het geheel aan militaire inzet, diplomatie, de rol van private contractpartijen, ngo’s et cetera in? Zijn er bijvoorbeeld in Uruzgan duurzame effecten bereikt?

Op de korte termijn zal weinig duurzaam blijken te zijn. Toch kunnen de Taliban niet alles terugdraaien. Ze kunnen deze keer niet het licht uitdoen, zoals een Afghaanse mediabaas het recentelijk mooi omschreef. De kennis en toegang tot informatie zal uiteindelijk tot een betere situatie leiden. Maar de Afghanen kopen daar op de korte termijn niets voor.

In een citaat in uw boek staat dat Osama bin Laden ligt te lachen in zijn zeemansgraf omdat het Westen zoveel geld heeft uitgegeven aan wat u een onevenredige reactie op een terreurbeweging noemt. Maar misschien ook vanwege het ideologische effect omdat de Taliban en al-Qaida nu de overwinning kunnen claimen?

Het is triest, maar velen zien het nu al als een overwinning van de Taliban. Zolang de internationale troepen er zaten, droegen we bij aan het in stand houden van een soort machtsbalans. De Taliban kregen de afgelopen jaren nooit de overhand, al veroverden ze wel veel plattelandsdistricten. We vergeten nu vaak dat de Afghaanse veiligheidstroepen al vanaf 2011 steeds onafhankelijker gevochten hebben op het slagveld. In die zin is het niet echt een militaire nederlaag. We doen nu net of dat leger in een week verslagen is, maar het was toch vooral slim onderhandelen van de Taliban. In die zin is het vooral een politieke nederlaag, ook voor het Westen. De lokale en regionale machthebbers hebben nu bijna allemaal voor de Taliban gekozen en niet voor het centralistische staatsmodel dat wij twintig jaar lang hebben ondersteund. Daarin schuilt de grootste nederlaag. We zouden de Taliban irrelevant maken, maar dat is niet gelukt, vooral ook omdat lang niet alle Afghanen geprofiteerd hebben van de vooruitgang die we gebracht hebben. Als nog steeds meer dan de helft van de Afghanen onder de armoedegrens zit en ongeletterd is, is het niet verwonderlijk dat de Taliban op steun kunnen rekenen.

Zal er in de nabije toekomst een nieuwe terreurdreiging uitgaan van Afghanistan? En hoe zou het Westen op een hernieuwde dreiging moeten reageren?

We hebben twintig jaar lang de Taliban op een hoop gegooid met al-Qaida, terwijl ze totaal verschillend waren. Ook nu heeft het geen enkele zin om meteen de terugkeer van de Taliban te zien als de terugkeer van al-Qaida. Ook Islamitische Staat is in Afghanistan meer een opportunistisch samenwerkingsverband op lokaal niveau dan een internationale terroristische organisatie. Veel organisaties werken de ene keer wel en de andere keer niet samen. Het is vooral pragmatisme en minder een gedeelde ideologie of strategie.

Al-Qaida zit sowieso nog in Afghanistan, hoewel Biden beweerde dat dit niet het geval is. Wel is duidelijk dat we nu minder controle zullen hebben op wat er in Afghanistan gaat gebeuren. De deal die de Verenigde Staten met de Taliban sloten zou al een garantie geven dat terroristische organisaties niet meer vanuit Afghanistan zouden kunnen opereren, maar ook dat was een wassen neus. Het is wel heel belangrijk dat we nu blijven praten met de Taliban en met de nieuwe regering. Anders verdwijnt onze invloed volledig.

Gaat China zich nu nadrukkelijker met Afghanistan bemoeien?

China heeft al contact gezocht met de Taliban, maar dat is logisch. Het betekent niet meteen dat ze politiek gezien Afghanistan willen domineren. Officieel heeft China een beleid van non-interventie, maar het land zal natuurlijk niet te beroerd zijn om te profiteren van nieuwe mogelijkheden op het gebied van handel. Dat is echter ook niets nieuws. Sinds 2006 zijn de Chinezen al aan het kijken hoe ze de handel met Afghanistan kunnen stimuleren en hoe het land onderdeel kan worden van de ‘nieuwe zijderoute’.

Foto US Army Matthew Freire

‘We moeten diplomatiek betrokken blijven bij Afghanistan, ook als de nieuwe regering ons niet bevalt’. Foto U.S. Army, Matthew Freire

Op welke manier zou Nederland betrokken moeten blijven bij Afghanistan, nu de Taliban de macht opnieuw hebben gegrepen? U schrijft daar ook over dat er in ‘duurzame en onomkeerbare’ zin niet genoeg veranderd is om Afghanistan van de agenda af te voeren.

We hebben de morele plicht om bij Afghanistan betrokken te blijven. Het staatsopbouwproject was te ambitieus, maar we hebben wel altijd geroepen dat we deze keer de Afghanen niet in de steek zouden laten. Dat moeten we dus ook niet doen. In die zin is het belangrijk dat we diplomatiek betrokken blijven, ook als de nieuwe regering ons niet bevalt. Niemand heeft er baat bij als Afghanistan weer in een politiek isolement terecht komt. Daarnaast moeten we humanitaire en ontwikkelingshulp zo snel mogelijk herstarten. De humanitaire noden waren al torenhoog voor de machtsovername door de Taliban. Dit jaar hadden naar schatting 18,4 miljoen Afghanen humanitaire hulp nodig, bijna de helft van de bevolking. Die situatie verandert onder de Taliban niet.

Uw boek gaat ook over uw eigen rol en betrokkenheid en uw werk in Afghanistan voor de International Council on Security and Development en Oxfam Novib. U schrijft over psychische druk die het werk met zich meebracht. Hebt u het boek gemaakt om die tijd van u af te schrijven?

Ik heb jarenlang getwijfeld of ik wel een boek zou schrijven. Uiteindelijk wilde ik dat inderdaad doen als een soort sluitstuk. Toen ik begon te schrijven werkte ik bijna vijftien jaar in Afghanistan. Dat leek me een goed moment om als afsluiting mijn ervaringen op papier te zetten. Maar ik heb niet de illusie dat ik met het boek echt iets afsluit. Hopelijk is de Afghanistan-moeheid nu definitief verbroken met alle aandacht voor de machtsovername door de Taliban en de evacuatie. Het is nu belangrijker dan ooit om Afghanistan niet in de steek te laten. Ik zal Afghanistan in ieder geval blijven volgen.

[1] Jorrit Kamminga, Je wordt bedankt Bin Laden. 20 jaar Nederland in Afghanistan (2001-2021) (Rotterdam, Jalapeno Books, 2021, 400 blz.).

[2] Craig Whitlock en de Washington Post, The Afghanistan Papers. A Secret History of the War (New York, Simon and Schuster, 2021).

[3] De Washington Post publiceerde in 2019 een reeks artikelen gebaseerd op officiële documenten van de Special Inspector General for Afghanistan Reconstruction. De documenten onthulden dat hoge functionarissen de oorlog in Afghanistan als niet te winnen inschatten, maar dat publiekelijk verzwegen.