Schout-bij-nacht Karel Doorman was van 2 februari tot zijn vermissing op 28 februari 1942 commandant van het in voormalig Nederlands-Indië gestationeerde geallieerde vlooteskader Combined Striking Force. Over het leiderschap dat Doorman in die functie toonde, zijn in de literatuur tegenstrijdige meningen te vinden. Met name Amerikaanse auteurs oordelen negatief, terwijl Nederlandse auteurs juist een positief beeld van het optreden van Doorman schetsen. Dit artikel doet een poging een verklaring te vinden voor dit verschil, daarbij kijkend naar de invloed van de Koninklijke Marine op de beeldvorming in de loop der jaren. Die invloed blijkt prominent te zijn geweest, waardoor in Nederland een beeld is ontstaan dat niet geheel met de werkelijkheid overeenkomt.

Dr. P.C. Boer en drs. R. Enthoven*

Op 8 maart 1942 (ingaande de volgende dag) capituleerde Java, het hoofdeiland van het voormalig Nederlands-Indië. Japanse troepen waren in de nacht van 28 februari op 1 maart 1942 zowel in Oost- als in West-Java geland. Voorafgaand aan de uiteindelijke land- en luchtgevechten om het bezit van het eiland werd tussen 17 december 1941 en 28 februari 1942 getracht met de inzet van lucht- en zeestrijdkrachten te voorkomen dat Japanse grondtroepen op Java zouden landen. Deze periode staat wat betreft de inzet van de Koninklijke Marine wel bekend als de Javazee-campagne.

Na Japanse aanvallen op Pearl Harbor, Britse gebieden in Azië en Nederlands West-Borneo vanaf 7 december 1941, kwam het die maand tot de opzet van een gemeenschappelijk Amerikaans, Brits, Nederlands, Australisch militair commando voor Zuidoost-Azië, dat vanaf 15 januari 1942 in werking trad. Dit American-British-Dutch-Australian Command (ABDACOM) had een éénhoofdige leiding, de Britse generaal Sir Archibald Percival Wavell. Zijn ondercommandant van de geallieerde marine (ABDA-Float) was de Amerikaanse admiraal T.C. Hart, op 14 februari 1942 opgevolgd door de Nederlandse vice-admiraal C.E.L. Helfrich. Het hoofdkwartier van ABDACOM werd uiteindelijk op 18 januari 1942 in Lembang gevestigd, ongeveer 16 kilometer ten noorden van Bandung op het eiland Java. Op 1 februari werd besloten de nog beschikbare oppervlakteschepen van de geallieerde marines samen te brengen in een Combined Striking Force (CSF) onder commando van de Nederlandse schout-bij-nacht K.W.F.M. (Karel) Doorman.[1] Na een besluit Java niet verder te versterken en de topfuncties in de commandostructuur aan de Nederlanders over te dragen, begon op 22 februari een reorganisatie en afslanking van de commandostructuur. De opvolger van Wavell werd luitenant-generaal H. ter Poorten, die al commandant van de geallieerde landstrijdkrachten was. De structuur van de geallieerde zeestrijdkrachten bleef zoals die was. Het oude ABDACOM werd op 25 februari 1942 administratief opgeheven. 

Historiografie Javazee-campagne

Een verkenning van de Angelsaksische en Nederlandse literatuur over de Javazee-campagne brengt opvallende verschillen aan het licht, vooral in de beoordeling van het leiderschap van schout-bij-nacht Doorman. Nederlandse auteurs zoals A. Kroese,[2] F.C. van Oosten,[3] C.E.L. Helfrich,[4] K.W.L. Bezemer[5], L. de Jong[6] en Ph.M. Bosscher[7] spreken van goed leiderschap en moed. Op een enkele uitzondering na oordelen Amerikaanse, Britse en Australische auteurs onder wie S.E. Morison,[8] W.D. Edmonds,[9] R. McKie,[10] S.W. Roskill,[11] T.J. Cain,[12] D.A. Thomas,[13] E.P. Hoyt,[14] W.G.W. Winslow,[15] J.D. Mullin,[16] R.N. Spector,[17] R.G.H. Gill,[18] A.J. Marder e.a.,[19] J.A. Michel,[20] M.Carlton,[21] L.H. Alford[22] en D.M. Kehn[23] kritisch over Doorman.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                              De vraag wie er gelijk heeft is van belang omdat de waardering van het optreden van Doorman als commandant van de CSF in hoge mate bepalend is geweest voor de waardering van het optreden van de Koninklijke Marine (KM) in de strijd tegen Japan in Zuidoost-Azië. Doelstelling van dit artikel is de lezer inzicht te geven in de beeldvorming hierover. De centrale vraag is in hoeverre Bosscher als geschiedschrijver van de KM-operaties in de Tweede Wereldoorlog in zijn wetenschappelijke studie over de strijd in Nederlands-Indië in lijn bleef met de eerdere Nederlandse beeldvorming van Doormans handelen en in welke mate hij hierover relevante informatie heeft genegeerd.

Karel Doorman

Commando-overdracht van schout-bij-nacht Stöve aan schout-bij-nacht Doorman (voorgrond) aan boord van Hr.Ms. De Ruyter (Soerabaja, 1940). Foto Beeldbank NIMH

Geschiedschrijving Koninklijke Marine

Met het verlies van Indië dreigde een deel van het bestaansrecht van de Koninklijke Marine te verdwijnen. De minister van Marine luitenant-admiraal J.Th. Furstner deed alles om inkrimping te voorkomen,[24] waarbij hij onder meer geschiedschrijving als een instrument zag.[25] In opdracht van Furstner schreef A. Kroese, oud-commandant van de in de Javazee gezonken torpedobootjager Kortenaer, in 1943 het boek Neerland’s zeemacht in oorlog.[26] Deze publicatie bevatte de in het kader van dit artikel belangrijke vaststelling dat de KM het deel van de strijdkrachten is dat niet gecapituleerd heeft,[27] alsook de stelling dat de KM het goed zou hebben gedaan bij de strijd om Nederlands-Indië, waarbij het negatieve verloop van de verschillende maritieme operaties het gevolg was van een Japanse overmacht. Daarbij spreekt Kroese grote waardering uit voor het leiderschap van het geallieerde eskader.[28]  

Niet alleen Furstner, maar na 1945 ook luitenant-admiraal Helfrich en de latere staatssecretaris van Marine vice-admiraal H.C.W. Moorman (1949-1959) zagen in dat een fraai beeld van de prestaties van de KM in de Tweede Wereldoorlog de onderhandelingspositie van de zeestrijdkrachten in de ministerraad en de Staten-Generaal zou kunnen versterken.[29] De heldenstatus van Doorman werd extra gevoed door het door hem bij de slag in de Javazee gegeven signaal ‘All ships, Follow me’ om te zetten in het mythische ‘Ik val aan, volgt mij’. In eerste instantie werd dat gebruikt als appel voor de bevrijding van Nederlands Indië.[30] In 1948 wees het hoofd van de historische sectie van de Marinestaf, vice-admiraal b.d. G.W. Stöve, de minister van Marine a.i. W.F. Schokking er op dat de Amerikaanse historicus en toenmalig kapitein-ter-zee in de U.S. Navy S.E. Morison in zijn dat jaar uitgebrachte studie The Rising Sun in the Pacific 1931-April 1942, deel III van zijn serie boeken History of United States Naval Operations in World War II, Doorman onder meer een gebrek aan offensieve geest verweet. Stöve wees er op dat Morison grote autoriteit bezat, zijn boek prettig las, op grote schaal zou worden verspreid en dus veel als bron zou worden gebruikt. Hij pleitte er voor zo snel mogelijk aan een wetenschappelijk Nederlandse historisch onderzoek te beginnen om Morison te weerspreken.[31]  

In 1949 kreeg oud marine-officier en hoogleraar zeegeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden prof. dr. T.H. Milo hiervoor de officieuze opdracht van de minister van Marine.[32] Begin 1960 werd het contract met Milo, die later dat jaar overleed, verbroken omdat er te weinig voortgang in het werk zat.[33] Milo is in zijn studie zelf niet meer toegekomen aan de beschrijving van de Javazee-campagne. Wel kwam hij, op basis van door de Amerikanen beschikbaar gestelde Japanse oorlogsdagboeken, in 1952 in een artikel bedoeld voor Elsevier magazine, tot de conclusie dat Helfrichs opdracht tot de uitval die leidde tot de Slag in de Javazee militair gezien grote potentie had.[34] Het hoofd van het bureau Maritieme Historie van de Marinestaf, kapitein-ter-zee b.d. J.C. d’Engelbronner, probeerde met hulp van de chef van de Marinestaf vice-admiraal A. de Booij en de Nederlandse marineattaché in Washington jhr. H.A. van Foreest deze publicatie tegen te houden.[35] Niet nagegaan kon worden of het artikel nog is geplaatst. Milo bracht de inhoud van het artikel in diezelfde periode overigens ook globaal naar voren in spreekbeurten.

Naast wetenschappelijk werk over de verrichtingen van de Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog was de Marinestaf ook geïnteresseerd in werk voor het grote publiek. Hiertoe ging de KM in zee met K.W.L. Bezemer. ‘Bezemer was vlak na de oorlog hoofd van de marinevoorlichtingsdienst geweest, beschikte over een vlotte pen en door zijn functie over de nodige informatie. Al kort na de bevrijding speelde hij met de gedachte een beknopte leesbare marinegeschiedenis te schrijven bedoeld voor een brede lezerskring’.[36]

Op aandringen van de bevelhebber der zeestrijdkrachten Helfrich en het hoofd van de historische sectie van de Marinestaf Stöve besloot de minister van Marine W.A. Schokking[37] in 1948 Bezemer te contracteren voor een boek over de marine-operaties in de Tweede Wereldoorlog, dat brede lagen van de bevolking zou aanspreken en zijn onderhandelingspositie in de ministerraad en in de Tweede Kamer zou versterken.[38] Het contract kende op zich geen censuurbepalingen[39] en Bezemer stelde zich op het standpunt dat het boek waarheidsgetrouw zou moeten zijn.[40] Dat leidde er uiteindelijk toe dat de opvolger van Stöve, kapitein-ter-zee b.d. d’Engelbronner, samen met de Chef van de Marinestaf vice-admiraal A. de Booij en de secretaris-generaal van Marine J.J. van Houten, in 1952 probeerde het werk van Bezemer stop te zetten.[41] De staatssecretaris van Marine Moorman was echter van mening dat het boek van Bezemer wel gepubliceerd diende te worden.[42] Bezemer kreeg echter geen volledige inzage in alle stukken waarover de Marinestaf kon beschikken.[43] Verder spande Bezemer zich, net zoals de Marinestaf, in om de Amerikaanse historicus Morison direct en indirect  te bewegen positiever over schout-bij-nacht Doorman te schrijven.[44]

Bij de KM bleef de behoefte bestaan aan een wetenschappelijk verantwoord standaardwerk over de activiteiten van de KM in de Tweede Wereldoorlog. Het bureau Maritieme Historie van de Marinestaf, dat hiermee in 1974 werd belast, gaf de opdracht evenwel in 1978 terug. Uiteindelijk werd met ingang van 1979 de historicus luitenant ter zee speciale diensten 1e klasse drs. Ph.M. Bosscher (1936-2011) vrijgesteld van zijn overige werkzaamheden, om de geschiedenis van de KM in de oorlogsjaren op voornoemde wijze te boek te stellen. Bosscher was sinds 1964 verbonden aan de marine, eerst bij het bureau Maritieme Historie en vanaf 1966 in de dubbelfunctie van conservator van het Marinemuseum en docent zeegeschiedenis en krijgsgeschiedenis aan het Koninklijk Instituut voor de Marine.[45]

Ph.M. Bosscher

Ph.M. Bosscher baseerde alle drie delen van zijn studie over de marine in de Tweede Wereldoorlog op in Nederland bekende primaire en secundaire bronnen. Foto Beeldbank NIMH

De afspraak was dat Bosscher verantwoordelijk zou zijn voor vorm en inhoud van het geschiedwerk en begeleid zou worden door een commissie.[46] Hierin namen de gerenommeerde historici prof. dr. I. Schöffer, dr. J.R. Bruijn, dr. G. Teitler en drs. A.H. Paape zitting, waarbij zij garant moesten staan voor de wetenschappelijke inhoud van het onderzoek. Voorzitter van de commissie was de plaatsvervangend chef van de Marinestaf, terwijl ook vice-admiraal b.d. A. van der Moer en kapitein-ter-zee b.d. mr. G. Jungslager in de commissie zaten. Als secretaris werd de secretaris van de Marinestaf aangewezen.[47] De promotie van Bosscher aan de Rijksuniversiteit Leiden in 1984 op deel 1 van zijn trilogie De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog, waarin hij de strijd in de meidagen van 1940 behandelt, gaf nog een extra wetenschappelijk cachet aan zijn geschiedschrijving. De begeleidingscommissie was achteraf alleszins te spreken over het eindresultaat van de studie van Bosscher.[48]

Bosscher baseerde alle drie delen van zijn studie over de KM in de Tweede Wereldoorlog op in Nederland bekende primaire en secundaire bronnen, zoals de in de jaren vijftig door de Marinestaf uitgebrachte Monografieën over de zeestrijdkrachten in de oorlogsjaren. Ook greep hij terug op correspondentie en interviews met sleutelpersonen. Dit uit historisch-wetenschappelijk oogpunt belangrijke materiaal, zoals correspondentie met Bezemer en mogelijke gespreksverslagen met mevrouw A. Crommelin-Gravin von Lüttichau, luitenant-ter-zee vlieger der 1e klasse b.d. mr. G.F. Rijnders, rmwo  en kapitein-ter-zee b.d. A. G. Vromans, bleek na Bosschers overlijden in 2011 niet of nauwelijks meer voorhanden te zijn.[49] Delen van de correspondentie, zoals die met oud-commandant der Zeemacht in Nederland (1960-1964) vice-admiraal b.d. A.N. de Vos van Steenwijk, bleken wel raadpleegbaar.

Op basis van het bronnenmateriaal en de correspondentie waarop Bosscher zich kon baseren proberen we na te gaan in hoeverre een aantal van zijn stellingnamen over het leiderschap van Doorman tijdens de strijd in Nederlands-Indië hiermee in lijn zijn. Deze analyse zal worden gedaan aan de hand van de vier belangrijkste uitvallen van de CSF in de periode 4 tot en met 27 februari 1942 onder leiding van schout-bij-nacht Doorman.

De uitval van 4 februari 1942 

Op 4 februari 1942 voerde de CSF, toen bestaande uit de Nederlandse lichte kruisers De Ruyter (Doormans vlaggenschip) en Tromp, de Amerikaanse lichte en zware  kruisers Marblehead en Houston, drie Nederlandse en vier Amerikaanse torpedobootjagers, een aanval uit op een Japanse vloot in Straat Makassar. De CSF kreeg te maken met een Japanse aanval door 27 bommenwerpers voordat deze zeestraat was bereikt en trok zich terug. Bosscher geeft aan dat admiraal Hart het oneens was met Doormans besluit om, na afloop van de uitval op 4 februari, ver in de Indische Oceaan, op twee mogelijke rendez-vousplaatsen, te weten 14 graden Z 116 graden O en 14 graden Z 118 graden O, brandstof over te nemen uit tankers. Als derde rendez-vousplaats zou Doorman Fremantle, op de westkust van Australië, hebben aangewezen.

Bosscher meldt niet dat Hart hierbij de mening verwoordde van het gehele ABDA-Float-commando, onder wie de marine-officieren kapitein-ter-zee L.G.L. van der Kun en kapitein-luitenant-ter-zee H. D. Lindner.[50] Tevens geeft Bosscher niet aan dat ook de commandant van de kruiser Hr.Ms. Tromp, kapitein-luitenant-ter-zee J.B. de Meester, van mening was dat de door Doorman voorgestane plaatsen van olieladen in verband met de geringe olievoorraad van torpedobootjagers grote nadelen hadden.[51]

Helfrich

Dat ook vice-admiraal Helfrich kritiek op Doorman had en hem aanspoorde tot offensiever optreden, vermeldde Bosscher slechts in een noot. Foto US Naval History and Heritage Command

Bosscher schrijft, slechts in een noot, dat ook Helfrich kritiek op Doorman had en hem aanspoorde tot offensiever optreden. Hij baseert zich daarbij op een interne nota van mr. H. de Groot, administrateur op het ministerie van Marine aan het hoofd van de historische sectie van de Marinestaf.[52] De Groot was bij de uitval belast met het coderen en decoderen van telegrammen en brieven op de kruiser De Ruyter.[53] Bosscher kende echter ook de verklaring van luitenant-ter-zee 2e klasse P. Klaui, verbindingsofficier aan boord van de De Ruyter. Die verklaarde dat Doorman Helfrich schriftelijk had laten weten van plan te zijn naar Australië uit te wijken. De brief is met een boordvliegtuig naar Soerabaja meegegeven. Helfrich antwoordde omstreeks 5 februari dat hij dat niet toestond en benadrukte dat het eskader in Nederlands-Indië diende te blijven om volledig tegen de Japanners te worden ingezet. De vice-admiraal wees Doorman er op dat hij zelf het commando over het eskader gewenst had en nu ook zelf maar alle lotsbestemmingen van het eskader diende te delen.[54] Angelsaksische auteurs zoals  S.E. Morison,[55] S.W. Roskill,[56] E.P. Hoyt,[57] G.H. Gill,[58] L.H. Alford,[59] en D.M. Kehn[60] hebben ook kritiek op Doormans optreden bij deze actie.

De uitval op 14 en 15 februari 1942 

De uitval op 14 en 15 februari 1942 was een actie van de CSF in de Gaspar Straten tussen de eilanden Banka en Billiton. Het geallieerde eskader was daarbij opnieuw het doelwit van aanvallen van Japanse bommenwerpers. Hr.Ms. Van Ghent liep tijdens deze operatie op een rif en ging verloren.                 Bosscher beschrijft dat zonder veel commentaar. ‘Navigeren en post houden werden bovendien bemoeilijkt door het niet branden van diverse kustlichten waarop men zich normaliter bij het volgen van de gekozen route had kunnen oriënteren, alsmede door het veelvuldig optreden van storingen in de ultra korte-golfverbinding tussen de schepen onderling. Een en ander maakte het nauwelijks verwonderlijk dat de ‘Striking Force’ bij deze gelegenheid nog voordat zij door de vijand ontdekt werd een schip verspeelt.’[61] In een noot geeft hij wel aan dat De Vos van Steenwijk (die in februari 1942 als luitenant-ter-zee 2e klasse diende op de Tromp) het verloren gaan van de Van Ghent in de eerste plaats wijt aan wat hij noemt de ongelukkige beslissing van Doorman. De marinehistoricus wijst er op dat hij persoonlijk minder geneigd is Doormans beslissing om het scherm te handhaven af te keuren.[62]  

Bosscher wist echter dat het oordeel van De Vos van Steenwijk over Doormans optreden in werkelijkheid veel harder was dan hij weergaf in zijn boek. Dat blijkt uit tussen De Vos van Steenwijk en Bosscher gevoerde correspondentie.[63] Ook kende Bosscher het verslag van luitenant-ter-zee 1e klasse P. Schotel, commandant van de Van Ghent, die kritisch oordeelde over Doorman.  Schotel gaf aan dat Doorman niet of nauwelijks communiceerde met zijn ondercommandanten en hij ook geen regelingen trof voor bijladen van brandstof, waar Schotel maar zelf voor diende te zorgen. Verder meldde hij dat er vanuit de De Ruyter bij de uitval, hoewel dat van tevoren wel was afgesproken, geen enkele informatie werd gegeven over koersveranderingen. Dat de Van Ghent op een rif liep kwam volgens Schotel doordat vanuit de De Ruyter ook geen koersverandering werd doorgegeven bij het aanvaren van de Stolzestraat. Schotel wees er verder op dat de zware rookwolken die de Van Ghent uitstootte de andere torpedobootjagers op het gevaar attendeerden, waardoor zij nog wel tijdig konden uitdraaien.[64]

S.E. Morison

Met zijn opmerking dat sommige Nederlandse marinecommandanten een gebrek aan ‘offensive posture’ toonden doelde de Amerikaanse marinehistoricus S.E. Morison duidelijk op Doorman. Foto US Naval History and Heritage Command

Bosscher stelt dat De Vos van Steenwijk het begrijpelijk vond dat Doorman zijn aanvalspoging afbrak.[65] Uit Bosschers correspondentie met De Vos van Steenwijk komt evenwel naar voren dat niemand aan boord van de Tromp de noodzaak van deze terugtocht inzag.[66] Evenmin vermeldt Bosscher dat hij ermee bekend was dat de waarnemend Commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië en hoofd Departement der Marine in Batavia (1942), schout-bij-nacht J.J.A. van Staveren, Doorman bij deze besluitvorming gebrek aan aanvalsgeest had verweten.[67] Bosscher is verder van mening dat de opmerking van Roskill, ‘for it left the route for the invasion of Sumatra wide open to the Japanese’, geen werkelijke veroordeling inhoudt.[68] Ook concludeert hij dat Morison de beslissing van Doorman niet heeft willen veroordelen.[69] Deze relativerende opmerkingen rond de kritieken van Roskill en Morison lijken vergezocht en gekunsteld. Bosscher rukt de opmerkingen van Morison in deze kwestie uit hun verband. Weliswaar stelt Morison: ‘He [Doorman] later remarked to admiral Hart that he expected history would condemn him for the retirement. This history, at least, will not…’[70] Hieruit lijkt Bosscher op te maken dat Morison geen veroordeling van Doorman uitspreekt. Morison gaat echter verder met ‘but it must be observed that some of the Netherlands naval commanders in the Indies had not learned the basic lesson that defense is impracticable without an offensive posture.’[71] Daarna stelt Morison dat dat niet geldt voor admiraal Helfrich en de Nederlandse onderzeebootcommandanten, die wel een offensieve geest en instelling hadden. Morrison doelt met het gebrek aan ‘offensive posture’ dus duidelijk op Doorman. De Vos van Steenwijk haalt in zijn boek zonder commentaar de kritiek van Morison aan.[72] In zijn correspondentie met Bosscher zegt De Vos van Steenwijk het volledig oneens te zijn met Bosschers interpretatie.[73] Angelsaksische auteurs zoals S.E. Morison,[74] W.D. Edmonds,[75] S.W. Roskill,[76] J.D. Mullin[77] en D.M. Kehn[78] oefenen soortgelijke  kritiek uit op Doormans optreden bij deze actie.  

De actie in Straat Badoeng 19 en 20 februari

De actie van de CSF in Straat Badoeng werd uitgevoerd in drie groepen in de nacht van 19 op 20 februari 1942 en was gericht tegen een Japanse vloot bij het eiland Bali. Hierbij ging de Nederlandse torpedobootjager Hr.Ms. Piet Hein verloren. Bosscher wist dat volgens officier MSD 2e klasse N.G.J.W. van Marle na de actie in de longroom van de kruiser De Ruyter het passieve gedrag van Doorman aan de orde was geweest[79] en dat luitenant-ter-zee 1e klasse A.P.L. de Gelder, de artillerieofficier van de De Ruyter, dat misprijzend kenbaar maakte aan andere officieren van het smaldeel.[80] De De Ruyter gaf geen melding door over vuurcontacten van de eerste groep en hield zich niet aan het afgesproken radioprotocol.

De Vos van Steenwijk is van mening dat Doorman de bevelen (van Helfrich) niet heeft uitgevoerd[81] en betitelt de verklaringen die Doorman achteraf voor zijn besluiten gaf als verzonnen:[82] ‘Zoals ik het zie, heeft Doorman deze transportvloot uit zijn duim gezogen.’[83] Ook schreef hij: ‘Hij heeft geen kik willen geven, is bij wijze van spreken met dichte ogen langs een door CZM bevolen route gehold. Jongens koppen weg.’[84] Dat de De Ruyter ondanks daartoe gemaakte afspraken de Tromp niet inseinde over de vuurcontacten met de vijand, wijt De Vos van Steenwijk aan de angst van Doorman dat de Japanners hem zouden ontdekken. ‘Doorman heeft eerst van zich doen horen toen hij ver verwijderd was van Straat Badoeng, Straat Sapoedi was gepasseerd en met onbegrijpelijk hoge vaart naar Soerabaja jaagde.’[85] ‘Nu is het duidelijk geworden. Het aureool dat de persoon Doorman omgeeft, komt in het geding. …. Mijn vraag aan jou [De Vos van Steenwijk aan Bosscher, 1985]: wat vind jij belangrijker, het aureool of de waarheid?’[86] Volgens de oud-Commandant Zeemacht was het optreden van Doorman ook de reden dat Helfrich bij de uitval die zou leiden tot de Slag in de Javazee,  de eskadercommandant liet weten dat hij moest blijven aanvallen tot de vijand vernietigd was.[87] ‘Blijkbaar was dat nodig.’[88]                                                                                                                  

De Vos van Steenwijk

Bosscher wist dat het oordeel van oud-commandant der Zeemacht in Nederland (1960-1964) vice-admiraal b.d. A.N. de Vos van Steenwijk over Doormans optreden veel harder was dan hij weergaf in zijn boek. Foto Beeldbank NIMH

Bosscher was tevens bekend met interne KM-nota’s, waarin schout-bij-nacht H.A. van Foreest[89] en Helfrich[90] zich kritisch uitlieten over Doormans optreden bij deze actie. De interne nota van Helfrich was gebaseerd op de nota van Van Foreest, maar wel meer uitgewerkt. Helfrich wijst er op dat het strategische plan, met drie aanvalsgolven na elkaar, leidde tot verminderde concentratie en het verloren gaan van verrassing voor de tweede en derde golf. Hij vraagt zich verder af waarom niet naar een beslissing is gestreefd (door het gevecht aan te gaan) en waarom de De Ruyter niet heeft gevuurd. Hij wijst er verder op dat het Doormans keuze was om in de eerste golf de kruisers voorop te laten varen en de torpedobootjagers daar veel te ver achter.[91]  

Bosscher kende ook de kritiek van luitenant ter zee 1e klasse J.K. Kempees (luitenant-ter-zee 3e klasse aan boord van de Tromp), die vond dat de onderlinge informatieuitwisseling tussen de deelnemende geallieerde schepen, hoewel daar voor de actie harde afspraken over waren gemaakt, volledig gefaald had. Kempees stelt dat Doorman zondigde tegen één van de tactische grondregels van de maritieme oorlogvoering. Ook constateert hij dat er geen goede centrale coördinatie (lees: Doorman) van de aanvalsplannen van de eerste en de tweede groep plaatsvond.[92] Angelsaksische auteurs zoals  S.E. Morison,[93] S.W. Roskill,[94]  J.D. Mullin,[95] D.A. Thomas,[96] J.A. Michel,[97] L. H. Alford, [98] T. Womack,[99] R.N. Spector,[100] A.J. Marder e.a.,[101] E.E. Coley, [102] M. Carlton,[103] J.R. Cox[104] en D.M. Kehn[105] hebben soortgelijke kritiek op Doormans optreden bij deze actie.  

De Slag in de Javazee 27-28 februari

De Slag in de Javazee vond plaats op 27 en 28 februari en was een operatie van de CSF tegen een Japanse invasievloot die via Straat Makassar op weg was naar Oost-Java. Tegelijkertijd was er een tweede, omvangrijkere en zwaarder geëscorteerde invasievloot onderweg naar West-Java. Bosscher achtte de kans dat Doorman tot de oostelijke transportvloot had kunnen doordringen en haar schade van betekenis had kunnen toebrengen uitermate gering.[106] De historicus wist echter dat Milo al in 1952, op basis van door de Amerikanen ter beschikking gestelde Japanse gevechtsrapporten, had aangetoond dat de niet geconsolideerde Japanse dekkingsmacht, bestaande uit twee zware kruisers met hun escorte, op te grote afstand van de oostelijke Japanse transportvloot bleef en zich ternauwernood daarbij had gevoegd. Milo kwam zelfs tot de conclusie dat het in principe mogelijk was geweest in de ochtend van 27 februari de op dat moment slecht beschermde Japanse oostelijke transportvloot aan te vallen en te vernietigen.[107]

Bosscher kende ook het boek Japanese destroyer captain van Tameichi Hara, dat eveneens aantoont dat de geallieerde uitval grote potentie had.[108] Bosscher gaat wel in op de telegrammen van Helfrich aan Doorman na het vertrek van de Striking Force uit Soerabaja. Het eerste luidde: ‘You must continue attacks until enemy is destroyed’ en het tweede: ‘Niet tegenstaande luchtaanvallen moet gij de vijand om de oost opzoeken en aanvallen’. Volgens de historicus had Doorman dergelijke aansporingen niet nodig,[109] terwijl Bosscher toch bekend was met de visie van De Vos van Steenwijk en andere Nederlandse marine-officieren, zoals Helfrich, Van Staveren, Schotel, Van Foreest, Bientjes, De Gelder, Van Marle, Kempees, Van der Kun en Lindner op de eerdere commandovoering van Doorman.

J.J.A. van Staveren

Waarnemend Commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië en hoofd Departement der Marine in Batavia, schout-bij-nacht J.J.A. van Staveren, verweet Doorman een gebrek aan aanvalsgeest. Foto collectie T.O. van Staveren

Bosscher wist dat Helfrich Doorman min of meer had moeten dwingen de oostelijke transportvloot tegemoet te varen: ‘Tot vlak voor de slag is Helfrich bang geweest dat Doorman toch nog de benen zou nemen… De ernstige controverse tussen Doorman en zijn hoogste superieur is nooit in de openbaarheid gekomen. Helfrich heeft in zijn memoires, na de oorlog, gezwegen over zijn twijfels aangaande Doorman. ‘Ik vind dat dat Helfrich siert’, aldus dr. Bosscher. Het is typisch des marine: je houdt de rotzooi binnen boord.’[110] Bosscher wist ook dat Helfrich, door een gebrek aan vertrouwen in Doorman, hem al voor de Japanse aanval uit Nederlands-Indië probeerde over te plaatsen.[111]

Bosscher beoordeelde het vroegtijdig afdraaien door Doorman, toen de Japanse vloot in zicht kwam, als zinvol. Hij stelt dat de eskadercommandant niet uit was op een treffen met de vijandelijke dekkingsmacht en dat afdraaien de beste kans bood om zonder veel kleerscheuren en zonder veel munitieverbruik de Japanse transportvloot te vinden.[112] De transportvloot was echter al vanaf de CSF waargenomen. Bosscher wist dat vanaf de De Ruyter en zelfs de achterliggende Amerikaanse torpedobootjagers deze koopvaardijschepen waren gezien.[113] ‘Aldus zag hij door de afstandmeter in de namiddag van 27 februari 1942 een geweldig mastenbos naderen: een vijandelijke transportvloot, begeleid door een dekkingseskader waarbij zich een kruiser met vier, herhaal vier schoorstenen bevond. Dit is door de afstandmeter eveneens waargenomen door den Marinier Siccama.’[114]

Het argument dat Doorman zoveel mogelijk zijn munitie wilde sparen, bevreemdt bovendien. De Japanse oorlogsschepen voeren voor een deel van het zogeheten daggevecht buiten schootbereik van de Nederlandse lichte kruisers, maar de laatste oorlogsbodems gaven wel stelselmatig vuur af, waarbij de inslagen van hun granaten leidden tot extra artilleriewaarnemingsproblemen voor de geallieerde zware kruisers.[115]                                                                                                                                                                                          

USS John D. Edwards

De U.S.S. John D. Edwards, een van de CSF-schepen van waaraf de Japanse transportvloot was waargenomen. Foto US Naval History and Heritage Command

De invloed van Bosscher op de beeldvorming

Bosscher heeft met zijn tussen 1984 en 1990 uitgebrachte trilogie sterk bijgedragen aan een academisch onderbouwde bevestiging van het omstreeks 1950 door de KM gevormde beeld in Nederland dat de marine in de Tweede Wereldoorlog – en meer in het bijzonder in de Javazee-campagne – een hele knappe prestatie heeft geleverd.[116]

De trilogie kreeg in de pers grote waardering. Onder meer L.L. von Münching, destijds een bekende auteur van diverse publicaties over zowel de historie van de marine als de koopvaardij na 1900, stelde dat in Bosschers deel 2, waarin de strijd in Nederlands-Indië centraal staat, alle bekende gegevens waren samengevat.[117] ‘Zijn werk getuigt van grote nauwkeurigheid en zorgvuldig uitzoeken. Een compliment waard.’[118] En: ‘De Marine heeft het goed gedaan... Beschrijving Maritieme Historie voltooid.’[119]

Dit komt in ieder geval deels overeen met Bosschers eindconclusie in deel 3 van zijn trilogie, dat hij afsluit met de woorden van koningin Wilhelmina, aangebracht op de sokkel van het in 1966 door koningin Juliana onthulde Marinemonument in Scheveningen: ‘De Marine heeft het goed gedaan’.[120]            Bosscher was marinedeskundige voor deel 11a van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van dr. L. de Jong. De Jong nam, mede door tijdgebrek, beperkt Amerikaanse literatuur door bij zijn behandeling van de Javazee-campagne.[121] ‘Het boek van de heer Toland is mij onbekend en ik laat het liever ongelezen-er bestaat al over Pearl Harbor een halve bibliotheek en ik mis eenvoudig de tijd om mij daarin te verdiepen.’[122] Daarnaast had De Jong, voor zover na te gaan, geen inzage in – en ook niet gevraagd – in diverse Nederlandse, Amerikaanse, Australische en Britse primaire bronnen in de collectie 001 Marine Tweede Wereldoorlog van het Instituut Maritieme Historie.

De Jong stelde zich hierdoor kwetsbaar op en was voor een belangrijk deel afhankelijk van Nederlandse literatuur en de erkende deskundige Bosscher. Bosscher informeerde De Jong niet over de twijfels die ook bij Nederlandse (oud)marine-officieren leefden over Doorman en evenmin over de achtergronden van Helfrichs telegrammen aan de eskadercommandant. Bosscher wist dat Helfrichs opdracht tot de uitval die leidde tot de Slag in de Javazee niet alleen moreel, maar ook militair verantwoord was en kans van slagen had. Toch ging Bosscher akkoord met de door De Jong opgenomen kritiek op het militaire nut van de uitval.[123] Dit leidde bij De Jong tot een te positief beeld van Doorman en een te negatief beeld van Helfrich.

De Ruyter

Het was bekend dat Helfrichs opdracht tot de uitval die leidde tot de Slag in de Javazee niet alleen moreel, maar ook militair verantwoord was en kans van slagen had. Foto Beeldbank NIMH

De Bevelhebbers der Zeestrijdkrachten vice-admiraal H.L. van Beek (1979-1982) en vice-admiraal C.H.E. Brainich von Brainich-Felth (1985-1989) verzetten zich tijdens hun bevelhebberschap tegen Karel Doorman als een mogelijke naam van één der vanaf 1985 op stapel te zetten M-fregatten. In ieder geval bij Van Beek speelde daarbij de gedachte dat het optreden van Doorman zwak was geweest.[124] Minister van Defensie W.F. van Eekelen (1986-1988) was in 1982 als Kamerlid al een groot voorstander van deze naamgeving, waarbij hij er – overigens ten onrechte – van uitging dat Doorman bij de uitval die leidde tot de Slag in de Javazee luchtsteun ontbeerde en de Japanse dekkingsmacht en het escorte van de transportvloot die wel – maar in werkelijkheid juist niet – hadden.[125] Blijkbaar heeft Bosscher, geen onbekende van Van Eekelen, hem daar niet, dan wel onjuist, over bijgepraat. Uiteindelijk gaf ook de toenmalige Bevelhebber der Zeestrijdkrachten Brainich von Brainich-Felth in 1987 zijn verzet op.[126] Deel 2 van Bosschers trilogie De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog staat in Nederland nog steeds te boek als het standaardwerk over de Javazee-campagne en belangrijk (secundair) bronmateriaal dat, zoals onder meer het Nederlands Instituut voor Militaire Historie in zijn Leeswijzer Marinegeschiedenis van 2010 stelt, als zodanig een must is voor militair-historisch geïnteresseerden.[127]

Conclusie

De huidige waardering in Nederland van schout-bij-nacht Karel Doorman en van het optreden van de Koninklijke Marine in de strijd in 1942 om Nederlands-Indië is, zo blijkt uit dit onderzoek, gebaseerd op een geconstrueerd, te rooskleurig beeld. Vanaf 1943 en tot in de jaren vijftig heeft de KM ten eigen bate (prestige, budget, verwerving materieel) met succes geprobeerd deze beeldvorming te controleren. Dit beeld kreeg in 1986 een wetenschappelijke status met het verschijnen van Deel 2 van de trilogie van marinehistoricus Ph.M. Bosscher, terwijl deze zijn tekst aantoonbaar op verscheidene cruciale punten onjuist of suggestief aan het papier toevertrouwde. Dat er kritiek op het handelen van Doorman bestaat is geen nieuw gegeven, gezien het al decennia lang aanhoudende commentaar op hem uit veelal Angelsaksische hoek. Verrassend is echter wel dat dit onderzoek aantoont dat deze geluiden al even zo lang in eigen land  – de KM incluis – opgingen, maar dat Bosscher deze grotendeels negeerde.

 

* Dr. P.C. Boer was tot 1 november 2010 ruim veertig jaar afwisselend werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht en het ministerie van Defensie en vervolgens bij de Faculteit van de KMA (NLDA), in functies uiteenlopend van helikoptervlieger tot vakgroepvoorzitter. Drs. R. Enthoven was tot 2007 werkzaam bij een werkgeversorganisatie. Hij doet promotieonderzoek bij de Universiteit Leiden naar onder meer de geschiedschrijving over de Javazee-campagne.

[1] Dr. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Deel 11a, Tweede Helft (Den Haag,  Staatsdrukkerij, 1984) 844.

[2] A. Kroese, Neerland’s Zeemacht in Oorlog (Londen, The Netherland Publishing Company, 1944) 86.

[3] F.C. van Oosten ‘Karel W.F.M. Doorman (1899-1942)’ in: L.M. Akveld, Ph.M. Bosscher, J.R. Bruijn en F.C. van Oosten, Vier eeuwen Varen. Kapiteins, kapers, kooplieden en geleerden (Bussum, Unieboek, 1973) 343-355; F.C. van Oosten, Battle of the Java Sea (Annapolis, Naval Institute Press, 1976) 45.

[4] C.E.L. Helfrich, Memoires van C.E.L. Helfrich. Eerste Deel De Maleise Barrière (Amsterdam, Elsevier, 1950) 390.

[5] K.W.L. Bezemer, Zij vochten op de zeven zeeën (Zeist, Uitgeverij de Haan N.V., 1954) 305.

[6] De Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden, 1096-1097; Bijzondere collecties Koninklijke Bibliotheek, Elsevier Weekblad 25 februari 1984, ‘Interview Suzanne Piët met L. de Jong’, 10-11.

[7] Ph.M. Bosscher, De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog, deel 2 (Franeker, T. Wever, 1986) 294-295.

[8] S.E. Morison, The Rising Sun in the Pacific 1931-April 1942, III (Boston, Little, Brown and Co, 1948) 305-340.

[9] W.D. Edmonds, They fought with what they had: the story of the American Air Forces in the Southwest Pacific, 1941-1942 (Boston, Little Brown, 1951) 339.                                                                                                    

[10] R. McKie, The Survivors (New York, Bobbs-Merrill, 1953) 15-17.                                                                         

[11] S.W. Roskill, The War at Sea 1939-1945 Volume 2 The period of balance (London, Her Majesty’s Stationary Office, 1956) 10-12.

[12] T.J. Cain, H.M.S. Electra (London, Frederic Muller Limited, 1959) 206-225.                                                                                                   

[13] D.A. Thomas, The battle of the Javasea (London, Andre Deutsch Limited, 1968) 142-147.

[14] E.P. Hoyt, The Lonely Ships. The life and death of the U.S. Asiatic Fleet (New York, David McKay Company, 1975) 222-258.

[15]  W.G.W. Winslow, The fleet the gods forgot (Annapolis, Blue jacket Books printing, 1982-1994) 19- 208.

[16] J.D. Mullin, Another Six-Hundred (z.p., J. Daniel Mullin, 1984) 166-220.

[17] R.N. Spector, Eagle against the Sun. The American War with Japan (New York, Free Press, 1985) 132.                                                                                                                                                             

[18] G.H. Gill, Royal Australian Navy, 1939-1942 (Sydney, Australian War Memorial, 1985) 555.                                                                     

[19] A.J. Marder, M. Jacobson en J. Horsfield, Old Friends new Enemies Volume II (Oxford, Clarendon Press, 1990) 41-68.

[20] J.A. Michel, Mr. Michel’s War. From Manila to Mukden: An American Navy Officer’s War with the Japanese, 1941-1945 (Presido, Novato, 1998) 59-61.

[21] M. Carlton, Cruiser. The life and loss of HMAS Perth and her crew (North Sydney, William Heineman, 2011) 411 -432.                                                                                                                                                           

[22] L.H. Alford, Playing for Time. War on an Asiatic Fleet Destroyer (Bennington, Merriam Press, 2012) 84-114.

[23] D.M. Kehn, In the highest degree tragic (Nebraska, Potomac Books, 2017) 136-155.

[24] J.J.A. Wijn, ‘Wil de echte marinehistoricus opstaan?’, in: ‘Onbevooroordeeld’? Vijfenzeventig jaar geschiedschrijving bij de Koninklijke Marine 1912-1987 (Den Haag, Afdeling Maritieme Historie van de Marinestaf, 1987) 17.

[25] Verslag gesprek R. Enthoven met marinehistoricus J.J.A. Wijn, oud-medewerker van de afdeling Maritieme Historie van de Marinestaf, 7 september 2016.

[26] ‘Onbevooroordeeld’?, 17.

[27] Kroese, Neerland’s Zeemacht, 22.

[28] Idem, 86.

[29] NIMH 012 Collectie Bezemer, map 155, Inleiding.

[30] C. Dullemond, ‘De reikwijdte van een misverstaan signaal. ‘Ik val aan, volgt mij’ en de herinnering aan de Slag in de Javazee’, in: Militaire Spectator 183 (2014) (1) 17-25; Floribert Baudet, Het vierde Wapen. Voorlichting, propaganda en volksweerbaarheid 1944-1953 (Amsterdam, Boom, 2013) 137.

[31] NIMH 006 Milo, 3.2.15,  Brief van G.W. Stöve, hoofd van de Historische Sectie aan de minister van Marine [a.i. W.F. Schokking] 27 september 1948.                                                                                                                                                                       

[32] NIMH 006 Milo, 3.2.15, Brief van de minister van Marine [w.g. Mr. W.F. Schokking] aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen [prof. mr. T.J.Th. Rutten] en professor Milo, inzake het verstrekken van opdracht aan Milo tot geschiedschrijving, 1 juni 1949.

[33] DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, map 9572, Brief van de chef van de Marinestaf L. Brouwer aan de staatssecretaris van Defensie P.S. de Jong, 12 oktober 1960.

[34] DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, inv. nr.2.13.114 , map 3195  Nieuwe gegevens over de slag in de Javazee op 27 Februari 1942.

[35] DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, inv. nr.2.13.114, map 3195, Nota van Bureau Maritieme Historie v/d Marinestaf aan de chef van de Marinestaf vice-admiraal A. de Booij , 17-12-1952, nummer 306/N 63;

DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, inv. nr.2.13.114, map 3195, nota van de chef van de Marinestaf vice-admiraal A. de Booij, 18 maart 1952;

DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, inv. nr.2.13.114, map 3195, diverse mémo briefjes van J.C. d ‘Engelbronner.

[36] ‘Onbevooroordeeld’? , 19-20. 

[37]DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, inv. nr.2.13.114, map 3166, nota  58/N 16 van het hoofd Bureau Maritieme Historie van de Marinestaf J.C. d’Engelbronner aan de chef van de Marinestaf vice-admiraal A. de Booij, met daarop aangebrachte annotatie, 13 maart 1952.

[38] NIMH 012 K.W.L. Bezemer 1940-1990, map 155, Inleiding.

[39] NIMH 012 K.W.L. Bezemer 1940-1990, map 10, Contract tussen de minister van Marine a.i. W.F. Schokking en Bezemer.

[40] DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, inv. nr.2.13.114 , map 3166, Nota Opmerkingen van Hfd. Bur. Mar. Historie. J.C. d ‘Engelbronner Op Exh. No. S 18471/7778 c.  t.b.v. de chef Marinestaf vice-admiraal A. de Booij, 12 juni 1952.

[41] DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, inv. nr.2.13.114, map 3166, nota  58/N 16 van het hoofd Bureau Maritieme Historie van de Marinestaf aan de chef van de Marinestaf, 13 maart 1952;

DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, inv. nr.2.13.114, map 3166, Memo van de secretaris-generaal van het ministerie van Marine J.J. van Houten voor de staatssecretaris van Marine H.C.W. Moorman, 26 maart 1952; ‘Onbevooroordeeld’?, 15-23, 20.

[42] NIMH 012 K.W.L. Bezemer 1940-1990, map 10, brief van de staatssecretaris van Marine H.C.W. Moorman aan Bezemer, 5 juni 1954.

[43] NIMH 012 K.W.L. Bezemer 1940-1990, map 10, Concept brief Bezemer aan viceadmiraal de Booij.

[44] DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, map 3166, Opmerkingen van Hoofd Bur. Mar. Historie J.C.

d’Engelbronner op schr. van Prof. Morison dd. 16-6-’52 gericht aan Hr. Bezemer, 30 juni 1952 No. 156/x78.

[45] G.M.W. Acda en J.R. Bruijn, ‘Philippus Meese Bosscher’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 2014-2015 (Leiden 2015) 77-82, aldaar 79.

[46] NIMH 078 Bosscher, nieuw/onbewerkt Tabblad B, Notitie  Bosscher Het project ‘geschiedschrijving van de verrichtingen der Koninklijke Marine gedurende de Tweede Wereldoorlog’, 28 februari 1979.

[47] NIMH 078 Bosscher, nieuw/onbewerkt Tabblad B, Beschikking van het Ministerie van Defensie, betreffende de geschiedschrijving van de Koninklijke Marine, 29 november 1979.

[48] Brief van G. Teitler aan R. Enthoven, 12 maart 2016.

[49] KTZ b.d P.R. Wouters, vrijwilliger van het Marine Museum Den Helder, e-mail aan R. Enthoven, 17 juli 2017.

[50] NIOD, 400 Indische Collectie, 1406 Briefwisseling van Schout-bij-nacht L.G.L. van der Kun met kapitein-ter- zee b.d. J.C. d’Engelbronner, hoofd van de Historische Sectie Marinestaf over de Indische strijd, brief van Van der Kun aan d’Engelbronner, 2 augustus 1952.

[51] NIMH 001 collectie Marine Tweede Wereldoorlog, doos 38, Bc-10/1 Brief van  J.B. de Meester aan de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, 25 mei 1948.

[52] Bosscher, De Koninklijke Marine, 2, 559-560.

[53] NIMH 001 Marine Tweede Wereldoorlog, Bc-4/9, nota Mr. H. de Groot aan het hoofd van de Historische Sectie van de Marinestaf 21 augustus 1952.

[54] NIMH 001 Marine Tweede Wereldoorlog, map 134, Kort verslag v.h. onderhoud van ltz II v.s.d. P. Klaui met kapitein-luitenant-ter-zee b.d. A.D.A. Peereboom Voller op 25 juli 1952.

[55] Morison, The Rising Sun, 305.

[56] Roskill, The War at Sea, 13.

[57] Hoyt, The Lonely Ships, 222-225.

[58] Gill, Royal Australian Navy, 56.

[59] Alford, Playing for Time, 84-85.

[60] Kehn, In the highest degree tragic, 137-141.

[61] Bosscher, De Koninklijke Marine, 234.                                                                                                                                                      

[62] Idem, 234.                                                                                                                                                      

[63] A.N. baron de Vos van Steenwijk, Het Marinebeleid in de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam/Dieren, De Bataafsche Leeuw, 1986) 185; Historisch Centrum Overijssel, 0251.560 Vos van Steenwijk, brief van Bosscher aan De Vos van Steenwijk, 26 augustus 1985.

[64] NIMH 001 Marine Tweede Wereldoorlog, doos 38, Bc-10/18, Brief P. Schotel aan de Marinestaf, 22 april 1948.

[65] Bosscher, De Koninklijke Marine, 237-238.

[66] Historisch Centrum Overijssel, 0251.540 Vos van Steenwijk, Dagboek De Vos van Steenwijk.

[67] Historisch Centrum Overijssel, 0251.560 Vos van Steenwijk, Brief van Bosscher aan De Vos van Steenwijk, 24 november 1985.

[68] Bosscher, De Koninklijke Marine, 238.

[69] Ibid.

[70] Morison, The  Rising Sun, 310-311.      

[71] Ibid.      

[72] De Vos van Steenwijk, Het Marinebeleid, 188.

[73] Historisch Centrum Overijsel, 0251.560. Vos van Steenwijk, brief van De Vos van Steenwijk aan Bosscher, 9 augustus 1985.

[74] Morison, The Rising Sun, 310-311.

[75] Edmonds, They fought with what they had, 339.                                                                                                    

[76] Roskill, The War at Sea, 10.

[77] Mullin, Another Six-Hundred, 166.

[78] Kehn, In the highest degree tragic, 149-151.

[79] Historisch Centrum Overijsel, 0251.560. Vos van Steenwijk, Brief van  commandeur b.d. J. A. Bientjes aan De Vos van Steenwijk, 4 november 1985.

[80] Historisch Centrum Overijssel, 0251.540. Vos van Steenwijk, Brief van De Vos van Steenwijk aan Bosscher, 4 november 1985; Historisch Centrum Overijsel, 025140. Vos van Steenwijk, Brief van commandeur b.d. J.A. Bientjes aan De Vos van Steenwijk, met door De Vos van Steenwijk daarop aangebrachte aantekeningen op basis van een nader mondeling overleg dat hij met Bientjes (luitenant-ter-zee 2e klasse aan boord van de Java) over deze kwestie heeft gehad, 18 juli 1985.

[81] Historisch Centrum Overijssel, 0251.540. Vos van Steenwijk, Brief van De Vos van Steenwijk aan Bosscher, 7 november 1985.

[82] Ibid.

[83] Historisch Centrum Overijssel, 0251.540. Vos van Steenwijk, Brief van De Vos van Steenwijk aan commandeur b.d. J.A. Bientjes, 7 november 1985.

[84] Historisch Centrum Overijssel, 0251.540. Vos van Steenwijk, Brief van De Vos van Steenwijk aan Bosscher, 22 juli 1985.

[85] Historisch Centrum Overijssel, 0251.560. Vos van Steenwijk, Brief van De Vos van Steenwijk aan Bosscher, 6 januari 1986.

[86] Historisch Centrum Overijssel, 0251.540. Vos van Steenwijk, Brief van De Vos van Steenwijk aan Bosscher, 22 juli 1985.

[87] Historisch Centrum Overijssel, 0251.560. Vos van Steenwijk, Brief van De Vos van Steenwijk aan Bosscher, 6 januari 1986.

[88] Ibid.

[89] NIMH 145 Van Foreest, map 61, Nota van de plv. chef van de Marinestaf aan de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten en de chef Marinestaf inzake de maritieme actie in Straat Badoeng.

[90] NIMH 001 Marine Tweede Wereldoorlog, doos 38, Bc-12 Aantekening BdZ bij het voorlopig  verslag van de maritieme actie in Straat Badoeng, 30-09-1947.

[91] NIMH 001 Marine Tweede Wereldoorlog, doos 38, Bc-12 Aantekening BdZ bij het voorlopig verslag van de maritieme actie in Straat Badoeng, 30-09-1947.

[92] J.K. Kempees, ‘Lessen van de strijd om Bali 19-25 februari 1942’, Marineblad 9 (1948, december) 744-748.

[93] Morison, The  Rising Sun, 322.

[94] Roskill, The War at Sea, 12.

[95] Mullin, Another Six-Hundred, 185.

[96] Thomas, The battle of the Javasea, 142.

[97] Michel, Mr. Michel’s War, 59-61.

[98] Alford, Playing for Time, 102.                

[99] T. Womack, The Allied Defense of the Malay Barrier, 1941-1942 (Jefferson, McFarland Company, Inc., Publishers, 2016) 176.

[100] Spector, Eagle against the Sun, 132.                                                                                                                                                            

[101] Marder, M. Jacobson en J. Horsfield, Old Friends new Enemies, 41.

[102] E.E. Coley, Intelligence operations and the battle of the Java Sea ( Washington, Xlibris.com, 2009) 120.

[103] Carlton, Cruiser, 409 -411.                                                                                                                                                           

[104] Cox, Rising Sun, 228.

[105] Kehn, In the highest degree tragic, 167.

[106] Bosscher, De Koninklijke Marine, 297.

[107] DOC-Direkt Apeldoorn, Marinestaf 1948-1984, inv. nr. 2.13.114 , map 3195,  Nieuwe gegevens over de Slag in de Javazee op 27 Februari 1942.

[108] Tameichi Hara, Japanese destroyer captain (New York, Ballantine Books, 1961) 76-78.

[109] Bosscher, De Koninklijke Marine, 279-280.

[110] R. Ruggenberg, ’Nieuwe onthullingen over de slag in de Javazee’, in: Eindhovens Dagblad (28 augustus 1986).

[111] NIOD, 400 Indische Collectie, 1406 Briefwisseling van Schout-bij-nacht L.G.L. van der Kun met Kapitein-ter- zee b.d. J.C. d’Engelbronner, hoofd van de Historische Sectie Marinestaf over de Indische strijd, Brief van Van der Kun aan hoofd Bureau Maritieme Historie van de Marinestaf 10 juni 1953; Nationaal Archief 2.12.29 Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, map 352, zeer geheim, Telegram van Helfrich aan Furstner, 8 juli 1941;

Nationaal Archief 2.12.46 Luitenant-admiraal J.Th. Furstner, 1932-1968, map 10, Brief van Helfrich aan Furstner, 23 juli 1941.

[112] Bosscher, De Koninklijke Marine, 2, 293.

[113] NIMH 001 Marine Tweede Wereldoorlog, Bc-9/41 Enkele korte aantekeningen betreffende onderhoud van hoofd Historische Sectie met Luitenant-ter-zee der 1e klasse KMR J. Bennink op 24 oktober 1949 onder meer inzake de verrichtingen van Hr. Ms. ‘De Ruyter’; NIMH 001 Marine Tweede Wereldoorlog, doos 51, Cb 4, Transcript of Log of U.S.S. John D. Edwards (DD216) February 27, 1942; Mullin, Another Six-Hundred, 215.                                                                                                            

[114] NIMH 001 Marine Tweede Wereldoorlog, Bc-9/41 Enkele korte aantekeningen betreffende onderhoud van hoofd Historische Sectie met Luitenant-ter-zee der 1e klasse KMR J. Bennink op 24 oktober 1949 onder meer inzake de verrichtingen van Hr. Ms. ‘De Ruyter’.

[115] NIMH 001 Marine Tweede Wereldoorlog, doos 52, cb5, Report by Captain O. L. Gordon, commanding officer of the H.M.S. Exeter, 1 October 1945.

[116] B. de Jong, ‘Marine leverde in W.O. II ’n hele knappe prestatie‘, in: Leeuwarder Courant (10 september 1982).

[117] L.L. von Münching, ‘Boeken van de zee’, in: De Blauwe Wimpel 2 (1987) 34.

[118] B. Maandag, ‘Standaardwerk dr. Ph.M. Bosscher getuigt van grote nauwkeurigheid’, in: Het Vrije Volk weekeditie (4 september 1986).

[119] J. Kooimans, ‘De Marine heeft het goed gedaan. Beschrijving van Marine historie voltooid’,  in: Nederlands Dagblad (25 augustus 1990).

[120] Ph.M. Bosscher, De Koninklijke Marine, 3 (Franeker, Uitgeverij Van Wijnen 1990) 322.

[121] NIOD, Werkarchief 302 van prof. dr. L. de Jong, inv. no. 200 brief van De Jong aan C. J. Warners 3 januari 1984.

[122] Ibid.

[123] NIOD, Werkarchief 302 van prof. dr. L. De Jong, inv. no. 202, brief Ph.M. Bosscher aan De Jong, 12 april 1984.

[124] Karel Doorman fonds, Diverse stukken, brieven Achtergronden Herdenking Slag in de Javazee, Naamgeving schip Karel Doorman weergegeven door cdrv bd H.J.E. van der Kop.

[125] Verslag gesprek R. Enthoven met W.F. van Eekelen, 10 februari 2016; Dr. P.C. Boer, Het verlies van Java. Een kwestie van Air Power (Amsterdam, De Bataafsche Leeuw, 2006) 152.                                                              

[126] Verslag gesprek R. Enthoven met W.F. van Eekelen, 10 februari 2016.

[127] Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Leeswijzer Marinegeschiedenis (Den Haag, ministerie van Defensie, 2010). 

Over de auteur(s)

Dr. P.C. Boer

Dr. P.C. Boer was tot 1 november 2010 ruim veertig jaar afwisselend werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht en het ministerie van Defensie en vervolgens bij de Faculteit van de KMA (NLDA), in functies uiteenlopend van helikoptervlieger tot vakgroepvoorzitter.
 

Drs. R. Enthoven

Drs. R. (Rob) Enthoven was tot 2007 werkzaam bij een werkgeversorganisatie. Hij doet promotieonderzoek bij de Universiteit Leiden naar onder meer de geschiedschrijving over de Javazee-campagne.