Extreem geweld in dekolonisatieoorlogen vergelijken

Vorige zomer stelden wij als redacteurs een Discussieforum samen over ‘Dekolonisatieoorlogen Vergelijken’ in het historische tijdschrift BMGN Low Countries Historical Review. Dit historisch forum biedt een platform voor wetenschappelijk debat of om historisch onderzoek als ‘work in progress’ te presenteren. Wij toonden er de eerste resultaten van ons vergelijkende onderzoek naar het gebruik van extreme vormen van geweld, zoals executies van gevangenen, marteling en verkrachting door Nederlandse, Britse en Franse militairen tijdens de belangrijkste dekolonisatieoorlogen in de periode 1945-1962. Onze publicatie werd in de Militaire Spectator gerecenseerd. Onlangs reageerde mr. Bauke Geersing weer op die recensie in de rubriek Meningen van Anderen

In de recensie spreekt historicus Henk de Jong lovend over het BMGN-forum, dat is voortgekomen uit een samenwerking tussen twaalf internationale en Nederlandse historici aan het Netherlands Institute for Advances Studies (NIAS). Het forum is het eerste gepubliceerde deelresultaat van het overkoepelende onderzoek Onafhankelijkheid, Dekolonisatie, Oorlogen en Geweld in Indonesië, 1945-1950, waaraan de historische instituten KITLV, NIMH en het NIOD sinds september 2017 werken. De Jongs stelling dat dit forum de ‘van de flanken’ geleverde kritiek over een gebrek aan integriteit en deskundigheid van de onderzoekers weerlegt, werkte overduidelijk als een rode lap op een stier. Geersing voert namelijk al enige tijd een kruistocht tegen het brede onderzoeksprogramma, waarbij hij niet schroomt de onderzoekers te verwijten dat zij de principes van wetenschappelijk integriteit schenden.

Nu is het in het wetenschappelijk discours uiterst ongebruikelijk om te reageren op een recensie. Reageren op een boze reactie op een positieve recensie is dat al helemaal. Maar gelet op de ernst van de verwijten van Geersing hebben wij gemeend dat toch te moeten doen.

Wat direct opvalt is dat Geersing zijn ‘recensie van een recensie’ vooral gebruikt om zijn eerdere aanvallen op het bredere onderzoeksprogramma kracht bij te zetten door zijn vaker herhaalde – en al eerder weerlegde – mantra’s te presenteren. Hij vertekent hierbij bewust de aanleiding en doelstelling van het onderzoeksprogramma. Dit maakt het uiten van kritiek natuurlijk eenvoudiger, maar ook grotendeels een slag in de lucht. Bij het onderzoek staan de aard, omvang en oorzaken van het Nederlandse geweld namelijk nadrukkelijk centraal. De aanleiding van het onderzoeksprogramma is de vraag of Nederlandse militairen structureel grensoverschrijdend geweld hebben gebruikt. De onderzoekers behandelen en verklaren dit extreme geweld uiteraard in de bredere context van de oorlogvoering, de algehele geweldsdynamiek tussen de verschillende partijen en de bredere politieke, maatschappelijke en internationale context. Maar Geersing weet dit ook in de Militaire Spectator weer te verdraaien: hij suggereert dat het een onderzoek dient te zijn naar vrijwel alle aspecten van de dekolonisatieoorlog (die hij geen oorlog noemt), en dat geweldpleging van alle betrokken partijen centraal dient te staan. Hij doet daarbij voorkomen alsof ‘anti-koloniale’ vooringenomenheid en ‘hedendaagse tijdgeest als oordelende factor’ de wetenschappers heeft doen afdwalen, terwijl zij zich in feite gewoon concentreren op het vooraf vastgestelde explanandum.[1]

Bovendien doet Geersing grote uitspraken over ons vergelijkende onderzoeksproject, maar negeert hij de vergelijkende aspecten van onze publicatie volledig. Hij richt zich enkel op de Nederlands-Indonesische casus en windt zich daarbij bovenal op over het feit dat wij – door te kiezen voor het bovengenoemde explanandum – het geweld van de zijde van de Indonesische Republiek en gelieerde partijen niet evenveel of meer aandacht geven. Des te opvallender is dat, waar zijn betooglijn het niveau van ‘maar zij begonnen!’ of ‘de Indonesiërs waren nog veel gewelddadiger!’ niet ontstijgt, de onderzoekers Martin Thomas en Roel Frakking in hun forumbijdrage juist ingaan op de vraag waarom zowel counterinsurgents als de guerrilla’s burgers tot doelwit maakten in Algerije, Indochina, Maleisië en Indonesië.

In hun vergelijkende studie naar seksueel geweld verantwoorden Stef Scagliola en Natalya Vince nadrukkelijk hun analytische focus op verkrachting door troepen onder Franse en Nederlandse verantwoordelijkheid. Bovendien zeggen zij expliciet dat zij niet suggereren dat Algerijnse en Indonesische strijders zich minder of geheel niet schuldig maakten aan verkrachting. Maar Geersing geeft daar in zijn repliek weer een curieuze draai aan en negeert ook hier weer de kern van de vergelijkende these: bij deze vorm van geweld tegen vrouwen is het opvallend dat verkrachting in de Franse archieven nog minder sporen heeft nagelaten dan in de Nederlandse, terwijl door politisering van seksueel geweld veel meer ruchtbaarheid aan verkrachting in Algerije is gegeven dan aan seksueel geweld in Indonesië. Ook in dit stuk staat verklaren vanuit specifieke koloniale contexten centraal in de vergelijking.

Het zou hier te ver voeren om op alle valse kritiek in te gaan.[2] We willen volstaan met één ander sprekend voorbeeld van Geersings verdraaiingen en stropopredeneringen, namelijk de wijze waarop hij de studie van militair-historici Brian Linn en Azarja Harmanny presenteert. Genoemde auteurs voeren in hun studie naar de inzet van zware wapens de in de Nederlandse historiografie dominante term ‘Technisch Geweld’ op. Zij doen dit nadrukkelijk om het begrip te problematiseren. Maar Geersing grijpt dit enkel aan om hun gebruik van de term zelf te bekritiseren – en ja, hij negeert daarbij zelfs de aanhalingstekens bij het begrip in hun titel. Ook hier kan hij in zijn agressieve betooglijn niet uit de voeten met de afgewogen en voorzichtige conclusie van de auteurs. Zij stellen namelijk dat de inzet van zware wapens (artillerie en het luchtwapen) – anders dan eerdere Nederlandse onderzoeken suggereren –wellicht niet verantwoordelijk was voor het grootste deel van de in totaal 100.000 of meer Indonesische oorlogsslachtoffers. Ook negeert hij hun andere conclusie over de geleidelijk toenemende effectiviteit van artillerie en het luchtwapen in beter geïntegreerde counterinsurgency-strategieën zoals in Maleisië. Geersing zou hiermee immers zijn eigen betooglijn over de anti-koloniale vooringenomenheid van de onderzoekers ondergraven.

Het mag duidelijk zijn dat Geersing eigenlijk niet geïnteresseerd is in onze comparatieve benadering, die expliciet tot doel heeft om analytisch verder te komen dan wat de Britse Kenia-expert David Anderson afkeurend ‘een ranglijst van wreedheid’ noemde (in de trant van: ‘wij’ gingen wellicht zo nu en dan over de schreef, maar ‘zij’ – veelal de Fransen – waren veel erger). Dat Geersing ook nu weer de aanleiding nadrukkelijk negeert is niet verwonderlijk. Het is namelijk juist een dergelijk type vergelijking – maar dan met het geweld door de Indonesische tegenstander – dat de basis vormt voor zijn neiging tot vergoelijking of legitimatie van executies, marteling en andere vormen van geweld. Maar de in ons forum beschreven Nederlandse gewelduitingen hadden in veel gevallen niets te maken met militaire noodzaak, legitimiteit en proportionaliteit, begrippen waar Geersing graag mee schermt ter verdediging van het Nederlands optreden. Het meeste geweld dat wij onderzoeken en vergelijken vond buiten gevechtssituaties plaats.

Om open te staan voor andere of aanvullende inzichten lijkt Geersing te ver verstrikt te zijn geraakt in zijn suggestie dat collectief schuldgevoel en hedendaagse tijdgeest bepalend zijn als maatstaf binnen ons onderzoek. Hij lijkt hierbij willens en wetens voorbij te gaan aan het feit dat veel politieke en militaire leiders – maar zeker ook de lagere rangen – ook toen geweldsontsporingen wel degelijk al herkenden, meestal afkeurden en veroordeelden. Nederlandse, maar ook Franse en Britse actoren zagen vaak overduidelijk de spanning met de eigen verheven politieke doelen en in de humanitaire termen gegoten propaganda. De vergelijkingen die zij zelf toen al trokken met Duitse en Japanse methoden spreken boekdelen. Toch kon dit hand in hand gaan met legitimering en vergoelijking door verwijzingen naar psychische druk, de aard van de strijd et cetera.[3] Dat is deels begrijpelijk en analytisch interessant. Pijnlijk is dat vooral de politieke en militaire kopstukken van de verschillende koloniale mogendheden vrijwel altijd wegkeken, ontkenden, toedekten en bij onthulling de verantwoordelijkheid naar beneden afschoven en/of achteraf legitimeerden (zie de forumbijdrage van Bennett en Romijn). Bestraffen deden zij niet of nauwelijks, en zelf verantwoording afleggen zelden. Dat ze met dit systeem van straffeloosheid de militairen op de grond uiteindelijk geen dienst bewezen en hun eigen politieke doelen veelal verder ondergroeven lijkt Geersing niet te willen inzien.

Voor wie wel geïnteresseerd is in een analyse van een dergelijk politiek-operationeel-ethisch spanningsveld, en in de vergelijking van de geweldsdynamiek in Indonesië, Maleisië, Kenia, Algerije en Indochina: de uitgebreidere versies van deze vijf forumbijdragen en drie geheel nieuwe hoofdstukken verschijnen begin volgend jaar als Engelstalig boek bij Cornell University Press.

Dr. Thijs Brocades Zaalberg

Dr. Bart Luttikhuis

 

[1] Geersing doet dit door bewust voorbij te gaan aan de Kamerbrief van 2016 en de onderzoeksopzet waarvoor de regering in 2017 subsidie heeft verstrekt.

[2] Wie geïnteresseerd is in de definities wijzen we graag op onze forum-inleiding, waar wij extreem geweld (grotendeels in lijn met Rémy Limpach) onder meer definiëren en afbakenen als bewust gericht tegen non-combattanten, inclusief gevangenen. Aanvullend verwijzen wij naar de bredere kaders van humanitair oorlogsrecht en mensenrechten die deels al bestonden, maar eind jaren veertig sterk in ontwikkeling waren.

[3] Zie bijvoorbeeld de introductie van het BMGN-forum en: Thijs Brocades Zaalberg, ''We vormen een soort Duits bezettingsleger'': Het dagboek van een pelotonscommandant in Indonesië, 1946-1949’, in: Anita van Dissel, Jan Hoffenaar en Elsbeth Locher-Scholten (red.), Wat een vondst! Verhalen uit de geschiedenispraktijk (Amsterdam, Boom, 2020).